terug  begin  verderprepost

In naam van het recht

Recht en rechtspraak bestraffen niet alleen, ze beschermen ook. Dat lijkt niet veel meer dan een fraaie zin als men niet uit ervaring weet wat er gebeurt, indien bij de straf de willekeur en bij de bescherming de voorkeur een rol gaat spelen.

Zo was het in de bezettingstijd.

Voor hen die deze toestand niet kennen, is het bijna onmogelijk zich voor te stellen, welk een gevoel van machteloosheid en eigenlijk eenzaamheid zich dan van een mens meester maakt. Merkwaardig genoeg meenden de Duitsers daarmee hun eigen zaak te dienen, in werkelijkheid - en daar ben ik zeker van - heeft juist dit gevoel van aan rechteloosheid en willekeur te zijn overgeleverd, bijgedragen tot de toeneming van het Nederlandse verzet. Het ontnam de bur-

[p. 82]

ger zijn illusies nog ergens met een geordend, op rechtsbeginselen berustend stelsel te maken te hebben, het vergrootte zijn afstand tot de staat tegelijk met zijn haat ertegen, en het bracht de ordelievende Nederlander het realistische besef bij, dat de zogenaamde nieuwe Duitse orde geen nieuwe rechtsorde, maar wanorde betekende.

Het is een vrij lang proces geweest, waarin vooral in de eerste jaren het door een grote traditie bijna tot natuur geworden vaderlandse loyaliteitsgevoel jegens alles wat zich met de naam van wet en ‘hogerhand’ aandiende, slechts moeilijk te veranderen bleek. De houding van het overgrote deel van de Nederlandse magistratuur, die met een zelfde vasthoudendheid en formele zin trachtte de schijn van een rechtsstaat naar buiten op te houden, werkte daartoe mee.

 

Twintig jaar geleden, om precies te zijn op 12 augustus 1941, verscheen een besluit van de secretaris-generaal van justitie (Schrieke, een nsb'er), waarin de instelling van het instituut van vrederechters en een vredesgerechtshof werd geregeld. Een zoete naam zo midden in de oorlogstijd. Welke vrede bedoeld wordt zegt artikel 2 van het besluit, waarin de vrederechters bevoegd worden verklaard en de aangewezen instantie worden om ‘kennis te nemen van alle misdrijven en overtredingen, welke de politieke vrede binnen de volksgemeenschap in gevaar brengen of de hoogste politieke belangen van de volksgemeenschap raken...’

Voor wie nog niet direct door heeft wat dit betekent, volgt hier nog een citaat uit een boekje dat in bezettingstijd verscheen en waarin het vredesgerechtshof zelf de ervaringen van een half jaar vrederechtspraak beschrijft: ‘Voor de bepaling van het strafwaardig karakter van een handeling is niet bij uitsluiting de letterlijke wetstekst de grondslag, maar evenzeer het nieuwe rechtsbewustzijn, dat in een wordende gemeenschap geworteld is; een rechtsbewustzijn, dat door geen meerderheid gedragen behoeft te worden, maar door hen, die zuiver de geest van het nieuwe, dat onweerstaanbaar komende is, aanvoelen en begrijpen, tot openbaring behoort te worden gebracht.’

Dat is duidelijke taal. De politieke vrede die men wil is de geluidloze onderwerping aan ‘het nieuwe, dat onweerstaanbaar komende is’. Dat nieuwe is het nationaal-socialisme, de minderheid is de nsb en het recht niet de geschreven wet, maar het bewustzijn van hen, die het nieuwe ‘aanvoelen en begrijpen’.

Als een nsb'er en een niet-nsb'er slaags waren geraakt en de nsb'er won, dan werd hij vrijgesproken met de mededeling, dat ‘aan revolutionaire spanningen binnen zekere grenzen de vrije loop gelaten moest worden’. Won de niet-nsb'er, dan was er sprake van provocatie en volgde veroordeling.

Jaagt de wa (de Weerafdeling van de nsb) de straat op en ranselt ze weerloze burgers af, dan heet het, dat ‘bij een revolutie de beginselen van orde en geleidelijkheid nu eenmaal niet steeds in dezelfde mate als voorheen in acht genomen kunnen worden’, maar wanneer Nederlandse burgers zich niet als schapen laten

[p. 83]

aframmelen en terugslaan, zijn het ordeverstoorders en verstoorders van de vrede.

Scheldt men op een nsb'er dan wordt de eer ‘als een aan de menselijke persoonlijkheid verbonden rechtswaarde’ aangetast, maar dit geldt niet (volgens een arrest van april 1942) voor joden. Die mogen uitgescholden en beledigd worden. Men mag en zal nog veel meer met ze doen, zoals u weet...

