Gerardus Joannes Vossius (1577-1649)


auteur: C.S.M. Rademaker


bron: C.S.M. Rademaker, Gerardus Joannes Vossius (1577-1649). W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1967


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

3. Regent van het Statencollege

Op 15 juni 1615 hield Vossius' voorganger als regent van het Leidse Statencollege, Petrus Bertius, zijn afscheidsrede in het college en hij besloot zijn oratie met de jubelzang van de christelijke oudheid, het Te Deum. Moeilijke jaren waren aan dit moment voorafgegaan. Later zou Bertius voor de Zuidhollandse Synode getuigen, dat hij niet veel prettige dagen op het college had beleefd en dat zijn ontslag als regent het mooiste moment van zijn leven was geweest. Bertius was teveel partijman om het Statencollege goed te kunnen besturen. Onder de studenten waren haat en tweedracht hand over hand toegenomen. Wat Bertius zijn theologanten onderwees, werd bestreden door figuren als de Leidse predikant Festus Hommius, die bij hem aan huis de bursalen het nodige tegengif ingaf om de verderfelijke invloed van de remonstrantse regent te neutraliseren. Daar kwam nog bij, dat Bertius ook in de eigen remonstrantse kring de rol van een enfant terrible was gaan spelen. Toen hij moest toegeven, dat zijn opvattingen onverenigbaar waren met de leer van de Heidelbergse Catechismus, had hij boud geopperd, dat de catechismus dan maar moest verdwijnen. Dat was zelfs de meest overtuigde remonstranten teveel van het goede. Bertius had echter, bij het aanvaarden van zijn regentschap, de eed afgelegd, dat hij zijn pupillen zou opvoeden in de geest en de leer van catechismus en belijdenis. Zijn geweten liet hem op dit punt niet met rust en het was dan ook een dankbare regent, die op genoemde dag van het jaar 1615 afscheid nam van het college. De curatoren van de universiteit hadden een uitzonderlijk royaal gebaar gemaakt: Bertius werd weer hoogleraar in de ethica en dat op de ongewoon hoge wedde van maar liefst 1300 gulden per jaar. De rust op de universiteit was de zelden zo gulle curatoren wel bijzonder veel waard.249

Toen Vossius het oude klooster aan de Cellebroersgracht betrok, deed hij dat met gemengde gevoelens. Zuiver zakelijk bezien, was hij er niet op achteruit gegaan. Hij verdiende 1200 gulden per jaar, kon beschikken over de riante regentenverblijven van het college en genoot vrijstelling van alle belasting. Ook zijn vrouw was ingenomen met de verandering, want zij was nu ontslagen van de zorg voor een groot aantal commensalen, die in Dordrecht haar voortdurende aandacht hadden opgeëist. Op het Staten-

[p. 92]

college waren de taken zo verdeeld, dat Elisabeth zich nu geheel aan haar gezin kon wijden. Hoewel Vossius niet veel minder werk had dan op zijn vorige standplaats, bevorderden toch de academische sfeer, het contact met de collegae en het werk onder de bursalen zijn wetenschappelijke activiteit. Tegenover deze positieve aspecten van de verandering stond natuurlijk de zware verantwoordelijkheid van het regentschap onder wel bijzonder moeilijke omstandigheden. Grotius had het scherp geformuleerd: van U zal het afhangen, hoe de kerk er zal uitzien over tien of twintig jaar.250 Toen Vossius enkele jaren na het aanvaarden van het regentschap de eerste redactie van zijn autobiografie voltooide, kon hij niet nalaten uiting te geven aan zijn bezorgdheid. Hij had een zware taak op zijn schouders genomen, zo schreef hij, en hoewel hij probeerde in de storm, die de kerk teisterde, het roer stevig in handen te houden, kon hij niet voorkomen, dat de tweedracht onder de bursalen bleef bestaan tot groot verlies van vroomheid en bescheidenheid. De geloofsleer van de oude kerk werd als ketters verworpen, goede woorden en goede daden werden verkeerd uitgelegd, goedwillenden werden tot ver in het buitenland belasterd, volksmenners zetten de onderdanen op tegen de regering, alles scheen te zullen uitlopen op een kerkscheuring of op de ondergang van de nieuwe staat. Vossius deed zijn werk naar de mate van de hem door God geschonken genade. Hij hield niet op iedereen aan te sporen vast te houden aan de leer van de Catholica en te streven naar een heilige eendracht. Het sombere verslag eindigt met een hartelijk gebed, dat de barmhartige God hem en andere gelijkgezinden mocht zegenen en dat Hij de gezagsdragers en herders der kerk de liefde voor waarheid en eensgezindheid mocht ingeven, opdat men eendrachtig zou zijn in het aanvaarden van de leer der oude kerk en in betwijfelde kwesties de andersdenkenden zou verdragen tot eer van God en tot welzijn van de kerke Christi.251 Dit alles vormt de achtergrond van de moeilijke en bewogen jaren, die nu volgden.

De medewerkers, die de nieuwe regent in het Statencollege aantrof, waren de subregent Caspar Barlaeus en de econoom Christiaen Sir Jacobs. De laatste was vele jaren als schrijfmeester aan de Latijnse School te Leiden verbonden geweest en was met ingang van 1 mei 1613 schaftmeester van het college geworden. Hij heeft gedurende heel de periode van Vossius' regentschap de materiële belangen van het college behartigd.252 Caspar Barlaeus had op het Statencollege zijn theologische vorming ontvangen en hij was er een enthousiast volgeling geworden van de remonstrantse leiders Arminius, Bertius en Episcopius. Nadat hij vanaf 1608 enkele jaren als predikant in Oude-Tonge werkzaam was geweest, werd hij in 1612 sub-

