terug  begin  verderprepost

Praters en verraders

In juli 1943 verscheen er in de dagbladen het volgende bericht:

 

politieke moord in rotterdam

10.000 gulden beloning

 

In de avonduren van 19 juli 1943 - tegen 23 uur - werd in de Zestienhovenstraat in het Noordelijk deel van Rotterdam de Nederlandse staatsburger Anthonius van der Waals, geboren op 11 oktober 1912 te Rotterdam, door verscheidene

[p. 208]

schoten ernstig gewond. De gewonde is tijdens het vervoer naar het ziekenhuis aan zijn verwondingen bezweken.

De daders wisten zonder herkend te zijn te ontkomen. Op den dode werd een persoonsbewijs gevonden, uitgeschreven ten name van Antoon de Wilde. Het vermoeden bestaat, dat het slachtoffer zich soms van de naam Antoon de Wilde bediend heeft.

De bevolking wordt aangespoord om mede te werken aan het opsporingswerk. Voor ter zake dienende aanwijzingen, die leiden tot het vinden van de daders, wordt een beloning van 10.000 gulden uitgeloofd.

 

De leider van de Sicherheitspolizei
en van de sd te Rotterdam
W.G. Wölk
ss-Sturmbannführer

 

Die tienduizend gulden hebben de Duitsers nooit behoeven uit te betalen. Niet omdat het Nederlandse volk alleen maar uit eerlijke lieden bestond, maar omdat de staatsburger Anthonius van der Waals, alias Antoon de Wilde helemaal niet gewond was, niet beschoten, niet bezweken.

Een ietwat dom bericht overigens, dat bewijst dat Sturmbannführer Wölk niet tot de allersnuggersten behoorde. Had het slachtoffer twee persoonsbewijzen bij zich? Da's een gekke zaak! Had hij er één bij zich? Maar hoe wist men dan zijn juiste naam? Leuk is ook voor iemand die een dergelijk persoonsbewijs bij zich draagt het ‘vermoeden’ dat hij zich ‘soms’ van die naam bediend heeft. Maar de Duitser Wölk had daar zijn bedoelingen mee. Van der Waals, die een door de moffen betaalde verrader was, werkte ook onder de naam De Wilde. Hij was als verrader in de gaten gelopen, moest onder een nieuwe naam zijn oude spel voortzetten en dus moest men geloven dat zowel Van der Waals als De Wilde ‘bezweken’ waren. De illegale pers, die als een van zijn taken het ontmaskeren van verraders beschouwde, waarschuwde dan ook met opgave van het signalement. Hier heeft u bijvoorbeeld het bericht uit Vrij Nederland:

 

Anthonius van der Waals,

Rochussenstraat, Rotterdam. Werkt onder andere onder de schuilnaam Anton de Wilde (Ton) in het gehele land. Geeft voor in verbinding te staan met Engeland en heeft vele, hierdoor aangeknoopte relaties overgeleverd aan de Gestapo. Signalement: lang 1.80 m, donker golvend haar, bruinachtige ogen, scherpe neus, ovaal gezicht, blanke huid; maakt indruk 35 jaar te zijn, is technisch onderlegd...

 

Ik heb hem, na de oorlog, bij zijn proces in Rotterdam gezien. Het signalement klopte aardig goed. Zijn blanke huid was alleen nog witter toen...

Van der Waals had contacten met Engeland! Via het Englandspiel. Hollandse jongens, in Engeland opgeleid, werden in Nederland als geheime agenten neer-

[p. 209]

gelaten. Ze vielen in Duitse handen. De Duitsers gebruikten hun zendtoestel en hun code. Hun opvolgers vangen was toen geen kunst meer. Van der Waals, agent van de Duitsers, gebruikte deze mogelijkheid om zijn relaties te bewijzen, dat hij ‘contact met Engeland’ had. Een van te voren afgesproken, raadselachtig zinnetje, gezegd voor de bbc of Radio Oranje, was het bewijs dat dit contact bestond. Logisch dat de mensen erin trapten. Onder anderen Koos Vorrink en zijn groep van politici, die zich bezighielden met de na-oorlogse bestuursproblemen. Zij waren niet de enige slachtoffers.

