Zonder straatverlichting en met nieuwe maan zijn de Amsterdamse grachten een donker labyrint, speciaal daar waar men een adres op één van de kleine zijgrachten zoeken moet.
We hebben het gevonden. Een oud herenhuis, een lange donkere gang die nauwelijks verlicht werd, een kleine kronkeltrap in een achterkamer, die naar een soort opkamer leidde en ook daar nog was het licht schaars.
We waren met z'n tweeën. Mijn oudere metgezel en de heer des huizes kenden elkaar en daarmee was de basis gelegd om het kleine clubje ondergrondse werkers uit de begintijd van 1941 met één uit te breiden. Relatiewerk, waarbij de gemeenschappelijke kennis als tussenpersoon en vertrouwensman dienst moest doen.
Het gesprek viel niet mee. De heer des huizes was niet alleen stug maar bovenal intelligent en de vragen die hij op ons afvuurde, waren niet gemakkelijk te beantwoorden. Nuchtere, listige vragen, vol reserves en scepsis...:
‘De zaak zit al fout meneer! U kent mij thans wel bij naam, dankzij onze vriend hier, maar ik ken u niet... Welke garantie heb ik dat u mij niet zult noemen als u in moeilijkheden komt?’
Ik wist er geen antwoord op. Of deze vraag:
‘Hoe lang denkt u, dat de oorlog duurt. Heeft u zich met uw organisatie ingesteld op één jaar of op tien?’
Of zo:
‘Ik ben niet jong meer zoals u, daarom weet ik wat het leven waard is. Het gaat er niet om of men gevaarlijk werk moet doen, maar u moet mij ervan overtuigen, dat ik het moet doen, nu en hier en speciaal ik...’
Zelfs ging hij zover de Duitsers als bezettingsmacht bepaalde rechten toe te kennen...
Bij mijn oudere vriend sprong plotseling een zwarte kat op zijn rug. Hij griezelde van katten! Toen ik mijn voeten onder de tafel verzette, stootte ik op iets dat gromde. Er lag een hond onder!
Bij de buitendeur werd ons gezegd, dat er over nagedacht zou worden en toen we opnieuw op de stikdonkere gracht stonden, waren we beiden zo verbouwereerd, dat ik mijn vriend aanraadde zo gauw mogelijk onder te duiken. Zijn naam was immers bij dit vreemde heerschap bekend en ik meende het te moeten betwijfelen of zo iemand betrouwbaar was...
Drie dagen later zat ik opnieuw bij hem. Via mijn begeleider had hij mij weten te bereiken.
‘U kunt op mij rekenen,’ zei hij, en als verontschuldiging voor al het gepraat van de eerste avond: ‘Ik mocht toch ook wel weten wat voor vlees ik in de kuip had.’ Ik kreeg een kop koffie, de eerste uit een rij van duizenden kopjes koffie, die ik en mét mij tientallen illegalen daar hebben gedronken. De koffie werd met het voortduren van de oorlog steeds slechter, de gulheid en vriendschap van de gastheer steeds groter.
Het was dag en ik kon mijn nieuwe vriend en medewerker goed opnemen. Een magere man, grijzend, een kleine vogelkop met heldere, ietwat onrustige ogen en een stugge mond.
Een gentleman, uiterlijk en innerlijk, één, die er genoegen in had ons te verwarren met de hoffelijke gebaren van een negentiende-eeuwse hofkoetsier afgewisseld met de uitgelaten zwier van de kasteelheer zelf. Naast hem woonden nsb'ers. Als hij bij het heetste weer nog zijn Eden-hoed opzette en wij hem plaagden, zei hij:
‘Hoe kan ik anders mijn buren vriendelijk groeten?’...
In zijn huiskamer stond een aquarium. Toen een koerierster bang was voor het nogal luidruchtige afweergeschut en uitriep:
‘Ze schieten!’
‘'t Zijn de vissen. Kuitschieten!’ was zijn antwoord.
Zijn kantoor was langzamerhand het hoofdkwartier van een uitgebreide landelijke verzetsorganisatie geworden. Op de weekends was zijn huis het knusrommelige kampeerterrein voor vele illegalen.
Leden van Vrij Nederland, Het Parool en De Waarheid, od'ers en spionnen, linecrossers uit Genève, een man, die met geheime zenders opereerde, de leiding van een gewapend commando, het schoolverzet en ondersteuningsorganisaties kwamen er aan huis, wisten zijn adres en wie het kende at mee, sliep er als
het nodig was, of luisterde snel naar de laatste berichten van de Engelse zender.
Illegale kranten werden er samengesteld, ruzies werden er beslecht, Ridder Bosch van Rosenthal trachtte onder andere van dit adres uit de illegaliteit te ‘bundelen’ en legde er contacten voor de latere Vertrouwensmannen, legale koeriers, die om zakelijke redenen van de Duitsers verlof hadden om naar het buitenland (Duitsland, Zwitserland enzovoort) te reizen en die waren ingeschakeld in de spionage kwamen hier hun instructies halen. Zijn ingenieuze handen vonden de middelen uit, in zeep, lipstick, haarborstel, riem, potlood enzvovoort de microfilms te verbergen, en ook op andere gebieden was hij, behalve ‘gastheer’ actief medewerker.