[p. 93]

regent van het Statencollege. Vossius en Barlaeus verschilden in bijna elk opzicht van elkaar. Terwijl Vossius uiterst voorzichtig probeerde zich te blijven bewegen op de messcherpe scheidingslijn tussen de strijdende partijen, bewoog Barlaeus zich reeds jaren enthousiast en zonder enige remming in het remonstrantse kamp. Barlaeus zocht in de oudheid op de eerste plaats het esthetische, terwijl Vossius meer gedreven werd door zuiver wetenschappelijke interesse. De ‘Spaanse Brabander’ Barlaeus, de ‘laat-Romeinse genieter’, was wel de tegenpool van de serieuze, altijd op het nuttige bedachte Vossius, waarbij ook de vriendelijke gelijkmoedigheid van de regent een scherp contrast vormde met de bijna manisch-depressieve onevenwichtigheid van zijn naaste medewerker. Ondanks deze en andere diepgaande verschillen konden de twee mannen het samen uitstekend vinden. Zowel op het Statencollege als later in Amsterdam was de samenwerking steeds bijzonder prettig en de samen gedragen zorg voor het college legde de basis voor een levenslange vriendschap.253 In het bestuur van het college hadden Vossius en zijn twee naaste medewerkers elk een eigen taak, maar het meeste werk moest toch wel door Vossius zelf gedaan worden. Een belangrijk deel van zijn taak bestond uit het aannemen en examineren van nieuwe candidaten, het regelen van de verdeling der beurzen, het opnemen van contact met de ouders en de broodheren van de bursalen en met de hoge heren in Den Haag, die het college bestuurden. Over dit soort zaken handelt veruit het grootste gedeelte van de officiële stukken, die in het Leidse Curatorenarchief worden bewaard en die dateren uit de periode, dat Vossius regent was. Het zijn verzoekschriften om toelating, examenverslagen, testimonia van schoolrectoren, notariële akten en ontslagaanvragen met begeleidende getuigschriften van de regent. Ook veel brieven uit deze periode, geschreven door Vossius of aan hem gericht, behandelen dit soort administratieve kwesties.

De taak van de regent was echter veel meer omvattend, zoals heel duidelijk blijkt uit de statuten van het college en uit een brief, waarmee Bertius in 1615 zijn opvolger in het ambt op zijn taak voorbereidde.254 Als de regent zijn werk goed wilde doen, moest hij bijna de gehele dag het doen en laten van zijn bursalen begeleiden. Zelfs als de subregent de zorg voor

[p. 94]

de tucht op zich nam en als de econoom, naast zijn gewone werk, ook de algemene hygiëne voor zijn rekening nam, bleef er nog meer dan genoeg werk voor de regent. Om vijf uur in de morgen moest hij, bij het tweede teken van de bel, een hoofdstuk uit het Oude Testament voorlezen. Hij moest bij alle maaltijden aanwezig zijn om te zien, of iedereen er was en of de schaftmeester zijn werk goed deed. Na de maaltijd moest de regent een hoofdstuk uit het Nieuwe Testament voorlezen en verklaren. De middaguren werden gevuld met het repeteren en uitleggen van de gevolgde colleges, terwijl de zondagen, woensdagen en zaterdagen vooral besteed dienden te worden aan de uitleg van de catechismus, het bespreken van gehoorde preken en preekoefeningen. Het avondgebed besloot om 8 uur de dagtaak van de regent. Naast deze alle dagen terugkerende ambtsbezigheden waren er de van tijd tot tijd voorgeschreven plichten van staat: het controleren van het werk van subregent, econoom, personeel en bursalen; het behandelen van gevraagde toelatingen; het bijhouden van de boekhouding; de zorg voor de zieken; het organiseren van examens, discussies en promoties; het bijhouden van de acta van het college. Wat dat laatste betreft: wie vol verwachting de acta van het Statencollege openslaat om daar te vinden, wat Vossius als regent zoal is wedervaren, komt bedrogen uit. Na de minutieus bijgehouden verslagen van Kuchlinus volgen er enkele lege bladzijden, waarna de acta van Vossius' opvolger Festus Hommius komen. Moeten we de oorzaak daarvan zoeken in gebrek aan nauwkeurigheid of is het een gevolg van voorzichtigheid, die de twee regenten ertoe bracht het dagelijks gebeuren niet officieel vast te leggen, zodat bij eventuele moeilijkheden het geschrevene niet tegen hen gebruikt zou kunnen worden?255

De bursalen, die het Statencollege bevolkten, waren bestemd om later kerk en staat in leidende functies te dienen, maar als student waren zij vaak, evenals trouwens hun collegae buiten het college, ruw, onbeschaafd en ongezeglijk. Vossius wist daar al heel gauw uit eigen ervaring over mee te praten. Herhaaldelijk had hij moeite met een of meer van zijn pupillen en omdat de delinquenten bursalen waren, geprotegeerd door stadsregeringen of nog hogere instanties, gaf dat vaak ingewikkelde kwesties, zoals b.v. het geval van Olivier de Buck, die Vossius voor de academische vierschaar moest laten komen. Er kwam een boze brief van de magistraat van Enkhuizen, waarin gesteld werd, dat de regent niet het recht had hun alumnus voor een buitengewone rechtbank te laten verschijnen zonder hun voorkennis.256 Zulke dingen maakten het toepassen van sancties extra moeilijk in de toch al geladen sfeer, die in het college heerste. Toen Vossius nog maar net geïnstalleerd was, kreeg hij een brief, waarin iemand

[p. 95]

hem er opmerkzaam op maakte, dat er bursalen waren, die 's nachts het college in het geheim verlieten. Wat het doel van dit soort escapades was, wordt ons al heel duidelijk uit een korte redevoering, die Vossius hield naar aanleiding van het gedrag van de bursaal Petrus Lotius en die bewaard is onder de officiële stukken in het curatorenarchief. De jongeman was met twee vrienden op een kwade zaterdag in een herberg wijn gaan drinken. Hij was, laat op de avond, opnieuw uit het college geslopen en was met een ander van buiten het college naar dezelfde herberg gegaan, waar hij zoveel bier had gedronken, dat hij onwel geworden was, de herberg met de gevolgen van zijn onpasselijkheid besmeurd had en twistend en scheldend de hele herberg in rep en roer had gebracht. Dat liep uit op een fikse ruzie met een voornaam gezelschap, dat in de herberg aan het dineren was. Buiten de herberg gezet, had de onverlaat een opstootje veroorzaakt voor het etablissement en had, tot besluit van zijn rumoerig optreden, een steen gegooid door het raam, waarachter het deftige gezelschap de oploop buiten geboeid gadesloeg. In het bijzijn van de rector magnificus, de subregent en alle bursalen hield Vossius zijn requisitoir en veroordeelde hij de booswicht tot acht dagen arrest op zijn cel met als enig voedsel water en brood.257

