Wij beginnen met Duitschland,
In ons hoofdstuk over Marx, bladz. 474 en volgende van het vijfde deel der ‘Socialisten’, hebben wij uitvoerig beschreven, hoe, onder leiding vooral van Liebknecht en Hasenclever, de Duitsche sociaal-democratische partij als een éénheid zich vestigde en organiseerde op het congres van Gotha in 1875. De inwendige kracht en de te-zamenhang dier machtige partij werd nu door Bismarck zelf, met zijn socialisten-wet van 1878, gestaald. Toen die wet in September 1890 verviel, kon de Duitsche sociaal-democratische
partij, die tot nu toe in Zwitserland en in Denemarken haar jaarlijksche vergaderingen had moeten houden1), voor het eerst weder in Duitschland haar congres doen bijéénkomen. Het werd het congres van Halle van October 1890. Dit congres was als het ware een verkenning in eigen boezem, een zelf-onderzoek der partij. De eenigszins dictatorale macht, die, tijdens het heerschen van de socialisten-wet, uit den aard der zaak door de fractie der leden van den Rijks-dag was uitgeoefend, werd opgeheven. Een nieuwe organisatie van partij en bestuur werd ingesteld.
In de partij bleek reeds een nuanceering van drie denkbeelden te zijn. De macht berustte bij de oude hoofden: Liebknecht en Bebel, die zich steeds berieden met den zeer rijken Joodschen koopman en winkelier (in mantels voor dames) Paul Singer uit Berlijn (meestal voorzitter der congressen)2), en met den schranderen Beierschen zadelmaker, lid van den Rijksdag, Ignaz Auer3). Zij vormden de midden-partij. Ter-rechterzijde zaten min of meer tot Staats-socialisme overhellende partij-genooten, die allereerst de beweging wilden doen strekken om zich van den Duitschen Staat meester te maken. Zij werden aangevoerd door den Beierschen ‘vrijheer’ Georg von Vollmar, invalide officier uit den oorlog van 1870/71, die, sinds dien tijd gehuwd met een vermogende Zweedsche dame, meestal op een fraaie villa aan den oever van het Walchenmeer in Boven-Beieren woont; een kalm, bij uitstek parlementair spreker. Hij werd vooral ter-zijde gestaan door den forschen frisch-geluimden slotenmaker Karl Grillenberger uit Neurenberg, die in October 1897 is overleden4). De linkerzijde werd gevormd door de jongeren. Deze laatsten wilden sterker vooruit dan Liebknecht en Bebel wenschelijk rekenden. Zij wenschten desnoods den revolutionnairen weg te betreden. Zij werden vertegenwoordigd door den aan de universiteit gepromoveerden
Bruno Wille en door Werner, een Berlijnsch typograaf1). Zij traden nog al laatdunkend op, beschuldigden de ouden te-veel water in den sociaal-democratischen wijn te mengen, met het revolutionnaire beginsel te transigeeren, den weg van het opportunisme en possibilisme te zijn opgegaan, en zich een dictatoriaal gezag te hebben aangematigd. Berlijn was de bakermat van deze aanvallers. Hun grieven vonden echter eerst geen grooten weêrklank. - De belangrijkste taak, die de partij thans te doen had, was het voorbereiden van een nieuw programma, dat in de plaats zou kunnen komen van het Gothasche programma van 1875, 't welk toch eigenlijk slechts een compromis was geweest tusschen de Lassalleanen en de volgers van Marx. Het ontwerpen van dat nieuwe programma, dat op den partij-dag van 1891 zou worden vastgesteld, werd aan het bestuur, waarvan Liebknecht adviseerend lid was, opgedragen. Liebknecht-zelf had reeds in de vergadering te Halle van 1890 een lange beoordeeling en kritiek van dat programma van Gotha ten-beste gegeven, waarin hij erkend had, dat de zoogenaamde ijzeren loon-wet van Lassale niet bestand was gebleken tegen het wetenschappelijk onderzoek. Voorts had hij daarbij ontwikkeld, dat iedere godsdienstige overtuiging als een persoonlijke zaak (‘Privatsache’) moest worden geëerbiedigd. Hij verklaarde evenmin met de ‘Pfaffenfresser’ te zijn ingenomen als met de geestelijkheid-zelve2).
Op het congres te Erfurt in 1891 zou het nieuwe programma worden vastgesteld. Het ontwerp, door Liebknecht vooral samengesteld, werd maanden te-voren reeds aan de publieke discussie der Duitsche sociaal-democratische bladen en organen onderworpen3). Het was thans gezuiverd van al het eenigszins troebele bij-mengsel, dat men in het Gothasche programma had moeten opnemen, ten-einde de partij van Lassalle te winnen. Ditmaal zou het een zuiver collectivistisch programma zijn, steunende en oprijzend op het oude Communistisch Manifest van 1847. Al de bitse en scherpe opmerkingen, die Marx weleer had gemaakt op het stuk van het jaar 1875, en die toen ter-wille van den vrede en der verzoening geheim waren gehouden, werden nu ter-harte genomen. Van de ijzeren loon-wet van Lassalle zou niet meer worden gewaagd. Evenmin van de coöperatieve productie-vereenigingen met Staats-hulp. Marx
had zich in 1875 geërgerd - zie bladzijde 478 van het vijfde deel der ‘Socialisten’ - dat in het Gothasche programma werd verklaard, dat tegenover de arbeiders-klasse alle andere klassen slechts ééne reactionnaire massa zouden zijn. Ook dit werd thans weggelaten. Kortom het was de zuivere leer van Marx, die thans het fundament der Duitsche sociaal-democratie zou wezen. Vóórdat op het congres, dat nu van 14 tot 20 October 1891 te Erfurt gehouden werd, het programma aan de orde kwam, had de domineerende groep van Liebknecht, Bebel, Singer en Auer nog eerst een hartstochtelijken strijd te voeren met de linker- en rechterzijde van het congres. De strijd met de ter-linkerzijde zittende jongeren liep over de questies van tactiek. De oppositie dier jongeren - meestal uit Berlijn, ditmaal vooral geleid door den typograaf Werner en den behanger Wildberger - wilde meer revolutionneeren, doch maakte geen schitterend figuur. Slechts de Maagdenburger journalist Lux, doctor in de wis- en de natuurkunde, wist aan hun bezwaren soms een goeden vorm te geven. Tegen den leider der rechterzijde, von Vollmar, die in enkele opzichten verwachtingen meende te mogen koesteren van het Staats-socialisme, dat in de officieele regeerings-kringen van het Rijk werd gehuldigd, en die het zelfs waagde zekere ingenomenheid te betuigen met het politiek drievoudig verbond van Duitschland, Oostenrijk en Italië, werd luide geprotesteerd. Toen die inwendige strijd in het congres was ten-einde gebracht, werd het ontwerp-programma bij acclamatie vastgesteld1). Daar het de grondslag is van de tot nu toe machtigste socialistische partij van Europa, meenen wij het Erfurtsche programma in zijn geheel hier te moeten opnemen. Het luidt aldus:
De economische ontwikkeling der burgerlijke maatschappij leidt noodzakelijk tot den ondergang van het klein bedrijf, hetwelk zijn grondslag vindt in des arbeiders bijzonderen eigendom van zijn productie-middelen. Zij scheidt den arbeider van zijn productie-middelen af, en verandert hem in een niet-bezittenden proletariër, terwijl de productie-middelen het monopolie worden van een betrekkelijk gering aantal kapitalisten en groote grond-bezitters.
Hand in hand met deze monopoliseering der productie-middelen gaat de verdringing der versnipperde kleine bedrijven door zeer groote ondernemingen, gaat de ontwikkeling van het werktuig tot de machine, gaat een reusachtige toeneming der productiviteit van den menschelijken arbeid. Doch alle voordeelen dezer vervorming
worden door de kapitalisten en door de groote grond-bezitters gemonopoliseerd. Voor het proletariaat en voor de naar beneden zinkende midden-in zich bevindende lagen - kleine burgers en boeren - beteekent zij toenemende vermeerdering der onzekerheid van het bestaan, der ellende, der onderdrukking, der dienstbaarheid, der vernedering, der uitzuiging.
Steeds grooter wordt het aantal der proletariërs, steeds uitgebreider het leger der overbodige arbeiders, steeds scherper de tegenstelling tusschen exploiteerenden en geëxploiteerden, steeds verbitterder de klassen-strijd tusschen ‘bourgeoisie’ en proletariaat, die de moderne maatschappij in twee vijandelijke legers splitst en het gemeenschappelijk kenmerk van alle industrieele landen uitmaakt.
De afgrond tusschen bezittenden en niet bezittenden wordt nog vergroot door de in den aard der kapitalistische wijze van voortbrenging liggende crisissen, welke steeds omvangrijker en schadelijker worden, de algemeene onzekerheid tot den normalen toestand der maatschappij maken, en het bewijs leveren, dat de productieve krachten aan de hedendaagsche maatschappij boven het hoofd zijn gegroeid, dat de bijzondere eigendom van productie-middelen onvereenigbaar is geworden met hun doeltreffende aanwending en volledige ontwikkeling.
De bijzondere eigendom van productie middelen, welke voorheên het middel was om den voortbrenger den eigendom aan zijn product te verzekeren, is thans het middel geworden om boeren, handwerkers en klein handelaren te onteigenen, en de niet-arbeiders - kapitalisten, groote grond-bezitters - in het bezit van het product van de arbeiders te stellen. Slechts de vervorming of overgang van den kapitalistischen bijzonderen eigendom van productie-middelen - den grond, mijnen en groeven, grondstoffen, werktuigen, machines, middelen van verkeer - in maatschappelijken eigendom, en de overgang der warenproductie in socialistische voor en door de maatschappij gedreven productie, kan bewerken, dat het bedrijf op groote schaal, en de steeds toenemende productiviteit van den maatschappelijken arbeid, voor de tot dusver geëxploiteerde klassen in plaats van een bron van ellende en onderdrukking tot een bron der hoogste welvaart en van algemeene harmonische volmaking zal worden.
Deze maatschappelijke vervorming beteekent de bevrijding, niet alleen van het proletariaat maar der geheele menschheid, die onder de tegenwoordige toestanden lijdt. Deze bevrijding kan echter slechts het werk der arbeiders-klasse zijn, omdat alle andere klassen, niettegenstaande haar onderlinge geschillen, op de basis staan van den bijzonderen eigendom aan productie-middelen, en het behoud van de grondslagen der tegenwoordige maatschappij tot gemeenschappelijk doel hebben.
De strijd der arbeiders-klasse tegen de kapitalistische uitzuiging is noodzakelijkerwijze een staatkundige strijd. De arbeidende klasse kan zonder staatkundige rechten haar economischen strijd niet voeren en haar economische organisatie niet verwezenlijken. Zij kan den overgang der productie-middelen in het bezit der gemeenschap niet tot stand brengen, zonder in het bezit der staatkundige macht te zijn geraakt.
Dezen strijd der arbeiders-klasse tot een bewusten en van één plan uitgaanden kamp te vervormen, en hem zijn noodwendig doel aan te wijzen - dat is de taak der sociaal-democratische partij.
De belangen der arbeiders-klasse zijn in alle landen met kapitalistische wijze van voortbrenging dezelfde. Met de uitbreiding van het wereld-verkeer en der productie voor de wereld-markt wordt de toestand der arbeiders van elk land steeds meer afhankelijk van den toestand der arbeiders in de andere landen. De vrijmaking der arbeiders-klasse is dus een werk, waarbij de arbeiders van alle beschaafde landen gelijkelijk belang hebben. In deze betuiging gevoelt en verklaart Duitschlands sociaal-democratische partij zich één met de arbeiders van alle overige landen, die zich van hunne klasse bewust zijn.
Duitschlands sociaal-democratische partij voert dus geen strijd voor nieuwe klassen-voorrechten, maar voor de opheffing der klassen-heerschappij en der klassen-zelven, alsmede voor gelijke rechten en gelijke plichten van allen, zonder onderscheid van geslacht of van afstamming. Van dit standpunt bestrijdt zij in de tegenwoordige maatschappij niet slechts de exploitatie en de onderdrukking der loon-arbeiders, maar elken vorm der exploitatie en der onderdrukking, onverschillig of deze tegen een klasse, een partij, een geslacht of een ras is gericht.
Van deze hoofdbeginselen uitgaande, eischt Duitschlands sociaaldemocratische partij in de naaste toekomst (‘zunächst’):
1. Algemeen gelijk, rechtstreeksch en geheim kies- en stem-recht van alle ingezetenen boven 20 jaren, zonder onderscheid van geslacht; een evenredig kies-stelsel, en tot de invoering daarvan wettelijke nieuwe indeeling der kies-districten na elke volks-telling; tweejaarlijksche aftreding der wetgevende lichamen; de verkiezingen en stemmingen op een wettelijken rustdag te stellen; schadeloosstelling voor de afgevaardigden; opheffing van elke beperking der staatkundige rechten behalve bij onder-curateele-stelling.
2. Rechtstreeksche wetgeving door het volk volgens het recht van initiatief en het referendum; zelfbepaling en zelfbestuur des volks in rijk, staat, provincie en gemeente; verkiezing der overheid door het volk, verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid der overheid; jaarlijksche bewilliging der belastingen.
3. Opleiding tot algemeene weerbaarheid; volks-weerbaarheid in de plaats der staande legers; beslechting over oorlog en vrede door de volks-vertegenwoordiging; beslechting van alle internationale geschillen langs den scheidsrechterlijken weg.
4. Afschaffing van alle wetten, waardoor de vrije uiting van gedachte en het recht van vereeniging en vergadering worden beperkt of onderdrukt.
5. Afschaffing van alle wetten, waardoor de vrouw staats- of burger-rechtelijk beneden den man wordt gesteld.
6. De godsdienst moet de zaak zijn van ieders persoonlijke over-
tuiging. Afschaffing van elke besteding van door allen bijééngebrachte gelden voor kerkelijke en godsdienstige doel-einden. De kerkelijke en godsdienstige gemeenschappen moeten als bijzondere vereenigingen worden beschouwd, die haar aangelegenheden volkomen zelfstandig regelen.
7. Neutraliteit der school; verplicht bezoek der openbare volks-scholen; kosteloosheid van het onderwijs, van de leermiddelen en van de opleiding in de openbare volks-scholen, alsmede in de hoogere scholen voor die mannelijke en vrouwelijke scholieren, die blijkens hun aanleg en bekwaamheid voor hoogere ontwikkeling geschikt worden geacht.
