Laten we het niet te gewichtig doen in de sinterklaastijd. Zelfs in december 1943 werd het feest gevierd, zij het dan dat er heel wat minder te koop was dan nu. Maar rijkdom moge in min of meer exacte termen te omschrijven zijn, zich rijk voelen is een ander begrip. Aangezien dat met rijkdom weinig of niets heeft uit te staan, is dit onderscheid misschien wel de enig acceptabele rechtvaardiging van het verschil tussen rijk en arm. Mocht u niet weten met welk geschenk u huisgenoten of vrienden in 1963 nog blij kunt maken en is mevrouw teleurgesteld omdat haar nieuwe bontmantel een gewone persianer is in plaats van mink, vindt zoontjelief een treincomplex van 5 m2 nauwelijks de moeite waard om hoera te roepen, laat dan uw herinnering, gerust ietwat afgunstig, een ogenblik verwijlen bij Sinterklaas 1943. Vertel er uw kinderen, die het niet kunnen weten, maar niet van. Het zal ze even weinig aanspreken als het feit dat de Batavieren in dierehuiden liepen en primitieve bewoners van het Australische binnenland mieren, wormen en andere insekten eten.
Goed, maar voor u die het meemaakte, moet het toch nog wel iets betekenen! Of deed u aan zwarte handel? Of was u bij de nsb? Of handelde u voor grof geld met de vijand? Nee, nee, zulke lieden bestaan niet in ons vaderland...
Welnu, een pak lucifers was een groots cadeau. Een pot jam eveneens. Een echte fietsband, uit een schuilplaats te voorschijn gehaald, leek uit de hemel gekomen, een paar wollen sokken waren een godsgeschenk, en wie aan het eind van de avond nog een vooroorlogse sigaar kon aansteken of zelfs maar één enkele vooroorlogse sigaret, had het toppunt van gelukzaligheid bereikt. Ja, die sinterklaasavond is onuitroeibaar. In december 1943 verscheen er in een dagblad een artikel onder de titel:
‘Ook bij de banketbakkers is niet alles koek en ei’.
Wie zijn suikerbonnen had opgespaard, wie wekenlang alleen maar droog brood had gegeten, kon wellicht enkele bonnetjes hebben overgespaard voor sinterklaasavond. Deze edele zaken ingeleverd bij de bakker en u kreeg er echte borstplaat of koekjes of gebakjes voor terug. De schrijver van het artikel verbaast er zich over hoeveel Nederlanders van deze mogelijkheid gebruik maakten en hoeveel offers men zich dus kennelijk getroostte om toch iets ‘lekkers’ te hebben, dat bij de avond paste. Hij schrijft of beter gezegd schreef:
‘Er zit iets roerends in deze opofferingsgezindheid, waaraan het gehele gezin meewerkt. Zij vormt er een prachtig bewijs van hoe sterk de Nederlander verknocht is aan zijn huis, hoe na hem de huiselijke gezelligheid aan het hart ligt.’
En dat mocht de man wel zeggen in een tijd waarin duizenden mensen uit de kuststreken gedwongen werden geëvacueerd, honderdduizenden vaders en zonen als slaven naar Duitsland waren versleept, andere tienduizenden waren ondergedoken, de gezinnen van zeelieden niet veel meer van vader of zoon wisten, dan dat hij wellicht mee ten onder was gegaan bij de zoveel tienduizend bruto registerton, die, volgens de snorkende Duitse propaganda, in de afgelopen week weer naar de bodem van de zee waren gejaagd.
Maar om nog even bij de banketbakkers te blijven. De heren waren niet eerlijk volgens de krant van december 1943.
‘Banketbakkers krijgen een toewijzing boter, suiker, amandelen, hazelnoten, sucade, blanke stroop, slaolie en dergelijke welke in gebak en koekjes verwerkt moeten worden. Het merkwaardige is echter, dat er geen gebakje zonder inlevering van suiker gekocht kan worden. Sucade, amandelen, hazelnoten en dergelijke treft men zo goed als nooit in het gebak aan. Al die toewijzingen worden voor andere doeleinden aangewend, er worden prachtige taarten van gemaakt die tegen hoge prijzen verkocht worden aan hen, die op een tientje niet behoeven te kijken...’
Zwart levert dus aan zwart en ik schrijf het hier eigenlijk neer om te laten zien dat er in bezettingstijd ook nog andere zorgen bestonden dan honger en dood en bombardementen en de opmars van de Russen en de komst van een tweede front, en de arrestaties door de Gestapo en de razzia's en de executies.
Ik weet niet of de menselijke geest bij machte is al die geweldig gewichtige en verschrikkelijke dingen te bevatten en navenant te verwerken.
