terug  begin  verderprepost

Het heilige amateurisme

In de maand maart 1941 vonden voor de eerste maal executies plaats in Nederland. Het was het begin van een afschuwelijk lange rij! In datzelfde jaar 1941 werden er een aantal illegale organisaties opgerold, er volgden nieuwe doodvonnissen en velen werden tot lange kerkerstraffen veroordeeld. Wijze toeschouwers schudden het hoofd. Ze vonden het maar kinderwerk!

Er moest iets fout zijn dat de Duitsers zomaar rissen van twintig, dertig mensen in één klap konden arresteren. Men dacht aan verraad en men vermoedde gebrek aan dapperheid en standvastigheid bij de betrokkenen, die kennelijk al te gemakkelijk de namen van hun medewerkers noemden.

Illegaal werk is een vak en een verduiveld moeilijk vak! Dat moest nog worden geleerd. Het ontstond in een bepaald milieu, soms een heel kleine kring van scholieren of studenten, familieleden of vrienden. Men zocht aansluiting bij mensen naast wie men in de kerk zat of met wie men elke morgen op de tram stond. Men kende elkaars namen, elkaars adressen en iedereen wist van iedereen wat hij deed.

Hadden de Duitsers eenmaal één rafeltje in die kous, dan was het gemakkelijk hem helemaal uit te trekken!

Het begon ook allemaal zo spontaan. Wie wat deed, deed het uit een overkropt gemoed. Hij had nauwelijks tijd om zich af te vragen of het verstandig was of dom. Er moest gehandeld worden, geholpen, gewaarschuwd en dat gebeurde! Zeker, het was vaak dom, maar van een stralende imposante domheid, waartegen de verstandelijke voorzichtigheid van de knappe koppen, die na de oorlog hun zelfverdediging zo ijverig schreven, wel heel erg armetierig afstak.

Om u, lezer, een idee te geven hoe dat toeging volgt hier een stukje ware geschiedenis.

 

De man waarom het gaat, werkte als evangelist in de Jordaan. Niet namens een kerkgenootschap of organisatie, maar zo'n beetje op eigen houtje. De Jordaan in die tijd betekende werkloosheid, armoede, duizend grote en kleine tragedies en een langzame ondermijning door jarenlang nietsdoen.

In de loop van 1941 en later zouden de Duitsers de slavenjacht op deze mensen openen, maar in de zomer en herfst van 1940 probeerde men ze nog te lijmen.

Er werden grote massale maaltijden georganiseerd, met vrije toegang, goed eten en muziek. Velen gingen, dat was vanzelfsprekend. Velen ook niet, en dat was voor mensen in die omstandigheden eigenlijk al iets wonderbaarlijks.

Toen kwam die evangelist en zei: ‘Makkelijk gezegd dat die lui niet naar de

[p. 40]

moffen moeten gaan, maar dan moeten wij zorgen dat we ze te eten geven...’

Toen begon er een operette van steedse werklozen, die gezamenlijk onder leiding van de evangelist een stuk land hadden gehuurd in Sloten. Om er aardappelen en groenten voor de winter te verbouwen. Gereedschap moest onder water verborgen worden (anders werd het gejat!) en toen eenmaal de tijd van oogsten was aangebroken bleken anderen ons altijd vóór te zijn geweest. De boontjes waren al geplukt en het loof van de aardappelen was los in de grond gestoken. De aardappelen waren er al onderuit gehaald! In de winter zaten we alleen met drie tonnen vol zuurkool, want die wilde niemand eten.

De evangelist had een grote tuin en daarin hield hij een vijftig konijnen. Die werden voor de zieken geslacht. Om voer voor hen te krijgen trok de evangelist tweemaal per week met een handkar door de straten om schillen te verzamelen.

Was dat verzet? Welnee, maar er werd een stemming en een sfeer door geschapen, die bereid maakte voor de eerste de beste verzetsopdracht, die zich overigens ook vanzelf zou voordoen.

De evangelist kende een klein drukkertje, die Duitse bijbelteksten voor hem vervaardigde. Die deelde hij uit onder Duitse soldaten en de inhoud ervan was wel zo gekozen, dat het niet moeilijk was te begrijpen dat oorlog, geweld, rassehaat en hoogmoed God niet welgevallig waren.

Datzelfde drukkertje zorgde toen ook voor mij toen ik iets illegaals te drukken had en zo zaten we er samen midden in.

Toen de brochure van dr. Koopmans uitkwam, Bijna te laat, was de evangelist een kernpunt van de verspreiding.

Denk niet dat er veel over politiek gepraat werd of getheoretiseerd over wat men al of niet moest doen. Daarvoor was geen tijd. Het ging om de mensen en zo men wil, om God. Maar dat verschil is van dit gezichtspunt uit niet zo groot...