8. Kostelooze rechts-spraak enrechts-bijstand; rechts-spraak door bij volks-stemming gekozen rechters; hooger beroep in strafzaken; schadeloos-stelling voor onschuldig aangeklaagden, preventief in hechtenis genomenen en veroordeelden; afschaffing der dood-straf.
9. Kostelooze geneeskundige hulp, verloskundige bijstand en geneesmiddelen hieronder begrepen; kostelooze begrafenis.
10. Trapsgewijze klimmende inkomsten- en vermogens-belasting ter bestrijding van alle openbare uitgaven, zoover zij door belastingen moeten worden gedekt; verplichting tot eigen aangifte van inkomen en vermogen; successie-recht trapsgewijze klimmend in verhouding tot het bedrag der nalatenschap en den graad der verwantschap; afschaffing van alle indirecte belastingen, tollen en andere economisch-politieke maatregelen, waardoor de belangen der gemeenschap aan dié eener bevoorrechte minderheid worden opgelegd.
Ter bescherming der arbeiders-klasse eischt Duitschlands sociaaldemocratische partij in de naaste toekomst (‘zunächst’):
| 1. | Een doelmatige nationale en internationale arbeiders-beschermings-wetgeving op de volgende grondslagen:
|
||||||||||
| 2. | Toezicht op alle bedrijven; onderzoek en regeling der arbeidsverhoudingen in stad en land door een rijks-arbeids-bureau, provinciale arbeids-bureaux en arbeids-kamers; ingrijpende bedrijfs-hygiëne. | ||||||||||
| 3. | Wettelijke gelijkstelling der landbouw-arbeiders en der dienstboden met de overige arbeiders; opheffing der verordeningen voor de dienstboden. | ||||||||||
| 4. | Bevestiging van het coalitie-recht. | ||||||||||
| 5. | Overneming der geheele arbeiders-verzekering door het rijk, met toongevende medewerking der arbeiders aan het beheer. |
Na het congres te Erfurt in 1891 hadden in de negentiende eeuw
nog plaats, altijd in de maand October, het congres van Berlijn in 1892, dat van Keulen in 1893, dat van Frankfort a/M. in 1894, dat van Breslau in 1895, dat van Gotha in 1896, dat van Hamburg in 1897, dat van Stuttgart in 1898, en dat van Hannover in 1899. Wij kunnen natuurlijk niet al de beraadslagingen dier congressen hier volgen. Nu het programma voor-goed te Erfurt was vastgesteld, waren uit den aard der zaak in 't begin de punten van tactiek de groote twist-punten. Telkens liepen de jongeren storm tegen de meer bezadigde houding van Liebknecht, Bebel en Singer, die het heft der partij in handen hadden; telkens werden zij echter afgeslagen.
Slechts twee eenigermate meer principieele questies schoven, onder deze heên en weder slingerende opvattingen over beleid en practisch optreden, spoedig zich naar voren en moesten dus op de congressen in debat worden gebracht: beide keeren gold het de houding van von Vollmar en van de Zuid-Duitsche socialisten.
Reeds dadelijk toch, en wel op het congres van Berlijn van het jaar 1892, drong het vraagstuk van het Staats-socialisme zich op den vóórgrond. De questie lag dieper nog dan de min of meer gedempte goedkeuring, die von Vollmar scheen te geven aan enkele rijks-wetten en rijks-maatregelen in de richting zooals zij door Bismarck en aanvankelijk door den nieuwen Duitschen keizer werden toegepast. Het gold eigenlijk den strijd tusschen het stelsel van Marx en den gedachten-kring van Rodbertus. Zooals Marx de ware stichter is der Duitsche sociaal-democratie, is Rodbertus de grondlegger van het Duitsche Staats-socialisme. De ware kenmerkende karakter-trek van dat Staats-socialisme is - zooals wij vroeger uitvoerig hebben betoogd - dat het een krachtig monarchaal Staats-gezag eischt, onafhankelijk van de partijen en de klassen, sterk genoeg om aan den klassen-strijd een einde te maken. Maatschappelijke vrede, verzoening der sociale klassen is het doel. Het middel ligt in de heerschappij van het monarchaal gezag over de klassen, aan welke elk het hare van overheids-wege wordt toebedeeld. Het proletariaat moet op zijn beurt mede aanvaarden, hetgeen de Staat - die het recht en de éénheid van allen vertegenwoordigt - over dat proletariaat beschikt. Het Staats-socialisme van een Rodbertus wil dus het onderscheid der klassen niet opheffen, maar den klassen-strijd tusschen kapitalisten en proletariaat door Staats-tusschenkomst of -gezag doen eindigen. Aangezien dit gezag echter niet in de lucht kan hangen, moet het op een klasse zijn gevestigd, en deze kan natuurlijk slechts die zijn, welke, althans theoretisch, buiten die beide strijdende klassen staat: de klasse der grond-bezitters. Kan nu de Staat zich aldus doen gelden, dan worden alle standen tot regel en orde gebracht. Het grond-bezit krijgt zijn vaste taak. De kapitalisten worden een soort hoogere ambtenaren, die onder toezicht of centralisatie van den Staat de voortbrenging leiden, en daarvoor hun aandeel in de winst ontvangen. De arbeiders werken aan die voortbrenging, en zijn aan den Staat, als aan een boven den werkman geplaatste macht, onderworpen. Lijnrecht stond deze gedachten-kring tegenover die van Marx.
Toen het scheen, dat von Vollmar enkele gevolg-trekkingen dier richting van Rodbertus niet geheel en absoluut verwierp, en hij, hoewel hij den vorm van die van rijks-wege toegepaste denkbeelden veroordeelde, toch geen bepaald onvriendelijke houding scheen aan te nemen tegen het wezen dier van ‘hoogerhand’ toegestane concessiën, moest de questie op een congres worden uitgevochten. Het congres belastte zich met die taak en von Vollmar erkende nu te-vèr te zijn gegaan. Met aller instemming werd het volgende besluit genomen: ‘De algemeene vergadering verklaart, dat de sociaal-democratie met het zoogenaamde Staats-socialisme niets gemeen heeft. Dat stelsel wil, zoover het met de uitbreiding der Staats-benoeming fiscale doel-einden najaagt, den Staat in de plaats zetten der bijzondere kapitalisten en hem de macht toekennen, het arbeidende volk het dubbele juk der economische onderdrukking, en der staatkundige slavernij op te leggen. Het zoogenaamde Staats-socialisme, zoover het zich met maatschappelijke hervorming of verbetering van den toestand der arbeidende klassen bemoeit, is een stelsel van half-slachtigheden, dat zijn ontstaan aan vrees voor de sociaal-democratie heeft te danken. Het heeft ten doel, door kleine concessiën en verschillende palliatieven de arbeidende klassen van de sociaal-democratie te vervreemden en deze daardoor vleugel-lam te maken. De sociaal-democratie heeft het nooit versmaad zulke maatregelen van Staats-wege uit te lokken, of - als zij van een anderen kant waren uitgegaan - te steunen, welke onder het tegenwoordige economische stelsel verheffing van den toestand der arbeidende klasse zouden kunnen bewerken. Zij beschouwt echter dergelijke maatregelen slechts als geringe betalingen op afslag, welke haar streven naar den nieuwen vorm van Staat en maatschappij nimmer op een dwaalspoor mogen brengen. De sociaal-democratie is uit haren aard revolutionnair, het Staats-socialisme conservatief. Sociaal-democratie en Staats-socialisme zijn onverzoenlijke tegenstellingen’1).
De tweede questie, die min of meer een beginsel raakte, werd behandeld op het congres van Frankfort a/M. in 1894. Het gold de propaganda van de sociaal-democratie onder de boeren en op het platteland. De congres-leden uit Noord-Duitschland, als wier orgaan thans Bebel sprak, bleken van oordeel te zijn, dat ook voor de landlieden op het platteland moest worden gepredikt gemeenmaking van kapitaal maar ook van den grond. Daartegen kwam nu namens de Zuid-Duitsche leden von Vollmar op. Krachtig werd hij in die oppositie gesteund door den kundigen journalist dr. Schoenlank2). Zij namen hier het standpunt in dat -
- zooals wij later zullen zien - ook door de Fransche leiders van het socialisme werd verdedigd. Men moest (zóó redeneerden Vollmar en Schoenlank) aan de landlieden niet het vooruitzicht openen, dat de sociaal-democratische instellingen allen grond-eigendom zou opheffen. Want alsdan geeft de kleine boer de voorkeur aan den bestaanden toestand. De tactiek brengt mede, de afschaffing van den grooten grond-eigendom te bepleiten met beschikbaarstelling van dezen eigendom ten-gunste van vereenigde kleine landbouwers1). ‘Wij zijn - aldus sprak von Vollmar - geen Blanquisten, die zich in staat rekenen de sociale omwenteling met een vastberaden minderheid te kunnen verwezenlijken; wij willen zelfs geen omwenteling, maar beweren onze denkbeelden door den wil der meerderheid te kunnen toepassen als echte democraten’. Voorts werd in 't licht gesteld hoe Berlijnsche propagandisten, die in de steden met goeden uitslag waren opgetreden, ten plattelande fiasco hadden gemaakt; hoe zij hetgeen voor stedelijke fabrieks-arbeiders paste, rauwelijks hadden overgebracht in landelijke boeren-kringen, die hun afkeuring niet luidruchtig plegen te uiten, maar die niettemin later bleken van deze denkbeelden in 't geheel niet gediend te zijn; hoe eindelijk zulke propagandisten geheel en al over 't hoofd hadden gezien, dat het ontwikkelings-peil van streken beoosten de Elbe en van gewesten aan den Rijn waarlijk niet op één lijn kon worden gesteld. - Het resultaat der discussie was, dat, in tegenstelling met het advies van Bebel en zijn vrienden, die ook ten plattelande de opheffing van allen bijzonderen grond-eigendom wilden voorstaan, de Zuid-Duitsche oppositie wist te verkrijgen, dat er een commissie zou worden benoemd, aan welke de samenstelling van een rapport over de propaganda onder de boeren werd opgedragen. Vollmar en Schoenlank kregen met Bebel in die commissie zitting. Het opportunisme van bezuiden den Main behaalde hier een niet onbelangrijke zege2).
Een zegepraal die echter slechts van tijdelijken aard zou blijken te zijn, niettegenstaande het aanvankelijk succes. Wel wist werkelijk von Vollmar Bebel nu tot zijn zienswijze over te halen. Toen in October 1895 het congres der sociaal-democratische partij ie Breslau zou worden gehouden, diende de op het congres van Frankfort benoemde commissie reeds eenige maanden te-voren haar rapport in. Het was een volledig agrarisch programma dat door haar was ontworpen. Blijkbaar had de commissie zich op dit ééne standpunt gesteld: hoe krijgen wij de landbouwende be-
volking, die een machtige partij gaat vormen, op onze zijde? Friedrich Engels had van zijn zijde daartoe den wenk gegeven. ‘De verovering der staatkundige macht - zóó sprak hij in “Die neue Zeit”, 1894/95, Band I, pag. 293 - is het werk der niet meer vèr liggende toekomst. Om echter deze staatkundige macht te kunnen veroveren, moet onze partij eerst van de stad op het land gaan, moet zij een macht worden op het platteland’. Met dit doel voor oogen ging dus de commissie eischen formuleeren in het bijzonder belang der kleine landbouwers, opdat deze de rangen der socialisten zouden komen versterken, en de sociaal-democratische partij tot de heerschende partij in Duitschland maken. Daarom stelde de commissie een toevoegsel voor aan de eischen, die in het tweede (practische) deel van het Erfurter programma waren opgesomd. De voornaamste dier nadere eischen waren de volgende: ‘instandhouding en vermeerdering van den hier en dáár nog bestaanden gemeenschappelijken grond-eigendom; overdracht van allen eigendom in de doode hand, ook van alle bosschen, enz. aan den Staat onder toezicht der volks-vertegenwoordiging; afschaffing van alle voorrechten, nog aan den grond-eigendom verbonden, als daar zijn recht op vertegenwoordiging in besturen, vrijdom van belasting, patronaats-rechten, enz.; opheffing zonder schadeloos-stelling van alle nog overgebleven heerlijke rechten of daaruit voortvloeiende lasten en verplichtingen; invoering van een recht van voorkeur voor de gemeenten bij gedwongen verkoop van landerijen; bebouwing van den aan Staat en gemeente toebehoorenden grond voor eigen rekening of door verpachting aan vereenigingen van land-arbeiders en van kleine boeren, of, voor zoover het een en ander onpractisch blijkt, verpachting aan arbeiders die zelven den grond zouden bewerken, onder toezicht van Staat of gemeente; voorschotten van Staats-wege aan vereenigingen op volstrekt gemeenschappelijken grondslag, of aan gemeenten voor grond-verbetering, afwatering of water-voorziening; overneming van onderhoud en aanleg van alle openbare verkeers-wegen te land en te water, ook van water-leidingen, dijken en water-keeringen voor rekening van den Staat of van het rijk; overneming van alle hypotheken door den Staat, verlaging der Staats-hypotheek-rente tot den kostenden prijs van het geld, dat de Staat zou moeten opnemen; overneming door den Staat van het geheele verzekeringswezen van roerende en onroerende goederen tegen brand, hagel, water-schade, sterfte en ziekte van vee; uitbreiding der verzekering tot alle takken van bedrijf welke daarvoor vatbaar zijn; Staats-hulp in geval van rampen, ten-gevolge van verwoesting door hagelslag, misgewas, overstrooming, vee-ziekte, enz.; instandhouding en uitbreiding van weide- en bosch-rechten, met waarborg van gelijke rechten voor alle leden der gemeente; vrijheid van jachtrecht op eigen of gepachten grond; voorkoming van schade door jacht of door het wild, en volledige vergoeding waar zulke schade zou worden geleden; voorts oprichting van een voldoend aantal kostelooze landbouw-scholen, model-hoeven en proef-stations; uitbreiding der arbeids-wetgeving tot den landbouw; kamers van
arbeid voor alle arbeiders bij den landbouw betrokken; uitbreiding van bestaande rijks-verzekering tot alle loon-trekkende personen ook bij den landbouw’.
