Tijdens de afgelopen herdenkingsdagen was een Amerikaan mijn gast. Hij is een jood. Hij had de stilte op de Dam gezien en een tv-uitzending over de dodenherdenkingen. Hij had gehoord over de april-mei-staking van 1943. We spraken over het verzet, het Eichmann-proces, de boeken van Herzberg en Mulisch en de Amerikaanse reportage in The New Yorker van Hannah Arendt. Hij was blij deze dagen in Nederland te hebben doorgemaakt. ‘Dodenherdenkingen en oorlogsfestiviteiten in mijn land en in elk niet-bezet en nochtans oorlogvoerend land hebben een andere toon, ze zijn meer statelijk en minder menselijk, ze zijn martiaal en, in zekere zin, glorieus. Ze hebben meer betrekking op strijdkrachten dan op burgers, de doden zijn gesneuvelden, geen vermoorden...’
En toen kwam de vraag, die hem al jaren had geplaagd en, naar zijn zeggen, vele duizenden Amerikanen met hem: Waarom hebben zes miljoen joden zich als schapen naar de slachtbank laten leiden? Waarom hebben ze geen verzet gepleegd zoals (en hij had nu het voorbeeld bij de hand, waarvan hij voordien niets wist) de boeren en fabrieksarbeiders tijdens de april-mei-staking? Zes miljoen mensen uitmoorden is, organisatorisch gezien, een gigantische opgaaf. Dat vereist tijd, veel tijd. Ook al heeft men het in het begin niet geweten, dan moet men toch in 1942 en '43 en '44 de werkelijkheid hebben gezien...
Het was een uur of negen in de avond. De nacht viel. Het gesprek duurde tot ver na middernacht. Toen het voorbij was voelde ik mij ziek, ongelukkiger dan ik mij in jaren gevoeld had, mistroostig, boos, eenzaam, en bij alle vriendelijke woorden en de gevoelens van vriendschap totaal van mijn joodse vriend vervreemd. Of beter is het hier niet de term ‘joodse vriend’ te gebruiken, maar die van ‘Amerikaanse vriend’, dat wil hier zeggen van ‘de man, die het niet had meegemaakt en het dus niet en nooit zou kunnen begrijpen’.
Het is ook een generatieprobleem, zelfs in de staat Israël. Het bestaat hier in Nederland en elders. In een Kaffeehaus in Wenen formuleerde een hooggeplaatst ambtenaar-politicus het aldus tegen mij: De dood van de joden was rechtvaardig. Niet op morele of politieke gronden, maar omdat ze zwak waren, zich niet verdedigd hebben, zich hebben laten vermoorden... Het is een onontwijkbare natuurwet... Duitsland heeft de oorlog ook verloren. We waren dus
zwakker. De Amerikanen sterker dan wij. We hebben er ons bij neergelegd en zijn loyale verliezers geworden. We hebben ons voor de wetten der natuur gebogen. Over wreedheden praten we niet, over de onze niet en over die van onze vroegere vijanden niet...
De spreker noemt zich thans democraat. Deze nazi! Morele, menselijke schuld bestaat niet. Deze wordt door overwinning en nederlaag uitgewist.
Ik heb mij in dit Wiener Kaffeehaus misdragen. Ze hebben mij als ordeverstorende vreemdeling verwijderd.
Maar de vraag: Waarom hebben de joden zélf niets gedaan? Waarom was er geen joods verzet? Waarom niet liever ‘dood met ere’, dat is vechtend, dan ‘killed like a louse in your neck?’
Ik heb geprobeerd mijn Amerikaanse vriend te antwoorden. Ik heb hem, in slecht Engels, grote stukken uit het werk van Abel Herzberg, à l'improviste vertaald, voorgelezen. Over het geheim van de joodse geest, de atomisering van de groep, de afwezigheid van massale verzetsvoorwaarden voor de joden, de ontoereikendheid van de menselijke fantasie, de voorbeelden van joods verzet waar zulks mogelijk was, enzovoort. Ze konden hem niet overtuigen, omdat zijn fantasie tekortschoot om het leven in een bezet gebied te begrijpen, omdat hij nooit in een situatie was waarin men hoopt-tegen-beter-weten-in, hopen zoals een vis zijn bek nog opent op het droge. Hij had geen begrip wat het was ondergronds verzet te organiseren, hoe meestal maandenlange organisatie nodig was voor een enkele verzetsdaad, hoe reizen, praten, ontmoeten, berichtjes, afspraakjes, schijnbaar zonder zin, voorwaarden voor het verzet waren, maar dan tegelijkertijd 90 procent van de activiteit vroegen. Welk een rol de avond, de trein, de tram, de bioscoop, het restaurant in alles speelden en wat dit betekende voor een groep die op straat gemerkt was, in trein en tram, restaurant en bioscoop, park en bos en vele dorpen en stadsgedeelten niet mocht komen. Hij begreep de vervalsende functie van het gerucht niet, waar geen krant, geen radio meer te vertrouwen was en hij begreep duizend dingen méér niet, te veel om hier op te sommen.
