In de herfst van 1941 en de daaropvolgende eerste wintermaanden sloeg de Duitse Gestapo voor de eerste maal hard toe in de kring van de ondergrondse pers. Het stencillen en verspreiden van verzetslectuur, krantjes, gedichten, portretten van het koninklijk gezin was een ware rage geworden. Hier en daar werd wel deze of gene gepakt door de Duitsers, maar een massa-arrestatie op zo grote schaal als in de herfst van 1941 was toch nog niet voorgekomen. De meeste gearresteerden werkten voor Vrij Nederland en voor Nederland Vrij, door animositeit en ambitie eigenlijk de eerste afsplintering van de hoofdgroep.
Maar het ging ook om andere blaadjes. In het Anklageschrift van 17 november 1941 worden als ‘Hetzschrifte’ ook nog genoemd De Schijnwerper, Uit de Woestijn. Vrije Pers en De Vrije Nederlander.
Kleine blaadjes, miezerige blaadjes vaak, op slecht papier vervaardigd met een slechte stencilmachine. De moeite en het gevaar nauwelijks waard, kan men gemakkelijk zeggen, nu, twintig jaren later! Maar in die tijd waren ze bewijzen van de ongebroken geestkracht van vele Nederlanders, signalen voor een verzet, dat grotendeels nog komen moest, protesten tegen Duitse schanddaden toen het scheen alsof zwijgen de enige Nederlandse reactie was, een ietwat stuntelig maar duidelijk ‘neen’ tegen de leugenachtigheid van de gelijkgeschakelde pers, radio en andere vormen van voorlichting.
Het Anklageschrift betrof 65 personen. Ze werden in het voorjaar van 1942 veroordeeld, meest tot zware gevangenisstraffen. Velen zijn nooit uit Duitsland teruggekeerd. Ze stierven er in de gevangenissen, als puinruimers op de gevaarlijkste plaatsen bij de bombardementen, aan tyfus en andere ziekten toen de
oorlog bijna voorbij was en ze de ellende bijna hadden doorstaan.
Jonge mensen veelal, heel jong nog! Vijftien van de 65 waren nauwelijks 20 jaar. Nog veel meer onder de dertig. Het schijnt zo gezien wel waar te zijn dat het verzet grotendeels een zaak was van ‘jongelui’. Vanzelfsprekend zou ik bijna geneigd zijn te zeggen. Ook de meeste geallieerde soldaten zullen twintigers geweest zijn. Maar bij de militairen waren de leiders in elk geval ouder. Dat was in het verzet maar zeer ten dele het geval. De ouderen (nee, niet allen) lieten verstek gaan, vooral in de eerste jaren van het verzet. En dat... nou ja, laat ons niet klagen of verwijten maken. Zo hoorde het wellicht ook...
In vroegere artikelen heb ik meer dan eens op de fouten van de verzetstechniek, vooral uit de eerste jaren, gewezen. Het vak moest nog geleerd worden. Wij zijn per traditie geen volk van samenzweerders en dat is een grote deugd in vredestijd. In tijden van oorlog en bezetting moet men dan leergeld betalen, veel en hard.
Een van de ergste en meest voor de hand liggende fouten was, dat het milieu waarin het verzet ontstond en uitgroeide, bepaald werd door vriendschappen, familiebanden, door de buurt, kerk of werk- en studiekring. Men kende elkaar, en daarom vertrouwde men elkaar en daarom begon men ook gezamenlijk dit gevaarlijke werk. Te begrijpen, maar uit het oogpunt van illegale techniek dodelijk.
Wie het Anklageschrift leest, bemerkt met verbazing dat vele arrestanten in dezelfde straat woonden of in dezelfde buurt: Indische- en bloemenbuurt in Den Haag, Kinkerbuurt en Oost in Amsterdam. Ze kennen elkaar bij naam en weten elkaars adres. Ze behoren vaak tot dezelfde kerk en gingen vaak op dezelfde school.
Toen de Duitse politie eenmaal een rafel in dit breiwerk had, was het kinderwerk om de zaak verder uit te trekken. En dit temeer, omdat de beklaagden bijzonder grif hun ‘misdaden’ schijnen te hebben erkend en met een vreemd aandoende eerlijkheid ook hun relaties hebben genoemd.