Het was een alleropmerkelijkst programma, dat zeker in de toekomst nog wel diensten zal doen. Niet alleen Bebel, maar ook Liebknecht had er zich mede vereenigd. De oude ‘garde’ der partij zag blijkbaar in, dat met dit programma zekere practische voordeelen te behalen waren. Toch kwam tegen dit programma een geweldige tegenstand uit den boezem der eigen partij opzetten. De beste pennen der jongere doctrinaire generatie - wel te onderscheiden van de hierboven vermelde geavanceerden - wij noemen Karl Kautsky, den redacteur van ‘Die neue Zeit’, en Max Schippel, bekend door zijn boek van 1889 ‘Das moderne Elend und die moderne Uebervölkerung’, leid'den den aanval. Zij beweerden dat dit programma in 't geheel niet paste in het systeem van het tweede deel van het Erfurter programma. De eischen in dat tweede deel vervat - maatregelen voor de naaste toekomst - waren ook wel is waar niet specifiek socialistisch: men kon deze Erfurtsche eischen onderschrijven, mede-werken aan hunne verwezenlijking, zonder sociaaldemocraat te zijn; doch deze eischen hielden toch niets in wat strijdig was met de grondstelling waarvan de sociaal-democratie uitging, te weten: gemeenschappelijk beheer van alle voortbrengings-middelen en gemeenschappelijke voortbrenging. Vergeleek men bij die punten van het tweede deel van het Erfurter programma de nieuw voorgestelde agrarische eischen, dan zag men een samenvatting van maatregelen, die, ja, aan de kleine landbouwers hulp zouden brengen, maar die te-gelijkertijd aan de eigenlijke grond-eigenaars ten-goede zouden komen. Met andere woorden: men hield de voordeelen van den grond-eigendom door deze maatregelen in stand. De scherpe tegenstelling tusschen het oude Erfurtsche strijd-programma en deze agrarische voorstellen was de volgende. Het oude strijd-programma wendde zich enkel tot de bezit-loozen en zeide tot hen: in het tegenwoordig stelsel van voortbrenging is ons doel niet te bereiken; wij moeten ons bepalen om u strijdvaardig te maken. De nieuwe voorstellen voegden echter de belangen der eigenaars samen met die der bezit-loozen: om de kleine hulpbehoevende landbouwers te helpen, bestendigden zij den eigendom. Die antithese werd nu op het congres van Breslau door de beste sprekers, over en weder, uitgewerkt. Het werd een strijd tusschen tactiek (propaganda der partij) en ‘doctrine’. De oude leiders - Liebknecht en Bebel - waren aan de zijde der tactiek. Zij begrepen, dat zij enkel met de hulp van alle verdrukten tot de Staats-macht, die zij behoefden, konden geraken. Zij waren dus werkelijk bereid water in den wijn te doen. Doch de ‘doctrine’ won het op het congres. Met 158 tegen 63 stemmen werd een motie van Kautsky aangenomen, waarvan de voornaamste overwegingen als volgt luid'den1):
‘Het door de commissie voorgestelde agrarische programma moet worden verworpen, wijl het aan de boeren de verbetering van hun toestand door eene versterking van den bijzonderen eigendom doet hopen: het programma stelt op den vóórgrond, dat het proletariaat in de tegenwoordige maatschappij belang zou hebben bij goede bebouwing van den grond: doch onder de heerschappij van bijzonder eigendom is, in landbouw zoowel als in industrie, al het voordeel van betere voortbrenging voor de eigenaars der voortbrengingsmiddelen; ook geeft het programma aan den Staats-exploitant (“Ausbeuterstaat”) nieuwe macht; verder stelt het aan dezen Staat eischen, welke slechts dàn verwezenlijkt kunnen worden, wanneer het proletariaat de volledige Staats-macht zou bezitten. De vergadering erkent, dat voor de ontwikkeling der sociaal-democratie op het platteland de bijzondere belangen van den landbouw afgescheiden van die der nijverheid moeten worden nagegaan, en noodigt het bestuur uit een aantal personen aan te wijzen, die de agrarische vraagstukken zullen bestudeeren en daarover geschriften voor de partij zullen uitgeven’1).
Overigens werden op die congressen allerlei aangelegenheden besproken die de partij troffen. Van belang was bij voorbeeld de discussie, die op het congres van Keulen in 1893 (en op het congres van Mannheim in 1906) werd gehouden over de houding welke de Duitsche sociaal-democratie moest aannemen met betrekking tot de vak-vereenigingen, de ‘Gewerkschaftsbewegung’, zooals men dat in Duitschland noemt. Met leedwezen werd geconstateerd, dat de ontwikkeling van de vak-vereenigingen verre achter was gebleven bij de politieke ontwikkeling der Duitsche werklieden. Toch was het dringend noodig op dit gebied het voorbeeld der Engelsche werklieden te volgen. Het roekeloos beginnen en hopeloos voortzetten van werkstakingen was een wapen dat vooral de werklieden wondde. Er moest bij dit alles beleid en overleg gebezigd worden. Den partij-genooten werd dringend aan 't hart gebonden, voor het juist inzicht der beteekenis van de organisatie der vak-vereenigingen te werken en met alle kracht voor de versterking dier organistie zich aan te gorden2).
Intusschen was het duidelijk, dat het gewicht der discussies op de congressen iets afnam. De inhoud der debatten op het congres van Gotha in 1896 - dat min of meer een terugslag had moeten zijn van het vermaard congres van 1875 - was zelfs vrij onbeduidend. Persoonlijke en andere twisten met de jongere elementen, die de oude leiders beschuldigden van te groote gematigdheid, bleven alléén slechts de debatten kruiden. De beteekenis van die Duitsche congressen scheen, veel meer dan in de discussie van
problemen, toch eigenlijk daarin te liggen, dat zij telkens gelegenheid gaven om de kracht der partij te wegen en te meten. Het werden op die manier louter wapenschouwingen. Zij hielpen stevig mede om de tucht in de partij te bevestigen. Niemand, die éénmaal was toegetreden, mocht uit den band springen. Men bleef in 't harnas, en slechts tegenover de partij-genooten kon men 't vizier oplichten. Allen, die er kwamen, vertelden van de verdrukking, die zij in de economische maatschappij hadden ondervonden. Het leed werd dan gemakkelijker gedragen, en de blijmoedigheid der partij boette niet in, terwijl zij sterk vooruitging, en steeds scharen van ontevredenen in haar gelederen kon opnemen. Straks waren zij allen bereid den zwaren hefboom van Marx's logica op de hedendaagsche samenleving te doen inwerken. De zuigpompen van het collectivisme werden geplaatst, gericht en in gang gezet. Altijd met dit onderscheid, dat de partij in Zuid-Duitschland veel minder doctrinair optrad dan in Noord-Duitschland, en soms, een enkele keer, aldaar neiging toonde als een uiterste, zeer uiterste vleugel van een linkerzijde der burgerlijke partijen zich te gedragen.
Zóó scheen alles regelmatig binnen vaste lijnen in de Duitsche sociaal-democratische partij zich te bewegen, toen eensklaps in 1898 en 1899 een beginsel-questie werd gesteld, die de grondslagen-zelven van de Duitsche sociaal-democratie raakte. Het was de oude Bernstein, de redacteur van den vroegeren Zürichschen, later Londenschen, ‘Sozial-democrat’ - zie het vijfde deel der ‘Socialisten’ pag. 482 - die den strijd aanbond en de Revisie der dogma's van het Marxisme voorstelde. In Engeland steeds als balling levende, zag hij de ontwikkeling van de arbeidersklasse nog met andere oogen aan dan zijn in Duitschland wonende vrienden en geestverwanten. Hij had, toen zijn krant of weekblad in 1890 ophield - wijl sinds het intrekken der Duitsche socialisten-wet de behoefte aan een buitenlandsche krant voor de Duitsche socialisten van-zelf verviel - nieuwe scherpzinnige studiën geleverd over beginselen en belangen der Duitsche sociaal-democratie. Te-gelijkertijd had hij volgens opdracht der partij een goede volledige uitgave bezorgd der geschriften en redevoeringen van Lassalle. Doch in al zijn opstellen, die meestal in het tijdschrift ‘Die neue Zeit’ verschenen, was altijd op te merken, een zoeken en trachten om het te straffe gareel van het stelsel van Marx te breken. Hij herinnerde zich wellicht oude lessen van Dühring. Hij wilde waken, dat het socialisme voor Duitschland zich zou vervormen tot een streng onbeweeglijk autoritair en doctrinair systeem, tot een dogmatiek van vaste regels waaraan niet te tornen zou zijn. In de verste verte helde hij niet over tot het anarchisme, maar hij wilde ook en vooral in het socialisme ‘vrijheid van onderzoek’ opeischen en redden. Het feit aannemende dat het boek van Marx over het Kapitaal het ‘heilige boek’ voor de Duitsche socialisten was, wilde hij aantoonen, dat dit boek, bij al zijn onmiskenbare verdiensten, toch leed aan enkele fouten van systeem en hier en dáár te haastige conclusies. Marx had inderdaad niet voor-goed de
ontwikkelings-wetten der kapitalistische maatschappij ontdekt. Ook hij had, in zijn schijnbaar langs inductieven weg gevonden, doch in het wezen der zaak aprioristische wetten, evenzeer soms gedwaald als in de theorieën, waaruit zij zijn afgeleid. De fouten hingen samen met een drang en begeerte van Marx, om de resultaten van zijn groot wetenschappelijk boek vast te knoopen aan de vroegere stellingen van het Communistisch Manifest van het jaar 1847. De misvattingen en overijlde constateeringen werden zichtbaar, toen het bleek, dat op verschillende punten en wegen de economische evolutie der maatschappij een anderen loop nam dan dien Marx zich had gedacht. Vooral wilde Bernstein waarschuwen tegen het onder de Marxisten heerschend denkbeeld, dat er eenig uitzicht zou wezen dat de burgelijke maatschappij, zooals zij thans onder 't regime van het kapitalisme was ingericht, spoedig, zeer spoedig zou inéénstorten. Tegen de catastrofe-theorie, de leer der snelle uit elkander valling der bestaande samenleving, die voornamelijk op de bewoordingen van het Communistisch Manifest rustte, en die trouwens door Engels-zelven reeds nu en dan was verloochend, ging hij opkomen. Hij deed geen afstand, liet niet varen het idee der verovering van de politieke macht door het staatkundig en economisch georganiseerde proletariaat, maar hij wilde niet, dat de Duitsche sociaal-democratie geheel haar tactiek, met 't oog op een dadelijke catastrofe der kapitalistische maatschappij, inrichtte. Beter was het, volgens hem, de arbeidersklasse in politieken zin te organiseeren, haar tot een democratie te vervormen, voorts voor alle hervormingen in den Staat te kampen, die de arbeidersklasse in de hoogte konden heffen. De beweging was hier alles; onbezorgd moest men zijn hoe de eind-gesteldheid zou wezen in haar gedaante. Deze verklaring liet hij op het congres van Stuttgart van 1898 voorlezen1). Zij wekte dadelijk een groote verbazing en ontsteltenis in de partij. Liebknecht en Bebel begonnen onmiddellijk daartegen te protesteeren. Van alle kanten werd Bernstein gedwongen zich nader te verklaren. Toen gaf hij in 1899 't boek uit: ‘Die Voraussetzungen des Sozialismus und die Aufgaben der Sozialdemokratie’, dat de hoofd-schotel zou worden van het debat op het congres van Hannover van het jaar 1899.
Wij moeten met dat boek ons een oogenblik ophouden. Het is een uiterst merkwaardig strijdschrift gericht tegen de leiding, die de aanvoerders van het Marxisme - wij noemen Liebknecht, Bebel en Singer - aan de sociaal-democratische partij in Duitschland gaven. Zelf bleef Bernstein staan op den grond der beginselen door Marx aangegeven: doch zeer sterk liet hij 't licht vallen op de punten, waar Marx, verleid door zijn eigen verleden, inderdaad in de aanwending en toepassing de door hem zoo hooggeroemde wetenschappelijke methode had veronachtzaamd. De volgelingen van Marx hadden die fouten moeten herstellen. Bij alle wetenschappen, dus ook bij de leer der maatschappij, is er altijd een
zuivere en aangewende leer te onderscheiden; de eerste bevat het bestendig, de tweede het veranderlijk element. Bij het Marxisme is nu die afscheiding der zuivere wetenschap van het aangewende of toegepaste deel nog niet beproefd. Vóór-arbeid daartoe was er wel. Zelfs bij Marx en bij Engels is hiertoe menige aanloop te vinden. Doch de leerlingen hadden dat elimineeren der begrippen uit de praktijk niet doorgezet, hoe noodig 't ook was, want 't Marxisme is niet louter een onbeweegbare en onbeweeglijke abstracte theorie der geschiedenis, maar wel degelijk tevens een theorie der moderne bestaande maatschappij en van haar ontwikkeling. Bernstein zou dus beproeven zulk een weg in te slaan. Hij schudde niet aan de grondslagen van het gebouw: hij scheidde slechts in het Marxisme de zuivere van de toegepaste leer.
In dien geest besprak hij de materialistische geschiedenis-opvatting van Marx. Hij toonde aan, dat die leer oorspronkelijk zeer apodictisch en absoluut door Marx was gesteld, doch dat Marx en vooral Engels hoe langer hoe meer die leer waren gaan verzachten. Oorspronkelijk werd door Marx aan de niet-economische factoren een uiterst geringe medewerking bij de ontwikkeling der maatschappij toegeschreven. De niet-economische factoren waren uitvloeisels van ideologie, vormden niet de basis. Maar allengs werd de medewerking dier andere factoren door Engels vooral erkend. Die andere factoren kregen in de leer vrijer speelruimte. Dientengevolge wijzigde zich in het Marxisme het begrip der historische noodwendigheid. Het strenge determinisme werd opgegeven. Bernstein nu meent dat men op dien weg moet voortgaan. De materialistische geschiedenis-opvatting moet worden gewijzigd en verbreed volgens definities door Engels aangegeven. De quantitatieve verhouding der bepaalde factoren moet worden onderzocht. Misschien deed men beter, de veel misverstand insluitende benaming ‘materialistische’ geschiedenis-opvatting te vervangen door de uitdrukking (reeds door anderen gebruikt) van ‘economische’ geschiedenis-opvatting. - In de tweede plaats behandelt Bernstein de Marxische leer van den klassen-strijd en de kapitaals-ontwikkeling. Ook hier is, reeds bij 't leven van Marx en Engels, zekere wijziging openbaar geworden. De oude leer der concentratie van al het kapitaal in hoe langer hoe minder handen, en voorts der onteigening van de kapitaal-magnaten door de arbeiders, met al wat daarmede samenhing, werd niet meer zoo streng door Marx en Engels in 't oog gehouden. Telkens wijzigde men iets. Het werd duidelijk, toen Marx bij den val der commune de woorden neêrschreef: ‘de commune leverde het bewijs, dat de arbeiders-klasse niet eenvoudig de bestaande Staats-machine in bezit had te nemen en voor haar eigen doel-einden in beweging te zetten’. Wel is 't waar, dat Marx die wijziging meer heeft aangeduid dan scherp gepreciseerd. Doch het is juist de taak der leerlingen zulke aanwijzigingen verder te ontwikkelen.