En dood zijn of contact met Engeland waren niet de enige trucs van Van der Waals. Een andere keer was hij een ‘illegale werker’. Op de vlucht aangeschoten en aan de hand verwond. Prompt weer een politiebericht in de kranten. Opnieuw een beloning. Opnieuw een legitimatie om zich in het verzet in te dringen...

 

Van der Waals was niet de enige. In Leiden werkte een kleermaker, Brandon. Hij was gevangen genomen en vrijgelaten op voorwaarde voor de Duitsers te werken. Hij gaf voor wegen te kennen om overzee naar Engeland te ontsnappen. Enkele van mijn eigen vrienden liepen in de val. Toen ik zelf allang voortvluchtig was, vervolgde hij mij op al mijn vroegere legale adressen. Hij had een dringend bericht over een van mijn vrienden, die in gevaar verkeerde.

 

Een reserve-officier wordt gearresteerd. Hij heeft een joodse verloofde. Hij wordt met de kogel bedreigd en ook zijn verloofde wordt bedreigd. Onder vreselijke Duitse druk bezwijkt hij en verklaart zich bereid voor de Duitsers te werken.

Teruggekeerd in zijn illegale milieu probeert hij aan zijn verraad nog een ‘morele’ grond te geven. In die tijd namelijk heerst in vele illegale milieus een soort crisis. Het werk wordt omvangrijker, moeilijker, belangrijker. Er moeten nieuwe regels worden ontworpen, nieuwe onderlinge bevoegdheden worden vastgesteld, er moet meer discipline komen en meer specialisatie. De romantische tijd van de kleine ‘république des camarades’ is voorbij. Men mag zich niet meer met alles bemoeien, mag niet meer alles weten, niet meer alléén beslissen. Dat brengt, zelfs onder vrienden, botsingen teweeg.

Uit overgrote ijver riskeren sommigen te veel. Ze brengen niet alleen zichzelf maar ook de anderen van hun groep in gevaar. Leiding kunnen ze moeilijk aanvaarden... De verrader heeft zijn ogen goed open en legt zijn oor overal te luister. Hij zal de illegaliteit van deze ‘lastposten’ verlossen en brengt speciaal deze dappere jongelui bij de Gestapo aan. ‘Zie je wel,’ zeggen de anderen, ‘hoe gevaarlijk dit gebrek aan discipline is. Nou is die weer gepakt! Dan die!’ Tot de regelmaat van de arrestaties te opvallend wordt. Tot er uit de gevangenissen berichten komen dat er een verrader in het spel is. Als alles vaststaat wordt de verrader doodgeschoten. Zijn lijk wordt in de vaart aan de Baarsjesweg te Amsterdam gegooid. Verzwaard met stenen. Twee dagen later slaat de schroef van een sleepboot hem boven water.

[p. 210]

Maar er zat aan deze verraad-methode nog een veel tragischer kant. In de groep waren twee partijen, die we nu gemakshalve (maar niet geheel juist) maar zullen aanduiden met de voorzichtigen en de onvoorzichtigen. Beide opvattingen hadden aanhangers. Toen de arrestaties met bijna de regelmaat van de klok plaatsvonden, begonnen de ‘onvoorzichtigen’ de anderen te wantrouwen. Men ging zelfs zover hier en daar aan te nemen dat ze door hun eigen mensen verraden werden, een middel van de voorzichtigen om zich van hun ‘lastige’ broeders te ontdoen. Een opvatting die het zelfs tot na de oorlog uithield. Zover kon het wantrouwen gaan in een club waar men elkaars daden niet kon controleren, vaak elkaars naam, komaf enzovoort niet kende. Waar het zaad van het wantrouwen eenmaal gezaaid was, was het herstel praktisch onmogelijk.

 

En toch was dit wantrouwen, hoe tragisch ook, altijd nog beter dan te groot vertrouwen. Vertrouwen, praatgraagheid, ijdelheid hebben meer slachtoffers gemaakt dan alle verraders tezamen. We laten een van de illegale bladen aan het woord, dat er geen doekjes om windt.

 

‘Na drie jaren oorlog moest ons volk toch eindelijk weten te maken te hebben met het gemeenste, geraffineerdste, meedogenlooste, bloeddorstigste en verraderlijkste politieapparaat, dat de wereld ooit gekend heeft.