Het zijn slechts een paar voorbeelden. Gebeurde er iets? Liepen de rechters, die deze sinistere clownerie in hun edelachtbaar ambt moesten meemaken, en bloc weg? Weigerde de Hoge Raad, de behoeder van onze hoogste rechtsbeginselen, dit bedrijf mee te maken? Nee, dat niet, maar daarover straks...

Toen de Hitlerknechten ons land binnenvielen was het duidelijk, dat ook de Nederlandse rechtspraak in moeilijkheden zou komen. Niet alleen omdat een bezettingssituatie altijd juridische problemen schept, maar vooral ook omdat het nationaal-socialisme totalitaire aanspraken maakte, vijandig jegens de democratie, vijandig jegens de geestelijke grondslagen daarvan en zijn mens en maatschappijbeschouwing en met als onverbiddelijke kern de opvatting, dat recht en goed is wat de nazi-staat nuttig voorkomt. In zoverre was er inderdaad sprake van een revolutionaire situatie.

Onze rechters konden daarom de nazi-aanval zien aankomen, maar als zovele anderen op hún terrein waren ze nochtans op deze aanval niet voorbereid en meenden ze met de ‘Aanwijzingen’ van de regering, waarin evenmin met een dergelijke revolutionaire situatie werd rekening gehouden, voldoende richtlijnen te hebben ontvangen.

Als altijd begon de aanval eenvoudig, en op punten die een schijn van rechtvaardigheid konden ophouden.

Het rechtspreken ‘In naam der Koningin’ werd vervangen door ‘In naam van het recht’. Dat kwam net iets anders uit dan hetgeen de ‘Aanwijzingen’ voorzagen, toen ze waarschuwden dat de rechters hun ambt niet mochten uitoefenen in naam van een ander staatshoofd. Dat werd dus niet gevraagd, maar... na 125 jaar onafgebroken te zijn gebruikt was de naam van onze vorst uit de rechtspraak verdwenen.

De beeltenis van de Koningin moest uit de rechtszalen verwijderd worden. Het Nederlands recht bleef weliswaar van kracht, doch uitsluitend ‘voor zover het verenigbaar bleek met de bezetting’. Wanneer, zoals in de Europese geschiedenis wel is voorgekomen, twee democratieën, of althans staten met een soortgelijk rechtsgevoel en rechtssysteem met elkaar oorlog voeren, is een dergelijke beperking te begrijpen en zelfs te billijken. Ook de eigen regering immers laat onder zulke abnormale omstandigheden bepaalde rechtsregels wijken voor het militair belang, en bezetting is toch in eerste instantie een militaire zaak.

Dat de Duitse krijgsraad enige bevoegdheden verkreeg, leek daarom vanzelfsprekend. Dat Duitsers niet meer voor een Nederlandse rechter konden worden gedaagd, eveneens. Dat vergrijpen van Nederlanders tegen de bezettingsmacht voor Duitse rechters zouden worden gebracht, was ook een natuurlijk uitvloeisel van de politiek-militaire situatie...

[p. 84]

Maar de nazi's waren geen beschaafde volksstam die, bij alle verschillen, een rechtssysteem in wezen familiair aan het onze kenden. Ze kwamen om de boel overhoop te gooien, om ons recht tot onrecht en hun onrecht tot recht te verklaren.

Inzake de maatregelen tegen de joden stond de Nederlandse rechter machteloos, hoewel onze wetgeving hun, uiteraard!, gelijke rechten toestond als de niet-jood. Tegen verbeurdverklaringen en vorderingen van huis en goed kon de Nederlandse burger niet meer beschermd worden.

De instelling van een economische rechtspraak maakte elke vorm van burgerlijke zelfbescherming tegen de georganiseerde Duitse diefstal strafbaar...

En toen kwam in de zomer van 1941 dan de instelling van de vredesrechtspraak, een zuiver politieke rechtspraak met een politiek doel, een anti-Nederlands, een nazi-doel. Een rechtspraak die zelfs zover ging, dat beklaagden die door de gewone rechter waren vrijgesproken, opnieuw en voor dezelfde zaak konden worden veroordeeld door de onvaderlandse schurken, die zich voor deze handlangersdiensten aan de Duitse zaak leenden!

 

Men kan zich in gemoede afvragen of toen niet het moment was gekomen, waarop de rechterlijke macht in Nederland had moeten weigeren nog een rol te spelen in een rechtsbedeling, die deze erenaam niet meer verdiende. Weliswaar werd er betrekkelijk zwak geprotesteerd, waren er individuele gevallen bekend waarin rechters weigerden dit alles nog langer in functie mee te maken, maar tot een breuk is het nooit gekomen.