Wil men dit doen, en Marx-zelven dus tegenover Marx opeischen, dan moet men er op letten - volgens Bernstein - dat zijn methode en leer van tijd tot tijd in twee valstrikken dreigde
te glijden. De eerste was de valstrik van de Hegelsch-dialectische methode. Marx was zich daarvan bewust. Voortkomend uit de revolutionnaire gedachten-wereld die door Hegel was ontketend, had hij, ja het systeem van Hegel later verworpen, doch zijn dialectiek min of meer gevolgd. Aan de zelf-ontwikkeling van 't begrip (zooals Hegel die had geleerd) was hij blijven hechten, zich vleiende dat hij, door de begrips-dialectiek tot bewuste reflexie van de beweging der materieele werkelijke wereld te maken, de Hegelsche dialectiek weder op zijn pooten zette in plaats van op zijn kop (zie ons deel V, pag. 332). Doch het was geen eenvoudige zaak die wijsgeerige methode aldus om te gooien. Men verwarde zich telkens weder in de kronkelingen van de zelf-ontwikkeling van het begrip. Marx-zelf verlustigde zich in de telkens aan hem voordoende omzetting, weêrslag en tegenslag van tegenovergestelde begrippen en vormen, hij besprak met warmte hun vereffening of inéénvloeiing, en zag evenmin als Hegel op tegen de negatie der negatie. Alles ging dan in zulk een begrips-ontwikkeling evenredig en symmetrisch. Men wist precies wat in de toekomst zou gebeuren. Er was maar één fout. Toen die toekomst heden werd, kon men opmerken (als men zijn oogen gebruikte) dat men zich schromelijk had vergist. Het systeem had vaste lijnen in de lucht getrokken, en de werkelijkheid op aarde toonde aan tegenstrijdigheid en verwarring. Het was maar al te waar. Bij 't ontleden der begrippen had men de feiten, de verschijning der werkelijke dingen en verhoudingen, over 't hoofd gezien. De zeer spitsvoudige dialectische onderzoekingen van den eventueelen economischen bouw der maatschappij waren hand aan hand gegaan met een ongeloofelijke nalatigheid en niet-in-achtneming der feiten, die voor de hand lagen. Er bleek een volkomen vergissing te zijn met betrekking tot de bepaling van de gegevens der werkelijke sociale en politieke ontwikkeling der menschheid. Dit was de ééne valstrik. - De tweede was het Blanquisme. Dit was het samenstel van gecondenseerde herinneringen uit de terroristische fase der groote Fransche revolutie. Uit dit schrik-regime was weleer voortgekomen het stelsel van Babeuf en de praktijk der geheime revolutionnaire genootschappen. Het socialisme van de eerste helft der 19de eeuw was daarmede als saâmgegroeid en samen opgevoed. Het programma dier traditie, door Blanqui 't scherpst getrokken, was de omvèrstorting der ‘bourgeoisie’ door het proletariaat, en wel door middel van de dictatuur van den Staat, waarop de arbeiders dàn de hand hadden gelegd. Geheel die leer en opvatting van 't Blanquisme was een uitvloeisel van de overtuiging der scheppende kracht van het revolutionnaire politieke geweld, van de onbegrensde Staats-macht. Aan de drijfveêren van die leer heeft Marx zich nooit geheel kunnen ontworstelen. In het Communistisch Manifest wordt die leer nog bijna zuiver ontvouwd. In de toespraak in den communisten-bond van 1850 (zie ons vijfde deel pag. 334) spreekt Marx het nog onverholen uit, dat hij de revolutie permanent wil maken, niet enkel wil opbouwen maar neêrwerpen. Later zocht
Marx de kern der twee strekkingen, het opbouwen en het neêrwerpen, in één greep samen te vatten. Doch hij vermocht 't niet goed. Het bleef bij een compromis. Het werd een dualisme. Het Marxisme raakte het Blanquisme, de geweld-theorie, niet kwijt. Voor een deel (bij de methode) heeft het Marxisme het Blanquisme overwonnen, maar in een ander deel, de overschatting der kracht van het revolutionnair geweld met betrekking tot de socialistische vervorming der moderne maatschappij, is het Marxisme nooit losgekomen uit de Blanquistische opvatting. De vorm, zeer zeker, is beter dan bij 't Blanquisme. De rol van den vader is nu veranderd in die van den verloskundige. Maar de hulp van dien ‘accoucheur’ (het geweld) is, ook volgens Marx, bij 't tot stand komen van het nieuw leven absoluut noodzakelijk (zie ons vijfde deel, pag. 399). De valstrik der Staats-macht bleef gespannen1).
Van uit die premissen gaat nu Bernstein de geldende Marxistische leer en het programma der Duitsche sociaal-democratie in twee zwaarwichtige hoofdstukken toetsen en beoordeelen.
Wat de eigenlijke leer betreft, wijst hij op de beteekenis van de waarde-theorie van Marx. Naar de leer van Marx is de ‘meerwaarde’ de spil der economie in de kapitalistische maatschappij. Doch om te weten wat meerwaarde is, moet men eerst begrijpen wat Marx verstaat door waarde. De waarde der waren bestaat nu in de moderne maatschappij, volgens Marx, in den op die waren aangewenden maatschappelijken noodwendigen arbeid gemeten naar den tijd. Daarvoor is echter noodig een reeks abstracties, deducties en eliminaties. Waarde wordt op die wijze een constructie der gedachte, en meerwaarde dreigt een formule, een hypothese te worden. Men poogde de constructie van dit begrip te redden door 't historisch te verklaren. Doch bij die historische ontvouwing kwam vrij duidelijk aan 't licht, dat in de oudheid en in de Midden-eeuwen meer-arbeid een feit was: niemand beschouwde eigendom toen als vrucht van eigen arbeid, maar de doorzichtigheid van dat feit bleef slechts duren tot aan den drempel der kapitalistische periode. Arbeids-waarde werd dan ook sinds Adam Smith een abstractie, en Marx behandelde het als een begrip. Doch let wel op. Bij Marx-zelven, in het ontleden van dit waarde-begrip, voltrekt zich van lieverlede een algeheele verandering van ziens-wijze op dit punt. Hij was uitgegaan van de beschouwing der individueele ‘waar’. Maar allengs werd de waarde van die individueele ‘waar’ voor hem iets secundairs. Op den vóórgrond rukte de waarde der gezamenlijke productie der maatschappij, en het ‘meer’ van deze waarde boven de totale som der loonen van de arbeiders-klasse. Met andere woorden: men kreeg te doen niet met de individueele maar met de gansche sociale meerwaarde. En om die te bepalen moest men de markt
van 't leven en de opnemings-vatbaarheid dier markt mede in de beschouwing nemen. Het schema van de gezamenlijke waren-waarde werd nu op de enkele waar overgebracht. Doch het viel moeielijk op die wijze te komen tot de slotsom: dat ieder arbeider de volle waarde van zijn product zou krijgen. De constructie der meerwaarde van Marx leverde niet altijd een vaste regel en maatstaf.
Intusschen - zóó antwoordde bij voorbeeld Engels - is daarop dan ook niet het stelsel uitsluitend gevestigd, doch slechts te meer op de voor onze oogen dagelijks zich als van-zelf voltrekkende inéénstorting der kapitalistische productie-wijze.
Is dit echter feitelijk de waarheid? vraagt Bernstein. En hier gaat hij nu de bewijzen aanvoeren, die vooral aan de leiders der Duitsche sociaal-democratie pijn zouden doen. Hij nam ter-hand de cijfers der statistiek van het laatste vierendeel dezer eeuw, en doorliep, aan de hand dier statistiek, de beweging van het inkomen der moderne maatschappij, de verhouding van productie en distributie in de bedrijfs-klassen die den maatschappelijken rijkdom voortbrengen, en eindelijk de crisissen en aanpassings-mogelijkheden der moderne economie. Op al die punten, wanneer hij de cijfers onbevangen opneemt en rangschikt, komt Bernstein nu tot de slotsom, dat de school van Marx zich schromelijk heeft vergist. De leer van Marx meende, met 't oog op de catastrofe der kapitalistische maatschappij, te mogen stellen, dat het getal der bezitters in onze maatschappij verminderde, op weg was zich samen te trekken tot een cijfer van weinige zeer groote bezitters, dat de kleine industrie overal afnam, en dat groote alles verdelgende handels-crises meer en meer onze maatschappij zouden teisteren, totdat alles rijp zou zijn voor den slag dat de onteigenaars van vroeger op hun beurt zouden worden onteigend. Dit ontvouwde het geweldige 24ste hoofdstuk van Marx's eerste deel van het ‘Kapitaal’, en de leerlingen hadden de ontvouwingen daarvan als geloofs-artikelen in zich opgenomen. Wat leerden nu echter de feiten en cijfers der laatste vijf en twintig jaren? Vooreerst, dat mede ten-gevolge der werking van de naamlooze vennootschappen het getal der bezittenden overal toenam1). De ‘aandeelen’ der naamlooze vennootschap, de ‘acties’ stellen in de sociale ladder de tusschen-leden weder op, die als productie-chefs door de concentratie der bedrijven uit de industrie verwijderd waren. Het cijfer der kleine kapitalisten klimt en deze groep zuigt de arbeiders op haar beurt weder uit. In nog duidelijker trekken leerde voorts de statistiek, dat in de hoofd-landen van Europa de kleine industrie, in plaats van te verdwijnen, zich handhaafde en overal eenigszins toenam. Uit de cijfers bleek, dat de wereld-werkplaats
waarlijk niet uitsluitend aan de groot-industrie behoorde. Een gansche reeks kleine en midden-soortige bedrijven toonde zich naast de groote industrie bij uitstek levenskrachtig. Allerlei motieven werkten daarop in bij de industrie, bij den handel en vooral bij den landbouw. De tusschen-leden gingen dus ook hier bij de bedrijfs-takken niet weg. Het wegzinken dier tusschen-leden is waarlijk niet zoo sterk, dat slechts eenigermate aan een inéénstorting der moderne maatschappij kan gedacht worden. Ten-slotte heeft Marx gedwaald, toen hij wees op de eventualiteit dat meer en meer een handels-crisis de productie zou teisteren. Integendeel: de statistiek leert ook hier, dat de kans om groote alles overweldigende crises te zien uitbarsten kleiner wordt. Men heeft hier te rekenen met den invloed der opkomende ‘trusts’ en ‘cartels’, met de gevolgen van een daling der rente, en eindelijk met de vermindering der prijzen van de levens-middelen, door het toestroomen der oogsten uit Amerika en uit 't Oosten. Het zij zoo: de instelling der ‘trusts’ is een kapitalistisch afweermiddel tegen de crisis en draagt - terwijl het de productie-privileges als verscherpte vormen van oude gilde-regelen aantoont - de kiemen in zich van een nieuwe versterkte hoorigheid der arbeiders-klasse; maar juist daarom is het de plicht der sociaal-democratie met dit verschijnsel meer dan ooit rekening te houden. Het ‘ignoreeren’ van feiten heeft nog niemand gebaat.
Zijn al deze feiten waar - en Bernstein meent aan de hand der statistiek dat ze onomstootelijk juist zijn - dan verandert, volgens Bernstein, wel degelijk de geldende opvatting der politieke en economische grond-voorwaarden van het socialisme. De beschouwing van Marx en van zijn school nam en neemt aan, dat twee veronderstellingen of voorwaarden de verwerkelijking van het socialisme mogelijk maken. Vooreerst was noodig een zekere mate van kapitalistische ontwikkeling, een concentratie van kapitalen, die dan als bij weêrslag of tegenslag een socialistische omvorming of vervorming der maatschappij opriep; en ten tweede moest gedacht kunnen worden aan een uitoefening der politieke heerschappij door de klasse-partij der arbeiders, de sociaal-democratie, die in de overgangs-periode een dictatuur op zich zou kunnen nemen. Wat het eerste punt betreft is het uitzicht niet gunstig. In plaats van concentratie der kapitalen staat in de industrie en in den landbouw nog overal overeind het kleine en midden-soortige bedrijf. De gecentraliseerde bedrijfsvorm is slechts een fragmentarisch gegeven. Voor de socialiseering van productie en distributie is de materieele vóór-conditie, een sterk vooruitgegane centralisatie der bedrijven, slechts ten-deele dáár. En wat de tweede vóór-conditie aangaat, de mogelijke verovering van de politieke macht door het proletariaat, ook daaraan ontbreekt veel. Tweeledig stelde men vroeger in de school die verovering voor: òf op den korten weg van 't geweld, òf op den langen weg van den parlementairen kamp door 't kiesrecht. Marx en Engels hadden lang tusschen die beide wegen gedobberd. Ten-slotte besliste men zich voor den langeren. De bezit-loozen moesten zich dus organiseeren door 't stemrecht.
Zij zouden dan als meerderheid op den Staat beslag kunnen leggen. Maar - vraagt Bernstein - zijn zij de meerderheid? Let men op de statistiek ook van Engeland en Frankrijk, dan blijkt het, dat het leger van het proletariaat nog niet zoo overtalrijk is. En stel eens dat werkelijk de drommen van 't proletariaat 't wonnen, gelooft men dan aan de mogelijkheid, dat zij dadelijk de gansche productie van een natie door middel van den Staat in gang zouden kunnen stellen? Inderdaad schijnt dit iets ondenkbaars. Staat en gemeente zouden enkele bedrijven kunnen exploiteeren, doch veel zou aan de tegenwoordige leiders der bedrijven moeten worden overgelaten. Voor 't overige zouden arbeiders-genootschappen het werk moeten doen. Practisch zou de questie zich dan oplossen in de vraag naar het economisch krachts-vermogen der genootschappen.
De laatste vraag is door de school van Marx zeer vluchtig steeds behandeld. Marx had geen goed oog op die ‘genootschappen’.
