terug  begin  verderprepost

De ‘Kultur’ en de kunstenaars

De Duitsers zijn altijd een vreemd volkje geweest, ook de Duitsers die wij in de bezettingstijd op ons erf moesten dulden. In de hongerwinter van 1944-'45 zond de Gestapo een auto door de armste buurten van de stad. Er zaten broden in en ander voedsel. Ze lieten de wagen met opzet onbeheerd staan zodat de mensen gelegenheid hadden te stelen. Daar werd dankbaar gebruik van gemaakt. Herr Viermann van de Amsterdamse Gestapo heeft het me later zelf verteld. Hij voegde er spijtig aan toe: ‘Wissen Sie, wir hatten keine andere Möglichkeit. Als Geschenk hätten die Leute es nicht von uns angenommen...’

Dat voedsel uitdelen was trouwens een oude traditie van het bezettingsleger. Het begon al in 1940 en '41. Dan nodigde de Grüne Polizei de arme gezinnen uit de Jordaan en Kattenburg aan reuzenmaaltijden en hun kapel speelde er vrolijke muziek bij. Er gingen heel wat hongerige mensen heen. Er bleven ook heel wat hongerige mensen thuis, het soort dat liever honger leed dan uit Duitse hand iets aan te nemen...

Die tegenstelling was er overal en heel de oorlog door. Er waren winkeliers die bij de Duitsers leurden om te mogen leveren, en anderen die weigerden. Zo ook de fabrikanten. Er waren lieden die aan de Duitse Winterhulp gaven en anderen, die het niet deden. Er waren officieren die zich als krijgsgevangene, na de Duitse oproep, meldden en anderen die onderdoken. Er gingen arbeiders vrijwillig naar Duitsland en ik heb er gekend, die liever zichzelf verminkten dan zich naar Duitsland te laten slepen. Er waren studenten die alleen maar aan hun studie dachten en professoren die alleen maar aan hun wetenschap dachten en er waren er ook, die andere dingen belangrijker vonden.

De één las de nsb-krant ‘Volk en Vaderland’, en toch was hij geen nazi. Het kon hem niet schelen of de winkelier bij wie hij zijn sigaren kocht een nsb'er was en of de film waar hij heen ging een stuk moffenpropaganda was. Hij zat met vrouw en kroost op de eerste rij als de Duitsers in het park muziek maakten

[p. 102]

en hij ging graag naar Mengelberg in het Concertgebouw luisteren, ook al wist hij dat de dirigent pro-Duits was en met zijn kunst de vijand hand- en spandiensten bewees.

Waren die mensen slecht? Waren het verraders? Ondermijnden ze de nationale zaak? Waren het vrienden van de vijand? Waren ze karakterloos? Lafaards?

Gewone mensen waren het. Doodgewoon! Zoals er dertien in het dozijn gaan.

Maar niet alle gewone mensen zijn even gewoon. Je zou er heel wat politici, burgemeesters, officieren, politie-inspecteurs, fabrikanten, dagbladdirecteuren, heel-erg-hoge ambtenaren mee beledigd hebben, als je ze vóór of na de oorlog had gezegd, dat ze ook maar doodgewone mensen waren. Vóór en na de oorlog, ja, maar in de oorlog waren ze dat wel en graag!

Ook onder de kunstenaars waren er van dit soort. Ik ben geen held, zei een bekend schilder dezer dagen. Ik ben een doodgewoon, spontaan mens, een doodgewone echtgenoot en huisvader, die de zorg voor zijn gezin zwaarder laat wegen dan die ongewone plichten in een ongewone tijd. De schilder was 43 jaar toen er iets ongewoons van hem geëist werd. In de kracht van zijn leven om zo te zeggen. Niet te jong, niet te oud. Er waren eenvoudige zeelui, die hadden óók een gezin, doodgewone mensen zonder kunstenaarsziel en kunstenaarsoog. Voor deze mannen bestond de vaar-plicht! Ze voeren op een zee, vergiftigd door Duitse duikboten, ze werden getorpedeerd, hun ledematen werden afgerukt bij ontploffingen, ze zwommen in brandende olie. Hun vrouwen en kinderen woonden in Nederland. De Duitsers hadden verboden dat die loon ontvingen. Ook dat wisten die zeelui. Ze konden dus niet eens voor hun gezin zorgen...

