Maar bestond die bedrijvigheid van het voorjaar van 1944 dan alleen maar uit bakkeleien over de coördinatie van de verschillende verzetsgroepen, over machtsposities en futiliteiten? Nee, nee, u zegt het niet zo overduidelijk en dat is bijzonder vriendelijk van u. Dank u! Maar het wordt toch tijd dat die bedrijvigheid ook eens blijkt uit werkelijke daden van verzet. Jawel.
Overigens, zo dachten vele verzetsmensen er in het jaar 1944 precies over. Er bestond een zekere tegenzin zich met de schier eindeloze discussies te bemoeien en een dubbele tegenzin in de vele vergaderingen, die er noodgedwongen bij hoorden. Dat was een gevaarlijke zaak. Eén verrader, één onvoorzichtigheid en het Nederlandse ondergrondse verzet zou van een groot deel van zijn leiding zijn beroofd. Was dat verantwoord? Bovendien, was er niet genoeg werk aan de winkel?
Meer dan genoeg.
Laten we zien wat de koningin en de regering te Londen er zelf van zeiden. In een telegram uit Londen, via geheime apparaten ontvangen (op 8 juni 1944), stond onder andere te lezen:
De koningin heeft de overtuiging dat coördinatie..., naast andere een goed middel vormt om wensen en strevingen van het Nederlandse volk tot uiting te brengen in de tijd, dat nog geen noodvertegenwoordiging werkt. Slechts door eenheid kan in de eerst kritische ogenblikken na de bevrijding de basis gelegd worden voor de gemeenschappelijke oplossing van de toekomstige problemen...
Dat is de grote verandering die zich inmiddels had voltrokken. Het einde van de oorlog kwam in zicht en daarmee de vormgeving van een hersteld?, vernieuwd?, maar in ieder geval bevrijd Nederland. Toekomstproblemen dus op een ogenblik waarop de actuele eisen van het verzet eveneens de volle mens en de volle activiteit van de organisatie vroegen. Een lastige zaak, ja, maar het ganse verzet, vanaf het begin, ging toch eigenlijk om die toekomst, die zich nu zo drastisch in de tegenwoordige tijd aankondigde! In een democratie gaat het in wezen om de kracht en de verantwoordelijkheid van de burgers.
Dat betekent meer dan alleen maar individueel wakker zijn. Het betekent ook organisatie, ook methode tot politieke wilsvorming en middelen om die tot uitdrukking te brengen. Een bevrijd Nederland, zónder dit, zou in feite in een fascistische situatie komen te verkeren, dat is een situatie waarin burgers zonder mening, zonder eigen organisatie, zonder uitdrukkingsmiddelen van eigen wil en inzicht, de politieke beslissingen voorgeschoteld krijgen van enkele (vaak en zeker in onze situatie) toevallige lieden ‘aan de top’.
Het bewuste telegram demonstreerde ook een andere grote verandering. Het was geadresseerd aan de ‘Kern’, een groep verzetsorganisaties die zich verenigd hadden ten behoeve van onderling technisch beraad. De groep was beperkt, maar was duidelijk verzet. Dit betekende dat ‘Londen’ voor advies en voor peiling van de publieke opinie niet meer uitsluitend op de vooroorlogse organisaties (partijen, kranten enzovoort) vertrouwde, maar nadrukkelijk het verzet als een nieuwe, onvervangbare uitdrukking van de volkswil beschouwde. Naast andere, ja, ja, maar erbij en met een eigen plaats. Daarmee was het verzet van individuele liefhebberij van een aantal ‘wilde jongens’ en enkele stijfkoppige fanatici gegroeid tot een door koningin en regering erkende en hooggewaardeerde representant van het Nederlandse volk.
Maar door dit zo te stellen begonnen de moeilijkheden pas. De verzetsorganisaties waren vele en ook velerlei. Er waren groepen bij die duidelijk handelden vanuit een bepaalde politieke overtuiging, zoals bijvoorbeeld de communisten, maar ook het protestants-christelijk schoolverzet. Ook verzetsbladen als Het Parool, Trouw, Vrij Nederland en andere. Er waren ook groepen die op basis van beroep of maatschappelijke groep waren georganiseerd, ongeacht de politieke overtuiging, zoals bijvoorbeeld het studentenverzet, het artsenverzet, de verval-
singscentrales, het Nationaal Steunfonds enzovoort enzovoort. Maar dat was nog niet alles. Ook al had een verzetsgroep een bepaalde politieke overtuiging als uitgangspunt, dan betekende dat nog niet dat de medewerkers allen dezelfde kleur en opvatting hadden. In bijna iedere groep werkten uiterst rechtse en uiterst linkse individuen samen. Allereerst omdat de contacten in het verleden meestal toevallig waren ontstaan, vervolgens omdat het bij alle verschil in politiek inzicht toch vooral ging om het verzet en pas daarna om andere dingen.