Zij, die even als Bernstein de beste bepaling van het begrip socialisme meenen te vinden in een aanduiding die vastknoopt aan de gedachte van het genootschappelijke, wijl daarmede te-gelijkertijd een economische en een juridische verhouding wordt uitgedrukt - socialisme is dan de beweging tot genootschappelijke orde in de maatschappij - zijn te-leurgesteld, wanneer zij van de ontvouwingen van Marx over 't begrip der genootschappen kennis nemen. Marx ging altijd uit van het denkbeeld, dat men slechts iets van aanbelang in 't maatschappelijke kon bereiken door het massale, door de totaliteit. Op de experimenten in beperkte schaal zag hij eenigszins neder. En dan, had hij altijd als eind-doel voor oogen de algemeene onteigening, en die formule verhinderde hem het wezen der arbeiders-genootschappen - wier beteekenis door Proudhon goed was gevoeld - te doorzien. Later, na den val der commune, veranderde dit wel eenigszins. Hij liet zich toen in 't algemeen gunstiger uit over de coöperatie. Doch van de verschillende vormen der coöperatie hechtte hij eigenlijk alleen aan de productie-associatie, niet aan de zoogenaamde verbruiks- of winkel-vereeniging. Intusschen gingen in de laatste dertig jaren bijna overal de productie-genootschappen ten-onder. Zij leden niet schipbreuk door gebrek aan kapitaal, crediet of afzet, maar door gemis aan leiding en tucht. Het zijn zeer ingewikkelde organismen, die allereerst behoefte hebben aan intelligentie. In hun eerste uitingen zijn zij individualistisch aangelegd. Men moet met beleid en voorzichtigheid zulke productie-genootschappen in 't leven doen treden. De levensvatbare en levenskrachtige genootschappen van dien aard moeten groeien, zij worden niet uit den grond gestampt. Zóó is het ten-minste in Engeland gegaan. En hoofdzaak van alles is, dat bij zulk een productie-genootschap de verbruiks-vereeniging de onderbouw moet wezen, meer nog, de ruggegraat. Aldus heeft 't België begrepen, toen het socialisme aldaar tot uitgangs-punt en bolwerk vestigde het Gentsche genootschap ‘Vooruit’. In die lijn ontwikkelden zich de landbouw-syndicaten in Frankrijk. Naar die richting wees ook Oppenheimer in Duitschland met zijn ‘Siedlungsgenossenschaften’. De Duitsche sociaal-
democratie moet al die onderwerpen bestudeeren, vooral ook met de Engelsche praktijk der ‘trade-unions’ zich vertrouwd maken. Zij moet inzien, dat de grondslag van zulke vakvereenigingen - willen zij niet in monopolie ontaarden - moet blijven het deel-hebberschap in den arbeid (‘labour-partnership’). Het ideaal van oudere socialisten, dat de vakvereeniging meesteres werd van geheel een arbeids-tak in een natie, zou feitelijk leiden tot een monopolistische productie-associatie, zou anti-democratisch wezen. En voor de Duitsche sociaal-democratie is het toch zeker een vast doel om een democratie te worden.
Democratie nu beteekent afwezigheid van klasse-heerschappij: ‘Gleichberechtigung aller Angehörigen des Gemeinwesens.’ Zij heeft niets te maken met wetteloosheid of anarchie, zij beoogt een juiste organisatie ten-bate van allen. Daarom eischt zij het kiesrecht van allen, waardoor iedereen lid en deelhebber is van het gemeene-best. Het is de plicht van het Duitsche socialisme zich door dat begrip democratie sterker dan ooit te doordringen. Vat men dat begrip gezond op, dan zullen zooveel nog gangbare leuzen als verouderde frases wegvallen. Wat beteekent toch, bij 't licht der democratie, de frase van de dictatuur van het proletariaat? Is dit niet een stap achterwaarts? Een frase is ook 't woord ‘burgerlijke’ maatschappij. Gebruikt dit woord in Duitschland niet, zegt Bernstein, in Duitschland, waar de burgerij zich nog altijd moet loskampen en loswikkelen uit de knellende armen der feodaliteit. De Duitsche burgerij is trouwens nog tamelijk gezond. Beperk u tot 't woord ‘bourgeoisie’, dat iets anders uitdrukt. Matig u ook - gaat Bernstein voort - in uw krijgs-verklaringen tegen het liberalisme. Het socialisme is - men vergete 't niet - de wettige erfgenaam van dat liberalisme, wat betreft zijn geestelijk gehalte. Het liberalisme had tot taak de ketenen te doen springen, die de vrijheid van 't individu knelden. Het socialisme is de voltooiing van die taak. De ontplooiing en bevestiging der vrije persoonlijkheid is het doel van alle socialistische maatregelen, ook van die welke uiterlijk den schijn van dwang dragen. Die dwang is in meest alle gevallen een verbod aan 't individu om zijn vrijheid prijs te geven. Leeft en handelt men in zulk een richting, dan streeft men in de lijn van een democratisch arbeids-recht, dat waarlijk niet verward moet worden met een onmogelijk vast recht op arbeid. Men zou, bij dat vestigen van zulk een democratisch arbeids-recht, weder vast kunnen knoopen aan het streven van Lassalle. Men moet zich, naar diens woord, aankanten tegen het afzonderlijke, het aparte, dat nog iets anders is dan het individueele. Elke organisatie die men instelt moet verbinden, niet 't individu afscheiden van de algemeenheid. Hoofd-zaak is dat men niet dwingt. Het socialisme moet, gelijk Lassalle zeide, een kreet van verzoening zijn. Laat dus de individueele onderneming bestaan; gemeenschappelijke daarnaast maar goed ontwikkeld zij, gaat de individueele van-zelf ook dien weg op. Aan de leus der terroristische dictaturen, het ideaal der Blanquisten, moet voor-goed vaarwel
worden gezegd. De paragrafen uit het Communistisch Manifest zijn in dit opzicht geheel verouderd. Marx begreep dit zelf. In zijn opstel over de commune naderde hij geheel en al tot Proudhon. Doet men dan afstand van de gedwongen uniformiteit, dan zal men begrijpen dat de gemeente (de ‘commune’) de machtige hefboom kan en zal worden der sociale emancipatie, mits men aan die gemeente geen absolute souvereiniteit geve en haar plaatse in de hiërarchie van den Staat. Die gemeente ontwikkele zich dan verder met en door de vrije genootschappen, die de kern van alles zijn. Het vormen en gedijen van zulke politieke en economische organen worden hoofd-zaak. Zóó alléén schrijdt de democratie voort. En de democratie is de grondvoorwaarde voor de verwerkelijking van het socialisme. Dit is het uitgangs-punt. De vorming en ontplooiing van een ware democratie is de dringendste en wezenlijkste taak, die voor ons ligt. Vóórdat het socialisme mogelijk zijn kan, moeten wij (zegt Bernstein Blatchford na) een natie van democraten opbouwen. Dan veranderen ook tevens de manieren van den klassenstrijd. Het socialisme, wanneer het op den bodem der democratie staat, bedreigt niemand en ook niet de burgerij. Maak van die burgerij uw bondgenoot. De klassen-strijd heeft tot doel het klassen-onderscheid op te heffen. Welnu, zegt Bernstein, vang daarmede aan.
Met eenige opmerkingen over de naaste taak der Duitsche sociaal-democratie besloot Bernstein zijn merkwaardig geschrift. De hoofd-strekking van al die opmerkingen was: dat de democratie in veel sterker mate vooronderstelling of voorwaarde van het socialisme is, dan veelszins in Duitschland wordt aangegeven; zij is niet enkel middel maar ook wezen. Zonder een zekere mate van democratische inrichtingen of overleveringen zou de socialistische leer van den tegenwoordigen tijd in 't algemeen niet mogelijk wezen, zou er wel een arbeiders-beweging maar geen sociaal-democratie zijn. Dit nu past Bernstein toe op enkele punten van het Erfurtsche programma. Wij volgen hem hier niet. Wij constateeren slechts, dat hij dit programma wil aanvullen door regelen te stellen voor de agrarische questie, voor de gemeentelijke politiek, voor het vraagstuk der ‘genootschappen’, en voor enkele punten van het industrieele recht. Werkt men dit alles uit, dan zal de sociaal-democratie worden een democratisch socialistische hervormings-partij, op den bodem staan der hervorming, de laatste sporen van het Blanquisme van zich afschudden. Zij zal schijnen, wat zij in werkelijkheid is.
Bernstein verheelt zich niet, dat hij een programma opstelt dat in veel opzichten van dat van Marx schijnt af te wijken. Het programma der Revisionisten. Hij gelooft niet aan den hopeloozen toestand der arbeiders. De weg naar het socialisme gaat niet over de verarming maar over de verheffing der arbeidende klasse, zegt Bernstein. Hij neemt het vermaarde 24ste hoofdstuk van het eerste deel van Marx's ‘Kapitaal’ over de ‘historische strekking der kapitalistische accumulatie’ (zie dat hoofdstuk vertaald in ons vijfde deel der ‘Socialisten’ pag. 400-402) slechts zeer ten-deele
aan. Hij is bepaald van meening, dat het gansche boek van Marx lijdt aan zeker dualisme, in zooverre Marx telkens terugvalt op de stellingen van het verouderd Communistisch Manifest, en Marx dus eigenlijk de gevangene van zijn eigen leer wordt. Maar wat nood? Het bewijst slechts, dat ook uit Marx sommige overblijfsels van het utopisme nog moeten verwijderd worden, het utopisme dat hij uit de dagen van het Communistisch Manifest nog met zich sleept. Men moet Marx zuiveren. Marx-zelf - hoezeer hij eerst nog aan de kracht van het geweld hechtte - heeft leeren inzien dat de ontwikkeling der maatschappij langzaam voorwaarts gaat. De arbeiders-klasse moet voor een goed deel nog opgevoed worden. Opvoeding heeft zij noodig, omdat zij (wat ook Marx soms heeft gezegd) idealen heeft te verwezenlijken. De leiders der Duitsche sociaal-democratie zouden wellicht goed doen, niet altijd op Hegel zich te willen beroepen maar tot Kant te grijpen. Zij zullen dan wellicht weder iets voelen voor de onbevangenheid van een Friedrich Albert Lange.
Men ziet uit het meêgedeelde dat de stap van Bernstein van zeer groot gewicht was1). Het was een ernstige aanmaning aan de Duitsche sociaal-democratie, om het beginsel der revolutie voor goed te verlaten. Het was een voortschrijden op den weg, dien Marx vroeger had geopend, toen hij voor zijn aanhangers het begrip ‘revolutie’ preciseerde (zie ons vijfde deel der ‘Socialisten’ p. 325-327). Maar het was een baan, die de socialistische partij verder en verder noopte om in het Duitsch staats-leven opportunistisch te gaan werken, niet te vast gekluisterd te zitten in het stelsel van Marx, en, met behoud van eigen rechten, aan de democratie vaster de hand te reiken. Dit denkbeeld won vooral in Zuid-Duitschland veld. Wel zette het congres van Hannover van October 1899 zich schrap tegen die eischen van Bernstein. Mocht ook Auer wankelen en Vollmar instemmen, de oude leiders Liebknecht, Bebel en Singer verklaarden zich tegen het streven van Bernstein. Bebel hield een lange rede en sleepte de partij mede, al liet hij de rede uitloopen in een motie over de richting der Duitsche sociaal-democratie, zoo wijd van mazen, dat zelfs een Bernstein daarin, als 't moest, zich zou hebben laten vangen2).
Trouwens Bernstein bleef, zonder tegenkanting der leiders, lid der sociaal-democratische partij1).
De Pruisische politie hernieuwde in 1901 niet meer het oude mandaat tot in-hechtenisneming van Bernstein, wanneer hij den voet in Pruisen zette, zoodat hij, na een ballingschap van meer dan twintig jaren in Duitschland kon terugkeeren. Op het einde van Maart 1902 werd hij door de sociaal-democratische partij te Breslau in den Rijksdag gekozen, in plaats van den gestorven dr. Schoenlank. Zijn positie op de volgende congressen der Duitsche sociaal-democratie werd telkens invloedrijker. In 1909 was het veler meening, dat hij zijn pleit in zekeren zin won, zij het nog niet met den naam dan met de daad. Het revisionisme scheen zelfs in 1912 de leiding der partij te krijgen.
Het Marxistische collectivisme is vooralsnog intusschen in naam de beslist overheerschende richting van het socialisme in Duitschland. Het blijkt tot nu toe - al rebelleeren van tijd tot tijd de Zuid-Duitschers - een vast gesloten partij, verbazend goed aan-éénverbonden, de partij der sociaal-democratie. Een imposante gevel, wat echter wellicht haar zwakte is, wijl de imponeerende kracht achter dien gevel, op het staatsleven van het rijk, niet altijd geëvenredigd is aan het uiterlijk. De gedisciplineerde partij-groep der afgevaardigden in den Rijks-dag is het aangewezen hoofd, dat aan de bewegingen der arbeiders vastheid en éénheid geeft. Middelerwijl komt zóó tot stand een wettelijke parlementaire politieke arbeiders-beweging, strevende naar een volledige sociale vervorming. Het Duitsche collectivisme wordt een leger, dat zelfstandig ordelijk optrekt en zelden een strooptocht of vrijbuiters-lust gedoogt. Kenmerk blijft voortdurend het zelfbewust en geregeld voortschrijdend verzet van het solidair verbonden proletariaat tegen de bestaande maatschappelijke orde der bezittenden. Men heeft in Duitschland in de sociaal-democratie vóór zich een vaste organiseering van die elementen te-midden onzer samenleving, welke zich geroepen achten om de heerschappij der ‘bourgeoisie’ te breken en nieuwe sociale productieve krachten in gang te zetten. Bevlieging van hartstocht wordt hierbij niet toegelaten. De leiders der partij beijveren zich door boeken, brochures, kranten en tijdschriften de aanhangers te onderrichten en te leiden; naast de discipline het doelwit te stellen. Vooral Liebknecht en Bebel waren in dit opzicht onvermoeid. In 1896 heeft Liebknecht nog uitgegeven zijn geschrift ter-herinnering aan Karl Marx. Tot aan zijn dood, in Augustus 1900, bleef hij onvermoeid werkzaam
aan de propaganda1). Bebel heeft als schrijver vooral gewerkt door zijn boek: ‘Die Frau und der Sozialismus’ dat herhaalde malen is herdrukt2) Zij zorgden voor geestelijke dressuur hunner volgers. Het collectivisme wordt op die wijze een school voor het Duitsche arbeiders-volk. En die school mag en wil niets weten van het anarchisme. Reeds op het congres van St. Gallen in 1887 - toen de Duitsche sociaal-democratische partij sinds het uitvaardigen van Bismarcks beteugelings-wet nog in het buitenland haar vergaderingen moest houden - had Liebknecht dit duidelijk en onbewimpeld doen uitspreken. Op de zesde zitting van dat congres, den 5den October 1887, had hij zijn rede over de verhouding van de sociaal-democratie tot de anarchisten voorgedragen, en resoluties gesteld die bijna éénstemmig waren aangenomen3). Die resoluties hadden den volgenden inhoud. ‘De partij-dag verklaart de anarchistische theorie der maatschappij, in zooverre zij streeft naar de absolute autonomie van het individu, voor anti-socialistisch, voor niets anders dan een éénzijdige uitwerking der hoofd-gedachte van het burgerlijk liberalisme, al gaat die theorie ook in haar kritiek der hedendaagsche maatschappelijke orde uit van socialistische gezichtspunten. Zij is volstrekt onvereenigbaar met den socialistischen eisch van de socialisatie der productie-middelen en van de maatschappelijke regeling der productie, en loopt, tenzij de productie teruggebracht wordt tot den dwergachtig ingekrompen maatstaf van het kleine handwerk, op onontwarbare tegenstrijdigheid uit. De anarchistische vereering en uitsluitende toelating der gewelds-politiek berust op een grof misverstand der rol van het geweld in de geschiedenis der volken. Het geweld is even zoo goed een reactionnaire als een revolutionnaire factor. Ja nog meer is het 't eerste dan het tweede geweest. De tactiek der individueele toepassing van het geweld voert niet tot het doel, en is, inzooverre het rechts-gevoel der massa daardoor wordt gekrenkt, positief schadelijk en daarom verwerpelijk. Voor de individueele geweldsdaden van lieden, die tot op het uiterste vervolgd en door banveete verjaagd zijn, stellen wij de vervolgers en vervloekers aansprakelijk en verantwoordelijk; wij begrijpen de overhelling van zulke lieden tot gewelddadige stappen als een verschijnsel, dat zich te allen tijde onder soortgelijke verhoudingen heeft getoond, en verschijnsel, dat thans door betaalde “agents-provocateurs” voor de doel-einden der reactie tegen de arbeiders-klasse wordt misbruikt’. Zóó sprak Liebknecht, en de gansche school volgde. De anarchie werd buiten den cirkel der Duitsche sociaal-democratie
geplaatst. Die zich anarchist noemde werd uit den kring van het Duitsche officieele socialisme gestooten.
