terug  begin  verderprepost

Op weg naar de chaos

Het ging Duitsland slecht in oktober 1943. Het ging ons ook slecht. Hoe langer hoe slechter, hoewel we tegen elkander zeiden dat alles goed ging en nog beter zou gaan. Maar dan bedoelden we de opmars van de geallieerden aan het Oostfront en in Zuid-Europa, waar het snorkerige bewind van Mussolini was ineengestort. De Duitsers probeerden met dwaze legerberichten hun debâcles te camoufleren, maar dat lukte niet. Dat gaf veel stof tot lachen, maar overigens was er niet veel te lachen. Integendeel. Bijna dagelijks stonden er in de kranten lange lijsten van namen. Die namen waren mensen, meestal jonge mannen, onder wie velen, die als alles normaal was gegaan, een goede, soms zelfs briljante toekomst zouden hebben gehad. Doodvonnissen!

Het verzet werd er niet minder om. Het werd sterker en het volgde een van die wetten, die onderdrukkers blijkbaar tot vandaag de dag nog niet voldoende kennen. Onderdrukking wekt verzet. Terreur wekt tegenterreur. Meer terreur, meer tegenterreur. Daaronder waren aanslagen op met zorg gekozen personen, zoals gevaarlijke verraders of politiebeambten die voor de vijand werkten (en vooral ijverig werkten), of op een generaal die onze jongens voor het Oostfront ronselde. De Duitsers voerden nog steeds de vertoningen op van gerechtshoven. Zelfs met verdediger en al. Maar de vonnissen kregen een verschrikkelijke monotonie. De dood. Ze trokken er ook ‘onofficieel’ op uit en vermoordden notabelen, schrijvers, geneesheren, schoolhoofden enzovoort enzovoort.

Ook aan onze kant werden moorden gepleegd, die weliswaar een politiek tintje hadden, maar niet het gevolg waren van een collectief weloverwogen besluit, waarbij de politieke noodzaak de doorslag gaf. Eenmansondernemingen, wraakoefeningen, uitbarstingen van onderdrukte woede, soms zelfs platweg roof. In Haarlem werd de vrouw van een nsb'er met een zakmes geslacht. Bij Zwolle werd een nsb'er half gewurgd en levend begraven, met fiets en al. De daders waren in de netten van de slavendrijvers gevallen en zouden de volgende dag naar Duitsland moeten vertrekken. Hun woede zocht een uitweg, op de primitieve manier van primitieve mensen. Van een boerengezin in Oost-Nederland, Duitsgezind ja, werd de boerderij platgebrand. Ze woonden twee dagen in een eigen gebouwd schuurtje op hun land, toen kwamen er twee bezoekers in de late avond. Na een lang gesprek namen ze afscheid en bij het afscheid knalden ze man en vrouw neer.

In diezelfde tijd groeide het aantal overvallen op distributiekantoren. Ambtenaren onderweg, met soms een tas vol bonnen of andere bescheiden die de onderduiker goed gebruiken kon, werden van hun kostbare schat beroofd, maar slechts zelden werd er geschoten en het is, achteraf gezien, eigenlijk heel bijzon-

[p. 235]

der dat daarbij zo weinig bloed gevloeid heeft. Organisatie, discipline en grote persoonlijke moed. Daarnaast vaak primitieve uitbarstingen, botte wraak, hebzucht, roof, soms pure moordlust.

 

Ja, er was in Nederland iets aan het veranderen. De Duitsers hadden er zelf voor gezorgd. Maand in maand uit had de ondergrondse pers de ambtenaren opgeroepen administratieve verwarring te stichten. Platweg gezegd, de rommel door elkaar te gooien. Onderduiken! Onderduiken! Je nooit in de handen van de vijand geven! waren de parolen. Op de fabriek saboteren! Je ziek melden! Stelen van de Duitsers wat je stelen kunt! Voedselvoorraden verdonkeremanen! Met hun maatregelen hadden de Duitsers thans vrijwel iedereen deze jungle ingejaagd. De studenten en de dienstplichtige militairen en de jaarklassen die werden opgeroepen voor werk in Duitsland. Die trokken weg uit hun huis, doken onder, liepen met valse papieren rond voorzover die in 1943 al via de illegaliteit verkrijgbaar waren, vormden verzetsgroepen, roofden om te kunnen blijven leven enzovoort enzovoort. En onderwijl groeide de armoede! Als je de distributiemaatregelen van de herfst 1943 nog eens doorneemt blijkt pas hoe erg het toen bezig was te worden.

