terug  begin  verderprepost

‘De verbinding met de overkant’

In de maand juni 1941, om precies te zijn op 16 juni 1941, gaf het anp het volgende bericht door, dat zijn bescheiden plaatsje kreeg in de kranten van die dagen. Het luidde:

 

spion ter dood veroordeeld

Het anp meldt: Een vroegere Nederlandsche officier die heimelijk naar Nederland teruggekeerd was, hier onder valschen naam verbleef, militaire inlichtingen verzamelde en ze naar het vijandelijke buitenland doorgaf, werd door een Duitsche militaire rechtbank wegens spionnage ter dood veroordeeld. Het vonnis is met den kogel voltrokken.

 

Dat is dus nu ook alweer twintig jaar geleden en de man die voor het Duitse executiepeloton werd gezet heette L.A.R.J. van Hamel, luitenant ter zee 2e klasse. Op 28 augustus 1940 werd hij door een Engels vliegtuig gedropt, hij deed zijn werk, een uiterst moeilijk en gevaarlijk werk en dat deed hij goed. In de nacht van 13 op 14 oktober 1940 zou een Engels vliegtuig hem van het Tjeukemeer oppikken en naar Engeland terugbrengen.

Hij en enkele metgezellen werden gepakt door Nederlandse politie en aan de Duitsers overgeleverd. Op 7 en 8 april 1941 volgde zijn proces. Op 16 juni 1941 werd hij doodgeschoten.

In de korte tijd, waarin hij in ons land verbleef, gelukte het hem vele telegrammen naar Engeland te seinen. Hij richtte verschillende afzonderlijk werkende spionagecentra op, waarvan er sommige tot 1942 en '43 intact bleven. Hij

[p. 67]

onderrichtte zijn mensen hoe ze dit doodsgevaarlijke werk moesten doen, totdat hij door Nederlandse politie werd gepakt (U heeft er toch niet overheen gelezen?), die weigerde hem en de zijnen los te laten en twee uren voorsprong te geven alvorens het aan de Duitsers te melden.

Op de vragen van de Duitsers zweeg hij. Hij weigerde te zeggen waar zijn zendapparaat opgeborgen was, hij weigerde zijn code te noemen, hij weigerde zijn geldschieters, medewerkers en opvolger te noemen. Hij weigerde ook toen de Duitsers een komedie (maar dat wist hij toen niet) opvoerden, waarbij ze elke twintig minuten één van zijn metgezellen neerschoten. (Hij hoorde alleen de celdeur opengaan, de stappen in de gang en het salvo op de binnenplaats). Toen de moffen het opgegeven hadden iets uit hem te halen hebben ze hem neergeknald. Op dat moment opereerden er alweer drie, vier andere, uit Engeland ‘gedropte’ agenten in Nederland. Maar hij was de eerste, ook het eerste slachtoffer onder hen.

 

Er zouden er nog heel wat volgen: het zou uitgroeien tot een afschuwelijk drama, een valkuil voor dappere Nederlandse jongemannen, die uit het vliegtuig in de handen van de vijand sprongen, een afschuwelijk spel van spionage en succesvolle Duitse contra-spionage, in de geschiedenis bekend onder de naam van England-Spiel... Maar nu zijn we onze datum alweer ver vooruit. Het komt allemaal nog ter sprake, later...

 

Als ik erover nadenk wat er allemaal gebeurd is en dus allemaal nog ter sprake gebracht moet worden slaat mij soms de angst om het hart. Het is te veel! Ook als men hier en daar maar een greep doet. Ik graaf in een berg zand. Rechts en links en achter mijn gravende vingers stort alles weer in. Duizenden korrels, evenzovele feiten en herinneringen, gezichten, angsten, gedachten...

 

Maar wat betekent zo'n kort levensbericht voor hen, die na de oorlog volwassen zijn geworden? De wereld heeft niet stilgestaan, ook de verschrikkingen niet, ook de levensvreugde niet.

 

In 1941 was het echter anders en wie daarvan weet heeft, zal twintig jaar na zijn dood de naam Van Hamel nog met eerbied uitspreken. Hij zal weten dat het mogelijk was te leven, met zoveel eenvoud en plichtsbetrachting en mannelijke moed en toewijding voor een rechtvaardige zaak en liefde voor het volk, in welks midden men geboren is.

