terug  begin  verderprepost
[p. 182]

Als de wil maar even sterk was als die van de Duitsers

Er gaat een merkwaardig verhaal over de mogelijkheden in de bezettingstijd, even waar als onwaar. De Duitsers waren sterk, heel erg sterk. Zij hadden de wapens, de organisatie, de macht. Wie zich tegen hen verzette koos de gevangenis of de dood. Wat de één weigerde zou trouwens een ander wél doen, weigeren was daarom nutteloos. Verzet bracht niet alleen de enkeling in gevaar, maar de hele familie, een ganse groep, een heel bedrijf. Gezamenlijk verzet leidde tot strafmaatregelen van de Duitsers, ook tegen ons materieel bezit. Dat kon de totale ontmanteling van onze nationale apparatuur betekenen. Aan het einde zou er wel een overwinning zijn, maar voor een leeg en dood Nederland...

En men vulde zijn Ariërverklaring in, en men meldde zich voor werk in Duitsland en de Nederlandse politieman hielp mee joden ophalen, en de Nederlandse spoorwegman hielp mee ze te vervoeren, en de ambtenaar deed zijn administratieve werk voor de Duitsers, en de fabrikant liet zijn fabriek draaien voor de Duitsers, en de beroepsofficieren meldden zich in nieuwe krijgsgevangenschap, en vele studenten tekenden de loyaliteitsverklaring, en sommige artsen meldden zich voor de artsenkamer, en de Hoge Raad zweeg, en onze secretarissen-generaal lieten zich gebruiken in het raderwerk van de vijand, enzovoort, en zo maar voort...

Toch kon het anders! Er waren er - maar weinigen - die de Ariërverklaring niet invulden. Hun is niets gebeurd. Men heeft geprobeerd de kerkelijke diaconie bij de Winterhulp in te schakelen. De kerk weigerde en er is niets gebeurd. De scholen weigerden hun benoemingen aan de goedkeuring van de Duitse handlangers te onderwerpen, de meerderheid van de artsen weigerde lid te worden van de nazi-artsen-kamer, vele kunstenaars vertikten het zich te laten inschakelen in de Duitse Kultur-kammer - en het ging allemaal.

Het ging meestal het beste wanneer het verzet goed was georganiseerd, wanneer het een grote aaneengesloten groep betrof met een doelbewuste ondergrondse leiding en wanneer men het juiste moment afwachtte om ‘neen’ te zeggen, en dat juiste moment was er altijd eerder dan straks. Ik heb fabrikanten gekend die weigerden voor de Duitsers te werken; hun fabrieken werden leeggehaald (maar lang niet altijd) en ik heb fabrikanten gekend die, met tegenzin maar ijverig!, wel voor de Duitsers werkten, hun fabrieken zijn ook leeggehaald (ook niet altijd).

Er was op den duur geen verschil, de oorlog had zijn eigen wetmatigheid. Voor een doelbewust volk dat zich zonder illusies en mijnentwege met de dood in de schoenen verzet, dat niet heldhaftig behoeft te zijn, maar wel solidair, dat de chaos riskeert boven de slavernij - voor zulk een volk heeft een onderdrukker angst. Zulk een houding dwingt de onderdrukker weliswaar tot steeds feller, steeds bloediger maatregelen, maar hij ontsnapt daarmee niet aan de onverbiddelijke wet dat groter terreur de moeder is van feller verzet, dat naarmate de

[p. 183]

onderdrukking algemener wordt ook het verzet algemener wordt. Het hangt er maar van af wie de sterkste zenuwen, de sterkste wil heeft.

Overal waar het Nederlandse volk in zijn geledingen in staat was een groepsverzet te organiseren hebben de Duitsers bakzeil gehaald. Over het artsenverzet en het studentenverzet in het voorjaar van 1943 spraken we reeds.

Ook de jacht op de arbeiders werd feller...

 

Het ging slecht met de Duitse oorlogvoering. Er waren mensen nodig, steeds meer!, om de fabrieken draaiende te houden, om te zaaien en te oogsten, om puin te ruimen en honderd karweien meer die nodig zijn in een land, welks jeugd in Rusland en Afrika verbloedde en dat nauwelijks nog een nachtelijke hemel zonder vijandelijke bommenwerpers kende.

Ook meer Nederlandse arbeiders moesten in de Duitse machine worden ingeschakeld. De enkele honderdduizenden werklozen, vrijwilligers, de slachtoffers van een systematische uitkamming van de bedrijven, waren niet voldoende. Ook bij de studenten werd een poging gedaan en in de winter van 1942 kwamen ook de ambtenaren aan de beurt. De afdelingschefs moesten zelf aan de slavenhalers opgeven welke ambtenaren gemist konden worden. In een telexbericht van oktober 1942 deelt Frederiks, secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken, mee, dat zijn collega's en hij met de maatregel akkoord gaan. Op 15 oktober schrijft hij nogmaals dat het niet alleen gaat om de in los verband benoemden, de zogenaamde arbeidscontractanten (meestal vooroorlogse crisis-slachtoffers, die een hongerbaantje bij rijk of gemeente hadden gevonden), niet alleen om die mannen in overheidsdienst ‘die een eenvoudige opleiding gehad hebben’, kortom de armen en de schlemielen - maar dat iedereen voor uitzending in aanmerking komt. De Duitsers zijn nog niet tevree. Ze moeten er meer hebben en het moet sneller gaan! De Duitser Calmeyer, Referent für innere Verwaltung, en zijn Nederlandse handlanger Lentz, chef van de Inspectie van de Bevolkingsregisters, sturen een oproep aan alle burgemeesters, waarin van hen gevraagd wordt opgave te doen van alle mannen van de leeftijd van 21 tot en met 25 jaar. Het gaat dus niet meer om alleen werklozen, niet meer alleen om de ‘eenvoudigen’. Maar om iedereen van een bepaalde leeftijdsgroep.