En zelfs toen nog werd zijn adres gebruikt, voor joden en niet-joden, als doorgangshuis, wanneer niet snel genoeg een ander onderduikadres gevonden was. Hij trad, na de ‘officiële papieren’ ‘naar waarheid’ te hebben ingevuld, op als buitenechtelijke vader van joodse jongelui, om hen zodoende het nodige ‘Arische’ bloed te geven.
En onderwijl verliep zijn kantoor. Zijn personeel werd doorbetaald. Tientallen uitgehongerde verzetsmensen aten er per week. Ze vroegen zich nauwelijks af hoe dat betaald moest worden. Ze hadden andere zorgen aan het hoofd. Het werd alles betaald uit een en dezelfde beurs, door een man, die er nooit over sprak, nooit vroeg en helemaal nooit klaagde.
Toen de oorlog voorbij was en de eerste verkiezingen gehouden werden, bleek hij een andere partij te kiezen dan het gros van zijn vele bezoekers. Dat was niet aan de orde in de oorlog en het ‘bewees dat de democratie hersteld was’ vond hij.
Ik weet niet of de man die hier beschreven wordt, dit ‘portret’ zal lezen. Als hij het leest zal hij boos zijn en het een overdreven zaak vinden, die binnenskamers behoort te blijven en zelfs daar nog maar nauwelijks meer ter sprake gebracht mag worden, tenzij als anekdote.
Maar ik tekende zijn portret uit dankbaarheid jegens hem en vele andere vaderlanders, zonder wie elke vorm van verzetswerk onmogelijk zou zijn geweest. Zij droegen geen uniform, maar hun hoed om de buren te groeten, ze pleegden geen overvallen en hadden geen pistool in hun achterzak.
Hun arsenaal waren de gemobiliseerde deugden van de gentleman en de burger: gastvrijheid, eerlijkheid, eenvoud, humor, nuchterheid en een vanzelfsprekende onverschrokkenheid, die geen obstakels kende.
Ik denk, dat hij, toen de oorlog afgelopen was, het simpele gevoel heeft gehad zijn huis te hebben beheerd als een goed huisvader. En met ‘huis’ bedoel ik dan ook kantoor en geld.
In het laatst van de oorlog kreeg ik een uitnodiging van een zeer hoog personage, die na de oorlog nog hoger geklommen is. Ik zou hem in zijn woonhuis ontmoeten en kreeg de volgende instructies. Driemaal het huizenblok om lopen. Daarna zou ik van boven een sein krijgen, dat ik aan mocht bellen. Het gesprek is op het portaal gevoerd. Ik mocht niet binnenkomen. Het duurde nog
geen vijf minuten. Ik kreeg twee sigaren mee en stond weer op straat. Het was immers te gevaarlijk om illegale werkers zomaar in je huis te ontvangen...
Ja, illegale werkers moesten ook een onderdak hebben. Ze moesten kunnen slapen en eten, ze moesten elkaar kunnen ontmoeten, ze moesten ergens kunnen werken, vergaderen, spullen opbergen enzovoort, enzovoort.
Het vinden van geschikte adressen was lang niet altijd gemakkelijk. In de eerste jaren van de oorlog waren bioscopen, restaurants, stationswachtkamers en dergelijke vaak een ontmoetingspunt, maar toen Duitse razzia's ons verplichtten elke publieke ruimte en opeenhoping van mensen te vermijden, vielen deze mogelijkheden uit.
Schoollokalen, kerkeraadskamers, kerken, kantoorruimten, in de zomer een eenzaam landweggetje, alles werd gebruikt. Huizen werden gehuurd onder valse naam, kamers idem. In ziekenhuizen werd vergaderd, overal waar het maar enigszins mogelijk en veilig was.
Natuurlijk was de manier waarop het huis op de gracht werd gebruikt totaal fout. Er kwamen er veel te veel en te velen wisten het adres. Het werd bovendien voor te veel verschillende zaken gebruikt. Het diende niet alleen om te werken, maar ook om te slapen. Er woonden soms joodse onderduikers en er werkten tegelijkertijd ‘zware jongens’. Men vierde er Kerstfeest en men beraamde er acties. Te veel van het goede! Maar ook een bewijs hoe schaars het onderdak was.
Wanneer onze wettige regering het huis van onze Amsterdamse gastheer gevorderd zou hebben, zou hij minder verplichtingen hebben gehad, minder gevaar hebben gelopen, minder overlast hebben ondervonden dan nu hij vrijwillig en met een gul hart zijn huis tot een waarlijke woonplaats maakte van het vaderlands verzet.
Een wettige regering zou hem deze vordering op wettige wijze hebben vergoed. Nu heeft hij zijn herinnering, een goede herinnering en zoiets heeft lang niet iedereen die de oorlog heeft meegemaakt.
22 april 1961.