terug  begin  verderprepost
[p. 147]

Onderduikers

‘Ik heb me in het Hollandse volk vergist,’ zei een sd-officier eens tegen me tijdens een verhoor. - ‘Ik was altijd van mening met een fatsoenlijk volk van doen te hebben. Wat zie ik nu? Ongelofelijk zo veel mannen hun gezin in de steek gelaten hebben en bij anderen wonen! Zijn al die huwelijken kapot? En vinden zulke heren zomaar elders onderdak?....’

 

Deze zo fatsoenlijke Duitser begreep niet dat hij hier op het verschijnsel van het onderduiken was gestuit. Het was al 1942. De oorlog was een paar jaren aan de gang. De maatregelen en verordeningen van de bezetter probeerden ons volk te ringeloren (en men moet zeggen niet geheel zonder succes) maar het aantal mensen dat zich niet wilde laten ringeloren, werd ook met de dag groter! Voor dit soort was het gevaarlijk op het eigen officiële adres te blijven wonen. Elk uur van de 24 uren die de dag telt kon het gehate en gevreesde Duitse politie-autotje voor de deur stilhouden, kon er gebeld worden, ook door de Nederlandse politie, waarvan er velen aan de Duitsers hand- en spandiensten verleenden, of men kon bij zijn thuiskomst de mensenjagers reeds wachtend vinden in de huiskamer.

Om deze verrassingen te ontgaan was er maar één middel: van adres veranderen. Ergens anders slapen of geheel en al ergens anders wonen. En zonder dat netjes op te geven aan de gemeentesecretarie natuurlijk. Kortom: onderduiken.

 

De Duitsers zorgden er zelf wel voor dat het getal der onderduikers met het voortduren van de bezetting steeds toenam. Eerst waren het de joden, maar daarover spreken we ditmaal niet, omdat hun onderduiken vaak heel speciale voorzieningen vereiste, extra moeilijk was en omdat hun onderduikadressen waarlijk niet voor het opscheppen lagen. Het gaat ditmaal over de arbeiders die weigerden om in Duitsland te werken, om bestuurders die hun vereniging en de verenigingskas niet aan de moffen wilden uitleveren, om predikanten die van de kansel de waarheid zeiden, kunstenaars die geen lid van de kultuurkamer wilden worden en om honderden anderen die op de één of andere manier weigerden de bevelen van de bezetter op te volgen... Wie dan niet door de Duitsers verrast wilde worden, moest zijn bivak elders opslaan. Aan het eind van de oorlog, laten we zeggen in 1944, leek het er soms wel op dat de ene helft van het Nederlandse volk bij de andere helft inwoonde. En dat was nergens geadministreerd. Een gekke situatie!

 

Er waren eenvoudige gevallen. Mensen die in hun werk of hoe dan ook iets aan de Duitsers onwelgevalligs hadden gedaan of gezegd, deden er goed aan een poosje elders te gaan wonen. De zaak enkele weken aanzien en dan kon men wel weer naar huis terug. Voor dezulken was er altijd wel een adresje te vinden. Ze konden terecht bij familie of vrienden of collega's. Die namen niet te veel hooi op hun vork. Hun ‘gasten’ verdwenen immers weer na enkele weken.

[p. 148]

Voor de ‘blijvers’ was het moeilijker. Die konden niet meer naar huis terugkeren. Als men een van hen in huis had kon men het tegenover de huisgenoten en de buren niet afdoen met de mededeling tijdelijk iemand te logeren te hebben. Liep het te veel in de gaten dan moest zo'n man maar naar een ander adres omzien. Dat was lang niet altijd gemakkelijk. Op de meest onverwachte manieren kon men in de gaten lopen. De bakker en de slager gingen het gek vinden dat de familie voortdurend meer bonkaarten had. De groenteboer kon ook al vreemd opkijken als er doorlopend méér gekocht werd dan vroeger. Onder de klanten van de fietsenstalling op de hoek konden nsb'ers schuilen, die het vreemde gezicht opmerkten en, als ze er niet te dom voor waren, er het hunne van gingen denken.

Waren de kinderen te vertrouwen, dat wil zeggen, kletsten ze niet tegen anderen? En de buren op de trap? Daarom waren de sjablone-achtige flatgebouwen van de grote stad maar weinig geschikt voor onderduikers. De oude huizen waren beter. Het platteland nog beter. Daarheen gingen er dan ook veel!