Zo zullen ook velen in Nederland, van hen, die het niet hebben meegemaakt, het thans niet meer begrijpen...
Waarom schrijf ik dan? Waarom dan juist dit onderwerp voor deze zoveelste aflevering van onze kroniek?
Omdat er een aspect aan deze zaak is, waarvan bijvoorbeeld een man als Abel Herzberg nauwelijks heeft gerept en waarvan geen jood ophef maakt. Maar de gojim zal het niet vergeten, mag het niet! Ik zeg het allemaal maar heel kort:
Toen de joden in Duitsland al lang werden gejaagd en gevangen en vermoord, was Hitler ook voor Nederland nog een ‘bevriend staatshoofd’. Elk Westelijk land en ook de Russen probeerden op hun tijd en gelegenheid met de nazi's tot akkoorden te komen. Niet omdat men het met hen eens was maar om minder kwaad te slikken teneinde groter kwaad te voorkomen. Zelfs de
paus liet zich daardoor leiden. Voor de oorlog werden joodse vluchtelingen door de Nederlandse marechaussees in de hel teruggejaagd! Rapporten over Duitse concentratiekampen, getuigenissen van hen die het beleefd hadden, zoals bijvoorbeeld het boek De Veensoldaten werden niet geloofd of voor linkse gruwelpropaganda gehouden. Het kamp Westerbork is niet door de Duitsers maar door de Nederlandse regering voor joden ingericht!
Toen Vorrink tijdens de oorlog langs geheime wegen de Nederlandse regering in Londen inlichtte over de jodenvervolging in bezet gebied en maatregelen tegen de zich in geallieerde handen bevindende Duitsers vroeg, antwoordde men uit Londen geen interesse te hebben voor dergelijke ‘politieke’ berichten.
Hoorde u die dit leest niet tot degenen die, onder welk voorwendsel ook, weigerden een joods onderduiker in huis te nemen? Ik raad de jongeren die dit lezen aan om er hun ouders, hun leraar of onderwijzer, hun predikant of pastoor eens naar te vragen. Niet om ze tegen hun gezag op te zetten, ook niet om hun voorwendsels alle voor zoete koek op te eten (want in het aangezicht van deze verschrikking is nauwelijks een reden denkbaar), maar om bescheidenheid te leren ten aanzien van de menselijke natuur en de menselijke solidariteit in een door Duitsers bezet gebied.
Of behoorde u tot degenen die weliswaar geen antisemiet waren, maar toch de mening waren toegedaan dat aan de ‘overdreven machtspositie van de joden’ paal en perk moest worden gesteld? Zoals die orthodoxe predikant, die mij tijdens een bezoek aan hem om hulp te vragen, verzekerde dat de ‘huidige positie van de joden geen vrucht is van het calvinisme der vaderen maar van de Franse revolutie en een godloochenend liberalisme’. En de dominee was antirevolutie en anti-liberaal.
Toen er van Duitse terreur nog nauwelijks sprake was en het Nederlandse volk alle gelegenheid had om gezamenlijk de dodelijke scheiding van Ariër en niet-Ariër te weigeren, stuurden vrijwel alle Nederlanders gedwee hun Ariërverklaring in, waarmee de grondslag voor de latere Duitse jodenacties was gelegd. Daarmee heeft het hele Nederlandse volk de joden in een uitzonderingspositie, een isolement gedreven.
Wees er niet al te hard om. Ze wisten niet wat ze deden, net zomin als vele joden toen begrepen wat hen daarmee overkwam. Toen joden geen ambtenaar meer mochten zijn, werkten hun collega-ambtenaren door, desnoods met een brok in de keel of een traan wegpinkend of vloekend of zuchtend, maar ze werkten door. Toen joodse musici niet meer mochten musiceren hetzelfde. Toen ze niet meer mochten toneelspelen hetzelfde. Alles behoudens enkele uitzonderingen, dappere, of liever edele, of nog liever gerechte uitzonderingen. Maar die ‘heldenkroniek’ als men het met dit verkeerde woord mag noemen, hebben de joden ook en hoe!
