terug  begin  verderprepost

De jacht op de arbeiders begint

In onze tijd een onbegrijpelijke zaak, maar voor de oorlog waren er in Nederland mensen zonder werk! Soms meer dan 400.000, als het seizoen niet meehielp. Ze leefden van overheidssteun, dat wil zeggen ze gingen in ieder geval niet dood. Een aantal werd ondergebracht in van regeringswege georganiseerde werkverschaffingen, meestal grondwerken (we hebben er onder andere het Amsterdamse Bos aan te danken), de rest was gedoemd tot ‘niksen’. Een lugubere aanblik, in elke stad, tot zelfs in het kleinste dorp, deze drommen hopeloze mannen, die zich langs een weg van maatschappelijke en persoonlijke ontluistering eindelijk bij hun troosteloos lot hadden leren neerleggen. De gewone burger en middenstander, de man die het geluk had te kunnen en te mogen werken, de boer en de ambtenaar en vele vrouwen, hielden niet van de werklozen. Weliswaar was het de ‘crisis’ die hen werkloos had gemaakt, maar voor een goed burgerlijk maatschappij-besef bestond toch altijd het geheime gevoel dat de schuld bij de mannen zelf lag: wie werk wilde kon het ook vinden, was een onuitgesproken mening, in overeenstemming met onze illustere spreekwoorden dat ‘waar een wil is ook een weg is’ en dat ‘arbeid adelt’.

[p. 135]

Toen kwamen de Duitsers en u voelt al waar het heengaat. Men had veel tegen Hitler, maar behalve dat de treinen in Duitsland op tijd liepen, erkende men vrij algemeen ook een ander pluspunt van zijn regime: Hij had het werkloosheidsvraagstuk opgelost! In Duitsland werd gewerkt! Daar was de arbeid in ere hersteld. Vandaar dat de Duitse maatregelen (althans in de eerste jaren) die tegen onze werkloze arbeiders werden genomen, door velen met een geheim welgevallen werden begroet. De Nederlandse ambtenarij heeft dan ook over het algemeen (altijd enkele uitzonderingen daargelaten) de Duitsers met voorbeeldige ijver geholpen.

Resultaat?

Vanaf 1940 tot en met juli 1944 werden 531.000 deportaties geregistreerd. Daarin zijn niet meegeteld de mannen die bij straatrazzia's regelrecht door de Duitsers werden weggestolen. Hun aantal wordt op een 100.000 geschat. Ook niet degenen die hier te lande werden gedwongen aan Duitse militaire stellingen mee te werken, de zogenaamde ‘spitters’. Geen klein getal. Een drama. Een tragedie, en zoals zoveel in de bezettingstijd, zeker geen geschiedenis waarbij we ons op de borst kunnen kloppen.

 

Het begon allemaal rustig en, zoals gezegd, in de ogen van vele eerzame Nederlanders zelfs niet onsympathiek. Het ging immers aanvankelijk alleen maar om werkschuwen en werkonwilligen: twee andere namen voor werklozen. Dat was in veler ogen niet anders dan een sanering en een goede opvoedkundige maatregel. In het begin was trouwens alles nog vrijwillig. Wie werken wilde kon naar Duitsland. Hij hoefde niet per se. Een uitgebreide propaganda die goed loon en een prettige werkkring beloofde moest de ongelukkige in het Duitse web drijven. Maar er zaten een paar giftige addertjes in dit schone boeketje van quasi-sociale zorg. De Nederlandse wetgever had al voor de oorlog de zaak zo geregeld, dat een werkloze verplicht was passend werk te aanvaarden op straffe van uitsluiting van financiële steun. Onder ‘passend werk’ verstond onze regering, ook al vóór de oorlog, werken in Duitsland. Dat was wel voor Hitlers oorlogsmachine, maar we waren immers neutraal. Welnu, na de Duitse inval in ons land kon deze regel blijven bestaan, alles ging dan ook gewoon door, alleen ietwat versneld, want in het jaar 1940 werkten er volgens de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek al 99.600 Nederlandse arbeiders in Duitsland, dat wil zeggen voor de vijand. Wie weigerde verloor zijn steun en werd daarmee in de meest letterlijke zin tot brodeloosheid veroordeeld. Er waren wel eens kleine ambtenaartjes op de gemeentelijke arbeidsbeurzen die de mensen kenden, iets van hun gezinnen begrepen en die zelf ook niet te veel verdienden, die medelijden hadden en werklozen aan de Duitse greep trachten te ontfutselen. Maar dan kwamen de grote heren van bezet Nederland in het geweer, twee commissarissen van de koningin schreven vreemdsoortige brieven, die ze wel niet prettig zullen vinden nu nog eens te lezen, waarin de ambtenaartjes werden opgeroepen hun volle medewerking te verlenen. De heer directeur van de Rijksdienst voor de Arbeidsbemiddeling schreef op 25 januari 1941 zelfs

