Wie uit het feit van onze kennismaking met de Duitse dictatuur en barbarij de conclusie trekt, dat het democratisch besef in bezet Nederland wel danig versterkt en verdiept zou zijn, vergist zich.
Oorlog en bezetting, met alles wat daarbij behoort en met alles wat de Duitsers daar nog extra bij fourneerden, zijn wilde en verwoestende zaken, die ook het waarlijk tere plantje van democratisch besef niet onaangetast laten. De betekenis van de individuele mens degradeert, zijn lot wordt, tussen duizenden soortgelijke en ergere gevallen, onbelangrijk. De verachting voor de bezettende macht liet in het algemeen de eerbied voor waarlijk en rechtmatig gezag niet onberoerd. We noemen slechts enkele aspecten. Ook onze koningin in Londen bleek daar begrip voor te hebben. In haar redevoering van 23 november 1943, ongeveer twintig jaar geleden dus, sprak ze erover. Ze zei: ‘Ik denk aan uw en mijn strijd tegen onze tweeërlei tegenstanders: de vijand waartegen wij vechten met de wapenen, en de oorlog als zodanig, die ons op den langen duur geestelijk afmat en uitput... Deze gedachte vond ik in een artikel in uw ondergrondse pers, dat ik hier vrij aanhaal.’
Ja, die toespraken van koningin Wilhelmina! Vanaf haar eerste proclamatie, gegeven te Londen op 13 mei 1940, tot aan de proclamatie van 11 mei 1945 heeft ze zich via de radio ongeveer 50 maal tot de Nederlanders in bezet gebied of, om een van haar geliefde termen te gebruiken, tot de rijksgenoten gewend. Merkwaardige toespraken vaak, waaruit warm medegevoel en een ietwat kinderlijke nationale trots en vaderlandsliefde tot uitdrukking kwamen, maar door voordracht en persoonlijkheid van een niet te schatten betekenis voor de mensen in bezet gebied. Haar redevoeringen werden vaak van te voren aangekondigd. Dan ging het bericht: De koningin spreekt dan en dan voor Radio Oranje, van mond tot mond. Ondanks het feit dat luisteren naar de ‘vijandelijke radio’ streng verboden was en een kans leverde op zware gevangenisstraf, waren de straten in Nederland op zo'n uur leger dan thans bij een voetbalwedstrijd Feijenoord-Benfica.
De nationale zaak en de zaak van God waren voor haar één en dezelfde. ‘Aan al wat ons heilig is, daar komen de vijanden van God en van ons niet aan,’ zei ze.
Ook het verzet was een werk van God.
‘Door de heldhaftige daden van onze martelaren en de schitterende voorbeelden van geestelijk leiderschap in de bezette landen zijn miljoenen en miljoenen zich thans bewust geworden dat Gods geest werkt temidden van onze huidige menselijke ellende en nood,’ is een andere uitspraak van haar.
Voor haar is de gehele problematiek van de oorlog eenvoudig, het is een strijd tussen het licht en de duisternis, tussen de dienaars van God en van satan en zij dankt God ‘voor de eensgezindheid en de kracht welke thans naar voren komen in dit jongste tijdperk onzer historie, hetwelk zeker niet onderdoet voor onze 80-jarige worsteling voor gewetensvrijheid in het verleden’.
We kunnen rustig aannemen dat die tachtigjarige strijd waarachtig ook om materiëler dingen ging dan alleen de gewetensvrijheid en met die eensgezindheid was het toentertijd in de lage landen ook niet zo bijster goed gesteld. Maar onze oude Koningin zag het zo en bekeek ook de jongste bezettingstijd met die ogen. Zij spreekt voortdurend over de eensgezindheid, geestkracht en openheid, ‘die de vernieuwing voortbrengen, die de grondslag zullen vormen, waarop het gebouw onzer toekomstige vrijheid zal rusten en de voortstuwende kracht voor alle verdere ontwikkeling en ontplooiing’. Nou ja, het is een publiek geheim dat de Koningin nogal teleurgesteld was over de naoorlogse gang van zaken en zij waarlijk niet alleen.
Maar daarover nu niet.
