In het najaar van 1941 en begin 1942 voltrok zich in de illegale pers een grote wijziging. Verschillende bladen werden van toen af gedrukt, het stencillen was alleen nog maar een zaak van regionale betekenis, het werd her-stencillen van het gedrukte ‘moeder’ exemplaar.
De betekenis van deze verandering is niet gering. Er konden in kortere tijd grotere oplagen worden bereikt. Het te gebruiken papier was dunner en dus ook de pakketten, waarin de exemplaren vervoerd moesten worden en bovenal, er kon meer in. Acht pagina's gezette kopij was op zijn minst het dubbele van acht pagina's stencilwerk.
De technische moeilijkheden werden er echter voor de organisatoren niet minder door. Om redenen van veiligheid werd de tekst vaak op een andere plaats gezet dan gedrukt. Dit zetsel moest worden vervoerd, soms over grote afstanden. Het woog de nodige kilo's en wie er mee betrapt werd kon zichzelf wel afschrijven. De drukkers, die het werk aandurfden, waren dun gezaaid - logisch, helden vindt men niet per dozijn. Het risico dat zij op zich namen was bijzonder groot. Vooral in de eerste tijd waren het vooral de kleine drukkers die zich voor dit gevaarlijke werk beschikbaar stelden. Ze hadden geen last van pottekijkers onder het personeel en ze konden het af met de hulp van vrouw en desnoods kinderen. Er zijn heel wat van deze dappere mannen voor het executiepeloton gevallen en het kan geen kwaad zulke mensen te gedenken in een tijd, waarin grote mannen, mannen van naam, kunstenaars er zich bijna op beroemen in de oorlogsjaren de zorg voor hun gezin belangrijker te hebben geacht dan het verzetswerk.
Het papier was ‘op de bon’, dat wil zeggen werd gedistribueerd en was uitsluitend op aanvraag bij door Duitsers gecontroleerde instanties verkrijgbaar. Maar de drukkers zorgden vooral in die eerste tijd zelf wel voor papier. Er was hier of daar altijd wel een restpartijtje te vinden in een hoekje van de drukkerij. Maar dat vergrootte ook het risico bij een eventueel politieel onderzoek. Het papier, aanwezig in de drukkerij, kon vergeleken worden met dat van in beslag genomen exemplaren van de een of andere illegale krant. Ook ontstonden er nieuwe vervoersproblemen. De gestencilde oplagen waren klein, nu moesten er ineens vijf- tot tienduizend exemplaren en meer van één drukkerij worden weggehaald.
Een van de ondergrondse bladen, namelijk Vrij Nederland, vierde de overgang van gestencilde naar gedrukte krant met een hoofdartikel, dat bedoelde het bedrog van het nationaal-socialisme niet alleen aan de kaak te stellen, maar dat tevens ten doel had positief in te werken op de politieke bewustwording en wilsvorming van ons volk. Daarmee werd een nieuw arbeidsveld ontgonnen. Het ging niet meer alleen om het verzet, het ging niet meer uitsluitend om de oorlog, maar ook om de vrede, de toekomst. Niet alleen het bezette Nederland, het bevrijde herrezen vaderland werd oogmerk van het verzet tegen de Duitsers.
Deze kant van het werk zou, naarmate het einde van de oorlog in zicht kwam, steeds in belangrijkheid toenemen. Er waren groepen die dit betreurden. Zij meenden dat verzet op een uitsluitend negatieve basis voldoende was, hun positieve oogmerken hielden niet meer in dan een bijna fascistisch eenheidsbegrip en een toekomstig Nederland, dat rustig zou beginnen waar het in 1940 was opgehouden.
Maar deze nieuwe taak van de ondergrondse pers had ook nog een andere reden. De Duitsers waren hier niet alleen als soldaten, bezetters, dieven en moordenaars, ze zeiden ook revolutionairen te zijn, gekomen om Nederland een andere denkwijze, een ander politiek systeem, een andere filosofie, kortom een andere orde te brengen. Daartegen kon men zich niet te weer stellen zonder tegenover de Un-Geist de geest te mobiliseren.
Vrij Nederland noemde het artikel, waarmee het de tweede etappe van zijn bestaan begon, ‘Revolutie of inbraak?’ Het verscheen in januari 1942. Hier volgen enkele passages:
‘...Het is duidelijk dat de nazi's zich, op hun manier, veel moeite getroosten ons volk voor zich te winnen. In de keuze van hun middelen zijn ze niet kieskeurig, maar zij tonen toch een zeker gevoel voor verscheidenheid te bezitten. De halsstarrigen trachten zij te genezen door concentratiekampen en gevangenissen, de dommen met fanfares en uniformen, de gokkers met het rad van avontuur, de mislukkelingen door speculaties op hun rancune-gevoelens, de arbeiders door quasi anti-kapitalistisch geklets, en vele intellectuelen door pseudo-diepzinnige redeneringen over kentering der tijden, revoluties, nieuwe bewustwording, enz...
Ook aan ons gekwetst nationaliteitsgevoel komen zij tegemoet. Inderdaad, zeggen zij, Duitsland is ons land binnengevallen. Wij hebben de oorlog verloren, dat is hard en ellendig, maar... wij vergeten één ding: wij zien wel de oorlog, maar we zijn blind voor het feit, dat dit oorlogsproces doorsneden wordt door een revolutie...