In België en Noorwegen heeft de rechterlijke macht een andere houding aangenomen, en niet zonder succes. In Nederland was de voornaamste drijfveer tot aanblijven een vrij formele juridische aangelegenheid, waarin de Hoge Raad met de kenmerkende, bijna abstracte, juridische koelheid vaststelde, dat het niet tot de bevoegdheden van de Nederlandse rechter behoorde de Duitse bezettingsmaatregelen te toetsen.

De Nederlandse rechtspraak zou daardoor bij het voortduren van de oorlog in een steeds moeilijker parket komen, en zich steeds meer isoleren van het groeiende verzet. Het zou daarom zover komen dat, bij de bevrijding van Nederland, de Londense regering de leden in hun functie heeft moeten schorsen. Maar daarmee lopen we vooruit op de geschiedenis. Het was, als altijd in zulke gevallen, bij de meesten geen kwestie van pro of contra het nazidom.

 

Het was een meningsverschil tussen goede vaderlanders, van wie de één zijn functie neerlegde als daadwerkelijk protest tegen onrecht en een stimulans tot verzet, de ander aanbleef en de moeilijkheden van een dubbelzinnige positie aanvaardde om nog te redden en te helpen wat hij kon. Beoordelen wie er gelijk had, is niet alleen een juridische zaak, maar ook een kwestie van tactiek, politiek inzicht en zelfs van persoonlijkheid en mentaliteit.

 

Wel staat het mijns inziens vast dat de heren, die aanbleven, gered zijn door de

[p. 85]

Duitsers, die met het voortduren van de oorlog hun willekeur ad absurdum voerden en een chaos schiepen, waarin de normale rechtspraak zijn functie bijna geheel verloren had. En gered zijn ze door de geallieerden, die Duitsland versloegen en daarmee de rechterlijke macht bevrijdden uit een situatie, waarin ze de voornaamste bastions die de hoogheid van hun ambt hadden moeten beschermen reeds hadden prijsgegeven.

 

Bij een Duitse overwinning, zelfs indien het de Duitsers gelukt was een militaire status quo te bereiken, zou de rechterlijke macht zich aan de dienstbaarheid niet hebben kunnen onttrekken en ‘erin gelopen’ zijn, zoals vele hunner Duitse confraters...

Niettemin, in de praktijk van alledag hebben de rechters heel wat mensen kunnen helpen, en ook vaak van persoonlijke moed blijk gegeven. Een kantonrechter veroordeelt een nsb'er wegens belediging, omdat deze heeft beweerd dat de nsb'ers voor de rechtbank slechter worden behandeld - de rechter wordt door de Duitsers gevangengenomen. De officier van justitie te Arnhem, graaf Van Limburg Stirum, weigert vervolging van een man, die het bekende spotliedje op de nsb gezongen heeft:

 
Op de hoek van de straat
 
Staat een nsb'er;
 
't Is geen mens, 't is geen dier,
 
't Is een farizeeër.

Hij kon beklaagde niet vervolgen omdat hij in het lied geen belediging zag, immers de eerste twee regels vermeldden een vaststaand feit; de constatering dat zo'n persoon geen mens en geen dier is, wil zeggen, dat hij een hoger wezen is; een farizeeër is een eigengereid godgeleerde, en dat is geen belediging. Van Limburg Stirum werd later als gijzelaar doodgeschoten. Het Duitse ‘recht’ wist hem dus toch te vinden.

Ook op andere wijze werden de burgers geholpen. Bepaalde zaken werden niet vervolgd, personen ter bescherming tegen de Duitse lange hand zelfs in gevangenissen verborgen gehouden, opzettelijk in voorarrest gelaten om hen aan de greep van de Duitsers te onttrekken, enzovoort enzovoort.

 

Goed werk dus, maar tot het Nederlandse verzet heeft de rechterlijke macht (enkele persoonlijke uitzonderingen daargelaten) niet bijgedragen, zoals bijvoorbeeld de kerken en de artsen dat wel deden. Niet zij stimuleerden door hun optreden het Nederlandse rechtsbewustzijn in een tijd, toen het op zijn gevaarlijkst bedreigd werd; het was niet de rechterlijke macht die meehielp, de positieve beginselen te formuleren en in leven te houden, die Nederland niet alleen tegen het Duitse gif moesten immuniseren, maar de garantie moesten vormen dat het bevrijde Nederland opnieuw een rechtsstaat zou zijn.

Dat is niet onvaderlands, het is niet strafbaar, van een bepaald aspect uit

[p. 86]

gezien behoeft het zelfs niet zwak te zijn, maar eervol is het niet.

23 september 1961.

prepostterug  begin  verder