Het kan nog net alvorens we over ernstiger dingen moeten praten. ‘Ernstiger’ is trouwens nog de vraag. Ook de verzetspoëzie was een ernstige zaak, waarvoor heel wat mensen met gevangenisstraf en concentratiekamp moesten betalen. In de zomer van 1943 nam het gewelddadige verzet hand over hand toe. Politieke moorden waren aan de orde van de dag. Ook het verzetsvers was een wapen, waarmee een vijand kon worden ‘gedood’, ook al voltrok zich de aangelegenheid zonder bloed.
Zo bijvoorbeeld dit korte versje, dat de propagerende nsb'er genadeloos executeerde. Daar was geen kruid tegen gewassen, alle heldhaftige woorden die de nazi-pers aan hem wijdde ten spijt.
We schrijven er nu over, omdat er, ook op dit gebied, een duidelijk onderscheid is tussen de eerste en de tweede helft van de bezettingstijd. Het overgrote deel van de verzetsverzen werd in het begin van de oorlog geschreven. Die later ontstonden waren vrijwel uitsluitend produkten van gerenommeerde dichters. Ze waren als vers vaak veel beter dan de eerste, maar ze zijn nooit op die wonderbaarlijke manier gemeengoed van het volk geworden als de, naar literaire maatstaven gemeten, slechtere en vaak stuntelige versjes uit de eerste tijd.
In de tweede helft van de bezettingstijd werden de verzetsverzen verzameld en clandestien uitgegeven, in de eerste helft werden ze gemaakt, opgezegd, nagezegd, met de pen overgeschreven op vodjes papier, op kantoren van de ene schrijftafel doorgegeven naar de andere, op scholen stopte de ene leerling ze stilletjes in de zak van de andere, op fabrieken werden ze in de wc's op de muur gekrast. Ze werden gestencild en soms gedrukt. Maar bovenal, ze werden herkend, begrepen en op de hoge golven van een gemeenschappelijke emotie functioneerden ze waarlijk als stem van een volk, als troost, als getuigenis, als wapen en als schild.
Een raadselachtig verschijnsel.
Misschien is er nooit een tijd geweest, zolang dit volk de lage landen bij de zee bewoont en één taal spreekt, waarin de poëzie zo duidelijk en algemeen als de stem van het volk en vóór het volk werd herkend. Er is na de oorlog een discussie ontstaan of er, naar de maatstaven die de literatuur-kritiek aanlegt, hier wel sprake was van poëzie. Een onbelangrijke vraag wanneer men ziet hoe de door metrum en rijm gebonden taal (niet het proza, niet de preek, wel ook de kreet, de leus) plotseling algemeen tot de beste en meest adequate uitingsvorm wordt van een gespannen en ontroerd volk.
Mét het chaotischer worden van de emoties, met de toenemende variabiliteit van de ervaringen, mét de gewenning, de verruwing en de overgang van enkele primitieve maar zeer fundamentele noties naar genuanceerder opvattingen, verdwijnt ook de verzetspoëzie. Althans in die directe, simpele betekenis van de eerste tijd. Verzetsliteratuur blijft bestaan, maar het is alweer literatuur geworden, brood voor weinigen, verstaan door weinigen. De stem van een enkeling, opgevangen door een aantal anderen, niet meer de stem van een volk, door een (onbekende) enkeling gehoord en op papier geschreven...
Men kan zijn voorkeuren hebben. Men kan het grootste deel van hetgeen we verzetspoëzie noemen op de literaire rommelzolder gooien en haar belang uitsluitend in nationaal-politieke waarden meten. Er zullen er ook zijn, die zeggen dat hier de poëzie pas waarlijk functioneerde in een volk en dat daarom deze poëzie meer waard is dan het grootste deel van de na-oorlogse oogst. Hoe het zij, de gedachtenwisseling hierover is nóg aan de gang, ook al betreft die andere situaties en andere poëzie. In de protestantse kerken gaat het om het gemeentelied, in Rusland om het socialistisch realisme en de vrijheid van het individuele experiment, ook in de literatuur. Het ingrijpen van Chroesjtsjow uitsluitend verklaren als een daad van de opperste politieman, een dogmatische ingreep, politieke angst voor bourgeois-afwijkingen lijkt mij, in het licht van hetgeen wij zelf met de verzetspoëzie hebben ervaren, onjuist. Ook het Russische volk heeft een tijd meegemaakt waarin de spanningen en emoties van zeer velen stem kregen in die van enkelen. Gevolg van een revolutie, gemeenschappelijk ervaren leed en collectieve hoop. Het is begrijpelijk dat een man als Chroesjtsjow deze toestand, waarin de kunst zo direct functioneerde, wil bestendigd zien. Begrijpelijk, maar wellicht onmogelijk. In Nederland heeft het de bezetting niet uit geduurd.
Ze waren er dus, die versjes. Ze waren er maar kort. In 1942-'43 was het vrijwel afgelopen met de spuitende dichtaders.
