terug  begin  verderprepost

Duitsland als anti-Sinterklaas

We schrijven december 1942. De bezetting hadden we ongeveer voor de helft achter de rug. Nog 2½ jaar zouden er volgen, een lange, lange tijd, die ons, vergeleken met de eerste helft, alleen maar meer ellende, meer verschrikking, meer terreur, meer honger en ontbering brengen zou. Maar dat wisten toen de meesten nog niet. Gelukkig maar. Het ging allemaal wonderbaarlijk goed. In Rusland worden de Duitsers teruggedreven na de helse debâcle van Stalingrad. De geallieerden hebben overal het initiatief genomen en de heerschappij in de lucht veroverd. In Noord-Afrika is een tweede front opgericht door de landingen van de Amerikanen in Marokko en Algiers. De zware bombardementen op Duitse en Italiaanse steden nemen toe. Ook overdag tonen de geallieerde vliegers zich meester van het luchtruim.

Waarachtig, er is reden genoeg voor de nazi's om somber te zijn.

Niet nodig, zegt Mussert, die inmiddels ‘officieel’ benoemd is tot ‘leider’ van het Nederlandse volk, ‘want dit kan ik u zeggen, er gebeurt niets, dat de Führer destijds niet als mogelijkheid heeft vermoed’.

Nou, dat was dan wel een verrassing! Ook Goebbels moest proberen een blij vooruitzicht voor te toveren nu de kentering ten gunste van de geallieerden duidelijk was ingetreden. Hij zei het op zijn manier: ‘Thans beslissen geen won-

[p. 162]

deren maar uitsluitend harde feiten en die staan bijna uitsluitend aan Duitse zijde.’

Men is geneigd ietwat verbaasd te kijken, omdat ‘harde feiten’ in een oorlog bestaan uit soldaten en vooral materieel en wapens en een ongeschonden produktieapparaat en de heerschappij in de lucht en ter zee. In al die zaken was Duitsland echter in het nadeel geraakt. Nee, Goebbels bedoelde het anders. Zijn harde feiten (en zo somde hij ze ook op in een artikel in ‘Das Reich’ van december 1942) die de overwinning zouden brengen waren a) het meest superieure genie in de leiding (dat was dan Hitler); b) de beste mensen (dat waren natuurlijk de Duitsers); c) de stoutmoedigste houding (ook Duits); d) de meest daadkrachtige wereldopvatting (en die leverde dan het nationaal-socialisme, waarvan zelfs de toenmalige aanhangers zeggen dat ze er nooit goed in geloofd hebben).

Inmiddels nam in Nederland de slavenjacht op onze arbeiders toe. De artsen kwamen in de knoei. De pailletten hadden het druk. De moord op onze joodse landgenoten werd woester en wreder, zo dit laatste al mogelijk was. In ieder geval brutaler.

 

En te midden van de vele berichten uit die tijd vind ik ook deze mededeling: vleesrantsoen op 250 gram gebracht (dat is per week).

Geen peulvruchten en havermout meer.

Als kerstverrassing: 250 gram boter!

 

De Nederlander begon de oorlog ook in zijn maag te voelen. Het brood werd schaars. Zelfs taptemelk was moeilijk te krijgen. Aardappelen onvoldoende. Kleding en schoeisel idem. Het ging spannen! En omdat we nu twintig jaar later, weer een van onze weelderige sinterklaasvieringen beleefden en ons alweer voorbereiden om met Kerstmis opnieuw onze maag te bederven, of inmiddels met onze luxe uitrusting op weg zijn naar de wintersport, lijkt het mij wel aardig om juist nu eens te vertellen wat de vriendelijke Duitsers ook op materieel gebied in ons land hebben uitgespookt. Nee, van geven hebben ze niet veel begrip getoond, evenmin als nu trouwens, nu ze hun wandaden willen verrekenen met een fooi.

 

Ik moet zeggen, dan hebben de geallieerden, Nederland incluis, zich tegenover de Duitsers als betere en gullere sinterklazen gedragen.

In oktober 1945 heeft Nederland bij de Engelse regering een memorandum ingediend, waarin de schade, die de Duitsers bij ons hebben aangericht, in een overzichtelijke staat werd opgesteld. Samengevat ziet het er als volgt uit:

A.Materiële schade aan het nationale vermogen
a)vernietigd of beschadigd door oorlogshandelingen of evacuatie ƒ 5.390.000.000,-
b)gestolen ƒ 3.640.000.000,-
c)achterstand ontstaan in de normale vernieuwing
[p. 163]
van het produktieapparaat ƒ 2.395.000.000,- Totaal ƒ 11.425.000.000,-
B.Gederfde produktie gedurende de oorlog ƒ 4.000.000.000,-
C.Verliezen door gedwongen afvoer naar Duitsland van een deel der gereduceerde produktie ƒ 6.000.000.000,-
D.Gederfde produktie na 7 mei 1945 ƒ 4.300.000.000,- Totaal generaal geleden schade ƒ 25.725.000.000,-

 

Maar deze cijfers zijn gebaseerd op de prijzen van vóór de oorlog. Waren ze gebaseerd op die van oktober 1945, dan zouden ze al met 75 procent verhoogd moeten worden. Omgerekend op het prijsniveau van heden zouden het waarlijk astronomische getallen worden. De Nederlandse regering diende dit memorandum in ‘nopens haar schadevergoedingseisen jegens Duitsland’. Maar daarbij is het gebleven! De geallieerden (uitgezonderd Rusland en zijn satellieten, die overigens nog op een vredesverdrag moeten wachten om hun zaak definitief te regelen) hebben ervan afgezien Duitsland voor zijn diefstal en vernielingen te laten betalen. Vanwege de wederopbouw van Duitsland.