Haar redevoeringen hadden zo nu en dan een wat zakelijker karakter. Die van 2 september 1943 baarde zelfs groot opzien en sterker nog, ongerustheid en kritiek. Ze sprak daar kennelijk mede namens de ministerraad en gaf ons een kleine blik in hetgeen zoal in Londen werd bekokstoofd.
Het ging om Nederland na de bevrijding en ze zei:
‘Ik wil u thans enkele mededelingen doen omtrent hetgeen er hier wordt voorbereid voor het tijdstip uwer bevrijding... Een aanzienlijk aantal landgenoten is opgeleid voor de uitvoering van de reeds eerder door mij genoemde staat van beleg. Zij zullen onder leiding van een militair belast worden met de uitoefening van het militair gezag. Dit militair gezag zal op het uur der bevrijding aanwezig zijn...’
En zo ontstond in bezet Nederland een vrij felle gedachtenwisseling onder elkaar, maar ook tussen bezet gebied en Londen. Ongetwijfeld waren er die een sterk centraal gezag van militaire aard toejuichten. Niet alleen om praktische redenen! Allerlei mensen die zich vóór de oorlog nauwelijks met de ‘vuile’ politiek inlieten, waren door de omstandigheden gedwongen er thans in mee te doen. Nederland van vóór 1940 was geen verheffend schouwspel, met zijn vele, vele splinterpartijtjes, zijn werkloosheid, relletjes, kleinzielige partijzucht enzovoort enzovoort. De nsb kreeg ook vóór de oorlog weinig aanhang, maar de
aversie tegen de ‘heren op het groene kussen’ werd door velen gedeeld. De proclamaties van de Nederlandse Unie in het begin van de bezettingstijd en de commentaren van het toenmalige driemanschap waren nu ook niet het beste middel om de democratische geest onder ons volk te versterken. Juist in die dagen van 1943 verscheen er in Nederland een clandestien gedrukte brochure van Boisot (een naam waarachter zich een bekend diplomaat buiten bezet gebied verborg) waarin gepleit werd voor een sterk centraal gezag, en dat is altijd een gezag dat bepaalde bevoegdheden van een parlement en van vrije burgers aan zich trekt.
In de bevrijde gebieden werkte de amgot, een organisatie van de geallieerden, waarin de geheime diensten van de Amerikanen een grote rol speelden. Hoe die over progressieve denkbeelden dachten is na de oorlog bekend geworden en blijkt ook thans nog telkens. Er was maar heel weinig voor nodig om door deze heren als communist beschouwd te worden. Badoglio, de Italiaanse zaakwaarnemer na de val van Mussolini, weigerde linksgerichte anti-fascistische groeperingen in zijn kabinet op te nemen. In Joegoslavië werkten vele anti-Duitse militairen liever met de vijand samen dan met Tito, Polen, Grieken en wat er allemaal nog meer mocht zijn, overal zat men met de erfenis van hele of half-militaire of dictatoriale regeringen van voor de oorlog. Generaals speelden een grote rol en het is dan ook niet onnatuurlijk dat in Nederland die behoefte aan een ‘sterk centraal gezag’, een hervatte staat van beleg enzovoort vooral ook in militaire kringen, de bs bijvoorbeeld, met gejuich werd begroet.
Maar er waren ook andere stemmen en ik kan ter illustratie daarvan het beste een der illegale bladen aan het woord laten. Trouwens, de gehele ondergrondse pers was in deze zaak vrijwel unaniem dezelfde mening toegedaan.
‘...De aankondiging van een gemilitariseerd bestuur eist de verzekering, dat de democratische en grondwettelijke rechten en vrijheden geëerbiedigd zullen worden en geen dag langer beperkt dan absoluut noodzakelijk is. Het zijn juist deze rechten, die drieëneenhalf jaar lang ontkend en vertrapt zijn en vanzelfsprekend is ons volk uiterst gevoelig op dit punt... Wij zijn een mondig volk! Wij hebben drieëneenhalf jaar onrecht, dwang, dictatuur en “Maul halten” achter de rug.
De besten onder ons volk offerden goed en bloed voor de democratische rechten en vrijheden, waarover de propaganda uit Londen zo fel en hartroerend spreken kan... Ons volk is bezorgd voor deze rechten en vrijheden, het is onze oogappel, ons kostbaarst bezit! Nu... maar ook straks!...’
