terug  begin  verderprepost

Temperatuurverhoging

Mei-juni 1943. Het wordt warmer in Europa en waarlijk niet alleen door de komst van de zomer. De oorlog-met-de-wapens neemt in hevigheid toe. Toch moet voor een ogenblik de belangstelling voor de fronten het afleggen tegen de aandacht voor de binnenlandse toestand. En dat niet alleen in bezet gebied, maar ook in Duitsland. De geallieerden blijken thans definitief de heerschappij in de lucht te hebben veroverd. Bombardementen door 1000, 2000 en meer vliegtuigen tegelijk zijn geen zeldzaamheid. Het gebeurt 's nachts en overdag. Op klaarlichte dag tellen toeschouwers er meer dan 100 boven Rotterdam. De witte slierten, waarmee de vliegtuigen hun spoor aan de hemel schrijven, zijn een dagelijks terugkerend, onheilspellend reuzengeschrift. De Duitsers hebben de oorlog in eigen huis gekregen. Hij smaakt zo bitter dat Goebbels verplicht is een speciale veldtocht voor geestelijke weerbaarheid te houden. Met andere methoden dan vroeger. De waarheid wordt thans niet meer ontkend, omdat de werkelijkheid voor niemand meer verborgen kan blijven.

Goebbels zegt: ‘Ik sta hier als aanklager voor de openbare mening der wereld. Ik dien een aanklacht in tegen een vijand, die zich met zijn wrede luchtterreur niets anders ten doel heeft gesteld dan een weerloze burgerbevolking te kwellen en haar te bedelven onder leed, wreedheid, smart en dood om haar zodoende tot verraad aan haar nationale zaak te bewegen. Door deze laffe, onmenselijke daad zal de nationale faam der volken eeuwig met schande overladen zijn...’

Dat zei Goebbels in de dagen dat de moordpartijen op de joden hun hoogtepunt bereikten. Je moet maar durven. Overigens, hij zei het niet alleen. Ook in Engeland gingen stemmen op die de zedelijke rechtvaardiging van de bombardementen in twijfel trokken en wie in Nederland de drommen, bij dag en bij nacht over zich heen hoorde ronken, een diep rochelend veraf geluid, ervoer iets van het apocalyptisch stadium, waarin de oorlog geraakte.

De Duitse propaganda gebruikte de angst voor een harde vrede als middel

[p. 200]

om de geteisterde bevolking tot volhouden in een nieuwe krachtsinspanning aan te sporen. Nog eenmaal Goebbels: ‘Wij weten allen waarom het in deze oorlog gaat. De vijand heeft het ons dikwijls genoeg in het gezicht geschreeuwd, dat hij ons wanneer wij zwak zouden zijn, een vrede zou opleggen, waarmee vergeleken de oorlog slechts als een ware weldaad beschouwd kan worden. Tegenover een dergelijke lage poging om het grootste en meest trotse cultuurvolk der aarde uit te roeien verheft zich in gesloten eenheid de Duitse natie, sterk aan wapens doch ook sterk aan mannen-, vrouwen- en kinderharten.’

Zijn woorden doen thans komiek aan, maar in die tijd vatten ze het wezenlijkste samen, waarop Duitsers tot eenheid en standvastigheid te bewegen zijn: zelfbeklag, angst voor vergelding en het fatalistisch besef niet uit de kring der medeplichtigen te kunnen ontsnappen, zelfverheerlijking en haat jegens de ‘onrechtvaardige’ vijand.

 

Ook in bezet gebied, in Nederland bijvoorbeeld, waren er tekenen van een geestelijke crisis. De april-mei-staking was gevolgd door een serie harde Duitse maatregelen. Verzet ertegen eiste onmiddellijke rigoureuze beslissingen van de enkeling, die er weinig troost in kon vinden dat anderen in een zelfde dilemma verkeerden. De studenten moesten zich opnieuw melden, de oproepingen van de voormalige soldaten ging door, de arbeiders werden in jaarklassen voor de slavenarbeid opgeroepen, de radio's (deze onvervangbare deur naar de vrije wereld) moesten worden ingeleverd, de Arbeidsdienst roept een nieuwe lichting jeugdigen op, vrouwen vallen thans ook onder de regels van de Arbeitseinsatz, de groente is schaars, alle voedsel wordt schaarser. Nieuwe kleding is praktisch niet meer beschikbaar. En onderwijl vullen de berichten over fusillades van Nederlanders de kranten. Zeven leden van de communistische Waarheid-groep worden ter dood veroordeeld wegens het verspreiden van illegale lectuur. Het vonnis wordt zeer kort daarop voltrokken. Twee Nederlanders worden ter dood gebracht wegens het doden van een nsb'er. Twaalf dapperen die betrokken waren bij de brand van het Bevolkingsregister van Amsterdam sterven in deze dagen voor het vuurpeloton. Vijf doodvonnissen wegens sabotage, wapenbezit enzovoort. Enkele dagen later opnieuw drie doodvonnissen voltrokken wegens sabotage.