[p. 136]

dreigende woorden, namelijk ‘dat, indien deze aanwerving niet zeer spoedig tot bevredigende resultaten leidt, zeer strenge maatregelen zullen worden genomen’. Wat ‘vrijwillig’! Om de zaak beter in hun greep te krijgen wilden de Duitsers deze arbeidsbeurzen zo snel mogelijk centraal organiseren, een Duitse liefhebberij die op bijna elk terrein bleek. Het was erom te doen om op die manier meer en sneller onze arbeiders naar Duitsland te transporteren en om de Nederlandse ambtenarij beter in de hand te hebben. Onze secretaris-generaal van Sociale Zaken vond dat een heel normale zaak, gelijk hij in een brief aan zijn collega van Financiën schreef (9 augustus 1940) en deze constateert met een zekere spijt dat de ambtenaartjes van de arbeidsbureaus maar matig werven: ‘Zo ontstaat er verbittering, die thans zeker allerminst gewenst is,’ constateert hij.

Verbittering bij de Duitsers, bedoelde hij. Een paar weken later nam de man ontslag. Toen werd de ongehuwde moeder, wat de sociale voorzieningen betreft, gelijkgesteld met de gehuwde. Dat ging deze secretaris-generaal te ver...

 

Maar we moeten langzaam aan naar 1942 toe. Het trieste voorspel van Hollandse benepenheid, blinde ambtenarij en harteloos burgermansfatsoen is echter lang.

De kleine honderdduizend arbeiders, die de moffen op deze ‘vrijwillige’ manier hadden gevangen, bleken niet genoeg. Naarmate de tijd vordert en Rusland en Amerika aan de oorlog gaan deelnemen, wordt het de nazi's duidelijk, dat er van een Blitzkrieg geen sprake meer is. Een langere oorlog dus met meer soldaten. Dat betekent dat anderen de plaatsen moeten innemen van hen, die naar het front worden gestuurd. Het betekent ook dat er tegelijkertijd niet minder maar méér moet worden geproduceerd. Arbeiders dus. Jawel, in Holland zijn ze te halen.

De gemeentelijke arbeidsbeurzen worden gecentraliseerd. Het gewestelijke arbeidsbureau ontstaat. Op elk bureau worden Duitsers geplaatst, zogenaamde Fachberater.

De commissie-Woltersom wordt ingesteld om alle bedrijven te registreren. 25 februari 1941 wordt de dienstverplichting ingevoerd voor arbeid binnen Nederland. Op 25 augustus 1941 mag men geen arbeiders meer aantrekken op basis van hoger loon. Op 25 februari 1942 wordt voor werklozen de aanmeldingsplicht ingevoerd. Op 14 maart 1942 mag aanstelling van arbeiders alleen nog maar plaatsvinden via het arbeidsbureau. Op 22 maart 1942 wordt de verordening nr. 42-1941, die de verplichting tot het verrichten van diensten binnen Nederland regelt, gewijzigd. Een kleine wijziging maar: de woordjes ‘binnen het Nederlands gebied’ worden er uitgeschrapt.

