Ja, ja, de Duitsers hadden het een eind gebracht in 1943. Na bijna drie jaren bezetting, dat wil onder andere ook zeggen Duitse propaganda, onderdrukking van de eigen Nederlandse stem, en toch waarlijk niet weinig spectaculaire successen over geheel Europa en op zee, was het hun gelukt de Nederlanders alleen maar vijandiger en weerbarstiger te maken. Dat was geen houding waarmee men als Nederlander successen behalen kon. Men riskeerde ontslag, de noodzaak huis en haard te verlaten en voortvluchtig te worden, wegvoering naar Duitsland, gevangenschap, het concentratiekamp, het vuurpeloton.
Men denke daar in 1964 niet te simpel over! Onderduiken zou op een afstand een tamelijk romantische bezigheid kunnen lijken, waartoe jongelui en zelfs eerzame huisvaders vandaag ook nog wel zouden voelen, mits ze een acceptabele reden konden vinden. Een tijdje weg van huis, levend onder valse naam in een nieuw milieu, verlost van het eigen verleden, bevrijd uit het langzaam maar onverbiddelijk opgebouwde web van verplichtingen en tradities, welaan, in deze carnavalstijd lijkt het een geprolongeerde vlucht uit de burgerlijkheid, weliswaar iets minder luidruchtig en feestelijk, maar langer durend en fundamenteler. Ik zou niet willen beweren dat deze gevoelens nooit en bij niemand een rol hebben gespeeld, of, anders gezegd, dat men ze niet later, als bijprodukt van een ernstiger zaak, heeft ontdekt. Dat is hier en daar zeker het geval geweest.
In ieder geval, de omstandigheden werkten daaraan niet mee! De maatregelen van de Duitsers hadden vrijwel elke jongeman en man van 19 tot 45 jaar vogelvrij verklaard, dat wil zeggen verplicht tot arbeid in Duitsland. Meer en meer gingen de mensenjagers ertoe over plotselinge razzia's te organiseren, in bioscopen, zelfs kerken, op sportvelden, watersportcentra, soms in gewone stadswijken. Wie dan niet over papieren beschikte, waaruit bleek dat men van arbeidsplicht in Duitsland was vrijgesteld, werd opgepakt en als gevangen arbeidswaar verzonden.
Hoewel op grote schaal dit soort papieren door de vervalsingscentrales van het verzet werden vervaardigd, was het toch zo dat lang niet iedereen de relaties had om deze papieren (die een man ten minste een minimum aan vrijheid gunden) te bemachtigen. Zonder die dingen betekende dat thuisblijven, zich niet vertonen op plaatsen waar veel mensen bijeenkwamen (waar de Duitsers dus als het ware tot de mensenjacht werden uitgelokt), en dan nog de kans lopen dat men bij buurtrazzia's werd gegrepen. Er zijn er dan ook heel wat geweest, die het werken voor de Duitsers, in bijvoorbeeld Nederlandse ‘kriegswichtige’ bedrijven, verkozen boven dit risico.
Maar deze Duitse slavenjacht was niet het enige gevaar. Men kon student zijn, die geweigerd had de loyaliteitsverklaring te tekenen. Soldaat, die gewei-
gerd had zich opnieuw in krijgsgevangenschap te begeven. Men kon behoren tot de (helaas te kleine) groep van ambtenaren, politiemannen, burgemeesters of welk soort functionarissen ook, die geweigerd hadden Duitse bevelen uit te voeren. En men kon worden gezocht voor actieve verzetsdaden. Bij elkaar een heel leger! En dan hebben we nog niet eens onze joodse landgenoten genoemd...
Het zou op zichzelf de moeite waard zijn een schatting te wagen hoeveel Nederlanders in de bezettingstijd niet op hun officiële adres hebben gewoond, rondliepen met valse papieren, leefden onder valse naam enzovoort enzovoort. Daarbij opgeteld dienen dan nog te worden degenen die tijdelijk verplicht waren onder te duiken, een fabrikant (een van de weinigen) die het vertikte personeelslijsten in te leveren, een predikant, die van de kansel iets te veel had gezegd, een onderwijzer, die in conflict was gekomen met de nsb-ouders van een van zijn leerlingen enzovoort. Het komt mij voor dat er tijden geweest zijn waarin ongeveer de helft van de mannelijke bevolking tussen 18 en 50 jaar ‘niet thuis’ was. Een rare situatie, een onvoorstelbare wanorde in vele persoonlijke levens, gezinnen, scholen, kantoren en noem maar op.