Ik ben in het hele Anklageschrift maar enkele gevallen tegengekomen van mensen die zich door leugens, ontkennen, of andere redeneringen aan het oordeel trachtten te onttrekken. Eén zegt weliswaar krantjes in voorraad te hebben gehad, maar ‘ze vernietigd te hebben omdat hij het er niet mee eens was’. Een ander, één van de zeer weinigen, zegt de naam van wie hij de blaadjes kreeg niet te kennen en evenmin de namen van zijn onderverspreiders. Nog een derde heeft een geraffineerdere redenering. Hij geeft toe de blaadjes in ontvangst genomen te hebben, geeft toe zelfs gezegd te hebben ze te zullen verspreiden, doch uitsluitend omdat hij tegenover zijn vriend ‘ein guter Niederländer hätte sein wollen und dass er ihn deshalb in dem Glauben gelassen hatte, dass er die Schrifte weiter verbreite...’
Een leugen dus? Zeer waarschijnlijk ja!
En mocht dat dan zomaar?
Velen van de gearresteerden kwamen uit een streng calvinistisch milieu. Men heeft met deze ethische vraag nogal wat moeite gehad. Ik heb in de bezettingstijd een gereformeerd predikant gekend, die weigerde ten aanzien van de activiteiten van zijn zoon (die gevangen zat) onwaarheid te vertellen, hoewel hij wist wat dit voor het lot van zijn kind betekende. Later is dit probleem speciaal in illegale vlugschriften behandeld, eenmaal door de bekende Amsterdamse predikant Oorthuys, en ook door Karl Barth in een brief aan de Nederlanders in bezet gebied, die van Basel naar Amsterdam was gesmokkeld.
In ieder geval, de meeste beklaagden in het proces uit het voorjaar van 1942 hebben zich kennelijk voor de waarheid niet geschaamd en zich van de gevolgen weinig aangetrokken. Misschien was het niet alleen overtuiging maar ook naïviteit en optimisme.
In het Anklageschrift komt deze merkwaardige passage voor:
‘Beweismittel: Geständnisse, bezugsweise eigene Angaben des Angeschuldigten’.
Dat bleek geen leugen te zijn. Hier een paar voorbeelden, die ik vanwege de authenticiteit onvertaald doorgeef: Een beklaagde uit Groningen: ‘Er sei durch die Ereignisse des 10. Mai 1940 derart beeindruckt gewesen, dass er beschlossen habe etwas zu tun um in der niederländischen Bevölkerung den Geist des Widerstandes gegen die Bezatzungsmacht wach zu halten...’
Van een andere beklaagde wordt gezegd: ‘Er war sich bei seiner Tätigkeit darüber im Klaren, dass er das niederländische Volk zu einer feindlichen Haltung gegen Deutschland aufhetzte. Er gibt unumwunden zu, dass dies auch seine Absicht gewesen sei...’
Nog één: ‘Er war von dem Inhalt der Flugschrift derart eingenommen, dass er sich selbst anbot für die Verbreitung der Schrift zu sorgen...’ Hij wist dat hij zich daarmee aan een strafbaar feit schuldig maakte, maar, wordt van hem gezegd, hij deed het in het geloof ‘Für sein Vaterland ein gutes Werk zu tun...’
Een andere, oudere man, die voornamelijk financiële steun gegeven heeft erkent volmondig: ‘er sein Verhalten damit begründet hat, er hoffe und wünsche dass die Niederlände bald wieder frei von den Deutschen Truppen wurden...’ Naïef? Ja! Maar even dapper als naïef.
Twintig jaar geleden werd hun vonnis geveld. Velen van hen hebben het met hun leven betaald. Enkelen zijn teruggekomen. Als zij bekendheid hebben verworven onder ons volk, is het niet om hun pionierswerk van toen. Zelfs hier blijven hun namen ongenoemd.
Mochten zij dit artikel lezen, dan wil ik wel zeggen hoe ik het bedoel: Hoed af, in eerbied en dankbaarheid.
10 maart 1962.