Zo, dat is dan het achttiende bevrijdingsfeest dat we heden vieren. Daarvan werd één maal de bevrijding beleefd, de eerste maal, en zeventien maal herdacht, dat wil zeggen achteraf, vanuit de vrijheid en het bevrijd zijn feestelijk herdacht.
Toch is het niet waar dat een bevrijding uitsluitend op de dag van de bevrijding beleefd en daarna nog slechts herdacht kan worden. Hij kan ook in het vooruit worden ervaren, vanuit de verdrukking worden genoten, als hoop, als droom en als visioen worden beleefd.
Juist het jaar 1942, nu twintig jaar geleden was zo'n tijd, waarin de toekomstverwachting een rol speelde, die eigenlijk in geen enkele redelijke verhouding stond tot de kansen en mogelijkheden van de oorlogssituatie in die dagen.
Wie die tijd heeft meegemaakt, vraagt zich thans hoofdschuddend af hoe een volk, bijna en bloc, zich aan zulke dagdromen gewonnen kon geven. Ik zou niet graag willen beweren dat het allemaal van moed en vasthoudendheid en van een taai vertrouwen getuigde. Men speelt soms met het wonder eenvoudig omdat men de werkelijkheid niet de baas kan. De mens hoopt op redding omdat hij de ondergang en de ellende niet in het gezicht durft te zien. Zo speelt de zieke
met zijn beterschap en ik kan me zelfs voorstellen de veroordeelde om gehangen te worden, met de mogelijkheid dat het touw zal breken...
Op een ereplaats in mijn huis staat een klein plastiekje. Het is een geschenk van een joods advocaat. Of beter gezegd, geen geschenk, zelfs geen aandenken, maar een daad van eerbied jegens het object en een akte van verzet jegens de Duitsers. Deze joodse advocaat was een van de eersten in het verzet. Ik ontmoette hem in dit verband reeds in 1940. Een rijk man en een kunstzinnig man. Een dapper man bovenal, ook al hield hij die mannelijke dapperheid (dwaas! Waarom zou dapperheid mannelijk moeten zijn?) schuil in een bijna vrouwelijk (ook een onjuist woord, maar ik weet geen beter) overcultureel bewustzijn en een stijl, die een mengeling was van fijnzinnigheid en cynisme. Hij had duizend gelegenheden om onder te duiken, maar toen de overplaatsing kwam van de Amsterdamse joden naar de Transvaalbuurt, weigerde hij onder te duiken, omdat zijn heel oude moeder zich daartoe niet meer in staat achtte en hij haar niet in de steek wilde laten. Hij wist dat het zijn dood zou betekenen. Hij wist dat ze, eenmaal gevangen, geen uur bij elkaar zouden blijven. Maar, zo zei hij, mijn moeder zal niet het gevoel hebben dat ik haar alleen gelaten heb. De Duitsers moeten ons van elkaar scheiden.
Vlak voor zijn verhuizing gaf hij de kleine kostbaarheden die hem lief waren aan zijn vrienden. Daar blijft Puls (het bedrijf dat voor de moffen de joodse woningen leeghaalde) af met zijn vuile vingers.
Met deze man heb ik eenmaal over de bevrijding gesproken. Hij was niet het type om zich over te geven aan illusies. Hij geloofde niet in een korte oorlog.
‘De nieuwe vrijheid zal bijna even moeilijk zijn als deze tijd,’ zei hij. ‘Zelfs het vernederendste leed kan een glans van waardigheid krijgen als men het weet te dragen... Ook de vrijheid kan een onwaardige zaak worden als men er niet de rechte weg mee weet...’
Hij is dood, deze grote joodse Amsterdammer.
Er was een man, die zichzelf nauwelijks een man voelde.
Hij had een nogal vrouwelijk beroep gekozen, hij maakte kleren. In de oorlog was hij betrokken bij een van de eerste grote verzetsacties uit de bezettingstijd: de brandstichting in het bevolkingsregister te Amsterdam. Hij werd met vele anderen gegrepen en ter dood veroordeeld. Toen hij de gelegenheid kreeg afscheid te nemen van zijn familie en zijn verloofde, was het afscheidsgesprek bijna vrolijk. Het was de tijd van de aardbeien. Hij vroeg om er een paar te mogen eten. Hij vroeg ook om een ander overhemd, met een speciale kleur, die hem lief was.
‘Het nest is goed, maar het heelal is beter,’ zei hij en die zin is in de kring van zijn familie en vrienden levend gebleven. Ze staan op het graf gebeiteld van zijn broer, die in de bevrijdingsdagen van 1945 op de Dam om het leven kwam. Hij zelf werd neergeknald in de Kennemerduinen. Zij tweeën waren niet de enigen
van de familie. Er stierven nog veel meer, niet door toeval of lot, maar als prijs voor hun verzet. Deze familie schijnt een privé-oorlog tegen ons te voeren, heeft eens een Duitser gezegd, toen hij inzicht kreeg in de familieverhoudingen.
Voor de man waarover wij spreken kon zelfs de dood als een vorm van bevrijding worden aanvaard.