En dat in een land zo dichtbevolkt dat er nauwelijks enkele vierkante kilometers te vinden waren, eenzaam en onherbergzaam genoeg om zich in te verschuilen, te hergroeperen en een soort nieuw, geïsoleerd maatschappijtje te stichten, dat op eigen primitieve manier zich van het nodige voorzag. Dat kon in Frankrijk, in Noorwegen, in Joegoslavië en Polen. Bij ons niet.
De Duitsers hadden trouwens nog andere wapens in handen. Het verplichte persoonsbewijs was er om je te herkennen, leeftijd vast te stellen enzovoort, met andere woorden op te pakken. De distributie was er niet alleen om een zo rechtvaardig mogelijke verdeling van de schaarse levensmiddelen en goederen te verkrijgen, maar bovendien als Duits wapen, om iemand te dwingen op zijn officiële adres, in zijn normale milieu, onder eigen naam te leven. Indien niet, dan werd men van dit distributiesysteem uitgesloten. Dat betekende geen bonkaarten, dus geen levensmiddelen, geen textiel en alles wat men nog meer nodig had.
Hier was het verzet verplicht een gigantisch tegenoffensief te organiseren. Persoonsbewijzen moesten worden vervalst of gestolen, andere papieren die iemand vrijwaarden van de Duitse slavenjacht moesten worden nagemaakt: valse loyaliteitsverklaringen voor studenten, valse beroepen, maar bovenal moesten er voor het leger der uitgestotenen distributiebonnen zijn.
Die werden meestal gestolen, met of zonder de medewerking van de ambtenaren. Zonder de dappere jongemannen, de eerzame inbrekers en fatsoenlijke overvallers die dit werk uitvoerden op klaarlichte dag, vaak in het hartje van stad of dorp, zonder de ambtenaren die hieraan medewerkten en hun vrijheid en leven evenzeer riskeerden als de overvallers, zonder de ingenieuze vervalsers, zou het verzet in Nederland onmogelijk de omvang hebben kunnen aannemen,
die het allengs in de loop van de bezettingsjaren kreeg.
Er waren in januari-februari 1944 zoveel valse persoonsbewijzen, quasi-Duitse papieren en gestolen distributiebonnen in omloop dat de hele politionele waarde van deze ingewikkelde paperasserij vrijwel nihil was geworden. De Duitsers zonnen op een nieuwe strategie. Ze werden daarbij geholpen door sommige hoge, slechte of verblinde Nederlandse ambtenaren.
Er werd een nieuwe distributiestamkaart ontworpen, alleen geldig in het eigen district, dat wil zeggen van de woonplaats die officieel op het persoonsbewijs stond aangegeven. De nieuwe distributiekaart moest persoonlijk worden afgehaald in de plaats van inwoning. Op het persoonsbewijs zou een zegel worden geplakt dat klopte met het zegel op de (persoonlijk afgehaalde) distributie-bescheiden. Op de distributiekantoren hielden de Duitsers en hun handlangers toezicht. Lange registers van gezochte personen waren er aanwezig. Wie toch ging liep in de val.
Ik geef u, lezer van 1964, de verzekering dat deze zaak onder ons volk en speciaal in het leger der gezochten, een aanvankelijk catastrofale stemming wekte en velen aan de rand van de vertwijfeling bracht in het besef dat het onmogelijk zou zijn deze geraffineerde Duitse zet navenant te beantwoorden. Het is nochtans gelukt! Op 25 januari 1944 werden er in Tilburg 105.000 zegels gestolen; op 17 mei 1944 in Groningen bij een inbraak in een drukkerij 133.450.
Aleer de zogenaamde tweede distributiestamkaart goed en wel was doorgevoerd, waren er al zoveel gestolen, zoveel van de hierboven genoemde zegeltjes ontvreemd of nagemaakt, dat de situatie weer net zo was als tevoren. Een even grote wanorde en even grote circulatie buiten de officiële kanalen als voorheen.
