terug  begin  verderprepost

Jacht op de plutocratenzoontjes

Wanneer er heden ten dage lieden in Duitsland zijn die beweren ‘het allemaal goed te hebben bedoeld’, dan is dat, voor sommigen althans, niet helemaal onjuist. Ze waren wel afgrijselijk dom in hun verwachting met de onderwereld van de ss, de geheime politie en andere fanatiekelingen ooit iets goeds tot stand te kunnen brengen. Ze waren ook volkomen wereldvreemd in hun verwachting, dat andere volken dan de Duitsers, een zelfde drang tot gehoorzamen hadden. Ze waren grondeloos naïef in hun veronderstelling dat de ‘Germaanse groot-

[p. 176]

heid’, dit uit een eeuwenoud vertroebelde geest ontsproten wanprodukt, ook mensen zou aanspreken die niet trots waren op hun blonde haren en die het portret van hun grootvader in uniform en met helm niet bijna levensgroot in de kamer hadden hangen. En ze waren, bij al hun minder slechte bedoelingen, toch nog altijd overtuigde nazi's...

Zo waren er onder de leidende Duitse figuren in Nederland waarlijk nog enkelen, die wilden werken aan een grote toekomst voor onze universiteiten. In het toekomstige gereorganiseerde Europa en het groot-Duitse rijk zouden velen nodig zijn met een knappe kop en Duits bloed in d'aderen. Men droomde zelfs van de vorming van een Germaanse universiteit, waar Duitsers, Nederlanders, Vlamingen enzovoort in broederlijke eensgezindheid zouden samenleven.

Toen het einde van de oorlog in zicht was, waren echter de Nederlandse universiteiten gesloten of vrijwel leeg, de professorale katheders onbezet, een groot aantal van onze studenten als dwangarbeiders gevangen, maar minstens een even groot, zo niet groter aantal van hen, actieve en zeer actieve leden van het verzet.

Die Duitse droom is dus op niets uitgedraaid. Voor een deel kwam dat omdat de nazi-dromers, met hun even dromerige Nederlandse handlangers als bijvoorbeeld de secretaris-generaal van onderwijs, prof. Van Dam, niet voldoende rekening hadden gehouden met hun minder dromerige collega's bij de ss en de Sicherheitspolizei, zoals bijvoorbeeld Rauter.

Het kwam ook omdat de oorlog anders verliep dan zij gedroomd hadden. Hitlers rijk was bezig de oorlog te verliezen en toen het om de Duitse huid ging waren de dromen over Germaanse universiteiten allang niet belangrijk meer.

Maar een van de hoofdoorzaken was ook de gezonde Nederlandse houding van vele studenten, daarin al of weinig gesteund door de professoren. Ook in het universitair verzet deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat de grote stuwkracht niet van de leiders maar van de geleiden kwam, niet van de professoren maar van de studenten dus, ook al geldt hier evenals elders, dat er onder de professoren mannen zijn geweest, wier namen in dit verband onvergetelijk behoorden te blijven. Maar wat is onvergetelijk in een tijd, waarin zelfs de Tweede Wereldoorlog even vaag schijnt te zijn als die over bijvoorbeeld de Spaanse successie, een paar honderd jaar eerder?

 

In februari 1943, dus nu twintig jaar geleden, ging het de Duitsers slecht. Zeer slecht. De debâcle van Stalingrad was een feit. De Russen waren in opmars. De geallieerden op de zuidelijke fronten eveneens. De Amerikanen in de Pacific ook. De Duitse steden werden niet alleen 's nachts maar ook overdag gebombardeerd. In Duitsland werd elke man en elke vrouw die nog maar een beetje bruikbaar was, gemobiliseerd. Slavenarbeiders, bijeengedreven uit de bezette gebieden, moesten hun plaatsen in de fabriek, op kantoor en op de boerderij innemen. Maar in die bezette gebieden groeide het verzet.