Voortaan dus ook Duitsland en ook Polen en ook Rusland en overal waar de Duitse geweldenaar arbeidskracht nodig heeft.

Op 1 april 1942 volgt dan de algemene invoering van de arbeidsdienstplicht voor alle Nederlandse mannen van 18 tot 40 jaar. Ziezo, de zaak is rond.

De Duitse slavenjachtmachinerie heeft haar wettelijke basis gekregen. Het

[p. 137]

staat allemaal zwart op wit en elke ambtenaar, burgemeester, politieman, werkgever, weet waaraan hij zich te houden heeft. Inmiddels keren de eerste Nederlanders die het nazi-paradijs uit ervaring hebben leren kennen, alweer naar het vaderland terug. Zij weigeren opnieuw te gaan. Op deze ‘contractbrekers’ zijn de Duitsers erg gebrand. Ze worden, ook door de Nederlandse politie, opgespoord en in strafkampen opgesloten. Zoals ‘asocialen en arbeidsschuwen’ betaamt!

De ‘zalige’ tijden van geldsteun krijgen zonder te werken zijn voorbij. Dat is toch eigenlijk wel goed? Of soms toch niet? Dan, in de zomer van 1942, komen de eerste twijfelaars.

Op een vergadering van directeuren van de arbeidsbureaus wordt gevraagd of het opleggen van een arbeidsdienstverplichting niet in strijd is met het volkenrecht. Sommige directeuren willen hun baantje neerleggen, een dappere daad voor een goed vaderlands burger. Maar de Duitsers kennen hun pappenheimers. De dwangbevelen waarmee Nederlandse arbeiders worden opgeroepen om voor de vijand te gaan werken, behoeven niet door hen ondertekend te worden. Dat doen de moffen dan zelf wel. De directeuren blijven.

Niettemin zien toch nog heel wat arbeiders kans aan de Duitse greep te ontsnappen. Ze gaan in de landbouw werken, ze worden ondergebracht in bedrijven met andere dan blinde directeuren, ze ‘werken’ dus, weer anderen proberen in de zwarte handel een boterham te verdienen...

Nee, het gaat de Duitsers niet snel genoeg. In de voorzomer van 1942 beginnen ze met de Holland-Aktion erstes Programm. De bedrijven worden uitgekamd. Overtollige arbeiders krijgen hun dwangbevel thuis. Het levert nog te weinig op. In september 1942 begint de Sonder Aktion Holland, zweites Programm. Een nog strengere uitkamming. Maar daarover later.

 

Wat deden de arbeiders? Allereerst gaan, en zo deden niet weinigen. Sommigen vluchtten vrijwillig in de ‘kriegswichtige’ bedrijven, waarin oorlogsmateriaal voor de Duitsers werd gemaakt, of zij meldden zich bij de onvaderlandslievende schobbers die voor de Duitsers bunkers in Frankrijk bouwden. Maar dat waren toch altijd maar beperkte aantallen, ook degenen die konden worden ondergebracht in andere bedrijven. Maar dat hadden de Duitsers spoedig onder controle. In het jaar 1942 haalden de Duitsers in ieder geval nog weer eens 162.800 arbeiders uit Nederland weg. Maar ook het aantal dergenen die uit Duitsland wegvluchtten, groeit. Daar zijn inmiddels de reusachtige geallieerde bombardementen begonnen, met duizend vliegtuigen tegelijk. Die vliegtuigen gooien hun bommen ook op steden en fabrieken waar Nederlanders werken. De teruggekeerden zijn slechte propagandisten voor de Duitse zaak en zij vergroten met hun verhalen de bereidwilligheid van hun kameraden om risico's te nemen om eenvoudig niet te gaan. Ook niet als er een dwangbevel in de bus ligt.

Maar hoe komen zij dan aan eten?

En waar verstoppen zij zich als de politie, heel vaak de Nederlandse politie, hen komt weghalen?

[p. 138]

Functioneert de vooroorlogse vakbeweging clandestien nog een beetje? Biedt die steun? Nee.