Een bekend en groot Nederlands dichter heeft mij eens verteld, dat zijn ergste ervaring in oorlogstijd in het donker op een keldertrapje plaatsvond. Hij dacht beneden te zijn en toen waren er nog drie treden. Hij viel dus, niet in de kelder, in een zwart gat, in de absolute leegte, in de hel, zei hij.
Van een frontsoldaat hoorde ik het verhaal dat zijn afschuwelijkste oorlogservaring een vreselijke aanval van kiespijn was. En mijlen in de omtrek geen tandarts of lazaret of wat ook bij de hand, zei hij.
Een klein verkreukeld Oostenrijks kelnertje, dat in het laatst van de oorlog ook nog voor frontdienst werd opgeroepen (‘zo achter het vaatwerk vandaan’), werd bij de cavalerie ingedeeld. Hij was bang voor paarden, ‘Ungerümer’ noemde hij ze. Hij gaf zijn sigaretten en rantsoenen om van de stalwacht bevrijd te zijn, maar dat lukte niet altijd. Eén keer, diep in de nacht, brak zo'n knol los en kwam op hem toe. Langzaam, snuivend. Hij terug. Op het laatst stond hij met zijn rug tegen de muur, en nu zeg ik het maar letterlijk in de taal die onze vijanden spraken: ‘Und ich hab gebeten und geschrien: Gibt's denn kein Gott mehr, der mich von diesem Ungetüm erlöst?’ Later was hij als infanterist in Rusland. Maar niets was erger dan in die stal met dat paard...
Laten we het bij het kleine houden. Tijdens de herdenking van het twaalfjarig bestaan van de nsb sprak ook het mannetje Mussert, de ‘leider’, de man zonder wie Nederland geen toekomst meer zou hebben. Hij was juist terug van een bezoek aan de Führer en dat was erg hartelijk geweest. Eigenlijk was ook Mussert een gemoedelijk mensje. In zijn grote rede zei hij: ‘Ik heb de Führer nog nooit zo hartelijk zien lachen als toen hij tijdens het onderhoud kennis nam van het Nederlandse spreekwoord: De beste stuurlui staan aan wal. Dat vond hij kostelijk en hij zal het niet vergeten.’ Is dat niet lief? En de kranten noemden het ‘een indrukwekkende rede’. Hij zei ook nog dat Hitler tot hem heeft gezegd dat hij ons volk niets wil ontnemen en daarop volgde veel applaus van de aan-
wezige weerbare mannen van de nationaal-socialistische beweging. Het was in dezelfde tijd dat men zich, op vertoon van zijn tabakskaart, moest laten inschrijven bij één bepaalde handelaar in scheermesjes.
Zonder inschrijving geen scheermesjes meer.
Het ging trouwens niet zo goed met de ‘Beweging’. Velen bleken minder dom dan ze eruitzagen en probeerden nog voor het einde de zwarte gelederen te verlaten. Duisterlingen die tot hoge posten waren opgeklommen, maakten het zo bont, door corruptie, diefstal, machtsmisbruik en dergelijke dat ze zelfs door hun Duitse vrienden niet gehandhaafd konden worden. De ondergrondse pers bracht in die dagen berichten dat het nsb-ledental, in 1942 nog 142.000, aan het eind van 1943 was teruggelopen tot 67.000. Dat was al erg maar nog erger was dat de Nederlandse bevolking zo halsstarrig dom bleek en maar niet wilde inzien dat alleen Mussert redding brengen kon. Alweer volgens berichten in de ondergrondse pers van die dagen schijnt Musserts auto met panne op de weg bij Venlo te hebben gestaan. Achter hem enkele autobussen met arbeiders. Niemand stapte uit, niemand hielp Mussert, zijn adjudant en chauffeur moesten de wagen zelf aan de kant duwen, waarop de arbeiders lachend en zingend passeerden.
Als het niet waar is, is ook het verzinsel tekenend.
Ook op andere gebieden hadden de Nederlandse nazi's pech. Zoals bekend werden er door het verzet herhaaldelijk overvallen gepleegd op de distributiekantoren. Het ging om bonkaarten voor de onderduikers. Bij de nsb bestond, niet ten onrechte overigens, het vermoeden, dat vele ambtenaren bij dergelijke overvallen maar al te graag zich lieten overmeesteren en knevelen. Enkele slimmerds onder hen zouden een proef op de som nemen. In Leiden overviel een aantal nsb'ers een distributiebureau. Deden zich voor als verzetsmensen. Maar de ambtenaren bleken daar op de een of andere manier kennis van te hebben gekregen (of een goeie reuk te hebben om echt en onecht van elkaar te onderscheiden) en sloegen enkele van de ‘overvallers’ het ziekenhuis in. Toen werden dergelijke ensceneringen door de Duitsers verboden. Zelfs daarvoor hadden de nsb'ers te weinig hersens.
