Het zijn vaak de mooiste momenten van een oorlog, die men later het snelst probeert te vergeten. We denken daarbij niet aan gewonnen veldslagen, ingenomen steden en zelfs niet aan grootscheepse capitulaties. Opgestuwd door de drang van vele schrikkelijke gebeurtenissen, losgeslagen van oude gedachtenschema's, met geweld bevrijd uit bindingen, waarvan men weet dat ze de oorlog toch niet zouden hebben overleefd, zijn er in de Tweede Wereldoorlog, zoals in elke grote oorlog, door de staatslieden uitspraken gedaan en toekomstvisioenen opgeroepen die...
Ach wat! Het waren geen leugens, maar werkelijkheid zijn ze nooit geworden. Ze dienden de oorlog en waren niet bedoeld voor de vrede, die later komen zou.
Ze brachten nieuwe hoop in de harten van de strijdende eenvoudigen.
In de gevangenissen hebben ze meegeholpen de vernedering te verduren en onder de toeschouwende naties hebben ze de indruk gewekt dat het recht en de vrijheid, waarvan men zei dat ze de inzet waren, ook na de oorlog de richtsnoeren van de internationale politiek zouden zijn.
Zulk een hoopgevende en bezielende uitspraak was het Atlantic Charter, in de tweede week van de maand augustus 1941 opgesteld door Roosevelt en Churchill.
De staatslieden waren elkaar tegemoet gereisd op twee slagschepen, de Augusta en de Prince of Wales. Ze ontmoetten elkaar op de Atlantische Oceaan en hun communiqué is daarom bekend geworden als het Atlantic Charter. Het grote woord ‘Charter’ bewijst reeds dat ze er méér mee bedoelden dan uitsluitend een verslag van hun besprekingen te geven. Hier werd een eerste begin van een grondwet voor een naoorlogse wereld geproclameerd. En als zodanig reageerde de wereld er ook op. Bovendien was het veelbetekenend dat met de usa, na alle materiële hulp die reeds aan Engeland en Rusland geboden werd, waarbij goederen en schepen en wapentuig aan de strijdenden in ‘leen’ en in ‘pacht’ werden gegeven, thans ook een gezamenlijke politieke belijdenis werd opgesteld, die zich nadrukkelijk tegen het nationaal-socialisme keerde en de vrede tot een gemeenschappelijke zaak van Engeland en Amerika maakte. De vrede! Iedereen begreep dat het dan ook spoedig de oorlog zou zijn, waarin Amerika mee zou doen. Daarmee zou het lot van Hitlers Derde Rijk bezegeld zijn. Voorwaar een prachtig vakantiegeschenk voor de geplaagde volken van Europa in de zomer van 1941.
Maar toch, hoe belangrijk ook dit militaire aspect was, toch weet ik mij als de dag van gister te herinneren, dat vooral het politieke uitzicht de diepste indruk maakte. In de matte crisisjaren, die aan de oorlog voorafgingen, waren de volken zeker niet verwend met uitspraken van hun leidslieden die enige hoop voor de toekomst boden en waarin de doffe status quo vervangen werd door een hartverwarmend en bezielend toekomstbeeld.
Het was ook geen kleinigheid wat beide grote mannen Roosevelt en Churchill daar vanaf de Atlantische Oceaan verkondigden!
Tegenover de gewelddadige annexaties van Hitler en Stalin stelden zij ‘dat hun landen geen uitbreidingen zoeken, noch territoriale noch andere’.
Tegenover de onderdrukking: ‘dat zij geen veranderingen wensen te zien, die niet in overeenstemming zijn met de in vrijheid uitgesproken wensen van de betreffende volken’.
Tegenover een opgedrongen en door bajonetten en geheime politie in stand gehouden staatssysteem: ‘dat zij het recht eerbiedigen van alle volkeren om zelf hun regeringsvorm te kiezen, waaronder zij wensen te leven’.
Tegenover de werkloosheid van de vooroorlogse jaren, de armoede van vele volken, het economisch isolationisme, wensen ze ‘de grootst mogelijke samenwerking op economisch gebied tussen alle staten tot stand te brengen met de bedoeling om voor allen verbeterde arbeidsvoorwaarden te verkrijgen, econo-
misch evenwicht en maatschappelijke zekerheid’.
Tegenover de verschrikking van de door Hitler ontketende oorlog stelden zij te hopen ‘dat na de vernietiging van de nazi-tirannie een vrede tot stand zal komen, die alle naties in staat zal stellen veilig binnen hun grenzen te wonen en die de zekerheid zal brengen dat alle mensen in alle landen zullen kunnen leven, vrij van vrees en gebrek’.
En in een tijd waarin militaire macht het laatste pleit scheen te beslissen, spraken zij hun geloof uit ‘dat alle volkeren der wereld om praktische zowel als geestelijke redenen het gebruik van geweld zullen moeten afschaffen...’
Waarde lezers, hebt gij niet het gevoel citaten voorgelegd te krijgen uit de slotresolutie van een socialistische jeugdorganisatie en dan nog in de idealistische periode van het socialisme? Toch waren het staatslieden van wereldformaat die deze woorden formuleerden, bijgestaan door hun beste militaire en politieke helpers! De bijeenkomst op de Atlantische Oceaan werd begeleid en onderstreept door het gemeenschappelijk zingen van ‘Onward Christian Soldiers’ en later werd het Onze Vader gebeden.