Toen de joden niet meer in de tram mochten bleef die vol. De solidariteit van de negers in de zuidelijke staten van Amerika leert dat het anders kan. Een hedendaags voorbeeld wat men vermag als men werkelijk wil. De bioscopen ble-
ven vol, de danszalen bleven vol, het strand bleef vol zolang het kon.
Was men niet met het joodse lot begaan? Jawel, zeker wel, maar ‘er was niets tegen te doen’ en ‘men had zelf ook sores genoeg’. Zo dachten ook de politie-agenten er over, die met ongelukkig gezicht en een zeer menselijke en zeer sombere stem meehielpen de joden naar hun verzamelplaatsen te brengen en die voor één, die ze konden redden, er tien meehielpen naar de gaskamer. Naar de gaskamer? Ach wat! Eén van de vele geruchten, die men had leren wantrouwen! En bovendien, die politie-agenten hadden een gezin, zoals de spoorwegmannen een gezin hadden en de ambtenaren, en bijna iedereen had in die dagen een gezin, nee nooit was in Nederland het verantwoordelijkheidsgevoel jegens het gezin groter dan in de bezettingstijd.
Joden die verzet zouden hebben gepleegd, zouden in vele gevallen niet op een Duitser maar op een Nederlander hebben moeten schieten (als ze iets om te schieten hadden gehad!). Zij, de joden hebben kennelijk het argument van ‘het gezin’, en alles wat daarbij hoort, erkend. Ze hadden zelf ook een gezin, een goed en lief gezin. Ze konden het, als ze zichzelf wilden redden, uit elkaar laten spatten, in de vreselijkste tijd van hun leven, de vrouw hierheen, de man daarheen en de drie kleine kinderen, in vreemde handen, ook ergens heen. Zonder iets van elkaar te weten, zonder in staat te zijn elkaar te helpen, te troosten. Zelfs zonder te weten of de één al opgepakt was en de ander al vergast.
Zichzelf en die hun lief waren moesten ze in handen geven van mensen, die ze voorheen niet kenden, wier rasgenoten ze de restaurants zagen bevolken, waar zij niet in mochten, die ze in de tram zagen zitten waar zij niet in mochten, die ze op de stoel zagen zitten waar zij eens hadden gewerkt. Onder de zogenaamde helpers waren lieden die op winstbejag uit waren, leugenaars, verraders. Konden zij, de joden, uitmaken wie goed en slecht was?
Ik heb op een avond twee jonge joodse mensen, een echtpaar, weggehaald uit een adres in een zijstraat van de Amstel. Het was hartstikke donker. Ze hoorden alleen mijn stem. Ze lieten alles achter. Ze moesten mij even blind vertrouwen als u dat God moet doen. Kunt u dat? Ze deden het. Maar kunt u ook begrijpen dat, toen ze eenmaal in het licht van de huiskamer waren gekomen en zagen dat het goed was (en hoe weinig zeker konden ze zelfs toen nog daarvan zijn!) de vrouw in een huilbui uitbarstte en niet tot bedaren te brengen was?
Als die verzetsgeest, oorlogsgeest! over de joden vaardig was geworden, dan ben ik er zeker van dat het onderscheid tussen Duitser en Nederlander voor hen niet gemakkelijk te handhaven zou zijn geweest.
Ze hebben er ons niet op aangekeken. Zij wisten.
Zij wisten, ze wéten het van eeuwen her. Wat voor ons nieuw was, was voor hen opnieuw...
Ze weten van geheimen, waarvan wij, niet-joden, geen weet hebben.
De wijzen van Sion! Maar dan anders dan de Duitsers bedoelden.
Er zijn niet-joden geweest, die zich het joodse lot hebben aangetrokken als hun eigen, en die, met hun grote armslag, meer bewegingsvrijheid enzovoort
hebben gedaan wat ze konden. Cleveringa heeft zijn onvergetelijke rede gehouden en meer, de kerken hebben geprotesteerd, de bevolking van Amsterdam heeft gestaakt, de joodse knokploegen van Amsterdam-Zuid hebben geknokt, de arbeiders van het getto van Warschau hebben gevochten en de gevangenen van het concentratiekamp Treblinka zijn opgestaan...
Maar zes miljoen zijn er vermoord.
Het is van een geheimzinnige slechtheid, die de mens vóór alles tot zichzelf doet inkeren. Als hij, om zo te zeggen, van die gang terugkomt, weet hij niet méér, niet beter, maar hij heeft wel het stellen van oppervlakkige, betweterige en vooral zelfverzekerde vragen verleerd.
18 mei 1963.