Ook het geweld tegen nsb'ers neemt toe. Zo vindt men in de kranten van die dagen ook kleine berichtjes als dit:

 

nederlandse politieman vermoord

 

Door wielrijder in de rug geschoten.

 

Het slachtoffer was de Nederlandse opperluitenant Pieter Kaay, een handlanger van de Duitsers. Hij is niet de enige.

De vaderlandse ondergrondse pers registreert de temperatuurverhoging haarscherp. Een blad schrijft:

[p. 201]

De komende maanden kunnen vreselijk zijn voor Europa, ook voor Nederland. Ons volk heeft nu deel aan het grote lijden der mensheid. Het gaat thans niet meer om het behoud van een of andere vereniging, om gelijkschakeling, formele rechten of persoonlijke veiligheid. De tijd, dat we ons tegen nazificering verdedigen moesten is vrijwel voorbij. Die strijd is gestreden met wisselend succes... De grote beslissende vraag van het ogenblik is of ons volk er nog zal zijn op de dag der bevrijding! Of onze mannen en zonen niet verstrooid zullen liggen over de gebombardeerde steden in Duitsland en de verwilderde gebieden van het Oosten. Of de lichamelijke welstand niet blijvend geschaad zal zijn. Of de geestelijke en zedelijke gezondheid niet voor meer dan een generatie onherstelbaar verknoeid zal zijn. Of het Duitsland zal gelukken ons volk mede te slepen in de wereldmacht!...

 

En even verder in hetzelfde artikel:

 

Elke oorlog stelt een volk bloot aan een grote geestelijke en zedelijke verwildering. Ieder die zijn ogen open heeft en eerlijk genoeg is om de feiten te erkennen, moet zien, dat ook ons volk na drie jaren bezettingstijd langzaam maar zeker dreigt te worden meegesleurd in de maalstroom van primitieve instincten, bot egoïsme, onverschilligheid, dorst naar geld en genot, enzovoort. Indien een volk zich niet bewust tegen dit gevaar wapent, vervalt het in een stompzinnige egoïstische zorg voor voedsel en kleding en een honger om in de roes van het genot de zorgen en spanningen te vergeten. Ook dat is een vorm van nazificering!...

 

Het heeft allemaal niet zo'n vaart gelopen als de ondergrondse schrijver vreesde. De gezondheidstoestand, zo wijzen naoorlogse studies uit, was, de omstandigheden in acht genomen, opvallend goed. De tekorten aan vetten en dergelijke en wat minder eten schijnen de mens geen kwaad te doen en een grote welvaart als we nu kennen zal waarschijnlijk heel wat gevaarlijker zijn. Ook moreel en geestelijk is die ‘verwildering’ zoals hier en daar aanwezig, snel weer weggeëbd en ook hier kan men zich afvragen of ons Europese ‘Wirtschaftswunder’ niet groter ondermijnende kracht bezit.

Hoe het zij, de bekende oorlogsverschijnselen waren er. Een Duitse soldaat mét sigaretten, mét wat te eten, mét de mogelijkheid van een extra borrel enzovoort was niet langer onaanvaardbaar voor een deel van het Hollandse vrouwvolk. De welgedane zwarte handelaars waren steeds duidelijker te onderkennen. Boerse hebzucht tekende zich steeds duidelijker af naast boerse vrijgevigheid en solidariteit. Waar de jeugd nog kon samenkomen, ging het nogal eens wild toe. Maar het speelde zich ook in kleinere kring af. Mij zijn gevallen bekend waar huisgenoten het voedsel voor elkaar moesten verbergen. Onderduiken (en het getal onderduikers nam snel toe) betekende ook een losmaken van de gezinsband met de daarbij behorende, bijna logische, kennelijk onvermijdelijke gevolgen.

[p. 202]

Er werd in deze dagen eigenlijk minder gespeculeerd op het einde van de oorlog dan voorheen. De geallieerden waren in opmars, maar het was langzaam aan tot het publiek doorgedrongen dat daarvan geen wonderen te verwachten waren. Het ging zo te zeggen voetje voor voetje en de afstand van Noord-Afrika of de Don tot Nederland was groot. En tegelijk kreeg men het gevoel steeds onmiddellijker en onontkoombaar in de oorlogvoering betrokken te worden. Van geallieerde zijde werd het Nederlandse volk gewaarschuwd niet in of bij strategisch belangrijke fabrieken, opslagplaatsen en dergelijke te verblijven. Zo weinig mogelijk gebruik te maken van treinen. Ja, ja, een leuke raad, die moeilijk op te volgen was voor degenen die moesten werken en reizen.