Een uitzonderlijk lastige groep werd gevormd door de bursalen uit Delft. Onder hen waren de echte probleemkinderen. Eleazar Loots had er zich bij zijn broodheren over beklaagd, dat er bursalen waren, die er een gewoonte van maakten om over een pas getimmerde zolder te lopen en ander hinderlijk lawaai te maken. Achter de rug van de regent om namen de Delftse regenten toen contact op met een timmerman, die opdracht kreeg de zolder af te sluiten. De lastige Loots heeft het ook op andere punten zijn regent erg lastig gemaakt. Na allerlei misdragingen zette hij de kroon op zijn slecht gedrag, door, evenals zijn Delftse collega Verburen, regelmatig op bezoek te gaan bij een vrouw in de stad. Vossius schreef aan de curatoren van de school te Delft, dat de twee heren zeer ijverig waren: ‘non libris in collegio legendis, sed liberis extra illud gignendis.’ Moeilijkheden met de Delftse bursalen Johannes Silius en Fabius wettigen de verontwaardigde uitspraak van Vossius in een brief aan de Delftse magistraat, dat de oorzaak van dit uitzonderlijk slecht gedrag weleens gezocht zou moeten worden op de school te Delft en dat hij hoopte, dat de komst van een nieuwe rector daarin verandering zou aanbrengen.258 Er waren echter ook andere bursalen, die het de leiding van het college lastig konden maken, zoals de recalcitrante Vincent Hasterle, die uit Dordrecht

[p. 96]

kwam en een oudleerling was van de Dordtse school. Olivier Hircinus uit Enkhuizen gedroeg zich ook niet bepaald voorbeeldig, was bovendien verontwaardigd, als men hem op zijn fouten wees, maar beloofde toch telkens weer beterschap. Adriaen Pansier uit Den Briel liep meermalen weg, werd dan weer door zijn familie met een keurige brief teruggestuurd om later echter opnieuw het college te ontvluchten.259 Gelukkig waren er ook bursalen, die hun werk goed deden, zich volgens de regels gedroegen en de regent zeer toegewijd waren. Zo kon Vossius aan Conrad Vorstius schrijven, dat hij bijzonder goed kon opschieten met Vorstius' candidaten Molanus en Koenerding. Overigens was het juist Molanus, die op het college geen vrienden had en maar heel moeilijk kon wennen aan de sfeer op het college. Misschien zag Vossius in deze Molanus zichzelf terug, zoals hij jaren tevoren op het college ook moeite gehad zal hebben om te wennen aan de omgangsvormen van de vaak onbeschaafde medestudenten.260 Het organiseren en voorzitten van de theologische discussies was zeker een van de zwaarste plichten van Vossius. Bij het repeteren en verklaren van wat de bursalen op de colleges van Polyander en Episcopius hadden gehoord, kon hij altijd nog een neutrale houding aannemen, maar de theses, die onder zijn leiding werden verdedigd, waren praktisch helemaal zijn werk en daarbij kon hij zich minder gemakkelijk onttrekken aan een duidelijke stellingname. Het was bovendien gewoonte, dat de theses werden gedrukt en buiten het college werden verspreid, zodat ook de buitenwacht kennis kon nemen van wat zich achter de muren van het college op theologisch terrein afspeelde. De kleinste kleinigheid kon de gemoederen in beweging brengen en Vossius wilde vóór alles zijn vredeswerk in stilte doen. Hij koos daarom de onderwerpen voor de theologische discussie zo, dat de omstreden geloofspunten omzeild werden. Hij kon later, voor de provinciale synode gedaagd, getuigen, dat hij zijn leerlingen ‘tegen het Pausdom gewapend had, om hen te diverteren van de disputen over de 5 artikelen.’261 De theses, onder Vossius als regent verdedigd, hebben inderdaad een antikatholieke, polemiserende strekking. Toen Episcopius na de grote synode het land verlaten had, schreef hij Vossius om een aantal exemplaren van zijn theses, omdat hij die zo goed kon gebruiken bij zijn godsdienstgesprekken met katholieken. Jaren later, toen kardinaal Barberini uit Rome om de theses vroeg, moest de auteur bekennen, dat hij nogal fel van leer getrokken was tegen de katholieke geloofsovertuiging en dat hij bereid was bij een eventuele nieuwe editie de theses zo om te werden, dat

[p. 97]

zij minder beledigend zouden klinken in katholieke oren.262 Deze antikatholieke tendens was echter niet alleen bedoeld om de aandacht van de bursalen of te leiden van de grote disputen in de kerk, Vossius had er ook een meer positieve bedoeling mee. In de partijstrijd bezigden de contraremonstranten bij voorkeur het invectief papisten voor de tegenpartij. Een duidelijke houding tegenover de katholieke leer zou Vossius minstens op dit punt van verdenking vrijhouden en bovendien kon een duidelijke uiteenzetting van diezelfde katholieke leer aantonen, dat de remonstranten ten onrechte werden beschuldigd van paapse stoutigheden.

Vossius wilde verder door de theses zijn leerlingen vertrouwd maken met de patristische literatuur. Hij wilde op hen zijn eigen ideaal overdragen: waarheid en vrede in de kerk door de bestudering van de kerkelijke oudheid. Later zou hij uitdrukkelijk getuigen, dat hij getracht had zijn studenten ervan te overtuigen, dat in de oude kerk de beste bronnen te vinden waren voor een juiste interpretatie van Schrift en geloofsleer.263 Hij wilde met zijn theses tenslotte nog aantonen, dat ook in de kerk van de eerste eeuwen duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen noodzakelijke en niet noodzakelijke geloofspunten en dat het verketteren van anderen om niet wezenlijk belangrijke zaken op geen enkele manier geoorloofd kan zijn. Om dat te illustreren citeerde hij in een van de stellingen een tekst uit Calvijns Institutio, waar de grote hervormer zegt, dat het beter is te dwalen dan anderen te verketteren. De vrienden en bekenden, aan wie Vossius de theses toezond, waren enthousiast, maar het zou niet zo heel lang duren, voor Vossius moest ervaren, dat lang niet iedereen zo geestdriftig was en dat zelfs zijn zo neutraal magelijk gehouden theses verkeerd konden worden uitgelegd en als wapen tegen hem konden worden misbruikt. Misschien dat hij een dergelijke ontwikkeling toch wel vermoedde en daarom niet overging tot het traditioneel publiceren van de los gedrukte theses in boekvorm. Dat zou pas veel later gebeuren.264