In Nederland verzetten zich steeds meer arbeiders tegen hun wegvoering naar Duitsland. De Duitse actie tegen onze artsen was mislukt. Nederlandse hand-

[p. 177]

langers van de Duitsers, zoals de generaal Seyffardt, commandant van de idioten die voor de Duitsers aan het Oostfront vochten, werden door het verzet neergeschoten. En hij niet alleen. Het aantal aanslagen groeide met de dag, op nsb' ers, op Duitsers, op nazi-clubhuizen en -kantoren, op voorraden, op distributiekantoren en bevolkingsregisters. Duitse terreur, arrestaties, executiepelotons konden het niet tegenhouden.

 

Eind 1942 kwam er een Hitler-afgezant in Nederland aan met de mededeling dat er vóór 1 januari 1943 nog 45.000 slaven moesten worden geleverd. De jacht was reeds lang geopend op werklozen, fabrieksarbeiders en zelfs ambtenaren. Niet zonder succes overigens, maar toch ontstond onder de slavendrijvers enige consternatie: waar nu opnieuw de duizenden vandaan te halen. Toen kwam men op de gedachte uit het nog ongebruikte reservoir van de studenten te putten.

Men verrichtte daarmee nog een andere goede daad. Reeds vanaf 1940 waren bepaalde universiteiten in Duitse ogen haarden van verzet. In oktober 1940 had professor Cleveringa een waarlijk plechtige nationale demonstratie uitgelokt door zijn protestrede tegen het ontslag van joodse professoren. De universiteit van Leiden werd daarop gesloten. Hij zou voor het eind van de oorlog niet meer opengaan. In Delft gingen in november 1940 de studenten in staking. Een student was het die hier het woord van verzet sprak. Van Hasselt was zijn naam. Zijn ‘tekst’ was: Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheidswil.

Zijn einde was de dood in Buchenwald. Maar zijn woord werd een springlevende zaak. Delftse professoren als Mekel en Schoemaker behoorden tot de pioniers van het verzet. Ze werden in 1942 te zamen met 72 anderen gefusilleerd. Een blad van en voor studenten, De Geus, een van de meest geziene, verstandigste en felste verzetsbladen van ons land ontstond. Enzovoort.

De Duitsers verwijderden niet alleen joodse professoren en studenten, maar wilden ook nsb'ers als professoren aanstellen en de felsten onder de hun niet welgezinde professoren ontslaan. Pro-Duitse professoren ontzagen zich niet dossiers met bezwarend materiaal aan te leggen betreffende hun beter-vaderlandse collega's. Wat zijn dit soort schoften na de oorlog toch eigenlijk goed behandeld. Behoudens enkele uitzonderingen, waarvan gevallen bekend zijn uit Groningen, de Universiteit van Amsterdam, en Utrecht, bleven de professoren solidair en wisten veel te verhinderen door collectief met ontslag te dreigen.

 

Inmiddels hadden de studenten, evenals de artsen, tijdig een ondergrondse contactorganisatie in het leven geroepen, die als de nood aan de man kwam, leiding zou moeten geven aan het verzet. Gek, dat zoiets nooit bij de officieren in die vorm is ontstaan...

 

En toen kwam de actie van februari 1943. De Duitsers hadden slaven nodig. De studentenwereld werd een van hun jachtterreinen.

[p. 178]

Reeds in december 1942 was het bekend dat de Duitsers op studenten zouden gaan jagen. Van Dam, de man die altijd van twee walletjes wilde eten, probeerde de zaak af te wenden door een zogenaamd ‘Pflichtjahr’ voor studenten in te voeren, een jaar, waarin elke student verplicht was voor het algemeen welzijn te werken, dat is: voor de Duitsers. Hij wilde daartoe overleg plegen met de rectoren, maar die kwamen niet. In Utrecht staken de studenten tijdig de hele administratie in brand. De Vrije Universiteit te Amsterdam gaf vervroegde vakantie. De Duitse slavenactie werd afgelast en... in januari 1943 waren de meeste studenten weer aan het werk.

En toen gebeurde het. Op 6 februari deden de Duitsers invallen in de universiteitsgebouwen. Honderden studenten werden gevangen genomen en naar Vught overgebracht. De overigen vertoonden zich niet meer in de collegezalen, laboratoria en bibliotheken. De zaak lag praktisch stil.

