Er broeide iets in het voorjaar van 1943. De uitbarsting zou dan ook niet lang op zich laten wachten. Tegen het eind van april.
Twintig jaren later kan gemakkelijk de mening post vatten dat de Duitsers almachtig waren in bezet Nederland. Vanuit een wrede maar soevereine rust beoefenden zij hun machtspolitiek en voor eenvoudige, ongewapende Nederlandertjes was het vrijwel onmogelijk zich te verzetten. Deze mening is in oorlogstijd en daarna bewust aangekweekt. Er schuilt immers een rechtvaardiging in voor alles wat in de bezettingstijd niet gedaan is en voor allen die de nek op een of andere wijze hebben gebogen. In ons vorige artikel toonden wij aan de hand van twee voorbeelden reeds aan hoe onjuist deze opvatting was.
De Duitsers waren niet almachtig. Ook hún middelen waren beperkt. Zo was bijvoorbeeld hun politieapparaat bureaucratisch en volgestopt met mannen die van dit vak nauwelijks iets wisten. De weinige werkelijke politiemannen tussen al deze amateurs hebben er zich vaak over beklaagd. En het verzet deed er zijn voordeel mee! Het aantal slachtoffers zou heel wat groter geweest zijn indien de illegaliteit een apparaat tegenover zich gehad had, dat niet alleen wreed maar ook intelligent en vakbekwaam was geweest.
En de Duitsers hadden er voordeel bij wanneer het in Nederland, zoals in elk gebied, rustig bleef. Een bezetting van Cyprus en Noord-Afrika tot Narvik en van de Russische steppen tot aan de Noordzee was geen kleinigheid. Het toenemende verzet, dat steeds driester en terroristischer van aard werd en in sommige streken, zoals Rusland, Polen, Joego-Slavië en Frankrijk, de omvang en aard van een aparte oorlog ging aannemen, bond steeds meer Duitse troepen. En dat in
een tijd waarin elke man nodig was aan de ineenstortende fronten! Steeds duidelijker gingen zelfs de hardleerse Duitsers beseffen, dat een stadium was bereikt waarin terreur alleen maar tegen-terreur opwekte. Niettemin waren ze ertoe verplicht en dat zou men in zekere zin een stukje Duitse tragiek kunnen noemen.
Hier en daar probeerden ze het ook anders. Daarvan een merkwaardig voorbeeld uit Nederland...
In het voorjaar van 1943 werd mijn vrouw gearresteerd. Op een distributiekantoor, bij het halen van de bonkaarten. Enkele weken lang hadden de Duitsers lijsten van gezochte personen op deze kantoren rondbezorgd. Hun kaarten werden geblokkeerd en mochten niet worden uitgereikt. Op vele distributiekantoren was een Duitser soms wekenlang aanwezig, wachtend tot één van de betrokkenen zou komen. Maar die kwamen niet. De lijsten met de geblokkeerde namen werden door betrouwbare distributieambtenaren prompt naar de illegaliteit doorgestuurd.
Toen deden ze het anders. Op de kantoren waar de gezochten werden verwacht, werd de naam pas 's morgens gedeponeerd. Van waarschuwen was geen sprake. Op de geblokkeerde lijst kwam de naam niet voor en dus kon men aannemen dat de kust veilig was. Het werkte maar enkele dagen. Toen was ook deze methode van de Duitsers bekend. Maar het duurde lang genoeg om enkele arrestaties te verrichten. Daaronder was ook die van m'n vrouw. Het ambtenaartje, dat ongetwijfeld thans door Nederland rondloopt als een goed Nederlandertje, verzocht haar even te wachten. Vijf minuten later was de overvalwagen er...
Dat is allemaal op zichzelf niet zo belangrijk, maar de Duitsers demonstreerden er een nieuwe terreurmethode mee. De familieleden van verzetsmensen werden opgepikt in de hoop dat de betrokkene zich zou melden, teneinde de vrijlating van vrouw of vader te bewerkstelligen. In onze organisatie was het strengste consigne uitgegeven, dat zich melden in zo'n geval verraad en dwaasheid was. Men zou de Duitse terreur slechts in de kaart spelen.
Ook ik meldde me niet. Toen gooiden de Duitsers het over een andere boeg. De Kriminalbeamter Becker stelde voor een gesprek met mij te arrangeren. Mijn vrouw zou vrijgelaten worden om me dit verzoek over te brengen. Waarvoor? Om de verschijning van een illegaal blad waarbij ik betrokken was stop te zetten.