Van een andere gefusilleerde, die ik tot mijn vrienden mocht rekenen, zei een van de Duitsers die getuige was van zijn dood en die van zijn makkers: ‘Sie lachten sogar...’
In de cel droeg hij mij als nieuweling op, de vloer te dweilen en bij het luchten raadde hij me aan stevig te lopen. Dat houdt fit, zei hij. Toen er onder de club celgenoten enige naijver begon te ontstaan over wie de dikste sneden brood kreeg (ze kwamen door een luikje in de deur en sommigen stonden te loeren om de dikste te bemachtigen, ze hadden ook honger), voerde hij praktisch en zakelijk een rooster in. Ieder op zijn beurt.
Hij was katholiek en had met behulp van een gangwacht een gebedenboek in zijn cel gesmokkeld. We lazen er samen uit, hij de katholiek, en ik de protestant.
Hij was bakker. Een aantal jaren had hij doorgebracht in Canada, als kok in de woeste houthakkerskampen van het Noorden. Teruggekomen was hij getrouwd, had een kleine bakkerswinkel kunnen opbouwen en was juist bezig eindelijk wat geld te verdienen met de verkoop van ijs. Hij vertelde er met zijn rustige stem zoveel van, dat ik er alles van wist vóór we van elkaar gescheiden werden. Hij was geen hemelbestormer, hij was geen politicus en in politiek zelfs nauwelijks geïnteresseerd. Zijn geloof beleefde hij in de gewone dingen van elke dag, toen hij in Canada was, toen hij bakker was in Amsterdam en toen hij in de cel zat.
‘Je moet eenvoudig wat je in het leven te doen krijgt zo goed mogelijk doen,’ zei hij tegen me. ‘Ook in de cel zitten...’ Daarom liet hij mij de vloer dweilen en diepe kniebuigingen maken. Toen hij naar Duitsland werd afgevoerd en het uur van zijn dood geslagen was zal hij hetzelfde gedacht hebben. Je moet wat je opgedragen krijgt zo goed mogelijk doen. Sterven ook.
In die cel heb ik maar één keer een gesprek met hem gehad over de bevrijding en de tijd, die dan zou komen. De ontwikkeling van de ijsverkoop stond nog pas aan het begin, vond hij. Je zou eens zien welk een vlucht dat na de oorlog zou nemen. Er zaten ook kwade kanten aan, vooral voor de jeugd, maar het was toch altijd nog beter dan de kroeg.
Bevrijding was voor hem herstel van zijn gezinsleven. En werken als een eerlijk en goed man, die niet nee zei toen men hem vroeg in het verzet te gaan; die in zijn cel, zonder het te weten, de vader van zijn celgenoten was en een rustpunt voor onze ‘hoog-geestelijke’ kwellingen.
Van die andere celgenoot begreep hij niets. Die vond hij maar gek en misschien was hij ook gek of speelde alsof. Het was een Duitser, een neef van Von Papen
naar zijn zeggen en dat was waarschijnlijk waar want ook de Duitse bewakers noemden hem zo. De halve dag was deze jonge man bezig zich te wassen, voor zover de hoeveelheid water dat toeliet tenminste. Hij liep halfnaakt in de cel rond en hield plechtige predikbeurten tegen ons. Hij was in het verzet gegaan, in Duitsland al (en later uitgeweken naar Holland), om de smet op zijn familie uit te wissen, maar ook omdat niemand wist hoe schoon de tijd was die zou aanbreken. Daarom moest hij zich wassen. Men moest zich op die tijd voorbereiden.
Elke dag stond hij uren voor het celraam te kijken, althans voor zover zijn oog een blik naar buiten kon werpen. Vanuit de lucht zou een witte adelaar komen, die zou neerstrijken op de kleine steenrand van het celraam. Op dat moment zouden de celdeuren opengaan, alle deuren van alle gevangenissen in Nederland en Duitsland en overal. Nieuwe mensen zouden in een nieuwe wereld naar buiten treden en niemand zou meer slecht zijn.
Bij zijn vele verhoren weigerde hij antwoord te geven, en deed niets anders dan deze nieuwe wereld prediken. In de nacht echter kwelden hem vreselijke pijnen en wij konden door zijn gekreun niet slapen. Op een nacht hebben de Duitse bewakers hem uit de cel gehaald. Meer dan een uur lang hebben we zijn gillen en kermen gehoord, toen ze hem op Duitse manier ‘bestraften’. Toen hij weer bij ons terugkwam, twee dagen later, was zijn gezicht nauwelijks herkenbaar en zijn gewoonte om met ontbloot bovenlijf te lopen had hij niet meer. Ter wille van ons - het was geen opwekkend gezicht de sporen van de Duitse behandeling te zien.
Maar urenlang bleef zijn oog naar buiten gericht, naar de lucht, vanwaar de witte adelaar zou komen...
Die vogel is nooit verschenen. Deze jonge Von Papen is ook dood. Een simulant, zei de Duitse bewaker. Ik weet het niet en geloof het niet. Hoe het zij, voor een van de celgenoten was deze man de eerste aanleiding tot het schrijven van een gedicht, waarin onder meer deze regels voorkomen:
5 mei 1962.