 

De Tweede Wereldoorlog was geen gewone oorlog. Dat klinkt ietwat gek, want alle oorlogen zijn ongewoon, maar deze was nog ongewoner. Een vervelende zaak voor doodgewone kunstenaars. Ons land was niet alleen militair bezet maar ook cultureel en geestelijk. Daarmee waren er nieuwe fronten geschapen, andere dan de Grebbelinie of de Maasbruggen. Die fronten liepen door de school, het redactiebureau, het departement, de fabriek, de concertzaal, het schildersatelier.

Ook daar was er een Duitse invasie, die het gemunt had op onze opvoeding, onze voorlichting, ons bestuur, onze kunst. In een geraffineerd opgebouwd web van maatregelen, geboden en verboden, moest ons volk gevangen worden, om zo te zeggen ‘bouwrijp’ gemaakt voor een nieuwe cultuur, die de Duitsers ‘Koeltoer’ noemden. Dat lukt niet van vandaag op morgen, er is tijd voor nodig, méér tijd dan voor de doorbraak van de Grebbelinie of het platbranden van Rotterdam. Bij Rhenen zijn er ook soldaten bang geweest, misschien dachten ze wel aan vrouw en kinderen, voor wie ze wilden zorgen. Ze lichtten hun hielen... Dat is ook op de andere fronten gebeurd, maar omdat het daar allemaal wat langzamer ging en de Duitse overwinning niet op dagen maar op jaren was berekend, is de vlucht niet zo in de gaten gelopen. In een geografisch beeld

[p. 103]

uitgedrukt: De Duitsers stonden nog aan de andere kant van de IJssel en toen vluchtte dit soort al van de Grebbe naar Broek in Waterland. Ze hebben niets in de steek gelaten, zeggen ze, want op cultureel gebied hebben de Duitsers geen tijd gehad om tot de Grebbe door te dringen.

Dan hadden die doodgewone soldaten in hun sector meer pech.

 

In de winter van 1941 kondigden de Duitsers aan dat de kunstenaars zich moesten verenigen in zogenaamde gilden, die zouden worden samengevoegd in een Kultuurkamer. Het ging om de bevordering van de cultuur ‘In het licht van haar verantwoordelijkheid tegenover de volksgemeenschap’, naar Duitse opvatting dan, want ‘joden of met joden vermaagschapte personen’ mochten er geen lid van zijn, want ‘de jood is een groot gevaar voor de Germaanse cultuur’ zeiden de Hollandse handlangers van de Duitse meesters. Overigens waren de heren ruimhartig met het toekennen van kunstenaarschap. Ook verkopers, circusartiesten, cabaretiers, zelfs leden van zangverenigingen vielen eronder.

In januari 1942 kwam het bericht dat men zich moest aanmelden. Wie het niet deed, mocht zijn beroep niet langer uitoefenen, als schrijver niet publiceren, als schilder niet tentoonstellen, als musicus niet concerteren enzovoort.

Deze maatregel op het gebied van de kunst stond natuurlijk niet alleen. De journalisten werden op dezelfde wijze georganiseerd, de arbeiders in de vakbeweging ook, de artsen moesten eveneens in een zogenaamde ‘artsenkamer’ worden ondergebracht, allemaal organisaties die de vijand nodig had als handvatten om het Nederlandse volk te ringeloren, als werktuigen om het te vergiftigen met de nazi-theorieën, als middel om de vrije communicatie van de Nederlandse geest te beletten.

Onder de kunstenaars ontstond grote onrust, speciaal toen als eerste groep de toneelspelers zich voor 18 februari 1942 moesten hebben gemeld. In allerijl werden comités gevormd met het doel gezamenlijk te protesteren bij Seyss Inquart en bovendien om elkaar te bewegen het verplichte lidmaatschap van de Kultuurkamer te weigeren. Ongeveer 2500 kunstenaars gaven hun handtekening voor een protestbrief, waarin onder meer stond geschreven:

 

‘...dat de gedachte waarop deze Kultuurkamer is gebaseerd en de wijze van organisatie in strijd zijn met het wezen van het kunstenaarschap zoals dit door hen wordt beleefd en zoals het in de Nederlandse traditie sinds eeuwen opgevat en geëerbiedigd is.