 

Misschien moet men er wel dankbaar voor zijn een tijd te hebben gekend en ervaren, waarin de keuze tussen de goede en de kwade zaak zo eenvoudig was, en de opdracht zo ondubbelzinnig duidelijk. Ja... maar de angsten en de slapeloze nachten in zijn cel, en het speelse dromen van de tijd ‘als de oorlog voorbij zal zijn’ en de eenzaamheid en afgeslotenheid, waarin het Van Hamel (en allen die later zijn werk deden) zelfs geboden was vrienden en familie te ontwijken,

[p. 68]

kijk, die dingen zijn niet de geschiedenis ingegaan. Zo eenvoudig was het misschien toch ook weer niet...

 

Van Hamel was een spion. Ja. Die komen nu ook voor en ze maken meestal geen prettige indruk op ons. Als ze tot de tegenpartij behoren wekken ze onze weerzin op; als ze onze medestanders zijn en gepakt worden, vinden we hun lot een logisch gevolg van hun werk. Ze hebben het kunnen weten en het einde was om zo te zeggen ingecalculeerd, menen we dan. Dat zal Van Hamel ongetwijfeld ook gedaan hebben en dus zou er geen enkele reden zijn ons zijn lot bijzonder aan te trekken.

 

Toch wekte het korte anp-bericht van zijn fusillering, paradoxaal genoeg, eigenlijk vreugde en opluchting in Nederland. De regering zat in Engeland. Van de buitenwereld waren we afgesloten. We mochten alleen zien en horen wat de Duitsers ons wilden laten zien en horen. De optimistische opvattingen van de eerste bezettingsmaanden waren verdwenen. We wisten dat het lang zou duren en erg zou worden.

Onze politieke partijen waren ontbonden, onze voorlichtingsorganen, krant en radio, een apparaat in handen van de Duitse propaganda. Contact tussen het volk en zijn leiders was niet of nauwelijks meer mogelijk en de voormannen die nog vrijelijk konden spreken, heulden met de Duitsers, of zwamden over een nieuwe politiek van samenwerking, of verkondigden de blijvend dominerende rol van Duitsland op het continent. Ambtenaren, burgemeesters, politiemannen werden, met het voortduren van de bezetting, steeds meer in het slop gedreven.

 

De wildste geruchten gingen over voorbereidingen van een Duitse invasie in Engeland. Wat wist onze regering daarvan? Wat zei onze regering van dit alles? Wat moesten wij hier doen en wat deden zij daarginds?

Het plotselinge bericht van de fusillering van luitenant Van Hamel zei in ieder geval dat dit contact er was, dat men in Londen niet stil zat, dat er berichten konden worden gestuurd en dat er boodschappen en antwoorden konden terugkomen. Het was voor ons volk een soortgelijke sensatie als wanneer een gevangene in ‘Einzelhaft’ plotseling klopsignalen van een buurman opvangt. Hij is niet meer alleen. Er is een gesprek mogelijk, zij het dan een beperkt en soms zelfs maar stuntelig gesprek.

 

Hoe groot die behoefte tot contact wel was bleek vooral ook uit de vele, en vaak erg romantische, verhalen van lieden die met een voorhoofd vol plechtige rimpels en een stem vol waardige geheimzinnigheid wisten te vertellen dat ze ‘een verbinding met de overkant’ hadden. Die verbindingen waren er, de dood van Van Hamel bewees het, maar ze waren veel schaarser, veel moeilijker, veel beperkter in hun mogelijkheden ook, dan vele lieden ons wilden doen geloven. Studenten, ingenieurs, elektro- en radiotechnici begonnen op eigen gelegenheid zenders te bouwen. Zij kwamen hier en daar zelfs tot eenzijdige uitzendinkjes,

[p. 69]

zich niet realiserend dat voor een radiogesprek met Engeland wel wat meer nodig is en dat boven en voor alles de identiteit en de betrouwbaarheid moet vaststaan van de man die de berichten uitzendt.

Zou men alle fabeltjes geloven, die de ronde deden, dan landden er bijna elke nacht Engelse vliegtuigen op onze meren en afgelegen wateren, Engelse duikboten zwermden voor onze kust om mensen af te halen en te brengen. Tot aan de kust van Bretagne toe werden onze zorgvuldig verzamelde boodschappen gebracht in de hoop dat er een Engelsman aan de kust zou opduiken om ze in ontvangst te nemen.

 

Deze gretigheid naar contact was een van de oorzaken dat de Duitse contraspionage zulk een gemakkelijk spel kon spelen. Wie zei een contact met de overkant te hebben had daarmee meestal reeds direct het hart van den ander gewonnen. De hersens bleken dan te zwak om als zakelijke en meestal noodzakelijke criticus te fungeren.