‘Welke garantie biedt u dat u hem weer los zal laten?’ vroeg m'n vrouw.
En toen gaf die Duitser een eerlijk antwoord:
‘Een absolute garantie kan ik u niet geven,’ zei hij. Hij had ook kunnen liegen, beloften doen en ze niet houden. Dat deed hij niet...
Op zichzelf lijkt dit een fabeltje als niet van een totaal andere zijde hetzelfde gebeurd was. Een lid van dezelfde organisatie als waartoe ik behoorde was gepakt in verband met een overval op een distributiekantoor. Veel bewijzen had
men niet. Zijn zaak werd behandeld door het commando Horac, een Oostenrijker. Op een dag verscheen hij bij de centrale leiding van de organisatie. Vrij! En met een opdracht contact te zoeken met de leidende figuren, aangezien de Duitsers met één van hen een gesprek wilden hebben. Doel: stopzetten van het illegale blad. (De Duitsers hadden overigens al eerder geprobeerd het blad in diskrediet te brengen door een vals nummer uit te geven. Zonder succes!) Na lang wikken en wegen en een nauwkeurig onderzoek in hoeverre de boodschap en de persoon betrouwbaar geacht konden worden (de ontmoetingen vonden plaats in de consistorie van de Hervormde Kerk op de Noordermarkt te Amsterdam), werd van de centrale groep iemand aangewezen contact met de Gestapo te zoeken. Van Duitse zijde werden absolute garanties gegeven dat hij weer vrijgelaten zou worden. Daartoe moest de man, die was vrijgelaten om contact te zoeken, zich weer melden zodra het gesprek was afgelopen.
Het heeft, meen ik, drie dagen geduurd. De afgevaardigde verbleef normaal in een gevangeniscel. Elke dag werd hij er uitgehaald voor een gesprek. ‘Geen verhoor,’ zeiden de Duitsers en daar hielden ze zich aan. Hij kon zwijgen als hij wilde.
Men werd het niet eens.
De centrale leiding wilde wel toestemmen de verschijning van het blad te staken (om het voort te zetten onder andere naam!), maar over de andere voorwaarden werd men het niet eens. Die hielden in: niemand zou meer in verband met de tot op dat moment verrichte activiteiten van de organisatie gearresteerd worden. Daarover akkoord. De gevangenen zou niets kwaads geschieden, maar ze bleven gevangen. Dat kon men van onze kant niet accepteren. Wij eisten vrijlating.
Centrale leiding en alle bereikbaren moesten een verklaring afgeven zich niet meer met verzetswerk in te laten. Ook dat werd onzerzijds geweigerd.
Na drie dagen waren de onderhandelingen op niets uitgelopen. De onderhandelaar kon gaan en staan waar hij wilde. De contactman meldde zich weer bij de Duitsers.
Dit is kort, heel summier en zakelijk, het verhaal. Ik heb laten merken dat ik er persoonlijk bij betrokken was om de lezer anno 1963 de zekerheid te geven dat het hier geen verhaal uit de tweede of derde hand betreft - iets ‘van horen zeggen’, - maar een eigen, beleefde geschiedenis. De Duitsers hielden zich aan hun woord. Niet omdat ze plotseling zo eerlijk waren geworden. Ze hadden de illegaliteit als tegenstander min of meer formeel als zodanig erkend. Het verzet en de verzetsorganisaties werden ernstig genomen. Ze wisten dat ook het verzet represaille-mogelijkheden had en ze wilden die bezweren. Ze erkenden de verzetskracht van de illegale pers.
De Duitse poging met dit verzet tot een akkoord te komen aleer de orkaan losbarstte mislukte. Hun bleef geen andere weg open dan van terreur naar erger terreur, dat is ook de weg van verzet naar feller verzet.
De gevangen contactman werd enkele weken later wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten. Toen nog wel!
De Duitsers zochten naar andere methoden. Eén ervan was via verraders de illegale organisaties binnen te dringen. Daarvoor werden lieden van buiten gebruikt, maar ook reeds gevangen verzetsmensen, die werden omgepraat, en die de vrijheid konden kopen door verraad. Zo zijn er een aantal geweest.
Het verzet had er een nieuwe dodelijke bedreiging bij, maar het heeft zijn werk voortgezet, tot in het allerlaatste staartje van de oorlog toch nog een akkoordje kon worden bereikt. Maar dat ging buiten het verzet om en dat was later dan 1943. Daarover dus straks...
30 maart 1963.