Geen vuiltje aan de lucht dus voor de vele onderduikers naar het lijkt. Toch lag de zaak minder eenvoudig dan u denkt. Een van de moeilijkste problemen was het contact met de verzetsgroepen, die over de nodige valse papieren en de distributiebonnen beschikten. Die adressen kon men niet adverteren. Evenmin kon men zich daar, zonder meer, in elk milieu als onderduiker afficheren of als gastheer van een onderduiker zeggen, dat men er zo één of meer in huis had. In kleine, betrekkelijk gesloten gemeenschappen, waar het bovendien vrij gemakkelijk was de nsb'ers, de verraders, de slappelingen van het milieu te kennen, ging dat nog wel. In de grotere steden was dat veel moeilijker. Ook daar speelden opnieuw bepaalde gemeenschappen een grote rol bij het contact zoeken. Zo bijvoorbeeld de kerkelijke gemeenschappen, de vroegere partij (hoewel reeds in mindere mate), de fabriek, dus het vroegere arbeidsmilieu, de arts enzovoort.
Kon het contact worden gelegd dan kon met redelijke zekerheid gezorgd worden voor papieren en distributiebescheiden. Ging dat niet zo gemakkelijk dan was de onderduiker verplicht zich bijna doorlopend schuil te houden en zijn eten en kleren op de zwarte markt te kopen. Was daarvoor geen geld aanwezig dan werd het hongerlijden. Maar zelfs mét papieren en mét distributiebonnen was het financiële probleem niet van de baan. Ook mét bon moest
voedsel en kleding worden betaald. Een onderduiker in huis hebben betekende een extra belasting voor het huishoudbudget en dat kon er lang niet altijd af. Bovendien waren het zeker niet in meerderheid de rijksten met de grootste huizen, die hun woning voor deze vluchtelingen ter beschikking hadden.
Er waren zelfs groepen onderduikers, die in hun onderhoud trachtten te voorzien door huisvlijt te beoefenen. Er werden sloffen en schoenen met biezen zolen verkocht, ‘aapjes op stokjes’ en ander kinderspeelgoed, foto's van de koninklijke familie enzovoort aan de man gebracht door welwillende relaties, gekocht voor ‘het bekende doel waarnaar men verder niet vragen moest’.
Maar honger geleden is er en velen hebben hun karig deel nog weer met anderen moeten delen, ondanks het feit dat onze regering op 10 januari 1944 dertig miljoen gulden ter beschikking stelde van het verzet.
Maar daarvoor moesten eerst de bankiers gevonden worden om dat illegaal hier bijeen te brengen. Die zijn gevonden. Dan was er de lo, de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers, die de hulpverlening organiseerde, elke verzetsgroep had trouwens zijn eigen klanten door het hele land en ook zijn eigen helpers, wier bijdragen bijvoorbeeld in de ondergrondse pers prompt in elk nummer werden verantwoord. In andere gevallen, waar de werkgever goed en dapper genoeg was, zorgde fabriek of kantoor met zwarte lonen voor hun eigen voortvluchtigen...
Een ingewikkelde affaire. Jawel. Een zaak vol dagelijkse zorg, vol dagelijks risico, vol dagelijkse onzekerheid, die door tienduizenden in het land werd aanvaard als de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld.
Ik hou er niet van om nu, A.D. 1964 te beschuldigen. Ik denk, terwijl ik dit schrijf, in het geheel niet aan de nsb'ers en verraders, ik denk zelfs niet aan de slappelingen die hun dienstbaarheid uit angst voor de Duitsers en een moeilijk leven morrend en stilletjes hebben aanvaard. Evengoed de duizenden naamlozen die deze angsten hebben gekend, ze anderen hebben helpen verzachten, denk ik hier aan de duizenden die niets kwaads, maar ook niets goeds hebben gedaan. Zij, die dit alles zich lieten afspelen, buiten hun geïsoleerde bestaantje, waarin ze het zich zo gemakkelijk mogelijk maakten. Is het niet te begrijpen dat er, gewild of ongewild, een scheidslijn tussen ons volk werd getrokken, waar velen vandaag den dag nog niet geheel overheen zijn?
Ik snap het wel!
Ik heb geen enkele behoefte deze scheidslijn thans nog maatschappelijk of politiek te gebruiken, zolang er geen misdaad of landverraad in het spel is. Ik heb evenmin behoefte mijn diepste ervaringen te verraden en te vergeten omdat de beboterde hoofden van vandaag alles liever blauw-blauw laten en daarmee een zelfde karakterloze houding voortzetten als ze in de bezettingstijd reeds demonstreerden.
Het is geen politieke scheidslijn, geen maatschappelijke, het is een verschil in karakter, fatsoen en stijl. Minder zichtbaar maar dieper. En meer gehaat door
de karakterlozen omdat men er minder gemakkelijk iets aan kan veranderen dan aan zijn politieke kleur of maatschappelijke positie.
8 februari 1964.