Toch zijn er hier en dáár fragmentarische uitingen van het anarchisme ook in Duitschland voorgekomen.
Reeds de twee mislukte aanslagen op den Duitschen keizer in den vóórzomer van 1877 - die aanleiding gaven tot de wet tegen de socialisten in 1878 - zijn min of meer op rekening te stellen van de sfeer van het anarchisme. Hödel, die Zaterdag 11 Mei 1877 op den keizer schoot, toen deze op straat te Berlijn, ‘unter den Linden’, voorbijging, was een verloopen 21-jarige blikslagers-gezel. Hij had zich te Leipzig en te Berlijn bij de sociaal-democraten willen inlijven, doch was telkens als onwaardig uitgewezen. Ook bij de partij van Stöcker had hij zich willen indringen. Bij zijn gevangenneming werden dan ook daarom zoowel Christelijk-sociale als sociaal-democratische blaadjes in zijn schamele kleeding gevonden. In zijn proces bleek echter niets van mede-plichtigen. Hij alléén had besloten tot de daad van geweld. Hij werd 16 Augustus 1878 geëxecuteerd. Wat Nobiling betreft, die 2 Juni 1877 uit een venster weder op den keizer, toen deze ‘unter den Linden’ passeerde, schoot, deze stond ook geheel op zich-zelf en behoorde tot geen verband. Van een vaste sociaal-democratische aansluiting of van mede-plichtigen bleek niets. Wel werd geconstateerd, dat krankzinnigheid in zijn familie erfelijk was. Hij behoorde tot het ras der gedeclasseerden, tot het proletariaat van den geest, en had ook een academische opleiding ontvangen. Hij stierf in September 1877 in de gevangenis1).
Meer zuiver anarchistisch2) zijn de plannen en daden geweest van August Reinsdorf en van Lieske. Reinsdorf3), de typograaf, in 1849 geboren, werd in 1877 te Leipzig uit de sociaal-democratische partij gestooten. Sinds zwierf hij overal in Duitschland en elders rond, steeds - waar het mogelijk was - bij anarchistische agitatoren (ook bij Victor Dave) heul zoekende. In Maart 1883 was hij te Elberfeld. Van daaruit ontwierp hij het plan, om op den dag der inwijding van het monument der Germania te Niederwald tegenover Bingen de geheele officieele rijks-regeering - keizer, prinsen, vorsten en generaals - in de lucht te laten springen. Het zou 27 September 1883 geschieden. Doch zijn zendelingen Rupsch en Kuchler schoten te-kort. Reinsdorf-zelf beklom dientengevolge het schavot. Met hem verwant was de schoenmaker Lieske, die in Juli 1885 vóór de jury te Frankfort a/M. te-recht
stond, onder aanklacht van den politie-commissaris Rumpf te hebben vermoord. Hij werd ter-dood veroordeeld. Toen hij zijn vonnis vernam, riep hij zijn rechters toe: ‘wee u, uw bloedvonnis zult gij niet lang overleven’. Zulke aanslagen en stooten tegen de bestaande orde bleven echter in Duitschland uitzondering. Ook in het Duitsch-sprekend Oostenrijk, in Weenen, werd de terroristische aanloop van Jozef Peukert1) spoedig door de regeering bedwongen. Voorzoover Duitsche anarchistische leiders het leven konden behouden, weken zij, evenals reeds vroeger Johann Most naar Londen of Noord-Amerika2).
Veel nieuws of eigenaardigs bieden die Duitsch-anarchistische personen niet. Van nadere ontwikkeling in details uit een stelsel is geen sprake. Toch zou in de Duitsche taal een boek over het anarchisme geschreven worden, dat veel zou worden gelezen en de aandacht weder bepaalde bij het oude geschrift van Max Stirner ‘Der Einzige und sein Eigenthum’. Wij bedoelen het boek van John Henry Mackay ‘Die Anarchisten, Kulturgemälde aus dem Ende des XIX Jahrhunderts’, dat in 1891 te Zürich verscheen. Mackay-zelf is in Schotland in 1864 te Greenock geboren. Hij is echter geheel en al opgegaan in de Duitsche ontwikkeling en beschaving, en heeft zich later als Duitscher laten naturaliseeren. Hij was evenals zijn vriend de Italiaansche graaf Cafiero - wien wij bij Bakounin hebben ontmoet - onafhankelijk, zelfs rijk. Vóór 1891 had hij zich vooral door novellen en gedichten leeren kennen. Een dier gedichten, in 1887 uitgekomen onder den titel: ‘Arma parata fero! Ein sociales Gedicht’, gaf toen den toon aan van zijn gedachten. ‘Der Zeit is grosz’, zoo heet 't dáár
Die verzen waren bij hem slechts vóórspel. Zijn eigenlijk boek, waardoor hij op den geest zijner tijdgenooten zou gaan werken, verscheen in 1891. Wat eenigszins nevelachtig en onvast hem
vroeger had voorgezweefd, werd door hem in dit boek scherp omlijnd en begrensd. Want zijn boek zou worden een ontvouwing van het anarchisme, niet zooals dat geleerd en doorleefd was door Bakounin, maar zooals dit wordt begrepen door Benjamin R. Tucker te Boston (zie hierboven blz. 165). De school van Bakounin en Kropotkin prees aan het communistisch anarchisme, hij, Mackay, zou weder opvatten de traditie van Josiah Warren, Max Stirner en Proudhon, en het individueele anarchisme verkondigen, het individueel anarchisme, dat dus ook aannam het leerstuk van den particulieren eigendom. In zijn inleiding zegt Mackay, dat dit zijn doel was. ‘Hij wilde door een kunstwerk duidelijk maken het streven der anarchisten. Op dat gebied was allerlei verwarring, oppervlakkig oordeel en gebrek aan kennis. Drie jaren had hij aan zijn boek gewerkt om klaarheid in die begrippen te brengen. Hij hoopte bewezen te hebben: de volkomen onvereenigbaarheid van de anarchistische en de communistische wereld-beschouwing; de ondoelmatigheid en schadelijkheid van geweldige tactiek; en de onmogelijkheid van eenigerlei oplossing der sociale questie door den Staat. In deze dagen van reactie, nu de overwinning van het Staats-socialisme haar hoogtepunt scheen te bereiken, wilde hij juist van het idee van het “ware” anarchisme een fonkelend licht maken.’
Zien wij, hoe hij zijn stelling ontwikkelt. De roman speelt in de droeve October- en November-dagen van het jaar 1887 te Londen. Te-midden van de sociale woelingen dier weken in de wereldstad - de optochten der werkloozen, de verdrijving van diezelfde werkloozen van het Trafalgar-plein door de politie, de meeting ten-voordeele der anarchisten van Chicago1), de indrukken in de socialistische clubs veroorzaakt door de toepassing van het vonnis op die veroordeelden te Chicago - te-midden van dit alles, en de voortdurende ellende van een moderne hoofdstad, bewegen zich de twee hoofd-personen van dit boek, beiden 30 à 35 jaar: Otto Trupp de voorstander van het communistisch anarchisme, en Carrard Auban de vertegenwoordiger van het individueel anarchisme. Beiden zijn vluchtelingen uit hun land. Trupp is Duitscher en handwerksman, werkzaam in smederijen; Carrard Aubin is Franschman, min of meer journalist, werkende voor uitgevers en boekhandelaars. Zij zijn boezemvrienden en hebben steeds met elkander geleden en gestreden. Doch zonder zich eerst nog helder daarvan bewust te zijn, staan zij - te-midden van de ontzaglijke gebeurtenissen die zij beleven - reeds op een kruisweg. Hun pad gaat van lieverlede uitéén. En het scheids-punt vormt nu de questie van het collectivisme of communisme. Het wordt Carrard Auban - met wien de auteur zich volkomen veréénzelvigt - helder, dat
dit communisme het idee der vrijheid niet tot ontwikkeling kan laten komen.
De kern van het boek wordt gevormd door een discussie der twee vrienden - aan welke discussie nog zeven andere gezellen deelnemen - op de kamer van Auban. Auban wilde onder zijn vrienden de hem folterende questie tot een oplossing brengen. Ook namens Trupp stelt hij voor, in een geregeld debat de vraag te beantwoorden wat anarchisme is. Want anarchisme is - zóó zegt Auban - niet de zaak van een bepaalde klasse, ook niet van die der arbeiders, maar het is de zaak van ieder, wien zijn vrijheid lief is. Met andere woorden: het is de questie vóór of tegen de vrijheid. Het anarchisme heeft zich losgewikkeld uit het socialisme, men moet dus, om logisch te-werk te gaan (zóó zegt Auban), eerst nagaan wat het socialisme wil. Dat socialisme wil in hoofd-zaak collectivisme. Stelt een school zich op dat standpunt van collectivisme, dan zijn haar aanhangers - al noemen zij zich tegenwoordig anarchisten - toch eigenlijk niet anders dan socialisten1). Dat socialisme nu wil socialiseering der productie-middelen en de regeling der productie (volgens een vast plan) in het belang van het geheel. De meerderheid beslist hier. Maar zulk een meerderheid wordt gezag en dus van-zelf tiranniek. Nu reeds zijn de enkele monopoliën in onze samenleving hinderlijk, maar dàn zal men hebben het totale complete monopolie der gemeenschap, die heden ‘Staat’ en morgen ‘algemeenheid’ heet. Men krijgt inderdaad slechts macht en geweld. Het wordt enkel een omkeering van zaken. Niet de economisch zwakken worden verder onderdrukt door de sterken, maar de arbeiders-partij stelt dan de wet aan de andere standen. Het wordt dus een wisseling van heerschappij. Wat wil nu - aldus vervolgt Auban - het ‘ware’ anarchisme? Het wil de afwezigheid van alle gezag en heerschappij, van geweld en dwang. Rechtvaardig is alleen de vrijheid. De basis daarvan is gelijkheid van levens-voorwaarden voor alle menschen. Op dezen grondslag van gelijke levens-voorwaarden verheft zich het vrije, onafhankelijke, souvereine individu. Zijn éénige eisch aan de maatschappij is het eerbiedigen zijner vrijheid; zijn éénige zelf-gegeven wet is het respecteeren der vrijheid van anderen. Ontwaakt nu dit individu ten leven, dan slaat het doods-uur van den Staat. In de plaats van den Staat treden vrije vereenigingen tot bepaalde doel-
einden, vormen zich vrije overeenkomsten. De vrije concurrentie begint eerst dàn. De mogelijkheid ontstaat dat ieder het volle bedrag van zijn arbeid kan krijgen. Er komt vrije ruil. Het kapitaal is niet meer bij machte het tribuut uit den arbeid te persen. Als de hulpmiddelen der natuur niet meer verstopt zijn door de gewelddadige maatregelen van den Staat, zal de welvaart zich ontwikkelen. Het anarchisme wil inderdaad niet anders dan opruiming van alle kunstmatige hindernissen, die voorafgaande eeuwen opgestapeld hebben tusschen den mensch en zijn vrijheid, tusschen hem en het verkeer met zijn naasten, altijd en overal op den grondslag van die ontzaglijke leugen - door den één bedacht in sluwe en toch zoo dwaze zelf-verblinding, door den ander aangenomen in even zoo onzinnige zelf-vernedering - dat het individu niet voor zich, maar voor de totaliteit (‘Gesammtheit’) leeft. De vrijheid nu stelt in onze dagen haar laatsten eisch, door de souvereiniteit van het individu te verlangen. Onder deze leus zal zij haar laatsten strijd kampen in den boezem van ieder individu, dat in opstand komt tegen de overweldiging van zijn persoon door de socialistisch geworden wereld, welke in onze dagen zich vormt. Niemand zal zich aan dien strijd kunnen onttrekken: een ieder moet positie nemen vóór of tegen. Want de vraag der vrijheid is een economische vraag. ‘Ik heb - zóó eindigt Auban - positie genomen in de beide laatste jaren en ik heb u nu gezegd, waar ik sta. Ik weet ook dat mijn plaats buiten alle tijd-stroomingen zich bevindt. Wien ik zoek, en wien ik zal vinden, dat is de enkele mensch: gij - en gij - en gij - gij allen die in eenzame worsteling tot gelijke erkentenis zijt gekomen. Wij zullen elkander vinden, en, als wij sterk genoeg zijn geworden, dan slaat ook voor ons het uur van handelen.’