[p. 98]

In 1615 moesten de bursalen Adriaen Romein van Rotterdam en Henricus van Vollenhoven stellingen verdedigen over de toestand van de ziel na de dood en de betekenis van het bidden en offeren voor de overledenen. Er werd volledig afgerekend met de leer van de kerk van Rome inzake het vagevuur en het daarmee samenhangende geloof, dat men op aarde de smarten van de overledenen in het vagevuur zou kunnen verlichten. Het jaar daarop liet Vossius een hele serie disputen houden over de aanroeping van de heiligen, de verrijzenis en de toestand van de verrezen mens in een verheerlijkt lichaam. Weer werd de leer van Rome op deze punten bestreden aan de hand van de Schrift en vele vaderteksten, waaruit volgens Vossius zonneklaar bleek, dat de kerk van de eerste eeuwen het gebruik om de voorspraak van de heiligen in te roepen niet kende en dat een dergelijke praktijk pas later in de kerk van Rome ingang vond. Met een overdaad aan teksten wees hij het historisch begin van een aantal katholieke praktijken aan.265 In 1617 betrad Vossius met zijn theses een gevaarlijk terrein. Hij was toen zelf bezig met het uitwerken van zijn aantekeningen over de leer van de Pelagianen en Semipelagianen betreffende genade en zondeval en nu werden ook de bursalen ingeschakeld om deze moeilijke materie te bestuderen. Ook hier toonde Vossius echter alleen maar aan, wat de leer van de Catholica was geweest en wat, in tegenstelling tot de consensus der oude kerk, genoemde ketterse bewegingen hadden voorgestaan. De opzet was duidelijk, evenals de opzet van het grote werk, dat korte tijd later zou verschijnen: het was volkomen onjuist de remonstranten pelagiaanse of semipelagiaanse opvattingen aan te wrijven.266 De andere stellingen, die Vossius later publiceerde, handelen meestal over min of meer neutrale onderwerpen, maar er waren ook theses die het gevaarlijke terrein erg dicht naderden. De zondeval van Adam is een onderwerp, dat uiteraard nauw verwant is aan het precaire onderwerp van de voor-

[p. 99]

beschikking, zoals ook de stellingen over de verdienstelijkheid van goede werken en de deugdzaamheid van de heidenen in de gevaarlijke zone lagen. Er waren echter ook stellingen, waar men zijn vingers minder gemakkelijk aan kon branden. De schepping van het heelal werd in enkele reeksen theses uiteengezet met als uitgangspunt de Aristotelische categorieën. Weer behandelde Vossius de oude scholastieke vraag, of het mogelijk is, dat God de wereld van eeuwigheid geschapen heeft. Andere weinig gevaarlijke onderwerpen waren de tweede komst van Christus en het einde der wereld, zoals men ook over de verdeling van de decaloog veel kon zeggen en publiceren zonder zich nu direct te bezeren. Een groot aantal stellingen handelde tenslotte over de uiterlijke tekenen van het Avondmaal, waarbij Vossius en zijn bursalen een groot aantal roomse praktijken aan een kritisch onderzoek onderwierpen en tot de slotsom kwamen, dat op dit punt het reformatorisch christendom weer de weg naar de oude kerk had hervonden door radicaal of te rekenen met het communiceren onder één gedaante, het bewaren en feestelijk vereren van de heilige reserve en de private mis.267

 

In het nieuwe huis te Leiden had intussen Elisabeth Vossius haar gezin en huishouden geïnstalleerd en terwijl haar man zich bezighield met de vorming van de spes ecclesiae en zich over zijn boeken boog, zorgde zij bijna uitsluitend voor het opgroeiende gezin van de regent. Enkele maanden na de verhuizing van Dordrecht naar Leiden werd er een dochter geboren. Het was eerste kerstdag 1615. Het meisje werd naar Vossius' vrouw Elisabeth genoemd, maar het kind werd niet oud en het stierf al in de zomer van 1617. Het jaar daarop werd Vossius weer vader van een zoon, die hij Isaac noemde, waarschijnlijk uit piëteit voor zijn kort tevoren overleden zwager Isaac Diamantius. De juiste datum van deze blijde gebeurtenis is moeilijk vast te stellen, want de Leidse doopboeken die bewaard zijn, beginnen pas in 1621 en de brief waarin Vossius het heuglijk nieuws meldde aan de Dordtse vrienden, is niet gedateerd.268 In 1619 kreeg Vossius weer een zoon, die hij Gerardus noemde. Nadat de ouders en grootouders in de naamgeving waren herdacht, konden Vossius en zijn vrouw nu hun eigen

[p. 100]

namen aan de kinderen geven. Uit een latere brief van Vossius zou men kunnen afleiden, dat deze Gerard geboren is op 28 januari, maar een brief van augustus, gericht aan Johan Casimir Junius, maakt deze datering onzeker. Johanna, die in het najaar van 1622 werd geboren en gedoopt werd in de Hooglandse Kerk te Leiden op 13 oktober van dat jaar, sloot de rij.269 Na de dood van de kleine Elisabeth bleef het gezin Vossius vele gelukkige jaren bespaard voor het verdriet van de dood. Vossius heeft in zijn beste jaren, de periode van het Leidse professoraat, het geluk gekend van een gezin met opgroeiende kinderen, die door hun uitzonderlijke begaafdheid de beste verwachtingen voor de toekomst gaven. Het eigen geluk stemde Vossius en zijn vrouw dankbaar en maakte hen tot hartelijk meelevende vrienden voor wie te kampen hadden met lijden of dood. Het waren allereerst de familieleden, die dit mochten ondervinden.

