Nauwelijks was ik aan mijn veertiendaags artikel voor dit illustere blad begonnen of de telefoon rinkelde. Tot op dat moment had ik niet meer geschreven dan de volgende zinnen:
‘In geen tijd van het jaar schijnt de oorlog onwezenlijker en verder af te zijn dan in de week waarin wij onze officiële dodenherdenking hebben en de nationale feestdag vieren. De oorlog is een historisch feit geworden, in nationale handen, weliswaar iets recenter, maar wezenlijk niet anders dan de inneming van Den
Briel, Leidens ontzet en koninginnedag. Dat men zelf nog leeft en dat men er, om zo te zeggen, privé iets van over heeft gehouden, lijkt belachelijk en een beetje ziek...’
Dat was het moment waarop de telefoon ging, achter de tulpen, die binnen reikwijdte op mijn bureau staan, vuurrood, een onbekommerde getuigenis van dit uitbundige voorjaar, waarin de herinnering iets heeft behouden van de brutale gewelddadigheid van die eerste tiende mei, toen de bommen op Schiphol de vogels in de tuin niet tot zwijgen konden brengen. Opnieuw rinkelde de bel. Een vreemde stem, die ik niet thuisbrengen kon, sprak. Geen naam werd genoemd en ik vergat ernaar te vragen...
‘Het is precies zo, beste auteur, als u het schrijft, belachelijk en een beetje ziek. Als ik u zo bezig zie moet ik aan die arme openbare aanklager en zijn getuigen in het proces Eichmann denken. Die kunnen een verleden tijd ook niet weer levend maken. Eichmann zelf kan het niet eens! Een kantoormeneertje, een familievader onder een glazen stolp. Alleen die glaswand geeft hem iets bijzonders! Hou hem er vooral onder, want als hij zou ontsnappen, zou je hem kunnen tegenkomen in het Vondelpark, een praatje op de bank, en achter hem zijn jongste kind met een feestneus op...’
De stem wachtte en ik besefte dat ik iets terugzeggen moest, hoewel ik eigenlijk niet wist of ik boos wilde zijn of hem gelijk geven. Ik zei:
‘Wilt u daarmee beweren dat, ja, hoe zal ik het zeggen, dat waardigen en onwaardigen, dapperen en lafaards, getrouwen en verraders niet meer uit elkaar te houden zijn? Wilt u beweren, dat een moord op zes miljoen mensen geen bestraffing meer waard is als er nauwelijks twintig jaren als een zucht overheen gegaan zijn? Wilt u beweren...’
‘Tut, tut, tut, best schrijvertje, ik wil helemaal niks beweren. Ik kijk u alleen maar een beetje vrijpostig op de vingers. Ik heb nu, geloof ik, al wel acht of negen van die artikeltjes van u gelezen en, zoals u zo treffend in die eerste zin zei... - goed gevonden hoor, even aanhaken aan de actualiteit, en dan maar weer verder met uw geschiedverhaaltjes. U bent een geroutineerd journalistje...’
‘Wilt u mij beledigen?’
‘Maar alles behalve dat, meneer! Maar eh... oorlog is een bijzondere omstandigheid. Hij maakte van Eichmann een beest, zoals we dat plegen te noemen, en van je vriend Peter, die lange Peter, je weet wel, een held. Maar als er nu eens geen oorlog geweest was en geen Hitler, zou Eichmann waarschijnlijk een succesvol burger geworden zijn, en die lange jongen een maatschappelijke mislukkeling met twaalf ambachten en dertien ongelukken...’
Ik hing de hoorn op. Ik wilde de nagedachtenis van één van mijn gefusilleerde vrienden uit de bezettingstijd niet bezoedeld horen. Maar het was niet gemakkelijk de pen weer op het papier te brengen.
Waar was ik? Ja, de oorlog van '40-'45 is een historisch feit, evenals de inneming
van Den Briel enzovoort. Zou ik alles doorschrappen en opnieuw beginnen? Want de vreemde man aan de telefoon had mij danig in de war gebracht. Wat bedoelde hij? Wat bedoelde ik zelf met ‘die oorlog, die als historisch feit in nationale handen terecht gekomen is?’ Oorlog is de canonisering van een misdaad, een krankzinnigheid, een uitbraaksel van de onderwereld. En kijk, daar weten we geen raad mee en daarom gaan we overwinnaars maken, die het recht aan hun kant hebben en overwonnenen die de onrechtvaardigen zijn. We hebben onze medaille voor de helden en de kogel of de strop voor verraders en lafaards. Tussen de ruïnes ontspruiten de monumenten als reusachtige bloemen, op de kerkhoven hangen voorjaarskransen om de kruisen, honderdduizenden kruisen.
Maar alles bij elkaar is het maar een handjevol mensen, die dapperen en die verraders, de redders en de moordenaars en... de doden, álle doden! Een handjevol vergeleken met de vele miljoenen meer, die noch tot de dapperen noch tot de verraders behoorden, die levend zijn gebleven, toeschouwers en slachtoffers, bedacht op hun broodje, zoals nu, uit op een lolletje, zoals nu, op zoek naar promotie, zoals nu, tuk op huis en haard, zoals nu en zielsbedroefd en onrustig als dat alles in gevaar komt, zoals nu...
Maar die gedachten bevredigden me niet, ze verwarden me echter genoeg om niet meer verder te kunnen schrijven.
Opnieuw rinkelde de telefoon.