Dat er om velerlei redenen van veiligheid, oorlogvoering, bestraffing oorlogsmisdadigers enzovoort enzovoort tijdelijk grote bevoegdheden aan het gezag moeten worden verleend, ontkent niemand. Men erkent dat het allereerst nodige is: ‘Dienen! Hard werken! Gehoorzamen!’
Maar dan vervolgt het blad:
‘Er zijn ongetwijfeld lieden in ons vaderland, die in deze staat van beleg en een volk dat “Zwijgt en gehoorzaamt” hun hoogste staatkundige idealen verwe-
zenlijkt zien en die daarom zo lang mogelijk deze toestand willen handhaven. Wij niet! Voor ons is het een noodtoestand, die geen dag langer mag duren dan absoluut noodzakelijk is. Er is heden ten dage een roep om eensgezindheid, die on-democratisch is en waarachter allerlei autoritaire aspiraties schuilgaan... Allerlei politiek ongeschoolde lieden zijn (soms zonder het zelf te begrijpen) in dit gevaarlijke vaarwater geraakt... De wederopbouw van ons democratisch volksleven kan niet zonder vrije meningsuiting, zonder het recht van vereniging en vergadering aangepakt worden. De arbeiders moeten zich kunnen organiseren, en hun opvattingen inzake de sociale voorzieningen formuleren, de politieke partijen ontstaan, de arbeidsverhoudingen worden genormaliseerd, het economisch evenwicht moet hersteld, de grondwetswijziging en de verkiezingen voorbereid enzovoort enzovoort. Het spreekt vanzelf dat dit alles niet moet plaatsvinden in een sfeer waarin één man, hoe respectabel, hoe bekwaam en vol goede bedoelingen, vergaderingen kan verbieden, personen interneren, dagbladen censureren of in arbeidsconflicten ingrijpen kan...’
Dankzij de snelle illegale verbindingen met Londen, was hetgeen de illegale pers schreef daar gauw bekend. Op 23 november 1943 wendde de Koningin zich opnieuw via de radio tot het volk.
Ze zegt: ‘Ter overbrugging van een spanne tijds van enkele weken, enkele dagen misschien, is nu ontworpen het militair gezag, dat gehoorzaamt aan de regering en een plaatselijk burgergezag. ...Niet minder noodzakelijk is het harmonisch verband, dat er moet zijn tussen het nieuw optredende gezag en het Nederlandse volk. Deze opzet is niet in de laatste plaats ontworpen teneinde u van den beginne af juist het ongestoord gebruik te waarborgen van die vrijheden, waarnaar gij thans zo zeer terugverlangt... Het is daarom dat ik u nu wil vertellen hoe rijk ik ben met hetgeen uw ondergrondse pers voortbrengt. Zowel de waardevolle bouwstoffen welke zij levert voor de nieuwe gemeenschap en haar aansporing tot de studie van toekomstvraagstukken als haar kritiek (cursivering van mij, v.V.) verheugen mij zeer...’
De discussie tussen bezet gebied en Londen had vrucht gedragen. In bezet gebied werd de strijd nog geruime tijd voortgezet, en die ging soms zelfs zo ver, dat men uit militaire kringen overige verzetsgroepen bespioneerde.
Veel invloed op de gang van zaken heeft het niet gehad. Die eensgezindheid en die vernieuwing, waarover de Koningin zo graag sprak, zijn met de bevrijding niet uit de lucht komen vallen. Het Militair Gezag kwam wel. Toen de sigaretten die de geüniformeerde burgers meebrachten, waren opgedeeld, bleef er niet veel meer over dan een glimlach, soms gemengd met een beetje ergernis, maar daarvan werd het nog geen grimlach.
Ook dat Militair Gezag verdween en wat overbleef leek veel op het oude Nederland van vóór de oorlog. Behalve dan bijvoorbeeld het aantal auto's, fabrieken en de hoeveelheid geld in het loonzakje. Met nog een aantal andere zaken. Maar daarvan is veel het kiemstadium nog niet gepasseerd.
16 november 1963.