Met zorg volgde Vossius de ontwikkeling in het gezin van zwager Isaac Diamantius. Diamantius was predikant in Breda en hij had het daar bijzonder moeilijk. Zijn collega en verwant Abraham Muysenhol bracht de Bredase gemeente in rep en roer door te eisen, dat elk gemeentelid met zijn handtekening zijn instemming zou betuigen met de hele inhoud van de Heidelbergse Catechismus. Muysenhol strooide kwistig verdenkingen rond over degenen, die weigerden te tekenen. Ook Diamantius, die op advies van Vossius zijn handtekening geweigerd had, werd verdacht gemaakt en hij leed hevig onder deze onheuse bejegening. In een brief aan Grotius schilderde Vossius de toestand in Breda en beschreef hij voor zijn doen ongewoon scherp de agressieve Muysenhol als een domme, pedante en querulante intrigant.270 In de zomer van 1616 kon Diamantius gelukkig predikant worden in Delft. Het ging aanvankelijk goed en Vossius was oprecht blij met de gunstige wending, maar het doorstane leed bleek toch te zwaar geweest te zijn voor de wat angstige Diamantius. Hij werd weer ernstig ziek. Vossius' vrouw was regelmatig in Delft en ook Vossius zelf ging er meermalen op bezoek. Hij zorgde ervoor, dat de jonge Franciscus Junius zijn intrek nam bij Diamantius en zijn vrouw om het sombere tweetal wat op te vrolijken. Het mocht allemaal niet baten: op 19 februari 1617 stierf de veel geplaagde Diamantius. Maria Junius werd liefdevol opgenomen in het huis van de Leidse regent.271

[p. 101]

Franciscus Junius werd kort daarop predikant in Hillegersberg en ook voor hem had Vossius zich ingespannen door Grotius en zijn machtige relaties in te schakelen. Het was geen gemakkelijke taak, die de jonge en nog onervaren predikant op de schouders werd gelegd. In de gemeente te Hillegersberg was een typische dorpsruzie uitgegroeid tot een kerkstrijd in miniatuurformaat. Een aantal gezinnen was dolerend en het waren juist de leden van de oude kerkeraad, die de kern vormden van de doleantie. Een nieuwe kerkeraad stond Junius terzijde en het was nu zijn taak de ruzie bij te leggen, een bijna onmogelijke taak, omdat ook de grote kerkelijke geschillen van het ogenblik erbij getrokken werden.272 Johanna Junius, gehuwd met Isaac de Brune, was met haar man naar Saumur verhuisd, omdat haar man daar zijn theologische studie wilde voltooien onder leiding van oom Gomarus. De wispelturige jongeman hield het daar echter ook niet lang uit en hij was alweer spoedig terug in Middelburg, waar hij een textielwinkel opende, die de facto door zijn vrouw moest worden beheerd. Toen het jonge gezin op zondag 10 juli 1616 werd verblijd met de geboorte van de kleine Johannes de Brune, vertrok Elisabeth Vossius direct naar Middelburg om haar diensten aan te bieden.273 Met Johan Casimir Junius hadden Vossius en zijn vrouw alleen maar schriftelijk contact. De relatie verkoelde even, toen Junius Vossius ging verdenken van remonstrantse opvattingen, en er vielen nogal wat boze woorden in de brieven, die de twee mannen elkaar toch bleven schrijven. Toen de hitte van de strijd voorbij was, werd de toon van de brieven weer even vriendelijk als vóór de bewogen periode en toen Junius enkele jaren later stierf, wijdde Vossius woorden van droefheid aan diens nagedachtenis.274 De Corputerfenis was een nog altijd niet opgeloste zaak. Jacob en Johan van den Corput bleven allerlei verdenkingen koesteren tegen Johan Casimir Junius, die nog steeds doorging maatregelen te treffen die men in Dordrecht voor hoogst verdacht hield. Vossius bleef de rol van bemiddelaar spelen. Hij probeerde de twee partijen met elkaar te verzoenen. Hijzelf was ook betrokken bij de zaak, maar de enige vraag, die hij zich stelde, was de kwestie, of het deel van de erfenis, dat toekwam aan zijn eerste

[p. 102]

vrouw, alleen voor haar zoon Joannes of voor alle kinderen bestemd zou zijn. Vossius vertrouwde zijn zwager en hij wachtte rustig op de afwikkeling van de ingewikkelde familieruzie.275

Onderhielden Vossius en zijn vrouw nog relaties met de verwanten van Vossius' vader? Van contact met Mathijs van der Horst of diens vrouw Anneke Fransen de Witt is na 1600 slechts of en toe iets te merken. Het belangrijkste is een brief van Anneke de Witt, geschreven in augustus 1607. Daarin bedankte zij Vossius heel hartelijk voor de uitnodiging om op zijn bruiloft te komen, maar noch zij, noch haar man konden aan die invitatie gehoor geven, doordat Mathijs van der Horst afwezig was. Uit een enkele toevallige opmerking in een brief van Vossius mag men concluderen, dat Vossius' stiefmoeder en haar man soms een bezoek aan Dordrecht brachten, waaruit men dan weer veilig kan afleiden, dat ook Vossius op zijn beurt weleens naar Rotterdam gereisd zal zijn. Kart vóór Vossius' vertrek naar Leiden, in augustus 1614, overleed Mathijs van der Horst. Is Anneke de Witt kort vóór of na hem overleden? Voorzover dat valt na te gaan, heeft Vossius na zijn vertrek uit Dordrecht in ieder geval geen contact meer gehad met de Rotterdamse familie.276 Dat was wel het geval met de Roermondse leden van de familie Vossius, waarmee Vossius al in Dordrecht correspondeerde. Er zijn twee brieven bewaard uit 1603 en 1604, afkomstig van een zekere Jan Huyben, waarin gesproken wordt over de Roermondse goederen van Vossius. Ook zijn oom Arend Vos schreef hem op gezette tijden. Toen in 1609 het twaalfjarig bestand gesloten was, kon het contact met de Limburgse familie intenser worden. Niet alleen oom Arend, maar ook neef Pieter Bosman schreef nu brieven. Het ging op de eerste plaats om huizen en land, die het eigendom waren van Vossius en die de twee genoemde heren voor hem beheerden. De opbrengst werd regelmatig overgestuurd. Uit het zakelijk contact groeide echter ook het verlangen elkaar persoonlijk te leren kennen. Vooral de kinderloze oom Arend verlangde ernaar de zoon van zijn broer te zien. Hij schreef: ‘Ick heb van U.E. negen broskens laten malen... ende U.L. mijrck oft tteken daerop latten stecken tto ein gedechtenis van U.L.’277 Het telkens her-