 

Nou, die is dan wonderwel gelukt. Het is A.D. 1962 het rijkste land van Europa, een continent waarin de Italiaanse meren, de Costa Brava en het Noordzeestrand er langzamerhand uit gaan zien als Duitse koloniën.

 

Rijk genoeg! Volgens de gegevens van het International Monetary Fund van eind 1961 was de Nederlandse staatsschuld ruim 53 procent van zijn nationale inkomen per jaar. Voor Frankrijk was dit ongeveer 37 procent. Voor Duitsland bedraagt die nog geen 1 procent. Vergelijk dat eens met Engeland, waar de staatsschuld groter is dan het nationale inkomen per jaar. Maar Engeland heeft ook aan de goede zijde gevochten en de oorlog gewonnen.

 

Toch zeggen bovenstaande cijfers niet zo erg veel. Ze zijn te groot om gewone mensen aan te spreken. Daarvoor moet men al bankierservaring hebben. Daarom volgen hier wat meer concrete dingen, die ook de man die van een weekof maandsalaris moet rondkomen iets zeggen.

Per 1 januari 1945 was onze nationale produktie met 75 procent gedaald. Dat kwam door de Duitse diefstal, de slavenjacht op onze arbeiders, de vernielingen, gebrek aan grondstoffen enzovoort enzovoort. Niettemin bleven we een ijverig volkje, dat graag werkte, zelfs als het moest voor de Duitsers.

 

Laat ik een paar voorbeelden noemen:

Leren schoenen voerden we in 1939 uit: 359.200 paren. In 1942 echter: 1.842.900 paren. Waarheen? Juist, naar Duitsland natuurlijk.

Metselstenen in 1939: 19.600 maal duizend kg. In 1942: 63.400 maal duizend kg. Mantels in 1939: 72.700 stuks. In 1942: 284.400 stuks. Daar gingen ze in Duitsland goed van gekleed. Er zijn nog andere cijfers, die direct verband

[p. 164]

houden met diefstal. Hier heeft u enkele voorbeelden:

 

13.786 machines voor metaalbewerking.
2.729 machines voor textiel.
18.098 elektromotoren.

 

Maar laten we eens in de agrarische sector kijken:

 

472.036 varkens.
229.121 stuks slachtvee.
67.353 stuks melkvee.
114.220 paarden.

 

Dan praten we nog niet eens over het gestolen joodse vermogen. Over onze ontvreemde aandelen. Over ons kunstbezit. Ook niet over de waardeloze marken, die we verplicht waren als wettig betaalmiddel te aanvaarden en waarmee de Nederlandsche Bank aan het eind van de oorlog bleef zitten tot een bedrag van zes miljard!

Daaremegen stalen ze van ons goud niet minder dan 145.674 kg. En om u nog eens enkele cijfers te noemen, nu maar kort om u niet te vervelen: ze roofden van ons 54 procent van de locomotieven, 61 procent van ons dieselelektrisch materieel, 79 procent van ons stroomlijnmaterieel, 65 procent van onze stoomtreinrijtuigen, 98 procent van onze goederenwagons, 66 procent van de particuliere auto's, 72 procent van de vrachtwagens, 50 procent van de motorfietsen en nu nog een getal dat ons allen aanspreekt: ongeveer 2.000.000, dat is twee miljoen van onze fietsen.

Nog een staaltje van de Duitse fijngevoeligheid: we moesten niet alleen de bezettingskosten van ons eigen vaderland betalen, ook nog ‘de in Duitsland gemaakte kosten voor de bezetting van Nederland’. Dat was een flink bedrag: onder andere ƒ 75 miljoen in goud.

U ziet het, één doorlopende Sinterklaasavond, met dien verstande dat Nederland daarbij kennelijk uitsluitend met zwarte Piet te maken had. En dan klagen de Duitsers dat de Russische soldaten zo gek waren op Duitse polshorloges. En ook wordt geprobeerd het Duitse vermogen in het buitenland, dat als vijandelijk vermogen destijds werd verbeurd verklaard, weer terug te krijgen. Sommigen onder de geallieerden hebben er wel oren naar.

 

Maar hoe het zij, voor mij zal Kerstmis 1942 blijven voortleven als een van de rijkste en uitbundigste, die ik ooit heb meegemaakt. Dat kwam zo.

Een kleine groep mensen van onze organisatie die elkaar bijna dagelijks ontmoetten, hadden besloten Kerstmis gemeenschappelijk te vieren. Maar waar? Allen waren ondergedoken en hadden geen huis. Toen stond een lerares ons haar flat af in de Joh. Verhulststraat te Amsterdam. Het was gewoonte dat we allemaal uitvlogen door het hele land. Tegen Kerstmis kwamen we letterlijk van

[p. 165]

noord en zuid en oost en west, in Amsterdam bijeen. Ieder had gedacht de anderen te verrassen en daarbij speelde in die dagen eten een grote rol. Dat was op het platteland gemakkelijker te krijgen dan in de stad. Vijf man hadden aldus ieder een konijn meegebracht. Iets te veel van het goede, maar er bloeide in die dagen reeds een levendige, zij het primitieve ruilhandel. Konijnen waren om te zetten in meer vloeibaar materiaal. Dat werd een goed feest, ondanks de miljarden die Duitsland stal...

Maar voor de leukste verrassing zorgde Mussert, die in die kerstdagen van 1942 adverteerde met zijn portret en daaronder een van zijn idiote citaten liet plaatsen: ‘Ik ben Nederlander met hart en ziel, en ieder die dit land kapot wil maken, zal in mij zijn grootste vijand vinden.’ In het licht van bovengenoemde getallen krijgen deze woorden wel een heel komiek-lugubere betekenis.

8 december 1962.

prepostterug  begin  verder