Maar men weet het blijkbaar nog niet.

Dagelijks komen ons gevallen ter ore van een zo vergaande onvoorzichtigheid, van zoveel stommiteit, onverantwoordelijk geklets, ongezonde, nutteloze nieuwsgierigheid, gewichtigdoenerij en dodelijke eerzucht, dat wij ons wanhopig afvragen of ons volk wel ooit zal beseffen, dat het met eigen leven en met het leven van anderen speelt.

Elke dag vallen er slachtoffers. Overal worden de mensen weggehaald. Celdeuren vallen in het slot. Tuchthuisstraffen, concentratiekampen en doodvonnissen volgen. Sinds de stakingsdagen van mei knalden de vuurpelotons meer dan dertig landgenoten neer.

We doen daarom een diep-ernstig en dringend beroep op alle goedwillende Nederlanders, op alle mensen die nog hersens in hun hoofd hebben, die nog weten wat zelfbeheersing is en verantwoordelijkheid, om een felle en onverbiddelijke actie te ontketenen tegen alle kletskousen, nieuwsgierigen, onvoorzichtigen, sensatiemensen enzovoort.

Bestraf ze! Verbreek de omgang! Stoot ze uit uw vriendenkring! Schuw ze als de pest! Ze zijn gevaarlijker dan nsb'ers! Ze zijn onbetrouwbaarder dan leugenaars!...

...Klets niet! Noem geen namen! Noem helemaal niets! Zwijg! Stel het leven van anderen en de vaderlandse zaak niet in de waagschaal door in gezelschap, in de familiekring, bij het koffiedrinken of op verjaardagen enzovoort enzovoort een goede beurt te maken. Het is een minderwaardig en onzakelijk bedrijf. U weet niet en mag niet weten waarom uw collega, buurman, stad- of dorpsgenoot, kennis enzovoort gearresteerd is. U moogt het niet zeggen en u mag er

[p. 211]

niet naar vragen! U weet niet wie pamfletten verspreidt!

Uw goede beurt, uw interessante gesprek, uw succes in gezelschap moet duur betaald worden!

Handlangers van de Gestapo bent u! Niets meer en niets minder! Men vergeve ons de woorden, maar wij weten geen andere om onze verontwaardiging te uiten:

Het gedonder moet nu maar eens uit zijn!’

 

Nederland moest de techniek van het ondergronds verzet om zo te zeggen leren vanaf het niveau van de kleuterklas. Men heeft het geleerd, maar voor een heel hoge prijs. Het feit dat het overgrote deel van ons volk ‘goed’, dat wil zeggen anti-Duits was, heeft het verzet vergemakkelijkt. Als tien procent van ons volk werkelijk verkeerd was geweest zou veel verzet al niet meer mogelijk zijn geweest.

Maar er was ook een nadeel aan verbonden. Naarmate de uitslag van de oorlog duidelijker een overwinning van de vrije volken werd en naarmate het einde in het zicht kwam, wilde iedereen ‘meegedaan’ hebben. De illegaliteit kon de toevloed niet organisatorisch verwerken, kon ook niet voldoende schiften.

En dan was er die hinderlijke klein-burgelijke eigenschap van ons, een naar soort romantiek, die ons via de vaderlandse geschiedenis al werd aangepraat, de behoefte aan een gedroomd ‘ander’ leven, dat in vredestijd bestaat uit goede zaakjes, waarmee men veel geld verdiend heeft, of vrouwen die men heeft liefgehad of het aantal kilometers dat men met zijn nieuwe auto gehaald heeft. In de bezettingstijd waren dat ‘de contacten’, ‘de wegen’, de medekennis van hetgeen zich rondom de gewone burgers afspeelde, die geheime wereld, waarvan men de aanwezigheid voelde, waarvan men plotseling de bewijzen zag en even plotseling niets meer, waarbij men niet behoorde, niet wilde behoren en toch zo graag wél wilde behoren...

Het ‘gedonder’ heeft tot het eind van de oorlog geduurd, en zelfs nog daarna, toen ieder er ‘bij’ geweest mocht zijn en nu zónder gevaar van de Gestapo.

13 juli 1963.

prepostterug  begin  verder