...Echter, zelfs al zou de nazi-terreur van onze tijd inderdaad een revolutie begeleiden, dan nog is voor niemand het feit van de revolutie alleen voldoende, maar haar richting en doel...
...Inderdaad hebben de nazi's een onafzienbare serie leuzen in de wereld geworpen, die de nieuwe elementen zouden verbeelden, waarmee zij een nieuwe wereld zullen inrichten. Al deze leuzen zijn hier en daar en overal weggekaapt, zij spreken elkaar tegen en hebben geen ander doel dan de werkelijke bedoeling van de nazi's te camoufleren. De burgers spreken zij van eerherstel van gezin en fatsoen, de vroegere marxistische revolutionairen trachten zij omgekeerd te vangen door hun de vernietiging van alle burgerlijke vooroordelen voor te spiegelen. De een vangen zij met hun kruistocht voor het Christendom, de ander
door hun prediking van een nieuw heidendom...
...Het is duidelijk dat men met rassentheorieën en bodemromantiek geen industrie-arbeiders uit de grote steden warm krijgen kan. Voor hen en voor onze arbeiders vonden de nazi's de sociale revolutie uit. Zij bestrijden vooral het kapitalisme van de 19de eeuw. Het laissez faire, laissez aller, het “ieder voor zich”, dat zij zo graag aanhalen, is echter zonder toedoen van de nazi's al als sociaal-economisch principe doodgegaan. De strijd tegen het liberale kapitalisme was in Europa echter reeds in volle gang voor de nazi's kwamen. Wij behoeven geen namen te noemen: er waren groten en sterken, er waren revolutionaire bewegingen, enkelingen en groepen in verscheidene partijformaties en milieus...
...Het wezenlijke karakter van het nationaal-socialisme is geen vernieuwing, maar verrotting, geen eerherstel van de arbeid maar slavernij, geen rasbewustzijn maar rassenleugen, geen volkse vernieuwing maar opstand der horden, geen revolutie maar inbraak. Alles wat Europa in de loop der eeuwen aan schatten ontvangen heeft, van de eenvoudige kloosterbroeders, van renaissance en hervorming, van Erasmus en Calvijn, van Descartes en Spinoza, van Willem van Oranje en de vrijheidsstrijders van 1848, van alle groten en alle eenvoudigen die meehielpen de humaniteit en de gewetensvrijheid, de eerbied voor de persoonlijkheid en het recht, de barmhartigheid en de sociale rechtvaardigheid in deze gewesten in te dragen, dit alles bedreigt het nazidom en heeft het reeds voor een deel uit Europa gestolen...!
...Wij zeggen niet dat al deze rijkdom in het Europa van voor 1939 naar waarde werd geschat. Integendeel. Hitler en zijn handlangers konden ons huis binnendringen omdat wij, de bewoners, sliepen, en omdat wij niet meer wisten welke schatten wij te verdedigen hadden. We waren vermoeid en sloom geworden. Van ons ongeloof, van onze onkunde en gebrek aan verantwoordelijkheid, van onze slaperigheid hebben de nazigangsters gebruik gemaakt, op dezelfde manier waarop misdadigers dat altijd deden en nog doen: met misleiding en wapengeweld...
...Deze bende predikt de vrijheid en voert de slavernij in, zegt de arbeid te eren en smijt de arbeiders weg als kanonnevlees, zegt het gezin te beschermen en rooft haar kinderen en werkt de hoererij in de hand, deze dieven stelen onder het mom van fatsoen, deze moordenaars doden die zij zeggen te beschermen, deze rovers plunderen die zij zeggen te verzadigen. Deze grootste leugenaars van de geschiedenis zijn niet alleen een gevaar voor Europa, zij zijn ook de schande van Europa, omdat Europa eenmaal toeliet dat dit onkruid in haar midden opkwam en voortwoekerde en sterk werd.
...Vandaag zijn er nog mensen, zogenaamde intellectuelen vooral, die menen met een superieure en waanwijze glimlach ter zijde te kunnen staan, zonder een
hand uit te steken, en zij zien niet dat rondom hen en onder hun voeten alles weggestolen wordt waarop zelfs hun zielige onaantastbaarheid moet steunen. Zij zien niet dat deze oorlog een Europese burgeroorlog, een wereld-burgeroorlog is, “onvermijdelijk geworden door de tegenstelling tussen de technische beschaving van de mens en zijn geestelijke barbaarsheid, dat wat wij nu ondergaan de vreselijke wraak is over een algemene traagheid, een algemene weigering om het offer onder de ogen te zien, dat de keuze van de rechte weg zou moeten kosten” (citaat van Middleton Murry)...
...Jarenlang zijn er onder ons geweest, die gewaarschuwd hebben, niet alleen tegen het nationaal-socialisme, maar ook tegen onszelf, dat Europa ten gronde zou gaan tenzij het zich economisch en sociaal en geestelijk zou durven herzien. Deze mensen waren de werkelijke revolutionairen van Europa...!’
Dit werd twintig jaar geleden geschreven. Ik zou niet durven beweren, dat het in onze dagen totaal verouderd is.
10 februari 1962.