 

Toen kwamen de aanvallen op de joden en toen de Februaristaking. De ‘futloze’, werkeloze Jordaners bleken dappere knokkers en zelfs niet ontbloot van historisch besef. Op de stakingsdag zei er één tegen me:

‘En voor ons is het dubbel moeilijk, weet je. Een paar jaar geleden reden er hier ook overvalwagens door de straten, maar die waren van onze eigen politie en dat waren onze eigen soldaten...’ (Werklozenoproer in de Jordaan).

Een gedeelte van de jodenbuurt was afgezet en iedereen vreesde dat de Duitsers een getto wilden maken, waarin de joden als ratten in de val zouden zitten.

Toen kwam opnieuw de evangelist bij me. Hij had links en rechts lege woningen en kamers gehuurd (die waren er toen nog!!). Geld was er niet, maar, zo was zijn theorie, je moest eerst wat doen en dan pas hielp God je. Het geld is er gekomen.

Hem waren een aantal joodse gezinnen bekend die stierven van angst en zijn voorstel was om er elke dag een paar uit de jodenbuurt naar de Jordaan over te plaatsen. Vandaar die huizen.

Ik durfde niet nee te zeggen. Door die staking hadden we een vleugje van de

[p. 41]

grote geest gevoeld. Alles kon en alles moest.

Toen ik hem ging afhalen in zijn evangelisatielokaaltje zei hij tegen me: ‘Jonge vrind, het is geen gemakkelijk werk dat we gaan doen. Als God ons niet helpt zal het niet gelukken. Laten we daarom Zijn zegen vragen...’ en tegelijk lag hij al geknield bij een stoel. Ik bleef verlegen staan. Toen hij klaar was nodigde hij mij uit hetzelfde te doen, maar ik verontschuldigde me stotterend. Toen deed hij het wel voor mij.

 

We zijn in de joodse gezinnen gekomen, waar jonge mannen als opgejaagde dieren in het donkerste hoekje van de vliering zaten weggekropen. In één geval kwam zo'n jongen, toen hij vreemde stemmen hoorde met een groot slagersmes naar beneden. Maar de evangelist sprak over de doortocht door de Rode Zee en hij vond een Amsterdamse gracht en een uittocht over een paar kolenschuiten (die speciaal voor dit doel waren klaargelegd) maar een wissewasje.

En voor de meubels in de lege woningen zorgden de werklozen, die zelf niets hadden. Of ze er altijd helemaal eerlijk aan kwamen, weet ik niet. De mensen waren zo enthousiast dat een kleermaker met zijn twee zoons hun linnenkast sloopten om het evangelisatielokaaltje een kathedertje te bezorgen.

 

Van vele stakers werd het loon ingehouden en een aantal werd ontslagen. Zo ontstond vanzelf een steunactie. Een vooraanstaand ar-advocaat in Amsterdam schonk spontaan duizend gulden en zei:

‘Ik heb mijn kinderen aangeraden voortaan voor elke arbeider, die ze tegenkomen, hun pet af te nemen...’ Die geestdrift voor de arbeiders is later wel weer bij hem bekoeld, maar voor die dagen was het tekenend. Hij was niet de enige.

De steunactie begon met almaar op de tram te rijden en telkens een gulden fooi te geven, want adressen waren niet bekend. Die kwamen echter wel allengs binnen en uit deze spontane actie is een organisatie gegroeid, die in Amsterdam tot aan het einde van de oorlog actief is gebleven.

Ook het ‘gewapend verzet’ was toen al in kern, een heel klein kerntje, aanwezig. Een smid uit de Jordaan kwam me een korte ijzeren staaf aanbieden met een loden bol aan het eind. Toen ik me sceptisch toonde hoe het ding te hanteren, nam hij het terug, liet het in zijn hand veren en zei: ‘Mot je foelen hoe die in je hand legt...’

Het verraad was er ook al. Van een van de verdeelpunten van de steunactie ontving ik een briefje, waarin duizend gulden geëist werd of anders zou de zaak wel bij de Gestapo bekendgemaakt worden. Chantage dus, maar het handschrift verried hem. De ijzeren staaf met de loden bal werd toen voor de eerste keer door de smid gebruikt...

 

In het evangelisatiezaaltje hadden inmiddels drie koperblazers een trio gevormd. De zuurkool kwam toch op. Binnen zes maanden echter zat de evangelist achter de Duitse tralies en nog vóór er een jaar voorbij was, ik zelf.

[p. 42]

Pas toen begrepen we een beetje hoe het moest en gelukkig hebben we de kans gekregen dat naderhand nog in praktijk te brengen.

Het was wel de domste maar ook de mooiste periode van de illegaliteit.

4 maart 1961.

prepostterug  begin  verder