Tegenover deze ontvouwing van Auban doet nu Trupp het standpunt van het communistisch anarchisme gelden. Hij zegt dat Auban zich stelt buiten de wereld der arbeiders, de arbeiders niet kent. Er zijn geen twee soorten anarchisme: het individueele en het communistische, neen, er is slechts één anarchisme: het communistische. Proudhon, wien Auban schijnt te volgen, heeft afgedaan. Het communistisch anarchisme stelt zich tegenover het Staats-communisme. De leer van dat anarchisme is eenvoudig: zij komt op het volgende neêr. Het individu is - volgens dat inzicht - niet een van de maatschappij losgewikkeld wezen, maar is een product van deze maatschappij, van welke het alles heeft wat het is en vermag. De mensch kan dus slechts haar teruggeven wat hij, zij 't onder anderen vorm, eerst van die maatschappij ontvangen heeft. Hij kan dus nooit zeggen: dat behoort mij alléén. Privaat-eigendom kan er dus niet zijn, maar alles wat geproduceerd is en zal geproduceerd worden, is maatschappelijk eigendom, waarop de één zoowel recht heeft als de ander. Ieder heeft dus de vrijheid zijn behoeften te bevredigen. Doch weg met alles wat naar gezag, bestuur of regeering zweemt: het ‘ik’ beslist. Een ieder naar zijn behoeften, zegt dat ‘ik’ als communist; een ieder naar zijn capaciteiten, zegt dat ‘ik’ als anarchist. Auban - dus vervolgt Trupp -
kent de arbeiders niet. Zij zijn niet zoo vuile egoisten als de ‘bourgeois’. Na de onteigening der exploitanten, na de inbeslagneming van den Staat, zullen zij alles aan allen ter beschikking stellen. Dàn, als allen hun honger gestild hebben, zullen zij zich groepeeren, in gemeenschap produceeren, en ieder naar zijn behoefte consumeeren. Een ieder brengt zijn arbeid naar de magazijnen en ieder neemt op zijn beurt daaruit....
Trupp ontwikkelt nu slechts verder de denkbeelden bij voorbeeld van de aanhangers van Bakounin. Auban houdt hem echter vast bij het woord en poogt hem aan te toonen, dat telkens het begrip vrijheid door die lieden wordt miskend. Zij willen in de eerste plaats uit naam der gemeenschap afschaffen, in plaats van ieder zijn gang te laten gaan. Zij kanten zich aan tegen godsdienst, tegen huwelijk, in plaats van te vertrouwen dat die vervormingen wel van-zelf zullen komen. Zij werpen de instelling van het privaat-eigendom overboord, niet inziende dat zij op hun beurt den grootsten dwang uitoefenen. ‘Wilt gij werkelijk - zóó zegt Auban - in uw maatschappij iemand verhinderen te ruilen? Zoudt gij hem willen beletten den grond in persoonlijk bezit tot het doel van persoonlijk gebruik te nemen?’ Neen, noodig is slechts den Staat te doen vallen. Dan wordt de arbeid vrij, die enkel en alleen den eigendom schept. Voorts ontwikkele zich - en Auban herhaalt hier slechts de woorden van Max Stirner - het individu in vrijheid om zich-zelfs wille. De leer der zelf-verloochening, die van Christus, is volgens Auban de slechtste leer ter wereld. De heerschappij der liefde is nog vreeselijker voor de menschen gebleken dan die van den haat. Zijt egoisten, aldus roept Auban aan al de socialistische droomers toe. Het egoisme is het éénige wapen tegen het egoisme van uw in geloof verwante uitzuigers. Er is geen ander wapen. Gebruik dat wapen koel, met ijzeren hand, met overleg, rustig, en gij zult de overwinnaars zijn. Kamp niet voor zoogenaamde idealen. Vang niet bij anderen aan, maar begin bij u-zelf en ga van u-zelf uit. Passieve weêrstand tegen agressief geweld is het éénige middel dat geweld te breken. Een anarchist mag evenmin een dynamiet-man als een communist zijn. Een anarchist heeftslechts zich-zelven in te prenten sterk te wezen. Niet langer moet aan de sterken onzer dagen de belachelijke eisch worden gesteld om zwak te worden. Neen, aan de zwakken moet toegeroepen worden ‘wordt sterk!’ Vertrouwt niet meer op hulp van boven, maar vermant u tot eigen daad.
Het programma voor de individueele anarchisten was dus eenvoudig. Vooreerst moest het begrip anarchisme weder helder worden gesteld. Het bedoelde geen omvèrstorting en geen chaos, maar integendeel het bereiken van een toestand, waarin de vrijheid van het individu en van zijn arbeid waarborg is voor zijn eigen welzijn evenals voor het welzijn van 't algemeen. Verre verwijderd van de vrijheid van het individu in goederen-gemeenschap en opoffering te zien, zocht het die vrijheid door bestrijding en op-zijde-zetting van bepaald gewelddadige hindernissen en kunstige slagboomen te verkrijgen. De anarchie bedoelde immers
niet de natuur der menschen te veranderen, maar wilde slechts dat de menschen hun eigen aard en hun behoeften leerden erkennen. De grootste belemmering, die de menschen tegenkwamen op hun weg ter ontwikkeling, was nu echter de Staat. Het was dus hoofd-zaak te begrijpen, dat de Staat het bevoorechte geweld is en dat geweld slechts den Staat handhaaft. De Staat was het die de harmonie der natie vervormt tot de wanorde van den dwang; zijn misdaden verwekken de misdaden: aan den éénen kant verleent hij onnatuurlijke voorrechten, terwijl hij aan den anderen kant natuurlijke rechten ontneemt. Om kort te gaan: zulk een Staat is niet anders dan een kolossaal, voortgezet, schaamteloos bedrog, door 't welk de één ten-koste van den ander leeft. Begin dus met de belastingen aan dien Staat te weigeren. Is dan de fabel van de zaligmakende werking van den Staat aan 't wankelen gebracht, en daarmede het vertrouwen in de kracht van het eigen initiatief versterkt, dan moet de waarheid worden uitééngezet, dat de belangen der menschen niet vijandig tegenover elkander staan, maar zich harmonisch vereenigen, wanneer slechts de vrije speelruimte voor haar ontplooiing niet wordt weggenomen of ingekrompen.
Men ziet werwaarts Auban-Mackay stevent. Van het socialisme, vooral zooals het zich vastzette in den vorm der Duitsche sociaaldemocratie, wilde hij niets weten. ‘Het socialisme was - zóó zeide hij - de laatste universeele domheid der menschheid. Ook dit lijdens-station op den weg der vrijheid moest voorbij gegaan worden. Dan eerst kon de God van den Waan aan het kruis worden geslagen’. Hij-zelf echter kwam terug op de baan van Max Stirner. En, zonderling verschijnsel: hij reikte uit de verte weder de hand aan den Manchester-man, ‘go-ahead’-type en ‘struggler for life’. Hij kwam juist te-recht bij het tegenovergestelde van het terrein waar hij wilde wezen. Hij was tamelijk vèr van zijn uitgangs-punt, waar hij zich weleer een zanger der revolutie noemde en opriep tot de ‘reddende daad’1).
Naast het compacte zware geluid van het collectivisme van Marx en naast enkele sporadische uitingen van het anarchisme waren er in Duitschland, of liever op het gebied der Duitsche taal, nog waarneembaar enkele geheel op zich-zelf staande socialistische stemmen. Zij vonden echter tot nu toe in Duitschland niet veel weêrklank, vooral niet in de arbeiders-wereld.
De eerste stem ging uit van dr. Otto Effertz. Hij kwam in
1889 aandragen met een systeem dat hij noemde pono-physiocratie. Zijn betoog kwam hierop neder: dat waarde ontstond uit arbeid en grond. Elk stuk waarde bevat, volgens hem, een deel arbeid en een deel grond. Die twee elementen bepalen de waarde van elk der goederen. Hij poogde nu die elementen te analyseeren, doch zijn boek: ‘Arbeit und Boden, Kritik der theoretischen politischen Oeconomie’ vond in Duitschland haast geen echo en werd vrij-wel doodgezwegen. In de volgende eeuw hadden zijn denkbeelden een weinig beter onthaal hier en dáár in Frankrijk.
De andere stemmen gingen uit van twee Israëlieten: van Flürscheim en van Hertzka.
Wat Flürscheim betreft, hij bedoelde een variatie te geven op het thema dat in Noord-Amerika door Henry George was ontvouwd.
Hij zou zijn krachten besteden aan het vraagstuk dat de Duitschers ‘Bodenbesitzreform’ noemen. Drie Duitschers van beteekenis hadden in de tweede helft der negentiende eeuw hetzelfde beproefd. Allereerst komt in aanmerking Hermann Heinrich Gossen, een Pruisisch regeerings-assessor, die in 1853 een boek uitgaf onder den titel: ‘Entwickelung der Gesetze des menschlichen Verkehrs und der daraus flieszenden Regeln für menschlichen Handeln.’ Dit werk was zuiver mathematisch ingericht. Hij deed in 't boek het voorstel tot overgang van het recht van eigendom op den grond aan den Staat. Zóó alléén kon, volgens hem, weder de mogelijkheid worden verwezenlijkt, dat ieder de vruchten van zijn arbeid onverkort mocht verkrijgen; zóó alléén konden de aanvallen van het socialisme (dat het privaat-eigendom wilde vernietigen) worden weêrstaan. De overgang van den grond-eigendom in handen van den Staat moest niet door dwang tot stand komen, neen, de Staat moest, zooals ieder particulier kan doen, eigenaar worden van den grond door koop bij vrijwillige vervreemding. Later vindt de Staat in het stijgen van de grond rente een fonds om de aankoop-som te amortiseeren1). - In de tweede plaats noemen wij dr. A. Theodor Stamm, een arts, die in Juni 1892 (70 jaar oud) overleden is. Hij heeft een nog al dik boekdeel uitgegeven onder den langen titel: ‘Die Erlösung der darbende Menschheit: segensreiche Belehrungen über die schon überwundenen Eigenthums-Anmaszungen und über die noch bestehende Codificirung der Urgrundlage aller Arbeit als Privateigenthum und verkäufliche Waare, sowie über die friedliche sittlich-wirthschaftliche Reform zur fortschreitenden Erlösung vom körperlich-geistigen Elend’. Van dit werk is in 1884 een derde vermeerderde druk verschenen. Volgens Stamm is het privaatrecht der particulieren op den grond de hoofd bron van al de vernederende knechts-toestanden, die in het verleden onder de vormen van slavernij en lijfeigenschap bestonden, en in het tegenwoordige door de instelling van het
arbeids-loon voortduren. Geweld, aanmatiging en zelfzucht zijn de oorsprong van dat eigendoms-recht der particulieren op den grond geweest. Om aan den arbeid geheel zijn recht te verschaffen, moet het grond-eigendom of de grond pacht in handen van den Staat komen (‘verstaatlicht werden’). Deze niet langer af te wijzen noodzakelijkheid kan door een verbeterde onteigenings- en grond-belastings-wetgeving van lieverlede en met inachtneming der bestaande omstandigheden worden ingevoerd. De Staat-zelf geeft dan later alle stukken grond in pacht tegen een voor bepaalde termijnen vastgestelde grond-huur. Deze overgang van grond en grond-pacht in handen van den Staat zal de kapitaals-rente van-zelf bekrachtigen en te-gelijk verlagen1). - In de derde plaats vermelden wij Adolph Samter, die het onderwerp van den grond-eigendom behandeld heeft in twee boeken: in zijn ‘Social-Lehre’ van het jaar 1875 en in zijn ‘Gesellschaftliches und Privat-Eigenthum als Grundlage der Socialpolitik’ van het jaar 1877. Wij herinneren onze lezers, dat zoowel Rodbertus als Marx zich min of meer minachtend over dien Samter hebben uitgelaten. Rodbertus (zie pag. 193 van het vijfde deel der ‘Socialisten’) noemde hem een gewonen beurs-Jood. Marx sprak van hem - zie hierboven pag. 200 - als van den vroegeren loterij-collecteur uit Oostpruisen, ‘ein Flachkopf’. Toch is zijn betoog niet zoo geheel onbeteekenend. Hij trad in zijn geschriften even energiek op voor opheffing van het particulier grond-eigendoms-recht, als voor behoud en handhaving van het overige privaat-eigendom. Hij legde het hoofd-gewicht daarop, dat in de maatschappij zoowel individueel eigendom als maatschappelijk eigendom gelijk in recht en in macht moeten bestaan. Hij eischte slechts naast het privaat-eigendom een even machtig maatschappelijk eigendom. En dat laatste moest het grond-eigendom wezen.
De drie opgenoemde auteurs: Gossen, Stamm en Samter, gingen echter in Duitschland eenigszins onopgemerkt voorbij. Meer opgang maakte voor een poos Michaël Flürscheim, die in Baden-Baden woonde.
Zeer groot in aantal zijn de werken door dezen vroegeren Zuid-Duitschen fabrikant uitgegeven. Daar hij echter altijd slechts één en dezelfde stelling bepleit, is de inhoud zijner geschriften min of meer eentonig, bijna zouden wij zeggen vervelend2). Zijn betoog is overigens niets anders - zooals wij reeds zeiden - dan een variatie op het thema, dat Henry George in Amerika had ontvouwd. Evenals George wil hij volledige land nationalisatie. Aan George's
algemeen betoog dien-aangaande geeft hij zijn volkomen adhaesie. Hij stelt zich, wat zijn beginsel betreft, op de grondslagen van diens leer. Hij neemt George's fundament aan. Doch bij de verdere ontwikkeling van het stelsel geeft hij aan het geheel een anderen draai. Op twee zeer belangrijke punten wijkt hij van George af: vooreerst meent hij dat George niet heeft ingezien, dat de indirecte werking van land-nationalisatie op kapitaal en interest veel grooter is dan haar directe gevolgen; en ten-tweede put hij uit de door hem-zelven ontwikkelde verhouding tusschen grond-rente en interest de gevolgtrekking, dat daardoor aan de particuliere grond-eigenaars volledige schade-vergoeding kan worden gegeven voor het onteigende land, zonder dat het thans levende geslacht beroofd wordt van de zegening dezer hervorming.