‘U moet niet boos worden en ik wil u zeker niet beledigen,’ zei de stem weer en vervolgde, zonder mijn reactie af te wachten:
‘De toeschouwers van toen zijn de feestvierders van vandaag, en de feestvierders van vandaag zijn weer de slachtoffers van morgen. Natuurlijk moet de staat uit de mesthoop van de geschiedenis goed en kwaad zoeken. Stel je voor, dat we er alleen maar met zijn allen in schrik en schaamte aan terug dachten?! Waar blijft majoor Van Ieperen dan met zijn marsmuziek en welke heldhaftige impulsen kunt u bij de kindertjes opkweken?’
‘Ik geef toe dat de staat zijn doeleinden heeft en moet hebben, maar zo'n poppenkast als u ervan maakt is het toch ook weer niet. Het is geen kleinigheid om met drie miljard mensen op dit aardbolletje te leven en een en ander zo te organiseren, dat we mekaar niet de hals afbijten en opvreten als de ratten in een leeg scheepsruim,’ protesteerde ik, maar de ander vervolgde onverstoorbaar:
‘Juist mijn waarde, juist! Maar daarom gaat het nog niet aan om schuld en onschuld, menselijkheid en onmenselijkheid, de held en de lafaard te meten met maatstaven van een zo uitzonderlijk kaliber als de oorlog produceert. Voor die toestand is de mens niet geschapen. Alles verliest zijn normale betekenis als de zogenaamde “strijd op leven of dood” geproclameerd wordt. Liegen kan waarheid spreken worden en de waarheid spreken verraad. Diefstal kan een goed vaderlandse zaak zijn en zijn rechtmatig eigendom bewaren, diefstal. Brandstichten, bedriegen, haten,
saboteren worden deugden, doden wordt opdracht. Wie die ommekeer van alle waarden niet kan meemaken is een toeschouwer of een lafaard, wie de ommekeer iets te ver doorvoerde een oorlogsmisdadiger. Zelfs in de mateloosheid, die oorlog heet, moeten we maat kunnen houden...’
‘Bent u pacifist?’ vroeg ik.
‘Nee, maar oorlog is niet een aspect van onze samenleving en moraal, maar het einde ervan! Men vergeet dat wel eens als men stukjes schrijft “in de schaduw van gisteren” en men moet het zeker ook in het geding brengen als men thans de misdadigers van toen beoordeelt...’
‘Met uw theorieën kan men geen feest vieren, geen staat in stand houden, geen recht doen..., het is nihilisme gecamoufleerd in de drogredenen van een voorkeurloos pacifisme,’ protesteerde ik.
Aan de andere kant van de lijn lachte de stem.
‘Dan heb ik u dus toch aan een goed thema voor uw artikel geholpen,’ zei hij en hing op.
Maar daar was ik nog niet zo zeker van. Zo ver kom je, dacht ik, als een mens er geen objectieve maatstaven van goed en kwaad meer op na houdt. De Engelse soldaat vocht voor een goede zaak, de Duitse voor een kwade. Eichmann moordde joden uit en een ander waagde zijn leven om joden te redden. De middelen van de oorlog vinden hun rechtvaardiging in de vrede die ze moeten bewerkstelligen en wie in tijden van nood, als de jaren '40-'45 waren, met de middelen des vredes wilde werken diende de oorlog.
Ook een zieke krijgt vergif als medicijn en een kankerpatiënt geneest men niet met havermout en een biefstukje maar met een tijdige en bloederige operatie. Als ons volk van de week zijn doden heeft herdacht en als het feestneuzen heeft opgezet om de vrijheid en de vrede te vieren, dan weigert het daarmee de geschiedenis te zien als een jungle zonder spoor of pad of deel, dan spreekt het duidelijker zijn veroordeling uit over oorlog en dood dan die vreemde vent, die met zijn telefoongesprekken mijn artikel onmogelijk maakt.
Toen rinkelde de bel voor de derde maal.
‘Pardon,’ zei de stem, ‘ik wil uw meidagen niet vergallen. Ik wil nog minder uw voldoening wegnemen, dat iemand als Eichmann zijn tribunaal heeft gevonden en eh... houd me ten goede, ik wil natuurlijk ook niet uw pleziertje kapotmaken elke veertien dagen uw artikeltje in deze goede krant te schrijven...’
‘Wat wilt u dan wél?’ vroeg ik ietwat geprikkeld.
Ik heb wat zout van de twijfel in uw nationale feestschotel willen mengen, en dan... die man onder die glazen stolp in Israël... het glas is wel bulletproof, maar uw ogen kunnen erdoorheen. Zit hij er niet wat eenzaam? En wordt het geen tijd, dat we wat meer ernst maken met het raadsel mens, u zelf incluis...
Weg was hij! Ik zocht de telefoon. Nu was ik aan de beurt om wat te zeggen. Een mens moet toch wat doen, hij moet toch oordelen en veroordelen, hij mag toch rouwen en feestvieren, goed en kwaad zijn toch geen signalen uit de bui-
tenste duisternis, maar een keus, hier, nu...
Ik zocht het toestel. Ik zag de tulpen, mijn hand greep achter de vaas. Die wankelde. Er stond geen toestel en er was dus ook geen telefoongesprek geweest. Ik had met mezelf gepraat, bemerkte ik, en aangezien het bloemenwater mijn papier verknoeide dus deze week geen artikel, ook al speelde deze merkwaardige gebeurtenis zich wel af in de schaduw van gisteren.
6 mei 1961.