De Duitsers hadden onze kerkklokken gestolen. Nu moesten ook andere bellen en belletjes uit persoonlijk bezit worden ingeleverd. Fietsbanden waren er allang niet meer, maar nu kwamen zelfs houten fiets ‘banden’ op de bon. In de etalages mochten geen verpakkingen meer worden uitgestald van goederen die niet meer leverbaar waren. Waarom niet? zult u zich in 1963 verbaasd afvragen. Omdat de herinnering aan onze gestolen rijkdom de mensen de duvel in 't lijf joeg. Soms deden de winkeliers het met bittere grappen, die hun uitwerking niet misten. Zo bijvoorbeeld in de etalage van een drankwinkel, vol lege flessen, met een groot biljet aan het raam: vijf cent, één keer ruiken aan de kurk!

Zelfs tweedehands goederen werden aan de prijsbeheersing onderworpen.

 

In advertenties moesten prijs en adres worden genoemd. Groenteboeren mochten alleen nog maar aan hun eigen vaste klanten leveren. Groentetelers werd verboden rechtstreeks van hun akker te verkopen. De ccd, dat is de Centrale Controle Dienst van de voedselvoorziening, maakte in het eerste halfjaar van 1943 niet minder dan 74.536 processen-verbaal op. Ik ben er zeker van dat de niet gesnapte illegale transacties het tien-, wel het hondervoudige bedroegen. De slagers mochten uit beenderen geen bouillon meer aftrekken. Trouwens zelfs het verstrekken van beenderen werd gereglementeerd. Clandestiene slachtingen van vee waren aan de orde van de dag. Dat ging vaak met primitief gereedschap, in schuurtjes, zonder behoorlijk licht en zonder enige hygiënische maatregel. Een paradijs voor zwarte handelaren. In een dorp werd in het avondlijke duister een clandestien geslachte koe vervoerd. Plotseling: Halt! Politie! De mannen op de loop. Het was geen politie, maar het waren buren, die kennis hadden gekregen van het transport. Ze wonnen er een koe mee.

Er waren lieden die er rijk van werden, zoals er altijd schobbers zijn geweest

[p. 236]

en zullen blijven die van de nood van anderen rijk worden.

Soms werden we zoet gehouden als kinderen. Mededeling in de kranten: Aanstaande moeders kunnen een bon krijgen voor een teiltje en een babykruikje. Een week later de mededeling: Jawel, maar alleen moeders die hun eerste baby verwachten. In de kolommen kleine advertenties waren tweedehands kinderwagens een veelgevraagd artikel. Bij de spoorwegen werd extra politiepersoneel aangesteld. In 1942 werden er bijna 40.000 diefstallen gepleegd uit spoorwegloodsen. In de eerste drie maanden van 1943 alleen al 13.000!

Bijna 5000 spoorwegwagons werden in 1942 opengebroken, en 1942 was nog heilig en rijk vergeleken met 1943. Er ontstonden clandestiene fabriekjes, bijvoorbeeld van schoenen. Een kolenhandel werd betrapt op het clandestien verhandelen van duizenden mudden.

Wie wilde gaan trouwen mocht niet meer in een koets rijden, getrokken door twee paarden. Trouwens er mocht zoveel niet. Zelfs het oplaten van vliegers was verboden. Het houden van duiven was al veel eerder onmogelijk gemaakt. In vele steden mochten jonge meisjes na 8 uur niet meer op straat. In zulke sombere tijden was de liefde een leuke afwisseling, die vaak nog betaald werd ook, vooral als er Duitsers of zwarte handelaars van profiteerden.

De Duitse soldaten stalen trouwens ook mee. Een van hun begeerde artikelen was de knijpkat, een zaklantaarntje dat door een handbeweging kon blijven branden. Omstreeks deze tijd van het jaar liepen een medewerker en ik door de Kalverstraat. Er waren in onze groep juist veel arrestaties gevallen. We hadden ieder een tas vol materiaal bij ons, voor de ondergrondse pers, voor spionage enzovoort. Toen we bijna over een trottoirband vielen (het was stikkedonker) kneep mijn vriend even de knijpkat aan. Onmiddellijk werden twee geweren op ons gericht. Twee Grüne Polizisten! Wij dachten aan onze tassen, maar zij aan onze knijpkat. We zagen kans de tassen in het donker in de goot te zetten, maar de lantaarn waren we kwijt. Moeilijk terugzoeken in het donker...

 

Goed, misschien heeft u in het welvarende Nederland van 1963 er thans enig besef van hoe het twintig jaar geleden was. Het is nog allemaal niks. Het was erger, verwarder, wilder, ook vaak lachwekkender, soms zelfs goediger. In een houten huisje in de Achterhoek, midden in het bos, had onze verzetsgroep een soort retraite. Wie even uit de circulatie moest kon er heen gaan. Een boerin, een halve kilometer ver weg, kookte eten. Zonder bon. De bakker bracht brood. Zonder bon. In het dorp stopte de slager ons wat extra's toe. Zonder bon en alles tegen normale prijs. Ze hebben geweten wat voor ‘soort’ we waren, maar er nooit iets meer van laten merken dan hun brave zorg.