Door solidariteit in het verzet van studenten en professoren kon voldoende pressie op de Duitsers worden uitgeoefend om de gevangenen weer los te laten, maar dat betekende niet dat het gevaar daarmee bezworen was.

Mussert liet in zijn vieze blaadje Volk en Vaderland duidelijk uitkomen dat het goed was wanneer de plutocratenzoontjes, deze verwende, luierende, saboterende slampampers, zoals hij ze noemde, die niet naar Duitse pijpen wilden dansen, tot arbeid, dat is Duitse arbeid, werden gedwongen. Ook de Duitsers konden niet aan het toegeven blijven. Ze moesten wat doen om hun kracht te tonen. Maar opnieuw mislukte hun actie. Aan nsb-burgemeesters werden de namen gevraagd van plutocratenzonen die men voor de Arbeitseinsatz kon grijpen. De zaak liep in het honderd.

 

En toen kwam de gevaarlijkste aanslag. Om te mogen studeren, dat wil dus ook zeggen om gevrijwaard te zijn van de slavenjacht, moesten de studenten een loyaliteitsverklaring ondertekenen, waarin moest worden verklaard:

 

‘...dat hij de in het bezette Nederlandse gebied geldende wetten, verordeningen en andere beschikkingen naar eer en geweten zal nakomen en zich zal onthouden van iedere tegen het Duitse Rijk, de Duitse weermacht of de Nederlandse autoriteiten gerichte handeling, zomede van handelingen of gedragingen welke de openbare orde aan de inrichtingen van hoger onderwijs, gezien de vigerende omstandigheden, in gevaar brengen...’

 

Toen was het inmiddels al maart geworden. En toen was ook de splitsing in het universitaire kamp een feit. Er waren er die wilden tekenen, anderen niet. Sommigen noemden het een vodje papier, dat niets te betekenen had, anderen begrepen de psychologische uitwerking van tekenen op de verzetsgeest van het hele volk en weigerden. Vele professoren dachten allereerst aan het doorgaan van het onderwijs, zoals sommige studenten allereerst dachten aan hun studie, hun baantje en hun carrière. Anderen zagen in een weigering een demonstratie van verzet, een signaal. Er waren rectoren die de verklaring - met een aanbeve-

[p. 179]

ling nota bene - ter tekening voorlegden, anderen deden het zonder die aanbeveling, de Vrije Universiteit te Amsterdam deed het helemaal niet.

Wie wat deed is onder het zand der geschiedenis begraven. Nu reeds. Tekenaars en niet-tekenaars zijn allemaal even eerzaam geworden, slappe professoren en zij die zich bewust waren van hun nationale roeping zijn in het schemerlicht van onze dagen weer gelijk van kleur.

Van de studenten tekenden gemiddeld 15 procent. Dat is niet veel, al is het steeds té veel. Maar er is geen koren zonder kaf.

 

In ieder geval hadden de Duitsers één ding bereikt. De gehele studentenwereld was in beweging. De verzetsgeest groeide. Het besef door te buigen toch niet zijn rust en veiligheid en carrière te kunnen redden eveneens. Zo werkte ook dit alles mee tot het ontstaan van die grote volksverzetsuitbarsting, die in de geschiedenis bekend staat onder de naam April-Meistaking.

Gebruikmakend van het toen afgekondigde standrecht greep Rauter zijn kans. De studenten die niet getekend hadden, moesten zich binnen 24 uur melden.Toen was het al 5 mei. Voor de niet-melders werden de ouders verantwoordelijk gesteld, dat wil zeggen als de zoon niet kwam en onderdook, konden de ouders gevangen worden genomen.

Veel tijd om na te denken was er niet. Veel tijd voor contact en beraad evenmin. In geheel Nederland hadden in die dagen de executiepelotons dagelijks geknald. Drieduizend studenten meldden zich.

Dat lijkt op een Duitse overwinning. Zo was het niet. De rest verdween en velen daarvan versterkten de rijen van het ondergrondse verzet.

16 februari 1963.

prepostterug  begin  verder