 

Maar daarmee waren de moeilijkheden niet opgelost. Een onderduiker kon ziek worden. Dan was er doktershulp nodig en dat moest een goede dokter zijn, die wist te helpen en te zwijgen. Nog erger was het wanneer een onderduiker stierf. Vooral met joodse onderduikers heeft dat tot tragische situaties geleid. Om ze te begraven moesten ze opgegeven worden aan de autoriteiten. Daarmee hadden dan tevens de ‘gastheren’ zich verraden. Er is mij een geval bekend van een stervende, die op eigen verzoek op een bank in een park werd gezet, om daar zijn einde te vinden. Anderen werden clandestien begraven. Ja, bij het onderduiken kwam vaak aan het licht hoe tragisch, soms hoe tragikomisch de situatie voor vele Nederlanders was geworden.

 

Een aparte groep van onderduikers vormden degenen die vanwege serieus verzetswerk door de Duitsers werden vervolgd. Bij vrienden of kennissen of familieleden in huis trekken was dan meestal onvoldoende beveiliging, omdat de Duitse politie in zulke ernstige gevallen ook de familie en de vriendenkring in het oog hield. Aan de ‘gastheren’ moesten ook hogere eisen gesteld worden. Die liepen zelf trouwens ook veel meer gevaar! Werd zo'n onderduiker gepakt dan werd men al gauw als medeplichtige beschouwd. Zo'n onderduiker bracht belastend materiaal mee naar huis. Zijn enthousiasme bracht de gastheer ertoe zelf ook aan het verzetswerk deel te nemen en daarmee was het onderduikadres vrijwel al onbruikbaar geworden.

 

Waren het slordige verzetslieden, dan hadden ze hun adres aan collega's bekendgemaakt. Dat was immers zo gemakkelijk voor het doorgeven van berichten of waarschuwingen maar het schiep tevens nieuwe gevaren.

Ook de Nederlandse politie werd vaak bij de opsporing van deze lieden ingeschakeld. Ze stonden vermeld in het politieblad, vaak met hun foto erbij en de mededeling dat ze werden gezocht voor criminele misdaden, diefstal, roof,

[p. 149]

verduistering, poging tot moord enzovoort.

Om hun gastheer niet medeplichtig te maken, huurden illegale werkers vaak een woning. Dat was in die tijd gemakkelijker werk dan nu. Ze stonden bij tientallen leeg. Men gaf zich uit voor student of handelsreiziger of verzon andere verhaaltjes.

Naarmate de organisatie groeide had men behoefte aan een soort bureau of kantoor. Ook die ruimten werden gehuurd en dan voorzien van een onschuldig bordje, een woningbureau of een handelskantoortje of wat ook. Soms bleven de ‘huurders’ plotseling weg. Dan had er weer een arrestatie in de club plaatsgevonden. Iemand wist vermoedelijk het adres en het werd om veiligheidsredenen onmiddellijk ontruimd. En dan maar weer wat nieuws zoeken!

Die telkens veranderende adressen leverden voor een onderduiker vaak onverwachte moeilijkheden op. Ik heb tijden gekend, waarin ik niet of nauwelijks meer wist waar ik mijn kleren kon vinden. Overhemden, pakken en onderkleren lagen over diverse adressen verspreid, vaak in vele steden. Een onprettige boel.

 

Bovendien, alles moet aangeleerd worden. Onze eerste onderduikers meenden dat het noodzakelijk was zich te vermommen. Dat is geen gemakkelijk werk. Een vriend van mij, een van de allereerste onderduikers, verkleedden we als schipper. Hij liep er des te meer door in de gaten. Een meisje uit onze club kreeg een valse pruik en zette een extra grote bril op. Ze was op twintig meter afstand te herkennen als iemand met wie iets aan de hand was. Trouwens brillen met gewoon glas en grote monturen werden er bij de vleet gekocht. Haren werden geverfd, zwarte jassen met Edenhats aangeschaft en sportieve jongelui liepen plotseling als ernstige, wat stramme heren met wandelstok incluis.