 

In deze strijd had men niet te doen met de ordinaire mensenjagers van de Gestapo, maar met uitgeslapen en vakbekwame lieden van de Duitse contraspionagedienst. Een miezerig mannetje dat de elektriciteitsmeter in een huis in Den Haag kwam controleren was er een handlanger van. Een collega van Van Hamel, ook een ‘gedropte’ spion, werd in een huis gelokt met een bericht dat zijn verloofde ernstig ziek was. Vrienden hadden haar er met een verpleegster zien binnendragen. Dat klopte ook, maar ze was reeds de gevangene van de Duitsers!

 

Bij een andere gelegenheid werden Nederlandse gevangenen onder bedreiging omgepraat voor de vijand te werken, dan vrijgelaten en met het betrouwbaarheidsmerk van hun gevangenschap mengden ze zich in de rijen van hen, die zo graag contact met de overkant hadden of naar Engeland wilden uitwijken. Onder deze verraders kwamen zelfs joden voor, zoals de kleermaker Brandon uit Leiden.

De beruchte Van der Waals, die wel het meeste kwaad stichtte, werd door zijn Duitse vrienden met opzet in de hand geschoten. Een bericht in de kranten en verzoek tot opsporing, met beloning voor wie inlichtingen zou kunnen verschaffen, volgde. Met zijn gewonde hand was hij quasi ‘aan de Duitse politie ontsnapt’, de kranten bevestigden het, een betere introductie was onmogelijk!

Zelf was ik betrokken bij een geval van een ‘ter dood veroordeelde’ in een ziekenhuis. Quasi politiebewaking. Een georganiseerd vrij ogenblikje waarop een verpleegster kon worden ingelicht, een vanzelfsprekend geslaagde poging om hem uit het ziekenhuis weg te halen, daarmee de deuren openend naar de verzetsbeweging en de spionagegroepen. De zieke ter dood veroordeelde was een agent van de Duitsers...

Ook de agenten die boven Nederland uit een Engels vliegtuig sprongen, hebben ervaren dat hun werk niet gemakkelijk was. We spreken dan nog niet eens over het latere England-spiel, waarin het de Duitsers gelukte een contact met

[p. 70]

de Engelse spionagedienst vele, vele maanden te handhaven, zonder dat iemand ‘aan de overkant’ enig wantrouwen koesterde. Hun opleiding in het begin was tamelijk gebrekkig. Hun gevaarlijk werk van betrekkelijk weinig nut. Het hoofd van de Nederlandse Centrale Inlichtingendienst, de cid, ‘vergat’ de geseinde berichten zelfs aan de minister van defensie (!) door te geven. Liever stuurde hij berichten over de betrouwbaarheid van onze ministers aan de Engelse geheime dienst!

De eerste agenten mochten van hun Engelse meesters uitsluitend militaire berichten zenden, terwijl politieke berichten voor een Londens leidinggeven aan de geestelijke weerbaarheid van ons volk, vooral in die tijd minstens van even groot belang geacht konden worden.

Later ontstonden er tussen de verschillende diensttakken en instanties in Londen en tussen diverse spionagegroepen in Nederland zulke spanningen, dat het voorkwam dat men elkaars werk bespioneerde. Maar ook dat behoort tot de zaken die naderhand nog allemaal verteld moeten worden.

Nee, een verhaal van geniaal hersenwerk, briljant organisatievermogen, discipline en wederzijds vertrouwen is de geschiedenis van het Nederlandse inlichtingenwerk niet. Maar dat doet niets af aan hetgeen mannen als Van Hamel voor de Nederlandse zaak hebben gedaan. Integendeel! Hij en zijn kameraden worden er in hun zuiverheid en trouw slechts des te indrukwekkender door.

 

Luitenant Van Hamel werd op 16 juni 1941 door de Duitsers doodgeschoten. Dat is nu twintig jaar geleden. Hij was geen fabeltje, hij legde de verbinding tussen bezet Nederland en de bondgenoten daarbuiten. Hij en zijn kameraden en allen die later gingen meehelpen de weg naar Engeland niet alleen via zendapparaten, maar ook over land en per schip open te houden, hebben vooral later de strijdende legers van onschatbare militaire inlichtingen voorzien, maar er bovenal ook voor gezorgd dat ‘Londen’ en bezet gebied niet totaal van elkaar vervreemdden. De politieke betekenis daarvan moet nog in zijn volle omvang en uitwerking bestudeerd worden.

1 juli 1961.

prepostterug  begin  verder