Er werd niet met het kerkzakje rondgegaan, maar alle zeelieden kregen sigaretten en mixed fruit uitgedeeld. Een prettige dag. Een onvergetelijke dag. Zo dacht ook president Roosevelt erover. Hij zei tegen zijn zoon, die er ook bij was: ‘Als er niets anders gebeurd was terwijl we hier waren, zou dat ons al te zamen hebben gebracht. “Onward Christian Soldiers!” Dat zijn we en dat zullen we doen, met Gods hulp!’
Amerika hééft het gedaan en als het niet meer gedaan had dan dat, verdient het nog onze blijvende dankbaarheid.
Maar wat is er terechtgekomen van het Atlantic Charter? Zo weinig dat het anno 1961, twintig jaren later, bijna anti-propaganda lijkt het opnieuw in de herinnering te roepen.
Het is waar, de Sowjet-Unie heeft het Charter nooit mede onderschreven of zelfs maar als leidraad erkend, ook al draagt het latere Charter van de Verenigde Naties duidelijk de sporen dat het besprokene van de Atlantische Oceaan er niet zonder invloed op geweest is. Territoriale uitbreiding heeft de Sowjet-Unie met geweld doorgedreven en met evenveel geweld, tegen de zin van de volken in, gehandhaafd. Maar ‘het recht van alle volkeren om zelf hun regeringsvorm te kiezen’ hebben ook de westerse landen niet kunnen honoreren en het gevolg is geweest een reeks van bloedige, nutteloze koloniale oorlogen, die in 1945 op Java begon en vandaag de dag nog in Afrika wordt voortgezet. De ‘grootst mogelijke samenwerking op economisch gebied’ resulteerde in een kunstmatige beperking van de handel met het Oostblok en een economische breuk in Europa. De grotere welvaart is ten deel gevallen aan de landen die reeds de grootste welvaart kenden en de afstand tussen hen en de arme landen wordt, volgens rapporten van de vn, alleen maar groter.
Sinds de eerste atoombom boven Hiroshima ontplofte, is de vrees tot in het ondraaglijke gegroeid en de ‘praktische zowel als geestelijke redenen om het
gebruik van geweld af te schaffen’, ach, wie ze opsomt loopt gevaar door onze onvolprezen Binnenlandse Veiligheids Dienst op de lijst der verdachte personen te worden geplaatst...
Het Atlantic Charter heeft het lot gedeeld van alle profetische getuigenissen. De tekst ervan komt in handen van realistische uitleggers, of... wordt vergeten.
Men behoeft daarbij niet te twijfelen aan de goede wil en de eerlijke bedoelingen van hen, die de opstellers ervan waren. Marcheren doen soldaten, de mensheid strompelt. Meeslepend spreken doen de politici en de theologen, de mens stottert maar wat. Visioenen zien de dwazen, de realistische rest zorgt er wel voor dat ze geen werkelijkheid worden.
Toch is het goed eraan te herinneren dat daarginds, op de Atlantische Oceaan in 1941, dus twintig jaar geleden, ook andere, minder idealistische zaken een rol speelden.
Elliott, zoon van de president, die de besprekingen bijwoonde, vertelt ervan.
Roosevelt zei: ‘Het is niet algemeen bekend, maar de Britse en Duitse bankiers hadden nagenoeg de hele wereldhandel in handen. Ondanks het feit, dat Duitsland de vorige oorlog verloor. Dat is toch niet zo goed voor de Amerikaanse handel, hè?’
Dan vervolgt de vader, nadat hij betuigd heeft het fascisme afschuwelijk te vinden en dat zijn hart naar Engeland uitgaat: ‘Maar dan nog moeten we de Engelsen duidelijk maken, dat we niet van plan zijn de rijke oom te spelen die eens een keer gebruikt kan worden om het Britse Rijk over een moeilijk punt heen te helpen...’
De zoon begreep niet wat de vader bedoelde en die verduidelijkte: ‘Churchill heeft me verteld dat hij geen minister-president was om bij de uitverkoop van het Britse Rijk als vendumeester te fungeren. Ik geloof dat ik spreek als de president van de Verenigde Staten wanneer ik zeg, dat Amerika niet van plan is Engeland te helpen in deze oorlog, opdat de Britten hun heerschappij over koloniale volken zullen kunnen handhaven...’
Daaraan moet u denken bij een ander citaat uit het Charter, dat ik u tot nu toe onthouden heb:
‘dat zij zullen trachten voor zover dat niet in strijd is met hun bestaande verplichtingen (een wanhopige poging van Churchill om nog iets van de voorkeursrechten van het Britse Gemenebest te redden) te bevorderen dat alle staten, groot en klein, overwinnaars en overwonnenen, deel zullen hebben aan de handel en in staat zullen zijn de grondstoffen te verkrijgen, die nodig zijn voor hun economische welvaart...’
Hier schijnt werkelijk iets van het Charter verwezenlijkt te zijn, hetgeen iedereen in deze dagen moet weten, nu de nieuwe minister-president van Engeland aan de deur van de Europese Economische Gemeenschap klopt om binnengelaten te worden, uit vrees anders bankroet te gaan. En Duitsland is, on-
danks een tweede verloren oorlog, opnieuw een financiële wereldmacht en opnieuw bewapend! Maar laten we over Duitsland zwijgen. Het is allemaal al erg genoeg.
5 augustus 1961.