Op de avond dat de nts televisie de documentaire over de concentratiekampen uitzond moest ik deze aflevering van deze kroniek schrijven.
Er is niets van schrijven gekomen.
In de nacht achtervolgden mij de schrikbeelden en de slaap bleef weg. Soms kwam het mij voor alsof ik geen mensen had gezien maar gedrochten, karikaturen van mensen, grillen. Soms kwam het mij voor alsof we een fout zouden maken dit gebeuren in de menselijke geschiedenis een plaats te geven. Het lijkt iets als de lemmingen-tragedie in Scandinavië, de geschiedenis van de kleine ratachtige diertjes, die in drommen hun dood tegemoet rennen.
Ik weet dat het anders is. Slachtoffers en beulen waren mensen. Maar als dat zo is wordt men angstig bij de gedachte dat dit gebeuren kon en dat de overlevenden daarna, wij dus in 1963, weer kunnen leven alsof de jaren '33-'40-'45 een soort deraillement waren, een treinongeluk, duizendvoudig vergroot, maar... inmiddels hersteld, de rails liggen er weer, de treinen lopen weer...
Feit blijft dat enkele miljoenen Nederlanders iets hebben gezien van de concentratiekampen en de techniek van ontmenselijking, die de nazi's toepasten. Feit is dat ik dit vervolg in de serie In de schaduw van gisteren schrijven moet. Onontwijkbaar is dat als u dit leest we zo dicht bij Kerstmis zitten dat waarschijnlijk 's avonds de lichtjes al branden.
Feit is, dat ik er geen weg mee weet.
Ik zoek langs mijn boekenkast, in mijn papieren en aantekeningen om een thema te vinden. Zijn er in de kerstdagen van 1943 geen grote scheepsrampen gebeurd? Nee. Hebben er belangrijke terechtstellingen plaatsgevonden. Jawel, zoveel, al hebben de beulen zichzelf waarschijnlijk ook de nodige Weihnachtsruhe gegund. Ko Beuzemaker en Schalker werden in januari 1944 vermoord, te zamen met anderen en omdat het doden van gijzelaars teveel onrust onder
de bevolking wekte. Zij waren communisten. Fijn gezien van die Duitsers. Daar konden toch velen minder bezwaar tegen hebben, ook al bleven ze het voor afkeurenswaardig houden. De affaire van de tweede distributiestamkaart begon te spelen. Maar dat is een onderwerp dat net zo goed tot later kan wachten. De geallieerde opmars aan de fronten. Dat is zo'n leugenachtig quasi-zakelijk thema, want ‘front’ en ‘opmars’ en ‘terugtocht’ zijn synoniem met dood en moord en lijden en bloed. En dat past maar slecht bij onze kerstboom en dito kransjes.
Tussen mijn boeken zie ik een Duitse titel. Du hast mich heimgesucht. Drie honderd en zestien bladzijden, kleine druk, met berichten en brieven van ter dood veroordeelden. Uit alle bezette landen, maar ook uit Duitsland.
Roger Péronneau, een student:
‘Vergeef me het kwaad dat ik gedaan heb en het goede dat ik niet deed. Mijn testament kan kort zijn: ik bezweer jullie, je geloof te bewaren. Voor alles: geen haat tegen degenen die mij doodschieten. Hebt elkander lief, heeft Jezus gezegd, en de religie, waartoe ik teruggekeerd ben, en waarvan u niet aflaten zult, is een religie van liefde...’
Cato Bontjes van Beek, een meisje van 23 jaar uit Bremen: ‘...Ik ken geen haat, maar ik houd van alle mensen, tot het laatste toe, van alle, alle...’
Heinz Strelow, dichter, nog zeer jong:
‘Ik wil dat u het weet, moeder, ik zal een rustig en licht einde hebben. Alles heeft een mild gezicht. Wat me het meeste drukt is de gedachte aan u... Ik hoop dat de oorlog gauw uit zal zijn. Dan zullen jullie allemaal rustiger en beter kunnen leven. Prettig, dat je dan nog de tuin hebt, met bloemen en bomen en wolken. Daarvoor moet men zich buigen en er zich steeds weer aan overgeven, ondanks alles...’
Jarosjaw Ondrousek, student uit Tsjecho-Slowakije, 20 jaar: ‘Vader, weet je, het is schoon te sterven in de hoop op een betere toekomst voor alle mensen. Maruschka wees een goed lid van de mensen-familie. Als het morgen wordt zal ik jullie toelachen, met de avondster zal ik jullie groeten. Moge liefde op aarde heersen, niet de haat.’
En dit schrijft Kim Malthe-Bruun, een Deense scheepsjongen, die ter dood gebracht werd, over zijn beulen: ‘...De Gestapo bestaat uit zeer primitieve mensen, die zich bekwaamd hebben in de niet geringe kunst zwakke zielen te ringeloren en te doen schrikken. Kijk je ze echter tijdens zo'n verhoor wat scherper aan, dan ontdek je een allesoverheersende ontevredenheid bij hen... Mocht je ooit in handen van de Gestapo vallen, kijk ze dan recht in de ogen. De enige verandering die plaatsgevonden heeft, is dat ze nu over je materiële existentie beslissen kunnen. Voor het overige zijn ze hetzelfde schuim gebleven... Treed ze rustig, zonder haat, zonder verachting ook tegemoet.’
Na een vreselijke marteling schrijft hij:
‘Nog een merkwaardig iets. Ik ervoer absoluut geen haat. Mijn lichaam beleefde iets, het was nog maar het lichaam van een knaap en het reageerde als
zodanig. Mijn ziel was met totaal andere dingen bezig. Mijn ziel zag wel de kleine schepsels die met mijn lichaam bezig waren, maar was zozeer met zichzelf vervuld, dat die anderen er weinig toe deden...’
Dat zijn maar vijf berichten van vijf ter dood veroordeelden. Zo staan er honderden berichten in dit boek en zo zouden er honderden méér geweest zijn als de beulen ze de gelegenheid tot schrijven hadden gegeven of als hun brieven niet verloren waren gegaan...
Als alle onmenselijkheid en ellende, nu in 1963, ons bijna onwerkelijk voorkomt, dan ook deze berichten, die uit een andere, onbegrijpelijk betere wereld schijnen te komen. Als het andere werkelijkheid is, onze werkelijkheid, dan is ook dit werkelijkheid, ónze werkelijkheid. En nog meer, als de verschrikking een mogelijkheid is waarmee we moeten rekenen, onze mogelijkheid, dan is ook het licht en de liefde van deze vijf onze mogelijkheid. Misschien dat we het pas weten als we tot dat andere, in die nacht, geroepen worden.
Vandaag, nu het nog dag is, komen we met minder toe.
Goddank.
21 december 1963.