Over onderduikers gesproken. Die hadden het niet gemakkelijk, vooral niet met zulke dagen. Bij één mijner vrienden zat een joods geleerde ondergedoken, een Duitse emigrant. Een oude man, die alleen nog maar een dochter had, die weer ergens anders zat, weliswaar niet ver van hem vandaan maar toch ver genoeg, té ver voor de oude man. Zijn dochter had een weinig joods uiterlijk en waagde zich zo nu en dan wel eens zonder ster op straat. Zou ze bij hem voorbijkomen? De oude man kon uren achter de gordijnen staan te loeren. Dat was op zichzelf al gevaarlijk, maar hij begreep weinig van de situatie.
Soms was men verplicht hem alleen thuis te laten. Dan ging daaraan een instructie van een uur vooraf. Niet opendoen als er gebeld wordt. Direct naar de schuilplaats. Niet en nooit zich voor het venster vertonen, nooit de telefoon opnemen enzovoort enzovoort.
Maar als mijn dochter mocht voorbijkomen? vroeg hij.
Da's dan jammer, was het antwoord.
Zij kan bellen om haar vader te zien, opperde hij.
Hoe weet je dat zij het is? was het antwoord.
Wat ik doe, ik kijk voorzichtig uit het raam om te zien of zij het is...
Verbazing, lachen vermengd met ergernis. De oude man merkte het.
Hij zei: Ik open voorzichtig het raam, is zij het niet dan zeg ik dat er niemand thuis is...
Ook hij leeft niet meer.
Onze grote verrassing van december 1943 was van bloederige aard. Nee, schrikt u niet, het ging om een schaap. Kameraden van een bevriende verzetsorganisatie hadden in het Gooi een schaap weten te bemachtigen, het clandestien geslacht en de ruw gehakte hompen vlees onder de mensen van de eigen organisatie en enkele andere vrienden verdeeld. Het werd gewoon in pakpapier en kranten achter op de fiets thuisbezorgd. Dat was verduveld aardig, vond ik en nu nog, terwijl ik dit schrijf, is het gevoel van dankbaarheid niet gestorven. We konden het trouwens goed gebruiken, want een van de leden van onze spionagegroep die aan het eindpunt in Zwitserland zat, had kans gezien onverwacht naar Holland te komen. Hij durfde nergens aan te bellen en liep urenlang door straten, waar hij vermoeden kon dat iemand van ons huisde. Zo hebben we hem opgepikt...
Het werd een goedmoedige sinterklaasavond, vol kleine goede dingen en mét schapevlees.
Trouwens, illegale organisaties hadden ook andere zorgen. Zoals u weet, werd er veel gebruik gemaakt van koeriersters. Dat waren vaak aardige meisjes. Bij onze organisatie was er één, die wij met een woord van onze tijd sexy zouden noemen. Door een reeks van min of meer toevallige omstandigheden was dit meisje tot in de kern van de organisatie doorgedrongen en kende zij veel te veel namen en adressen. Dat moest uit zijn. Iemand van onze club zou het haar voorzichtig zeggen, met het verzoek zich terug te trekken of eventueel naar een andere afdeling in een andere stad te verhuizen. Hij schijnt een avond met haar gepraat te hebben, maar meldde de andere dag dat het gesprek weinig had opgeleverd, althans niet uit organisatorisch oogpunt. Maar de jongen was ook ongetrouwd. Toen zou een ander van ons het proberen. Getrouwd man, bezadigd en nuchter. Ook hij schijnt het gesprek prettig gevonden te hebben, maar er veranderde niets. Ten slotte kwam ik zelf. Als ontmoetingsplaats hadden wij een park gekozen. En dat was, zelfs in de winter, al de eerste fout. Er hing een lichte nevel, dat was heel mooi, en het was niet koud, zodat het zelfs mogelijk was op een bank te zitten. Ze was erg aardig, en de vruchten van mijn werk voor de organisatie waren niet groter dan die van mijn twee vrienden.
Maar ik was ook twintig jaar jonger dan nu. De organisatorische fout kon pas worden hersteld, toen zij trouwde met iemand die van zijn vergunning om een
auto te rijden tevens gebruik maakte om ons bij het illegale werk te helpen. Met zijn huwelijk hielp hij ons opnieuw - en hoe!
Wekt dit alles nu geen misverstanden? Tekent het een waar beeld? Natuurlijk niet, maar wel een heel klein stukje van iets dat ook werkelijkheid was. In die gewone menselijke dingen lag wellicht het grootste onderscheid met de robots van Hitlers horden, die het tot vandaag de dag niet zo hebben gewild, zeggen ze, en alleen maar de verdammte bevelen hebben opgevolgd, zeggen ze.
En trouwens, waarom zouden wij ook niet eens zó mogen schrijven als een ter dood veroordeelde jongen van de Zuidhollandse eilanden het de moeite waard vond in zijn afscheidsbrief precies te vertellen wie er nu voor zijn konijnen moest zorgen?
7 december 1963.