[p. 103]

haalde verzoek om eens naar Roermond te komen schijnt succes gehad te hebben, want uit de autobiografie van Vossius kan men opmaken, dat hij in 1617 een bezoek bracht aan Roermond, waar hij o.a. zijn neef Pieter van Linne sprak en herinneringen aan zijn vader ophaalde. Het was waarschijnlijk ook de Roermondse familie, die Vossius had gevraagd de dochter van Michiel de Villeers uit Roermond als dienstmeisje in huis te nemen. Het contact met de Roermondse tak van de familie was blijvend, maar het was toch meestal op de eerste en voornaamste plaats een zuiver zakelijk contact.278

 

In het Leidse milieu voelde Vossius zich de eerste anderhalf jaar van zijn regentschap goed thuis. Hij had er veel goede bekenden en hij was, wegens zijn onpartijdige houding, een graag geziene gast bij remonstrant en contraremonstrant. De vrede in de kerk was een ideaal dat nog lang niet bereikt was, maar met gelovig optimisme vertrouwde Vossius erop, dat de intensieve bestudering van de kerkelijke oudheid en het werk van de Staten van Holland die vrede misschien reeds spoedig tot stand zouden brengen. Hij bekeek de eerste jaren in Leiden de gang van zaken in den lande van de zonnige kant: het ging met het streven naar eendracht de goede kant op, in het Statencollege en ook aan de universiteit was alles rustig en de regering van Holland deed al het mogelijke om de vrede te bewerken. Vossius was dan ook vol lof voor de moeite, die de Heren Staten zich getroostten.279 De Zeeuwse predikant Willem Teellinck, bij wie Franciscus Junius enkele jaren in huis was geweest, had Vossius een brief geschreven over de toestand in de kerk. In overleg met Grotius schreef Vossius een uitgebreid antwoord, waarin hij de schuld van alle ellende aan een aantal predikanten gaf, die de regering belasterden, die trachtten het staatsgezag alle zeggingsmacht over de kerk te ontnemen en die in de dogmatische strijd geen duimbreed wilden wijken van hun eenmaal ingenomen standpunt. Veel contraremonstranten beweerden, dat hun tegenstanders verschillende wezenlijke geloofspunten in twijfel trokken, maar hij, Vossius, had tot dan toe nog geen enkele remonstrant ontmoet, die het niet eens was met de oude symbola en de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Natuurlijk eindigde dit voor Vossius uitzonderlijk openhartige schrijven met het verzoek, de brief geheim te houden.280

[p. 104]

Die voor Vossius zo karakteristieke voorzichtigheid kon echter niet beletten, dat de publieke opinie hem herhaaldelijk in de partijstrijd wilde betrekken en zijn voorzichtigheid, zijn contact met remonstranten en zijn verdediging van hun handelwijze uitlegde als een duidelijk teken van zijn remonstrantse overtuiging. Uit Dordrecht liet Johannes Becius een ernstige waarschuwing horen. Men vertelde daar, dat de regent van het Statencollege in disputen met zijn studenten de conditionele predestinatie en de universele genade had verdedigd. Becius waarschuwde: Pas op, dat zulke geruchten niet de ronde gaan doen en beweer niets tegen de orthodoxe doctores zonder grondige bestudering van de Schrift. Vooral de laatste opmerking van de brief moet Vossius dwars gezeten hebben: Becius stelde vast, dat velen in het verleden van het ware geloof en van de leer van de Schrift waren afgeweken, doordat zij teveel aandacht hadden besteed aan de kerkelijke oudheid en aan de geschriften van de kerkvaders.281 Een heel ander geluid deed Becius' collega proximus Balthasar Lydius horen. Deze predikant was bezig met een studie over de Waldenzen en hij schreef aan Vossius: Wat zou er zonder mannen als Van der Myle, Grotius en U terechtkomen van de bestudering der kerkelijke oudheid? Zo'n opmerking was Vossius uit het hart gegrepen en hij schreef dan ook aan Lydius, dat diens studie van de Waldenzen veel nuttiger was dan het vruchteloze polemiseren. Wat de geruchten betrof, die over hem circuleerden: verkeerde uitleg van zijn verdraagzaamheid en zijn werken voor de vrede in de kerk kon hem weinig schade berokkenen. Johan Casimir Junius, die ook geruchten over Vossius had vernomen, kreeg te horen: Ik houd alleen rekening met God, aan Wie ik verantwoording moet afleggen.282

Vossius bleef nauw samenwerken met zijn vriend Grotius. Brieven, boeken en schetsen voor allerlei studies gingen over en weer met de regelmaat van een klok. Vossius studeerde en bracht materiaal bij elkaar, Grotius vocht in de voorste gelederen en maakte dankbaar gebruik van de resultaten van Vossius' studie. Het voornaamste onderwerp waarmee de twee vrienden zich nog altijd bezig hielden, was het recht van de wereldlijke overheid in kerkelijke zaken. Antonius Walaeus, predikant te Middelburg, liet over dat onderwerp een brochure verschijnen: Het ambt der kerkedienaren ende authoriteyt, die eene hooghe Christelijcke overheijdt toekomt. Grotius werkte aan een Diatribe de imperio circa sacra. Hij vroeg telkens weer om gegevens en teksten. In februari 1616 kwam er uit Leiden een uitvoe-

[p. 105]