En toch zat aan dit alles een groot probleem en het is ook daarom dat we dit onderwerp in deze kroniek aan de orde stellen. In de maand oktober 1943 gaf ir. Louwes een uitvoerig bericht aan de pers, waarin hij het probleem van onze voedselvoorziening en de zwarte handel aan de orde stelde. Dat is nu twintig jaar geleden.

Louwes had een onmogelijke baan, tegelijk de ondankbaarste en de mooiste.

[p. 237]

Hij moest er voor zorgen dat het volk kon blijven eten. Hoe schaarser alles werd, hoe strikter de distributie moest zijn, hoe strenger de orde. Maar hiermee kwam hij in conflict met de eisen van het verzet, dat op de wanorde speelde en dat stelen en roven moest om de onderduikers (door de Duitsers rechteloos gemaakt en van de distributie uitgesloten) in leven te houden. In het algemeen had de mening postgevat: Steel wat je stelen kunt, grijp wat je grijpen kunt, want anders gaat het toch naar de moffen!

 

Ir. Louwes betoogt dat dit maar zeer ten dele het geval is. Als het Duitse leger niets van ons zou nemen en als er niet naar Duitsland zou worden geëxporteerd, zou ons voedselpakket slechts 8 à 9 procent groter zijn geweest. 9 procent van bijna niks blijft niks! Dat wil zeggen, dit is het gemiddelde percentage. Zonder de Duitse mee-eters zouden we bijvoorbeeld niet meer brood en niet meer boter hebben gekregen. Van vlees en peulvruchten echter 25 procent meer. Groente nog meer!

 

En dan zegt Louwes:

‘Deze cijfers zijn niet zo, dat iemand zou kunnen zeggen “laat de boel maar in het honderd lopen, dan gaat het tenminste niet naar Duitsland.” Zeven à negen procent kan de bezetter zich altijd wel verschaffen, als hij dat wil, en gesteld dat hij in dit geval niet meer nam, dan zouden we net als nu 91 à 93 procent overhouden, maar dan onder volkomen chaotische toestanden. Het maakt een geweldig verschil of we deze hoeveelheid eerlijk en gelijkmatig kunnen verdelen, dan wel of we de zwarte handel voor de verdeling laten zorgen. In dit laatste geval krijgt de één, die toevallig veel geld of veel kennissen op het platteland of onder fabrikanten of winkeliers heeft, veel meer dan hem toekomt en de ander minder of niets. Het zijn de armen, de maatschappelijk weinig weerbaren, die de dupe worden. Als dit gebeurde, dan zouden we de hongersnood in grote omvang zijn intrede zien doen met zijn begeleiding van morele en materiële verwording. Men kan zich de gevolgen hiervan niet ernstig genoeg voorstellen...’

 

Daar is geen speld tussen te krijgen en ik zou niet graag willen beweren dat ir. Louwes van zijn standpunt en verantwoordelijkheid uit, niet gelijk had. Maar zijn standpunt was niet het enige! Het was toch eigenlijk principieel fout, een zodanige fout als zovele goede ambtenaren in die tijd maakten. Deze: de toestand beoordelen, lós van het oorlogs- en verzetsaspect. Hun redenering is ongeveer dezelfde als die van een kapitein van een oorlogsschip, die zou zeggen: Jongens, niet aanvallen en niet schieten, want anders krijgen we zo'n warboel aan boord...

De chaos maakten de Duitsers! De zwakken, waarover Louwes spreekt, hadden ze bij honderdduizenden naar Duitsland gevoerd. De jongeren, waarvan hij elders in zijn stuk spreekt, van de universiteiten en middelbare scholen verdreven en vogelvrij verklaard. Vele armen in zijn dienst gelokt of ertoe gedwongen.

[p. 238]

De allerbesten uit het distributie-bestel gestoten. Kan men dan werken met de maatstaven die, in een noodtoestand, onder een eerlijke regering en een fatsoenlijke wetgeving ongetwijfeld behoren te gelden?

Maar op één punt had hij gelijk: de zwarte handelaars, degenen die zich aan de nood van allen rijk stalen, waren schoften. Alleen hun aanwezigheid toen was even onvermijdelijk als pus in een zweer. Voor die zweer droegen de Duitsers de schuld.

26 oktober 1963.

prepostterug  begin  verder