terug  begin  verderprepost
[p. 263]

Hoofdstuk IX.
Verspreiding van het socialistisch idee in Germaansch-Romaansch Europa.

In Germaansch-Romaansch Europa is het gedruisch van het socialisme een steeds aanzwellend geluid, lang en vast aangehouden. Bij-wijlen gelijkt het op den klank van een bazuin, de bazuin uit de ‘dies Irae’: ‘tuba mirum spargens sonum’. De vèrdragende en overal dóórdringende klank wordt uitgestooten door de arbeiders en hun leiders. De groote groepen van arbeiders in de verschillende landen van Westelijk-, Centraal- en Zuid-Europa pogen zich afzonderlijk en onderling te vereenigen, en te-zamen de stem verheffend, en hun eischen kort-af formuleerend, gedragen zij zich reeds als een macht. Wordt de eisch tot verbetering niet toegestaan, dan wordt het slechts des te meer openbaar, hoe onhoudbaar de sombere levens-toestanden van het Europa op het einde der 19de eeuw zijn. Dáár waar het niet tot openlijke worsteling komt, trekken des winters, in sneeuwjachten, zwarte scharen van zwijgende werklooze arbeiders, ‘die niets hebben wat zij eten zouden’, in onze steden langzaam voorbij onze ramen. Zij laten enkel zien hoe zij zich kunnen. aanéénsluiten. Hun optreden is een bedreiging. Want zij stellen zich overal op het standpunt van den klassen-strijd. Slechts op die wijze vormt zich allengs - naar zij meenen - onder hen een opstuwende éénheid van onverzettelijk willen, een offervaardige toegewijde beslotenheid, een onfeilbare verwachting eener betere wereld. Een gevoel van broederschap geeft hun aanvankelijk gewaarwording, straks vast geloof in de, volgens hen, naderende werkelijkheid van den omkeer onzer maatschappelijke grondslagen en der wijziging in den groei der samenleving. Op dat visoen leeren zij allen staren. Met die arbeiders, al of niet georganiseerd, protesteerende of reeds strijdende, in den regel het werk stakende, houden wij ons in dit boek echter niet op: wij geven geen volledige geschiedenis van het socialisme - dat ligt buiten ons bestek - wij behandelen slechts de socialisten voor zoover zij een stelsel verdedigden of ontwikkelden. Wij breken af dáár, waar die stelsels de massa's hebben bereikt. Ook hier in dit hoofdstuk hebben wij enkel te doen met de zoogenaamde denkers onder

[p. 264]

hen, met letterkundigen of mannen der kunst: in 't kort met de hoofden, die het socialistisch idee als een ‘monstrans’ in de hoogte houden en voor het volk laten flikkeren.

Het is waar: na den climax waartoe dat idee in zijn voortschrijdende baan is gekomen, na de tweeledige verpersoonlijking van de socialistische ontwikkeling in Marx en Bakounin, is er niet veel nieuws meer aan te toonen. De groote leiders zijn van het tooneel. De epigonen hebben het werk overgenomen. Er is binnen den kring der socialistische stelsels weinig oorspronkelijks meer, slechts des te veelvuldiger weêrkaatsing van het vroegere. Toch laat soms de prisma-flikkering allerlei nieuwe combinaties van kleuren toe. Eigenaardig is het, bij voorbeeld, hoe hier en dáár valt waar te nemen een verbinding van de kunst met het socialisme, of liever een opheffing der groote verwijdering tusschen industrie en kunst die sinds de afschaffing van het gilden-wezen en de verbreking der oude gilden-wetten regel der maatschappij was geworden. In de tweede plaats is dan van beteekenis de poging, die de Kerk, vooral de catholieke Kerk, doet om binnen het sociale vraagstuk in te grijpen. Doch overigens teert men veelal op het oude. Het arbeiders-socialisme heeft in Germaansch-Romaansch Europa, als dogma, zich vastgezet in twee richtingen: het Marxistische collectivisme en het anarchisme, en tusschen de lijnen dier richtingen zoeken nu de leiders nog verder telkens één der beide stelsels te ontwikkelen. De bindende gesp of stalen veêr, die deze twee systemen of gelooven moest samenhechten, ontbreekt. De stelsels blijven op zichzelf voortleven en voortwerken. In hun streven naar rechtvaardigheid en broederschap, in hun drang om te-gemoet te komen aan de klacht der armen en ellendigen, in hun uitingen van hartstocht en verontwaardiging, waar zij den harteklop van het volksleven in eigen boezem voelen trillen en dreunen, zullen wij achteréénvolgens bij de drie hoofd-landen van Europa (Duitschland, Frankrijk en Engeland) de personen dier hedendaagsche socialistenleiders - hetzij dan collectivisten, anarchisten of eenvoudig-weg socialisten - even nog in oogenschouw nemen. Natuurlijk, als in vogelvlucht.

prepostterug  begin  verder