rige brief, een Dissertatio epistolica de jure magistratus. Het was een doordacht exposé over het omstreden onderwerp en Grotius was weer enthousiast: een onmetelijke schat uit de kerkelijke oudheid, die zo snel mogelijk moest worden gepubliceerd. Maar Vossius voelde er niet veel voor. Alles wat hij geschreven had, zou men spoedig kunnen lezen in Grotius' werk over hetzelfde onderwerp. Pas veel later zou de Dissertatio in druk verschijnen.283 Grotius was terecht geestdriftig. De studie van de Leidse regent was inderdaad een knap stuk werk. Er stond heel duidelijk in, dat men in de oudheid al inzicht had in de grondslagen van het overheidsrecht in kerkelijke aangelegenheden. Het was nu alleen nog maar zaak, dat inzicht te laten doordringen bij theologen en leden van de regering. Als dat zou gebeuren, kon men een juist standpunt innemen tegenover het recht, dat de wereldlijke overheid voor zich opeiste. In Engeland had men op dit punt een ideale toestand bereikt en Vossius citeerde dan ook uitvoerig oudere en meer recente Engelse theologische werken. Aan Tooker ontleende Vossius het onderscheid tussen de macht van de vorst, die een ‘potestas coërcendi’ heeft, en het recht van de geestelijkheid om te leiden en te overtuigen. De beslissing van de vorst is geen onfeilbare uitspraak, die in geweten verplicht, maar hij dient slechts om de orde te handhaven en de kerk op te bouwen. Wie zich tegen het gezag verzet, treedt dan ook als een antichrist op. De conclusies lagen voor de hand: de wereldlijke overheid kon synoden bijeenroepen, zij kon de geestelijkheid rekenschap vragen en zij kon de excommunicatie van onschuldigen beletten, zij was verplicht te zorgen, dat het kerkelijk ministerium goed werd uitgeoefend, en zij kon nalatige herders straffen en eventueel door anderen vervangen. Noemt de Schrift zelf de overheid niet een ‘custos et vindex utriusque tabulae?’ Kan men zeggen, dat Vossius Erastiaans dacht? Afgezien van het feit, dat het woord Erastianisme pas later in gebruik kwam, kan men niet zeggen, dat Vossius in zijn studie uitdrukkelijk stelling neemt tegenover de opvattingen van Thomas Erastus. Hij noemt zijn naam slechts toevallig bij het citeren van Beza's werk tegen Erastus. Men kan hooguit stellen, dat Vossius minder ver ging dan de Heidelbergse medicus, die alle jurisdictie aan de kerkelijke overheid wilde onttrekken.284

In de tweede helft van 1616 was het even betrekkelijk rustig aan het front. Grotius begon weer aan de uitgave van zijn Poëmata en Vossius was ook op dit gebied een uiterst deskundig helper en adviseur. Grotius was echter

[p. 106]

in een gedrukte stemming. De pogingen om de Engelse koning voor de goede zaak te winnen hadden gefaald. De rede van de nieuwe Engelse gezant, Dudley Carleton, voorspelde onweer. Deze had als gezant van de koninklijke beschermer van het protestantisme groot gezag en hij drong bij de Staten-Generaal aan op een spoedige beslissing in het kerkgeschil. Het was niet moeilijk te raden, welke partij volgens Carletons opdrachtgever de juiste leer verkondigde: enkele publicaties van remonstrantsen huize hadden koning Jacobus de overtuiging gegeven, dat de Nederlandse Arminianen een gevaar voor de hervormde kerk betekenden. Ook in de binnenlandse politiek werd het geleidelijk aan duidelijk, dat Oldenbarnevelt en de Staten van Holland aan het verliezen waren. In de Staten-Generaal groeide de aanhang van de prins en de landprovincies met de dag en men ging nu openlijk aansturen op een nationale synode, die uitspraak zou moeten doen in het hangende geschil.285 Maar het jaar 1617 bracht toch nieuwe activiteit. De remonstranten werden door hun tegenstanders uitgemaakt voor Socinianen en Pelagianen. Grotius vond, dat daaraan iets gedaan moest worden. Het beste middel om deze verdachtmakingen uit de weg te ruimen zou zijn het duidelijk uiteenzetten van de opvattingen van Socinus, de Pelagianen en de Semipelagianen. Iedereen kon dan zien, hoever de remonstranten afstonden van de genoemde ketterse stromingen. Grotius zelf nam de beschuldiging van socinianisme voor zijn rekening. Zou het niets voor Vossius zijn de leer van Pelagianen en Semipelagianen over de omstreden geloofspunten in een wetenschappelijke publicatie meer bekendheid te geven? Na enig aarzelen gaf Vossius toe en zo begonnen de twee mannen aan een nieuwe taak. Zij stuurden elkaar telkens de voltooide gedeelten van hun werk toe, prezen elkaar als om strijd en gaven elkaar nuttige wenken en aanvullingen.286

In september kwam het werk van Grotius uit, de Defensio Fidei Catholicae de Satisfactione Christi adversus Faustum Socinum. Grotius schreef, dat het boek eigenlijk meer het werk van Vossius dan van hemzelf was. Het voorwoord werd dan ook geschreven door de Leidse regent, die kort de verschillende ketterijen met betrekking tot Christus' Godheid aangaf, beknopt de leer van Socinus uiteenzette en het doel van het boek uitlegde. Hij eindigde zijn praefatio met de aansporing: ‘Gegroet gij allen, die de leer van de Catholica een goed hart toedraagt, en beveelt, samen met mij, in uw gebeden de schrijver aan God aan terwille van staat en kerk.’287

Enkele maanden na het verschijnen van de Defensio schreef Rutgersius

[p. 107]

aan Vossius, dat Herman Ravensperger, vroeger hoogleraar te Steinfurt en nu theologieprofessor te Groningen, bezig was met een anti-Grotius. Hij voorspelde Vossius, dat ook deze er wel van langs zou krijgen en om hem vast een voorproefje te geven van wat hij kon verwachten, zond hij met zijn brief een soortgelijk werkje van Ravensperger op, dat deze had geschreven tegen Joannes Piscator. Later vernam Vossius, dat de Franeker hoogleraar Sibrandus Lubbertus Ravensperger had aangespoord de pen tegen Grotius op te nemen.288

Toen het antwoord van Ravensperger verscheen - Apologia pro Catholica Fide de Satisfactione Jesu Christi adversus Socinum - was men aan beide zijden van de scheidingslijn verbolgen. De remonstranten waren het erover eens, dat het een waardeloos werkje was, dat nauwelijks een antwoord verdiende. Er waren echter ook contraremonstranten die verontwaardigd waren over het boek van de Groninger hoogleraar. De Dordtse predikant Balthasar Lydius noemde het kinderwerk en was bereid, er zelf iets tegen te ondernemen, als anderen dat niet zouden doen. Ook de predikanten Walaeus en Festus Hommius oordeelden, dat zo'n boek de zaak van de contraremonstranten alleen maar kon schaden en belachelijk maken.289