En kijk, het wonder gebeurt. De burgemeesters, die tot dat moment waarlijk niet hebben uitgeblonken door hun moed en standvastigheid, weigeren! Zelfs de ijverige Frederiks is woedend, misschien wel omdat het rondschrijven buiten hem om is uitgegaan. En wat gebeurt er nu? Worden de burgemeesters en masse opgepikt en wordt Frederiks eindelijk ambteloos burger? Niets van dat alles.

Maar de Duitsers zijn slim. De burgemeesters behoeven eigenlijk helemaal niets te doen. Ze moeten alleen maar aan de ambtenaren van de arbeidsbureaus gelegenheid geven de gemeentelijke bevolkingsregisters te raadplegen. Ze halen hun slachtoffers, met hun adressen, er dan zelf wel uit. Opnieuw weigeren de burgemeesters.

Op 6 januari 1943 wordt de eis ingetrokken. Maar de vijand zit niet voor één gat gevangen. Op 15 maart komt er een verordening waarbij bedrijven, die niet

[p. 184]

van belang zijn voor de oorlogsvoering moeten worden gesloten. Luxe restaurants, juwelierszaken, winkels voor parfumerieën, sportzaken, rijscholen, dansscholen, muziekwinkels, reclamebedrijven enzovoort. Zo werden grote groepen nieuwe werklozen gekweekt en werklozen waren verplicht in Duitsland te werken. Tegelijk gaan de Duitsers ook directer en gewelddadiger te werk: plotselinge invallen in kantoren en fabrieken, op voetbalvelden, in bioscopen enzovoort. Daar waar gezeild en gezwommen wordt... Maar voorlopig blijft het bevolkingsregister hun voornaamste jachtterrein. Daar zullen ze de namen en adressen vinden van de slaven, die ze zoeken.

 

En toen werd er opnieuw een antwoord van het verzet gevonden. Als de bevolkingsregisters gevaarlijke dingen worden moeten ze weg!

Dit is het bericht van Duitse kant. Het verscheen in alle grote kranten en het werd ook aangeplakt aan de muren.

 

bekendmaking

10.000 gulden beloning

 

Den 27sten maart 1943 omstreeks 23 uur hebben onbekende daders, die de Amsterdamse politie-uniform droegen, na overweldiging van politie- en burgerlijk bewakingspersoneel in het bevolkingsregister te Amsterdam, Plantage-Kerklaan, aanslagen met springstoffen gepleegd, die oorzaak waren, dat het gebouw in brand geraakte.

Verklaringen die leiden tot ontdekking van de daders, worden door alle Duitse en Nederlandse politie-instanties in ontvangst genomen. Voor de ontdekking van de daders heeft de Höhere ss und Polizeiführer een beloning van 10.000 gulden uitgeloofd. De beloning wordt onder uitsluiting van gerechtelijke formaliteiten (‘unter Ausschluss des Rechtsweges’) verdeeld.

get. Lages, ss-Sturmbannführer.

 

Het bericht is niet volledig. Het gebouw raakte niet alleen in brand, maar het bevolkingsregister verbrandde bijna geheel en bij het blussingswerk zorgden de brandweerlieden ervoor dat ook de rest onbruikbaar werd gemaakt. Tot de groep dappere mannen, die dit werk deden, behoorden kunstenaars, een man van de wetenschap en literator, een architect, een kleermaker, een politieagent enzovoort. Tweemaal waren ze uitgerukt. De eerste keer was er toevallig een schoonmaakstersploeg bezig, de tweede keer kwam een helle maan op door een gat aan een bewolkte hemel, de derde maal lukte het! Er vielen geen doden. Het bewakingspersoneel werd gekneveld, kreeg een injectie en werd op veilige afstand in de tuin gelegd.

Zoveel menselijkheid bij zulk een doodgevaarlijk werk. Er vielen wel doden! Ook zoveel onmenselijkheid leefde er onder ons volk. De ƒ 10.000 beloning van Lages heeft zijn werk gedaan. Een kleermaker en zijn knecht, een expediteur en een bokser, die fungeerde als koerier voor de dappere mannen, zij zorg-

[p. 185]

den ervoor dat vrijwel de ganse groep van negen man binnen veertien dagen na de aanslag werd gearresteerd. Slechts twee konden de dans ontspringen. De anderen zijn dood, behalve de verraders. Zij leven nog.

 

Het bleef niet bij Amsterdam. Overal in het land, in Wageningen, Zaandam, in Soest en Hengelo, in Wanneperveen en Achtkarspelen werden bevolkingsregisters gestolen of in brand gestoken en gingen arbeidsbureaus er aan.

Op 9 juni 1943 zonden de Duitsers het bericht aan hun handlangers ‘dass die Bevolkingsregister in Zukunft zu Arbeitseinsatzzwecken nicht mehr in Anspruch zu nehmen sind...’ Ik laat het in het Duits zo staan, omdat de nederlaag zo beter klinkt.

Het werk van deze dappere mannen, van wie velen het met de dood hebben moeten betalen, verdiende hier uitvoerig verhaald te worden. Maar het ging in dit artikel om iets anders. Het motto van dit stuk luidt: ‘als de wil maar even sterk was als die van de Duitsers...’

Ziet U?

16 maart 1963.

prepostterug  begin  verder