Het bleek allemaal overbodig en vaak zelfs gevaarlijk kinderspel. Wie illegaal werk deed, had er als eerste voor te zorgen dat er bij hem thuis geen portretten van hem te vinden waren, die de Duitsers in handen konden vallen. Hij moest zoveel mogelijk trein en tram vermijden, niet alleen vanwege razzia en controle, maar ook om niemand de gelegenheid te geven hem rustig op te nemen. Hij moest verder zo gewoon doen als maar mogelijk was.

Hij moest zich de nodige discipline op leggen. Zijn adres, zijn schuiladres bedoel ik, voor zichzelf houden en niet aan zijn vrienden, ook de beste niet, meedelen. Indien mogelijk een onderscheid maken tussen zijn slaap-woonadres en zijn werkadres waar het belastend materiaal eventueel opgeborgen kon zijn. Zijn gastheren niet in vertrouwen nemen en niet geheimzinnig doen enzovoort enzovoort.

 

Geen gemakkelijke taak, een taak trouwens die bij de vele psychische spanningen vaak onmogelijk bleek. Daardoor zijn er heel wat tegen de lamp gelopen. Ook bleken de gastheren die bereid waren dergelijke gevaarlijke mensen te herbergen, meestal bereid er nog méér onderdak te verschaffen. Ik heb wel op adressen geslapen waar tegelijkertijd drie of vier joden verscholen zaten, zonder

[p. 150]

dat ik het wist. Erg aardig, erg dapper, maar erg gevaarlijk. Ook en vooral voor de joden.

 

Wie serieus wilde onderduiken diende ook te zorgen voor valse papieren. Zo ontstond de vervalsingscentrale van de illegaliteit, maar daarover later. In 1943 probeerden de Duitsers de onderduikers te vangen door nieuwe distributiebescheiden uit te geven en op de distributiekantoren lange lijsten neer te leggen van lieden die gezocht werden. Wanneer deze mensen zich voor het loket vertoonden, moest onmiddellijk de politie gewaarschuwd worden en de ‘klant’ aan de praat gehouden worden tot hij ingerekend kon worden.

En dat deden vele ambtenaartjes dan ook prompt. Ach nee, het waren lang niet altijd nsb'ers of landverraders, het waren vaak miezerige kleine mensjes, die nauwelijks wisten in welk doodsgevaar ze iemand brachten. Ik ken ze. Ze brachten op die manier mijn eigen vrouw in de handen van de Duitsers. We hebben het mannetje na de oorlog niet eens aangegeven. ‘Overmacht’ zal hij wel zeggen...

Toen de onderduikers ook niet meer naar het distributiekantoor konden, moest er op andere manier voor hun eten gezorgd worden. Dus werden de bonnen gestolen en kwamen de vele overvallen op distributiekantoren in zwang. Ook daarover later. Maar zo ziet u hoe het één in het ander grijpt en onderdrukking en verzet hun eigen wetmatigheid hebben.

 

In mijn geboortestad bezocht ik in mijn onderduiktijd vrij geregeld mijn bejaarde ouders. Ik had ze nooit verteld wat mijn eigenlijke werk was. Plotseling kregen ze herhaaldelijk bezoek van geheime afgezanten van de sd. Met telkens nieuwe onschuldig uitziende verhalen probeerden ze van hen te weten te komen waar ik was. Soms gooiden ze het over de dramatische boeg, er was levensgevaar en ik moest onmiddellijk gewaarschuwd worden. Mijn ouders hebben onveranderlijk geantwoord dat ze mij toch op mijn gewone officiële huisadres konden bereiken. Zij wisten niet beter of ik was daar. Ze wisten wél beter, maar ik heb het ze nooit behoeven te vertellen.

Zo diep was de uitzonderlijke situatie waarin de bezetter ons gebracht had, zelfs in de psyche van deze oude mensen doorgedrongen. En bij de jongeren was het al niet anders. Vrienden van mij woonden in de buurt van een sportveld. Ze hadden een zoontje van vijf jaar. Vaak voetbalden Duitse soldaten op het sportterrein. De vijfjarige speelde mee en vertelde het thuis. Ze plaagden hem er mee en vroegen wat de Duitsers wel gezegd hadden.

De vijfjarige: Ze vroegen waar ik woonde...

De moeder: Nou, en wat heb je gezegd? Héb je ons adres genoemd?

De vijfjarige: Gha, hoe kom je erbij! Ik heb natuurlijk een vals adres opgegeven...

Dat is geen grap. Dat is historisch.

15 september 1962.

prepostterug  begin  verder