Dit was voor Vossius voldoende reden eindelijk de pen op te nemen en zich in de polemiek te mengen. Hij schreef in korte tijd een bondig antwoord, dat in juli 1618 verscheen als Responsio ad Iudicium Hermanni Ravenspergeri. Hij zond het boekje met een kort, beleefd briefje naar Grotius' opponent. Ravensperger had zich vergist, schreef Vossius, maar een mens kan nooit alles volledig zien en begrijpen, zodat vergissen altijd mogelijk is. Het boekje van Vossius verdedigde Grotius op alle aangevallen punten en de arme Ravensperger werd bedolven onder een lawine teksten en bewijsplaatsen.290 Enkele maanden laterkwam er antwoord uit Groningen in de vorm van een vinnige brief, waarin Vossius werd beschuldigd van laster en zijn Responsio een ‘diffamatorium centiculum’ werd genoemd. De Groninger senaat zat met het geval en verbood Ravensperger Vossius te antwoorden. Wel verscheen er een brief van de boze hoogleraar aan een relatie te Leiden in druk, waarin Vossius fel werd aangevallen, maar die brief maakte weinig indruk. Het was voor alle par-

[p. 108]

tijen overduidelijk, dat Ravensperger zich inderdaad had vergist. Toen Vossius' tegenstander enkele maanden later in Leiden kwam, stelde Vossius alles in het werk hem te ontmoeten. De twee mannen verzoenden zich met elkaar en gingen vreedzaam gestemd uiteen. Daarmee was deze onverkwikkelijke affaire van de baan.291

Het hele jaar 1617 en een groot gedeelte van het daaropvolgende jaar werkte Vossius aan zijn studie over het pelagianisme en het semipelagianisme. Hij liet zijn bursalen stellingen verdedigen, waarin de leer van de pelagianen getypeerd werd. In september 1618 kwam het boek tenslotte uit en het was beslist geen brochure. De Historiae de Controversiis, quas Pelagius eiusque reliquiae moverunt, libri septem, waren door Johannes Paets te Leiden uitgegeven en zij omvatten meer dan 800 pagina's.292 Na een uitgebreid voorwoord, waarin Vossius zijn bedoelingen uiteenzet, behandelt het eerste boek de geschiedenis van pelagianisme en semipelagianisme, waarin de voor- en tegenstanders van beide richtingen de revue passeren. Dan begeeft de auteur zich met het tweede boek in het strijdperk en geeft hij de opvattingen van Pelagianen en Semipelagianen over de erfzonde weer, waarna hij onderzoekt wat op dit punt de algemene leer van de Catholica is geweest. Hij geeft ook duidelijk aan, op welke punten de meningen van de kerkvaders onduidelijk of verdeeld waren. Het derde boek is gewijd aan de noodzakelijkheid van de genade. Eerst lezen we de meningen van degenen, die vóór Pelagius leefden. Nadat de pelagiaanse leer is vergeleken met de consensus van de Catholica volgt er een uiteenzetting over de deugdzaamheid van de heidenen en de meningen daarover in de loop van de kerkgeschiedenis. Het vierde boek heeft als onderwerp de voorkomende genade, de gratia praeveniens, terwijl het vijfde boek een aantal pelagiaanse opvattingen over onderwerpen van uiteenlopende aard opsomt. Het zesde boek waagt zich dan aan het moeilijke vraagstuk van de voorbeschikking en de verliesbaarheid van de genade. In het laatste boek geeft Vossius tenslotte verschillende meningen weer over de verwerping en de vrije wil. Het hele werk is duidelijk en overzichtelijk gecomponeerd en laat zien, dat de auteur een vaste greep op deze moeilijke materie had en dat hij als weinig anderen thuis was in de patristische literatuur.293

Naar Vossius van zichzelf getuigde, zocht hij geen eer of roem; hij wilde alleen een bescheiden bijdrage leveren aan het herstel van de liefde en de eendracht in de verdeelde kerk. Hij wilde aantonen, dat het, onjuist was de remonstranten te beschuldigen van ketterse opvattingen, waaraan zij

[p. 109]

part noch deel hadden. Dit soort aantijgingen verduisterde bovendien het juiste zicht op de algemene opvatting van de kerk der eerste eeuwen. Men kon de remonstranten niet uit de kerk stoten, want zij hielden vast aan de consensus der oude kerk. Als men het zou wagen hen uit de kerk te bannen, zou men zichzelf van de Catholica afscheiden, omdat men dan christenen verketterde, die door hun geloof in de wezenlijk belangrijke dogmata van die Catholica deel uitmaakten. De contraremonstranten hadden zich vastgebeten op enkele onduidelijke passages van de Schrift en zij hadden hun eigen interpretatie daarvan tot geloofspunt verheven. God,de eerste Auteur van de Schrift, is een goed pedagoog. De belangrijke dingen heeft Hij duidelijk en bij herhaling gezegd. Daarvan moet men steeds uitgaan. Over de onduidelijke en dus in zich niet wezenlijke schriftuurplaatsen moet men hooguit liefdevol discussiëren.294 Vanachter zijn schrijftafel had Vossius zich aldus met de problemen van zijn tijd beziggehouden. Hij stelde zich veel voor van het verschijnen van zijn boek. Hij zou op pijnlijke wijze ervaren, dat hij zich vergiste. Toen hij zich enthousiast met zijn wetenschappelijke prestatie op het terrein van de strijd vertoonde, waren de strijdende partijen juist naar elders vertrokken. De fase van schrijven en polemiseren was voorbij, had althans voor een groot gedeelte moeten plaats maken voor handelend optreden. Vossius hield een vurig pleidooi tegen liefdeloze verkettering, maar hij was een roepende in de woestijn. Men had nu geen tijd meer om naar zijn geleerde vertogen te luisteren. De tijd van het discussiëren was voorbij en men stond op het punt met krachtiger middelen dan argumenten de onderliggende partij het zwijgen op te leggen. Pas na de voltooiing van dat werk zou men zich Vossius weer herinneren als de man die tot vrede en verdraagzaamheid had aangespoord en die alleen al om die reden verdacht was. Zijn historische studie zou tegen hemzelf worden gebruikt. Hij had gemeend de vraagstukken, waarom het ging, objectief-historisch benaderd te hebben, maar zijn conclusies waren voor de bovenliggende stroming allesbehalve aangenaam. Alleen het feit, dat Vossius zich stevig had verschanst achter barricaden van stapels vaderteksten en historische gegevens, maakte hem tot een moeilijk doelwit voor zijn aanvallers. Daardoor kon hij het hoofd boven water houden, toen men trachtte hem te verdrinken in het water, dat hij zelf had aangedragen om het vuur van de strijd te blussen. Hij zou echter moeten aanvaarden, dat hij met de aangeboden vredestak van het theologisch toneel zou worden gevaagd.295