Toetreding tot de bedoelde instelling waarbij de kunst ondergeschikt wordt gemaakt aan vooropgestelde politieke beginselen, het kunstleven geregeld door met autoritaire macht beklede leiders en waarvan toelating niet uitsluitend afhangt van de maatstaf van het kunstenaarschap, is niet overeen te brengen met de geestelijke levensvoorwaarden voor de kunst en in strijd met de hoogste plichtsvervulling, de roeping die zij als kunstenaars hebben te vervullen. Zij voelen zich daarom gedrongen uiting te geven aan de overtuiging dat de kunstenaar, die de roeping heeft uitdrukking te geven aan het innerlijk leven en gewe-

[p. 104]

ten van de natie, deze roeping alleen in vrije schepping en uitoefening kan vervullen, en verklaren aan deze roeping getrouw te willen blijven...’

 

Dat ‘getrouw blijven’ heeft niet betekend dat iedereen weigerde zich voor de Kultuurkamer aan te melden. Sommigen deden het uit angst, anderen omdat ze ‘de zorg voor hun gezin hoger stelden’, nog weer anderen omdat ze meenden dat ‘politiek en kunst niets met elkaar te maken hadden’.

Om het risico van vele persoonlijke weigeringen te ontgaan, schreven de nazi's bepaalde verenigingen en genootschappen als lid in. Wilde iemand deze vorm van geestelijke ‘naasting’ ontgaan, dan zat er niet anders op dan als lid van de betrokken vereniging te bedanken. Dat gebeurde ook veel. Vele verenigingen trouwens ontbonden zich zelf, zo veel, dat Seyss-Inquart genoodzaakt was een verordening uit te vaardigen, waarin niet alleen de oprichting, maar ook de ontbinding van een vereniging de Duitse goedkeuring nodig had.

 

Hoe het zij, de Duitse vlieger is niet opgegaan. Een van de redenen was ongetwijfeld, dat de overgrote meerderheid van degenen die, om welke reden dan ook, als lid toetraden, toch anti-nazi waren.

 

Maar veel belangrijker waren de militaire tegenslagen, de veldtocht in Rusland, Amerika in de oorlog, het mislukken van de Blitzkrieg tegen Engeland, enzovoort... de groeiende economische zorgen! Daardoor hadden de Duitsers aan wel andere dingen te denken dan aan de nazificering van de Nederlandse kunst. De zorgzame, doodgewone huisvaders onder de kunstenaars, leden van de Kultuurkamer, hebben daarvan danig geprofiteerd. Zij hebben dat waarachtig niet door eigen verdienste kunnen doen, maar door het werk van al die jonge en oude mannen, die vrijwillig of verplicht andere opdrachten volvoerden dan het verzorgen van vrouw en kind. Zonder hun hulp, zonder hun offer, zou een bekend schilder van vandaag op den duur wellicht Hitler hebben moeten portretteren en niet Koningin Wilhelmina.

 

De Kultuurkamer heeft niet gefunctioneerd en daarmee is het lidmaatschap van zijn gevaarlijke angel ontdaan. Van hen die toetraden kritiseren wij niet allereerst datgene wat zij deden, maar wat zij nalieten te doen, namelijk ‘uiting geven aan het geweten van de natie’, zoals het in de protestbrief heet.

Er zijn er geweest die dat God zij dank wel hebben gedaan, en daarom zal ik straks, als ik dit artikel naar het Handelsblad breng, door de Gerrit van der Veenstraat lopen.

Ik zal hem en de vele doden, die met hem zijn, nogmaals danken voor hetgeen zij deden, voor ons allemaal, ook voor de gezinnen van die doodgewone kunstenaars.

27 januari 1962.

prepostterug  begin  verder