Hetgeen daarna verscheen was, in grote lijnen, bijna het omgekeerde. Aangezien de Duitsers publikaties van schrijvers die niet waren aangesloten bij hun Kulturkammer hadden verboden en aangezien voor het gebruik van een hoeveelheid papier van meer dan vijf pond de toestemming van de Duitsers nodig was, ontstonden er hele series clandestiene uitgaafjes. Vaak van een zeer precieus karakter met een zeer esthetische inhoud. Het omgekeerde eigenlijk van de verzetspoëzie, ook al willen we daarmee niet zeggen dat de publikatie van dit werk, in zichzelf, geen daad van verzet was. Dat was het zeker wel.
Het Duitse barbarendom belaagde ook dit gebied van de menselijke geest. Ook zij hadden hun opvattingen als ‘Gut ist was dem Volke nützt’ en de publikatie van deze ‘nutteloosheid’ was een demonstratie van ware cultuur tegen de opmars van de Kultur. Op zichzelf trouwens verbijsterend mooi te ervaren dat er mensen zijn, die in tijden van schaarste en honger hun geld liever uitgeven aan een kleine bundel van Baudelaire dan er een brood, een half pond koffie of een speklap op de zwarte markt voor te kopen. Het rijtje uitgaven in mijn boekenkast overziende, deze vaak kleine, zeer dunne boekjes met hun vaak prachtig verzorgde inhoud, versterkt soms meer het besef dat boeken een schatkamer zijn van de cultuur dan de plechtige, dikkere en soms onnodig opgedirkte banden die op de andere planken van mijn kast te vinden zijn.
Er is één ding dat de verzetspoëzie even duidelijk illustreert als het verzet zelve. Het Nederlandse verzet was vóór alles een burgerlijk verzet, geen militair. Het was vaak meer een vrucht van bezinning dan van agressiviteit. Het was er zelfs min of meer tegen wil en dank. Zijn oogmerken lagen in de sfeer van de vrede, niet in die van oorlog en macht.
Na de oprichting van de bs (Binnenlandse Strijdkrachten) in het staartje van de oorlog (een nodige en nuttige daad voor dát stadium van de oorlog!) heeft men wel geprobeerd het vaderlandse verzet op deze militaire noemer te brengen, maar deze vervalsing van de geschiedenis is niet gelukt, zelfs niet door Alden Hatch in zijn boek over Prins Bernhard.
Wat, zoals blijkt uit de gedichten, aansprak, was de liefde voor het vaderland, voor ‘Holland’, de bezinning op traditie en karakter, de verbondenheid met Oranje, de oprechte verontwaardiging over Duitse trouweloosheid en Duits geweld, en opmerkelijk veel vroomheid.
Of:
Filosofische berusting als troost voor de vernietiging van Rotterdam:
Veelvuldig zijn de bezweringen niet op 's vijands geraffineerde propaganda in te gaan, zoals bijvoorbeeld in een van de strofen van het bekende Lied der Achttien Doden:
Of dit korte gebed.
Pathetisch werd het wezen van het vaderlandse verzet samengevat in het gedicht ‘Waarvoor wij strijden’. Wij halen er hier en daar slechts enkele kenmerkende zinnen uit, zodat de samenhang als vers verloren gaat:
‘Wij strijden tegen 't wezenloos geweld’, staat er ergens anders. Grote opgang maakte een gedicht dat zeker niet tot de beste behoort, maar om zijn directheid iedereen aansprak:
En zelfs waar de haat uitbarst en niet meer in te tomen is, wordt God aangeroepen als getuige, hoezeer ook deze haat uit droefheid werd geboren:
Ik weet dat dit geen bloemlezing uit de verzetspoëzie kan worden en daarom stop.
Het nummer van 28 augustus 1943 van een toen illegaal verschijnend blad begon in die dagen, nu twintig jaar geleden, zijn vierde jaargang. Het blad legt
rekenschap af waarom het blijft verschijnen en schrijft:
‘Zo ooit dan beseften wij speciaal in die eerste tijd van de oorlog dat vaderland, ons vaderland geen natuurkundig of etnologisch begrip is, maar geschiedenis, traditie, vrijheid en menselijke waardigheid. In onze beste ogenblikken beseften wij dat het erom ging: Als mens te kunnen en te mogen leven...
Thans, na drie jaren oorlog, is er van dit nationale besef veelal niets anders overgebleven dan een stompzinnig en halsstarrig nationalisme. Er is hoe langer hoe minder sprake van bezinning. Onze nationale solidariteit berust op driften en instincten.
Dezer dagen kregen wij een illegaal rijmpje onder de ogen, waarvan het eerste couplet aldus luidt:
‘Waanzin van uit het lood geslagen mensen’, schrijft het blad. Dat kan men van de verzetspoëzie uit de eerste helft van de oorlog zeker niet zeggen. Het is juist de vergelijking met een uiting als deze, die de waardigheid, het heldendom en de oprechte bezeerdheid van de verzetspoëzie doet uitkomen.
Als die poëzie waarlijk de stem van het volk was, dan behoeven wij ons om dit volk niet te schamen. Het is A.D. 1963 wel eens goed en troostrijk dat te weten.
17 augustus 1963.