Bij hun pogingen ons volk het nationaal-socialistische dwangbuis aan te trekken hebben de Duitsers op bepaalde gebieden opmerkelijke verliezen geleden. Of beter gezegd, ze hebben het er eigenlijk bij laten zitten! De politieke partijen zijn verboden, het parlement en de andere vertegenwoordigende lichamen buiten werking gesteld, de radio verduitst, de pers genaast of monddood gemaakt, de joden uitgemoord, de universiteiten werden de één na de ander gesloten, maar het lager onderwijs, en daarmee ook de Nederlandse schooljeugd, heeft men betrekkelijk ongemoeid gelaten.
Betrekkelijk, zeg ik, want men heeft het ook hier de mensen lastig genoeg gemaakt. Maar de Duitsers hebben niet doorgebeten en de scholen én de jeugd zijn (met de kerk!) tot het eind van de oorlog een gebied gebleven waar men nog, om zo te zeggen, vrijelijk vaderlandse lucht kon ademen. Dat kon elders ook wel, maar dan moest men meestal ondergronds gaan...
Waarom? Omdat de Nederlandse onderwijzers, dominees en pastoors zich bijzonder heldhaftig hebben gedragen? Het zou mooi zijn om het zo te kunnen zeggen en het zou tevens een bewijs zijn dat men maar de poot stijf had te houden om de gelijkschakelende Duitsers af te schrikken.
(En nu bedenk ik ineens, dat ik twintig jaar later schrijf en dat er dus mensen zijn die niet of nauwelijks weten wat ‘gelijkschakelen’ is. In de Schaduw van Gisteren komen we daarover nog wel een andere keer uitvoerig aan de praat. Gelijkschakeling is de Duitse poging onze democratische instellingen, onze vrije organisaties onder de ideologische heerschappij van het nazisme te brengen en ze op te nemen in een eigen Duits-nazistisch organisatiepatroon. Dat gebeurde met radio en pers. Daarom mochten de kunstenaars niet meer vrij zijn en zelfs padvinderij en sportbeoefening niet. Landbouworganisaties en vakverenigingen kregen nsb'ers aan het hoofd of werden opnieuw en nu naar Duits patroon georganiseerd, maar onze scholen zijn Nederlandse scholen gebleven en hoewel er een Nationale Jeugdstorm werd opgericht, men heeft de kinderen nooit gedwongen er lid van te worden.)
Ik denk dat de Duitsers hier een goed Nederlands spreekwoord tot leidraad hebben gekozen: ‘Wat in 't vat is, verzuurt niet’. Ze hebben hun grote aanval op dit terrein kennelijk tot na de overwinning willen bewaren. Zeker, er zijn een aantal schermutselingen geweest en daarin bleken de onderwijsmensen niet dapperder dan hun overige landgenoten. Integendeel, men kan zich met vrees en beven afvragen, wat er gebeurd zou zijn als de nazi's ook op dit gebied hadden doorgezet, maar na l942-'43 heeft men de lagere scholen praktisch met rust gelaten...
‘De principiële strijd was voor 1943 gestreden en gewonnen’ schrijft prof. dr. A.M. Donner in ‘Onderdrukking en Verzet’, maar even eerder moet hij zelf toegeven, dat er in 1943 een verslapping van de Duitse belangstelling voor het onderwijs viel op te merken.
Nou, daar hebben dan de onderwijzers én de leerlingen én de ouders mee geboft! Een reden om zich op de borst te kloppen is het zeker niet!
Op 8 april 1941 vaardigde de secretaris-generaal Van Dam op last van Seyss-Inquart een verordening uit, waarbij een onderwijzersbenoeming voorafgegaan moest worden door een voordracht van drie personen, die aan het (nazi-geïnfiltreerde) Departement van Onderwijs, Kunsten en Cultuurbescherming ter goedkeuring moest worden voorgelegd. De vrijheid van de gemeenteraden om, bij het openbaar onderwijs, zelf hun leerkrachten te benoemen werd hiermee drastisch beperkt en eveneens die van de besturen van de bijzondere scholen.
Vooral voor de laatsten was dit een zeer principiële zaak, aangezien hiermee de vrijheid van het onderwijs stond of viel.
Het was niet de eerste maatregel van de Duitsers.
Er verscheen in die tijd een illegale brochure onder de naam ‘Ons kind in gevaar!’ Dat is nu 20 jaar geleden en het is ter gelegenheid daarvan dat we dit onderwerp hebben gekozen. Wát er allemaal al gebeurd wás en hoe fier erop was gereageerd staat in deze brochure te lezen en daarom schrijven wij er een stuk voor u uit over:
‘Ondertussen is men bezig onze vrije Nederlandse school langzaam maar zeker gelijk te schakelen. Tal van maatregelen zijn hiertoe reeds genomen en het is pijnlijk en verbazingwekkend hoe slecht een groot deel van ons volk hiervan op de hoogte is.
Het kan niet anders zijn of de maatregelen van onze vijanden zijn zó geraffineerd opgezet en zó sluw uitgevoerd, dat ons volk, gewend in goed vertrouwen te leven, hierdoor is misleid en gruwelijk bedrogen. En zo is het ook!
De splitsing van het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen lijkt op het eerste gezicht slechts een administratieve maatregel. Let op de nieuwe namen: Kultuurbescherming en Volksvoorlichting en u ziet de vlammen, waarin eenmaal de beste Duitse literatuur verbrand werd. U hoort het geschimp en de leugens van Goebbels...
Daarom moesten de schoolbibliotheken gesloten worden en werden ze slechts na “zuivering” dat wil zeggen na verwijdering der boeken van Wassermann, Thomas Mann, Den Doolaard enzovoort enzovoort weer geopend.