Doen bijvoorbeeld de diaconieën het? Nee, of nauwelijks; sommige geven wel bijbeltjes aan hen die vertrekken.

In 1942 zijn de arbeiders dus nog grotendeels op zichzelf aangewezen. De nog kleine verzetsorganisaties bieden financiële steun waar zij kunnen en beginnen voor onderduikadressen te zorgen. Maar dat moest gebeuren naast al het andere werk, en de bereidheid tot onderduiken was nog niet groot, ook niet om een onderduiker in huis te nemen. Daar was grotere Duitse druk voor nodig, later.

Er waren individuen, bedrijven, zakenmensen, die de noodtoestand begrepen en die vanaf de Februaristaking gul waren met hun financiële steun. Ik ken winkelbedrijven in onze grote steden waar ik per week duizend gulden kon komen halen. Dat waren pioniers! Op de tochten langs de gezinnen van weigerende arbeiders, trieste bezoeken, kreeg men nochtans vaak meer hoop dan in welvarender contreien. Ik ben in gezinnen geweest om een schamele vijftien gulden te brengen, waar de man en vrouw samen het geld weigerden en mij aanraadden verderop te gaan, op nummer zo en zoveel - daar was iemand die het harder nodig had. In de Jordaan gaven de buurlui aan iemand die op de nominatie stond voor deportatie naar Duitsland, de sigarettenbonnen; slechte sigaretten! Hij rookte er zo veel tot hij bijna blind was. Voorlopig afgekeurd. Daarna legden zij de melkbonnen bij elkaar voor het slachtoffer, om weer wat tegengif te kunnen drinken. Dat waren mánnen, ook al waren ze niet allemaal zo. Bij deze illegale steunverlening werd vaak gebruik gemaakt van tussenpersonen, die werden ingeschakeld om in een bepaalde straat of in een bepaalde buurt de adressen te verzorgen. Van één van hen kreeg ik het volgende briefje:

 

‘Mijnheer

Bij deze neem ik de pen op om eenige letters tot uw te richten en wel ik ben met de zaak waar uw het naaste aan verbonden ben volkomen op de hoogte ik weet ook welke perzonen wekelijks bij uw kwamen om geld te halen maar nu zaken doen Mijnheer ik heb dringend ƒ 150,- noodig en daar kunt u mij wel zoolang aan helpen uw kunt ze brengen op de Noordermarkt bij de schuilkelder om half acht 's avonds als ik uw was zou ik er geen politiezaken van maken want dan vallen er veel meer slachtoffers en dat zou uw toch niet willen hebben nietwaar Mijnheer (Wat een gevoeligheid! v. V) ik reken erop dat uw er staat

in afwachting voor uw een algehele onbekende uw komt toch alleen hè en niet achternalopen want uw wordt ook geschaduwd.’

 

Hij werd aan zijn handschrift herkend door andere medewerkers uit de kleine kring van gesteunden. Zij hebben hem 's avonds bij de Noordermarkt een pak slaag gegeven dat ƒ 200,- waard was, ƒ 50,- cadeau dus aan blauwe plekken en een blauw oog. Toen hij wist dat zijn persoon bekend was vond hij het toch raadzamer niet de politie te waarschuwen.

[p. 139]

Dat was allemaal nog in de zomer van 1942, zoals ik al zei, tegen de herfst en in de winter 1942-1943 werd de Duitse slavenjacht op onze arbeiders steeds feller. Maar in diezelfde winter werd ook het initiatief genomen waaruit later de Landelijke Organisatie voor de hulp aan Onderduikers groeide. Aleer die aan het werk was, was het echter al 1943. Toen ging het op grote schaal, en toen ging het om miljoenen. Het heeft allemaal lang geduurd voor wij het geleerd hebben. Daar zit iets beschamends en irritants in. Maar wij hebben het geleerd. Laten we daar dan dankbaar om zijn.

11 augustus 1962.

prepostterug  begin  verder