Hij richt geheel zijn betoog nu op de volgende wijze in. Zijn uitgangs-punt is de dringende vraag: hoe komt het dat millioenen willige arbeiders, die tevens willige verbruikers zouden zijn, geen betaald werk kunnen vinden om te arbeiden en de producten van hun arbeid onderling te ruilen? Die vraag is de sociale questie der negentiende eeuw. De loon-questie is aan haar ondergeschikt, want, wanneer het den arbeider gemakkelijk viel om werk te krijgen, zou er geen industrieele reserve-armee (werklooze arbeiders) zijn, geen concurrentie voor werk tot ieder loon, en bij-gevolg zouden de loonen hooger wezen. Met te zeggen dat dit alles voortkomt uit overproductie verklaart men niets, want overproductie is slechts een andere naam voor dezelfde zaak. Wat wij overproductie noemen is in werkelijkheid te weinig verbruik, een gevolg van het gebrek aan koop-vermogen bij de massa des volks. En dat gebrek aan koop-vermogen ontstaat natuurlijk allereerst uit de omstandigheid, dat de arbeiders een deel van hun arbeids-product aan een ander moeten afstaan, waardoor hun koop-vermogen met het afgestane bedrag wordt verminderd. Maar daarnaast doet zich dan dadelijk gelden de tweede omstandigheid, dat zij, aan wie de arbeiders een deel van hun product afstaan, dat deel op verre na niet verbruiken. Voor de rijke lieden toch bestaat de mogelijkheid om de arbeiders het verbruiken te beletten, zonder dat zij het daardoor ontstane te-kort aanvullen. Daardoor vergrooten zij dan te-gelijkertijd hun tribuut-eischende kracht. Een familie Rothschild kan onmogelijk de eigen inkomsten verteren en zet nu het bedrag, dat op die wijze niet wordt verbruikt, slechts om in nieuwe tribuut-rechten. Er komt zoodoende tweederlei soort kapitaal. Voor een deel blijft het kapitaal ‘echt’ kapitaal, dat is arbeids-product hetwelk aangewend wordt als werktuig voor nieuwe productie. Voor een ander, zeker het grootste deel, is het echter niet anders dan gekapitaliseerd tribuut-recht. Een obligatie van 1000 gulden, die 3 pCt. interest geeft, is niet anders dan de kapitaals-waarde van het recht om per jaar van de voortbrengers te mogen heffen een tribuut van dertig gulden door middel van den belasting-gaarder. Alle eigendoms-titels op land, alle hypotheek-acten, alles wat aandeelen van naamlooze vennootschappen meer waard zijn dan de productie middelen, welke zij vertegenwoordigen, is niet anders dan de kapitaals-waarde van een middel om
tribuut te kunnen eischen. Dit kapitaal is het ‘valsche’ kapitaal, en de interest, dien het opbrengt, valsche interest. En terwijl nu aan het gebruik van het echte kapitaal veel risico is verbonden, omdat het bestaat uit producten van menschelijken arbeid, onderhevig aan allerlei vernielende invloeden, is juist het beleggen in valsch kapitaal te-midden van onze maatschappij zeer veilig. Het is gebaseerd op door den Staat bewaakte veilige monopolies, het is belegging van de puikste soort. Hoe grooter de belegging in ‘echt’ kapitaal wordt, des te grooter wordt de risico voor den belegger, want het vermogen om zulk een kapitaal te beheeren en te bewaken wordt kleiner, naarmate het veld der belegging grooter wordt. ‘Valsch’ kapitaal echter, hoe groot het moge zijn, kan gemakkelijk bewaakt en beheerd worden. Als dat valsch kapitaal niet bestond waren er geen Rothschilds. Ten-einde de rente-schuld van dat ‘valsch’ kapitaal te betalen, is het menschelijk genie bezig nieuwe machtige machines uit te denken en betere productie-methodes aan te wenden. Het helpt alles niets. Demon ‘interest’ en zijn zoon ‘interest op interest’ vermeerderen zich veel sneller dan het productie-vermogen van het menschelijk genie. Men kan niet strijden tegen de wetten der mathesis. Vooral nu niet meer. In vroeger tijd was de belegging nog onveilig. Maar sedert het begin onzer eeuw is dit anders geworden. De mogelijkheid om het geld te beleggen in grond, hypotheken, staats-schuldbrieven, spoorwegen, enz., een heerschappij van orde en wet, zooals wij die nog niet hebben gekend, gepaard aan een nooit gedachte vruchtdragende kracht van den menschelijken arbeid, hebben den demon vrij spel gegeven. De fortuinen der geld-mannen zijn op ontzettende wijze toegenomen. Zal men wachten totdat vreeselijke oorlogen en nog vreeselijker omwentelingen dwars door die interest-rekening een streep halen, waar zij het rente eischend en tribuut-heffend kapitaal vernietigen?
George nu heeft gemeend dat de tribuut-eischende macht van het kapitaal bleef bestaan na het invoeren der land-nationalisatie. Hij zag daarin geen bezwaar. Zelfs tegen het toenemen van die kapitaalwinst zag George niet op. Anders Flürscheim. Hij ziet alsdan in 't verschiet slechts een afgrond. Doch hij meent en poogt te bewijzen, dat George zich volkomen heeft vergist. In tegenstelling van George is de stelling van Flürscheim deze: dat, voor het geval dat het incasseeren der grond-rente door particulieren ophoudt de kapitaal-interest op indirecte wijze afnemen zal en allengs verdwijnen. Zijn bewijs komt in hoofd-zaak hierop neder. Interest is, volgens hem, een gedeelte van het verkregen product, dat door den leener betaald wordt als huur voor het kapitaal bij de productie gebruikt. Het voorbeeld van Bastiat, waarbij de één aan den ander een schaaf uitleent, komt weder hierbij op het tapijt. Doch Flürscheim betoogt dat beide personen elkander een dienst bewijzen. De één door de schaaf te verstrekken, de ander door die schaaf voor zijn makker te bewaren en voor roest en bederf te beveiligen. Om de waarde van die twee diensten tegen elkander te wegen, moeten wij de marktwaarde als maatstaf aannemen, niet de persoonlijke schatting van elk der beide partijen als maatstaf aanleggen. Die markt-waarde is de wet die elke
ruiling beheerscht. Vraag en aanbod bepalen de onderlinge waardeverhouding tusschen de diensten, bewezen door den uitleener aan den leener en omgekeerd. Wanneer er behoefte bestaat aan meer schaven dan er worden aangeboden, dan zal men voor het uitleenen van schaven huur kunnen krijgen. Wanneer daarentegen het aanbod van schaven grooter is dan de vraag, dan zal men voor het in ongeschonden staat bewaren van schaven bewaarloon moeten betalen. Wanneer het aanbod van kapitaal grooter is dan de vraag, dan zal het kapitaal een premie voor de instandhouding moeten betalen. Hoe komt het nu - vraagt Flürscheim - dat die laatste omstandigheid bij onze toestanden niet intreedt? Het privaat-grondeigendom is hiervan de oorzaak. Grondrente is de moeder van den interest. Het scherpst is dat uitgedrukt door Calvijn. Hij leerde de groote waarheid, dat, zoolang men voor geld grond kan koopen die grond-rente afwerpt, men voor het leenen van geld interest zal kunnen eischen: men kan met andere woorden, volgens hem, zeggen, dat alle kapitaal wettigen interest afwerpt, omdat de zaak, waarmede men een andere zaak kan koopen, die winst of interest oplevert, ook zelve als winst- of interest-gevend kan worden beschouwd.
Maak dus dien grond, de zaak die rente afwerpt, tot volkseigendom en de interest zal spoedig dalen tot de risico-premie en het loon voor toezicht, of nog lager gaan. Geen van beide factoren kunnen de bron worden voor de gestadige zelf-vermeerdering van het kapitaal, die de oorzaak is van onze ellende. Zij vormen niet wat men kapitaals-interest noemt. De economisten hebben tot nu hiervan geen begrip gehad. Zelfs Adam Smith was van meening, dat niemand geld zou uitleenen zonder interest, tenzij hij daartoe gedreven werd door vriendschap of barmhartigheid. Hij zag niet in, dat leenen met een goeden waarborg toch altijd nog beter is dan zijn kapitaal-zelf te bewaren, met alle gevaren en verlies-kansen, die daaraan verbonden zijn.
Op deze wijze meent nu Flürscheim bewezen te hebben, dat de indirecte werking van land-nationalisatie op kapitaal en interest veel grooter is dan haar directe gevolgen. Land-nationalisatie zal het valsche kapitaal en den valschen interest vernietigen en daardoor het echte kapitaal gemakkelijk verkrijgbaar maken voor de arbeiders, waardoor zij in staat worden gesteld voor eigen rekening te werken - hetzij op zich-zelf of als leden van een associatie - en te weigeren om loonen aan te nemen, die lager zijn dan de winst, welke zij op deze wijze kunnen maken.
Een tweede zeer gewichtige consequentie van de betrekking tusschen grond-rente en interest is nu, volgens Flürscheim, deze: dat zij in staat stelt den grond-eigenaars volledige schade-vergoeding voor het onteigende land te geven, zonder het thans levende geslacht te berooven van de zegeningen der hervorming. Met een steeds grooter wordende voortbrenging van kapitaal, terwijl het meest uitzetbare veld voor kapitaal-belegging (de grond) van de kapitaal-markt is verdwenen, zal de interest snel dalen. Staats-effecten, die thans een interest van 3 pCt. geven, zullen spoedig geconverteerd worden tot 2, 1, ½, ¼, ⅛, percent-schuldbrieven.
Aan den anderen kant zal de grond-rente-zelve zeer stijgen met het stijgen van de volks-welvaart. Met de winst-deelen, die daaruit voortvloeien voor den Staat, zou men de nationale schuld voor den aankoop van het land aangegaan, in vijf en twintig jaren kunnen afbetalen. De uitwerking der hervorming zou worden gevoeld, zoodra de interest zóó laag was gedaald, dat aan het uitbreiden van de onverbruikte inkomens, die nu de tribuut-rechten van een onverzadigbare meerderheid vergrooten en de koop-kracht der massa verkleinen, paal en perk was gesteld.
Zóó schakelt Flürscheim illusie aan illusie: geschenk voor een wereld, die, niettegenstaande al zijn aanhouden, van deze vriendelijkheid niet gediend wil zijn.1)
En thans bespreken wij Hertzka's ‘Freiland.’
‘Freiland’ beteekent een boek en een daad. Een gebeurtenis is het der laatste jaren van de XIXde eeuw. Een verschijnsel dat bewijst, wat na de ondervinding der verloopen jaren en na den medelijdenden glimlach, dien men sinds 1850 over had voor het verwerkelijken van utopieën in den vreemde, toch nog één enkel individu durft doen, als hij geloof heeft in zijn zaak. Theodor Hertzka-zelf is een Oostenrijksche Israëliet. Hij werd in 1845 te Buda-Pesth geboren, studeerde later dáár en in Weenen, en werd in 1872 mede-redacteur van de ‘Neue Freie Presse’. Hij stond toen geheel en al op het standpunt der liberale staathuishoudkunde, en schreef zelfs in dien geest in 1880 een boek over ‘de wetten der handels-politiek’. Verdere studie over de economische ontwikkeling der maatschappij bracht hem echter op een gansch andere baan. Hij brak volslagen met die overgeleverde leer der staathuishoudkunde, en gaf in het jaar 1886 een boek uit met den titel: ‘Die Gesetze der sozialen Entwickelung’, waarin hij een volledig socialistisch programma ontvouwde. Hij verlangde daarin een overdracht van den grond in den collectieven eigendom der maatschappij, op zulk een wijze echter dat de grond-bezitters voor het hun ontnomen eigendom ten-volle schadeloos zouden worden gesteld. De grond zou dan door associaties in cultuur worden ge-
nomen, tot welke associaties een ieder zou kunnen toetreden. De leuze, waartoe hij kwam, was dus nationalisatie van den grond en productieve associatie. Zóó meende hij te kunnen naderen tot ‘wirthschaftliche Gerechtigkeit’1). Het nieuwe standpunt, dat hij ingenomen had, verdedigde hij nu als ijverig publicist tegenover een ieder2). Meer en meer doorwerkte hij intusschen de questies, die het sociale probleem raakten. Hij ging steeds verder. Tot nu toe had hij slechts aangetast de grond-rente en de ondernemers-winst, maar allengs begon hij in te zien, dat geheel de kapitaals-rente moest en kon afgeschaft worden. En het eigenaardige van de richting van zijn studie bestond nu daarin, dat hij de slotsom, waartoe hij aldus kwam, als een logische consequentie wilde doen opvatten der oude economische leer. Volgens hem was de door hem aangegeven oplossing van het sociale probleem de solutie, die de staathuishoudkunde sinds haar eerste ontstaan tot op den tegenwoordigen tijd zonder ophouden had gezocht. De drijfveêr, die de menschen moest leiden en leidde tot een sociale rechtvaardigheid, was ook in zijn stelsel niet gemeenschaps-zin of menschen-liefde, maar dood-eenvoudig welbegrepen eigenbelang en individualisme.
Toen hij zoover gekomen was, wilde hij in een nieuw dogmatisch werk dit alles verduidelijken. Doch bezig aan het wetenschappelijk ontvouwen van zijn stellingen, begreep hij gaandeweg, dat het voor de menschheid van veel meer waarde zou zijn, als hij dat, wat hij bedoelde, in een heldere, min of meer plastische voorstelling kon gieten, zoodat levendig en tastbaar het toekomst-beeld der maatschappij een ieder voor oogen kon staan. Het is waar: hij ontging zoodoende het gevaar niet van al wederom een nieuwe utopie te leveren, iets in den trant van Cabets Icarië, doch wat nood? Hij zou trachten zijn voordeel te doen met de door Cabet en anderen begane fouten; hij zou beproeven op den grondslag der werkelijkheid te blijven en zijn verhaal zóó samenstellen, dat zelfs de gewone nuchtere kranten-lezer kon meêgaan. Hoofd-zaak toch moest vooreerst zijn, dat de menschen kennis namen van zijn voorstelling. En in dit opzicht bereikte Hertzka volkomen zijn doel. Hij ontwierp een sociaal toekomst-beeld en noemde dat ‘Freiland’. Dat boek nu, dat in 1890 werd uitgegeven, kan reeds op tien drukken wijzen en is wijd en zijd verspreid. Eerst werd het in een zwaar en stevig boekdeel van circa 700 breed bedrukte bladzijden uitgegeven. De latere drukken zijn iets meer verkort en inééngekrompen, enger in elkander geperst, zoodat de laatste uitgave de helft dier bladzijden bedraagt.
Het blijft echter met dit al een zwaarwichtig prospectus. Wanneer
wij het doorlezen en ons in den gedachten-gang van den schrijver hebben ingewerkt, dan treft het ons dadelijk, dat - daargelaten de inkleeding van een staats-roman - de bouw der door Hertzka ontworpen maatschappij geheel en al rust op de grondslagen door Proudhon aangegeven. ‘Freiland’ staat zoo vèr mogelijk af van de door Marx en de Duitsche sociaal-democratie verdedigde beginselen, doch nadert het geleidel