Toen kwamen de lijsten met verboden leermiddelen. Om de simpelste en onschuldigste zinnetjes werden de eenvoudige kinderboeken verboden. “Herman gooide Dolf in het water”. Weg zo'n boekje! De Duitser is fijngevoelig en - wij mochten eens hopen dat dit werkelijk gebeurde! Het bleek vooral geschiedenislectuur te zijn, die het ontgelden moest en dan denken we weer aan de uitspraak van het Nederlands Dagblad (een naziblad, Sj. v.V.): “Wij kunnen geen andere geschiedbeschouwing dan de onze op de scholen toelaten, omdat wij onverdraagzaam zijn en alleen gelijk hebben.”
Daarom moesten historische feiten en waarheden verdonkeremaand worden en het Oranjehuis doodgezwegen.
Daarom moesten ook de portretten van Prins Bernhard worden verwijderd (en een poosje later ook die van de koningin, Sj. v.V.).
Gewone, oernederlandse volksliederen, die onze vaders en moeders op school reeds leerden, moesten uit de zangbundels verdwijnen...’
Al eerder hadden ook de onderwijzers de Ariërverklaring getekend, ietwat later hadden de gemeentebesturen geaccepteerd dat joodse leerkrachten werden geschorst, nog later had men prompt de joodse kinderen opgegeven (op de christelijke scholen niet zo vlot, maar... daar waren vrijwel geen joodse kinderen en die er waren werden door de joodse ouders zelf thuisgehouden). Het is dan ook te begrijpen, dat de brochure vervolgt:
‘Laat niemand zeggen dat dit kleinigheden zijn. Het is toch wel erg, heel erg, dat dan de voormannen van het christelijk onderwijs, zoals de “Schoolraad voor de scholen met de bijbel”, durfden te adviseren, dat wij dit alles maar aanvaarden moesten, omdat ons beginsel niet aan boekjes hangt...’
Wij herinneren ons de woorden van Seyss-Inquart: ‘Van essentieel belang voor de opvoeding is de drager ervan’. Op 23 februari hield de (nazi) professor Van Dam een radiorede over actuele onderwijsvraagstukken: De onrust onder ouderen en jongeren, en het feit dat ook de jeugd zich meer dan vroeger voor de politiek interesseert, maakt het noodzakelijk dat de overheid de mogelijkheid moet bezitten een zeker toezicht op het onderwijzend personeel uit te oefenen...
Daarmee was de eigenlijke reden van de zogenaamde benoemingsverordening gegeven!
Veel succes hebben de Duitsers er niet mee gehad. Toen op den duur bleek dat ze de zaak niet op de spits wilden drijven, vatten ook de onderwijsmensen en de ouders nieuwe moed. Er kwamen vele clandestiene benoemingen voor en elders weigerden de ouders hun kinderen naar school te sturen als de nazibemoeizucht te groot werd.
Als altijd begon het verzet, het wakkerschudden, ook nu niet bij de officiële leiders. De opdracht om deze brochure te schrijven ontstond in de zogenaamde Lunterse Kring, een groep leken en predikanten, waarvan u nog wel meer zult horen. De schrijvers waren een dominee, een advocaat en iemand die toen nog niet de naam Sjoerd had aangenomen.
Met kleine clubjes kwam men bijeen en ‘agitators’ trokken door het land om overal de onderwijzers wakker te maken. Ik heb er heel wat boterhammen met spek en echte boter aan te danken, dingen die in Amsterdam niet te krijgen waren.
De ar-advocaat behoorde ertoe, de man die na de februaristaking zijn kinderen opdroeg ‘voor elke arbeider de pet af te nemen’ en de onvergetelijke, helaas overleden, mr. Okma, gereformeerd maar een oecumenisch man, die daarmee het getij in zijn kerk ver vooruit was. Onder een borrel op het terras van het American Hotel te Amsterdam lijfde hij mij in in een militaire groep, groepen van vijf en van tien en combinaties daarvan naar een oud bijbels voorbeeld. Ik heb er nooit meer iets van gehoord en vertel het als een voorbeeld hoe ‘gezellig’ alles toen nog ging.
Voor de verspreiding van de brochure zorgden de leden van de Nederlands Christen Studenten Vereniging, afdeling Amsterdam. Ze zaten hun vingers blauw te schrijven aan adressen en gefingeerde afzenders. Het was allemaal erg jongensachtig en gevaarlijk, maar onder deze studenten was ook Joop Bartels,
die later het eindpunt zou zijn van een spionageweg naar Genève en die tweemaal met belangrijke opdrachten door vijandelijk gebied vanuit Zwitserland naar Nederland kwam.
Men schreef en men sjouwde met pakken en zo deed Lotje Kohlbrugge, die later een van de belangrijkste en actiefste illegale werksters zou worden. En nog veel meer behoorden ertoe, die later het illegale werk op ernstiger wijze zouden leren kennen en er waren er ook bij, die het later met de dood moesten betalen.
Enkele weken na verschijnen sprak minister Bolkestein voor Radio Oranje over de brochure ‘Ons kind in gevaar’. Hij was het er mee eens en vond het een prachtstaaltje van de verzetsgeest in Nederland. Dat zag hij wel wat al te rooskleurig, maar wij waren opgetogen dat zoiets in Engeland terecht kon komen. Het was vrij eenvoudig! De studenten waren, bij het afwerken van hun adressenmateriaal, ook de naam van Visser 't Hooft te Genève tegengekomen. Hij kreeg het in een open enveloppe toegestuurd en kennelijk had geen Duitser de moeite genomen om die in te kijken.
Door dit toeval ontstond de eerste vage idee van een contactweg met Engeland. Die is later gekomen en Visser 't Hooft had er een sleutelpositie in.
Zo zie je...
8 april 1961.