Om het platweg te zeggen: Er heerste een stemming van ‘Wanneer zou het gedonder nou eindelijk es ophouen’, en onmiddellijk daaraan verbonden, ‘in ieder geval net niet tijdig genoeg voor ons om er nog lol aan te beleven’.

 

Ook onze eigen regering te Londen deed een duit in het zakje. In redevoeringen van 15 februari, april, 8 en 19 mei werden er vanuit Londen steeds duidelijker adviezen gegeven, die vaak zelfs min of meer het karakter van bevelen aannamen.

Ondergronds verscheen er een ‘Commentaar op de Aanwijzingen in geval van een vijandelijke inval’ vastgesteld door de Raad van Ministers in mei 1937.

Dat stuk van 1937 was een vaag geval, opgesteld door fantasieloze lieden, die zich kennelijk geen rekenschap hadden gegeven wat een nazi-bezetting zou kunnen betekenen.

Ridder Bosch van Rosenthal, eenmaal commissaris van de Koningin in de provincie Utrecht, regent van den bloede, karakter en krachtens grote ervaring, een van de weinige hoge notabelen in Nederland die een actief aandeel nam in het ‘verzet van de onrijpe jongelui’, schreef het commentaar. Daarmee werd in één klap van een vaag stuk een serie vlijmscherpe, onontwijkbare richtlijnen gemaakt, die geen Nederlandse ambtenaar die prijs stelde op een goede vaderlandse naam, kon negeren.

 

Enkele voorbeelden:

‘Door het afkondigen van de totale oorlog tracht Duitsland het Nederlandse oorlogspotentieel in het bezet gebied voor de eigen oorlogvoering aan te wenden. Hieraan mag onder geen beding worden meegewerkt (Radiorede Gerbrandy 15 febr. '43).

Medewerking is verboden aan:

1.Inschakeling der arbeidsbeurzen.
2.Het verstrekken van gegevens hiervoor uit de Bevolkingsregisters.
3.Medewerking van de distributiediensten bij het aanmelden van arbeidsdienstplichtigen.
4.Inschakeling van de Nederlandse politie voor het opsporen van arbeiders.
[p. 203]

Het landoorlogreglement laat requisities alleen toe ten behoeve van het bezettingsleger. Deze grens mag niet overschreden worden.

Medewerking is dus verboden aan: de uitvoering van verordeningen die deze vorderingen anders of verdergaand regelen (en dat was bijna steeds het geval, Sj.v.V.), tenzij deze uitvoering alleen strekt tot verzachting van het oorlogsleed of bevordering van een gelijkmatige druk over de gehele bevolking.

Medewerking is verboden aan de opsporing en gevangenneming van gijzelaars.

Medewerking is verboden aan iedere handeling die het in militaire dienst nemen van Nederlandse onderdanen bevordert of mogelijk maakt.

Medewerking is verboden aan de opsporing der verordeningen ten aanzien van het opsporen en gevangennemen van joden.

Een onjuiste opvatting van de gegeven aanwijzingen door een hoger geplaatste of een door deze in strijd met die aanwijzingen gegeven opdracht ontslaat de lager geplaatste niet van zijn plicht en zal niet als verontschuldiging kunnen worden aanvaard.’

Dergelijke taal maakte het leven van de ambtenaren (althans van hen die er zich iets van aantrokken) er niet aangenamer op. Later in de bezettingstijd heeft de Regering te Londen zich achter dit commentaar geplaatst. Het bracht op zijn eigen wijze de oorlog, met zijn gevaarlijke beslissingen, zijn ondraaglijke verantwoordelijkheid, zijn gevaren, ook in het leven van de eerzame ambtenaar, de politieman, de bestuurder.

Vraag mij nu niet hoe men zich aan deze aanwijzingen gehouden heeft. Daar valt heel wat over te zeggen en nog meer over te zwijgen. Het na-oorlogse Nederland heeft kennelijk in overgrote meerderheid besloten er de (Duitse) Schwamm overheen te halen. Wel steekt de huidige collectieve bereidheid de vrijheid desnoods met een collectieve atoombom te verdedigen merkwaardig af tegen de toen aanwezige aarzeling dergelijke beslissingen individueel te nemen. Maar genoeg hierover.

Wat ik in dit artikel bedoelde te zeggen is, dat in deze tijd, nu twintig jaren geleden, vrijwel alle Nederlanders op de een of andere wijze in de knoei kwamen.

Vrij waren alleen maar diegenen, die volledig voor het verzet gekozen hadden en voor een onvoorwaardelijk neen tegen de Duitsers. Daarom zei de dichter Nijhoff eens: Ik heb me nooit zo vrij gevoeld als in de bezettingstijd...

Maar dat zal niet iedereen begrijpen.

8 juni 1963.

prepostterug  begin  verder