Wist elke organisatie welk vlees zij in de kuip had? Geen sprake van! De techniek van het verzet liet zulks eenvoudig niet toe. Men kon elkaar niet kennen. Er waren geen ledenlijsten en geen ingevulde persoonlijke gegevens. Bovendien, die weinigen van ons volk die waarlijk actief waren, waren dat vaak in verschillende organisaties. Zo steunde bijvoorbeeld de lo (die zich later als rechts liet coördineren) plaatselijk vaak op de reeds voordien georganiseerde groepen van Vrij Nederland (dat zich als links liet coördineren).
Wel probeerden sommige groepen, zoals bijvoorbeeld verschillende ondergrondse bladen (voor wie dat ook het gemakkelijkst was) na te gaan wat er nu eigenlijk in hun groep leefde. Zo gaven Het Parool en Vrij Nederland gezamenlijk een soort politiek manifest uit, dat aan alle organisaties van enig belang werd gestuurd, maar waarop men ook reacties vroeg van de eigen plaatselijke werkgroepen en individuen. Een eindeloze verwarde weg, die wel enig houvast bood, maar toch onvoldoende. En dan nog die andere kwestie. Wanneer men over een verzetsorganisatie sprak en die moest taxeren, hoe groot was die? Landelijk of regionaal? Niet alleen de kleur, ook de omvang en de belangrijkheid lieten dus vele vragen open. Nochtans is het gelukt al deze vogels van diverse pluimage in één overkoepelende organisatie onder te brengen. Dat is waarlijk geen geringe prestatie van het Nederlandse verzet en ik geloof dat het ons voor veel narigheid heeft behoed.
Het is begrijpelijk dat er lieden waren, die op grond van bovenstaande overwegingen als enige mogelijkheid voor de coördinatie van het verzet een indeling op basis van werkterrein, van de aard van het verzetswerk dus, zagen. Dit bleek onmogelijk, omdat vele groepen zich met vele takken van verzet bezighielden. Pers, spionage, gewapend verzet, onderduikershulp, ondersteuning enzovoort in één organisatie. Waarbij moest een dergelijke groep worden ingedeeld?
Een indeling op basis van de politieke overtuiging? Onmogelijk, want vele organisaties hadden die overtuiging (naar de aard van hun samenstelling en doelstelling) niet. Tussen deze moeilijkheden door speelden nog andere, die wij in voorgaande artikelen reeds noemden. Het Vaderlands Comité, organisatie (schematisch aangeduid) van de vooroorlogse politieke partijen, had moeite zich met het verzet te laten gelijkschalen. De od, organisatie met een leiding van officieren, meende op grond van een theorie dat de Staat van Beleg nog bestond, een geheel eigen plaats in te nemen.
Dan waren er de Raad van Verzet en het Nationaal Comité van Verzet met eigen overkoepelende pretenties. En er was de ‘Kern’, die slechts een gering
gedeelte van de bestaande groepen omvatte. En er was Londen, dat blijkens de vele boodschappen en telegrammen, maandenlang gezeten heeft met een totaal vals beeld van de verhoudingen in bezet gebied.
Begin daar maar eens aan!
Men is eraan begonnen en het is met grote dankbaarheid dat ik hier althans één naam wil noemen, namelijk die van Bosch van Rosenthal, voor de oorlog Commissaris van de Koningin in Utrecht. Hij heeft tegen veel wantrouwen en misverstand moeten optornen en de voorbereidende besprekingen met de diverse groepen duurden het hele voorjaar door. Ik had de eer nauw met hem te mogen samenwerken en als handleiding een schema te mogen samenstellen dat ten slotte, met enkele kleine variaties, als organisatieprincipe van de illegaliteit werd aanvaard.
Het duurde tot 3 juli 1944 aleer de vertegenwoordigers van de vele verzetsorganisaties eindelijk generaal bijeen konden komen. Daarmee namen ze niet geringe risico's! Als ik mij goed herinner stond het huis waar men elkaar ontmoette, op het Singel in Amsterdam, een groot kantoorpand waarvan ik me nog de sombere, rommelige kamer herinner.
Daar zaten ze dan? ‘Generaals’ die men niet eens bij hun ware naam kende. Vertegenwoordigers van organisaties, waarvan men de grootte, de belangrijkheid slechts kon raden. Leiders, voor wie de eigen groep, landelijk gezien en voor zover het de individuen betrof, een slechts gedeeltelijk in kaart gebracht gebied was. Niettemin schonk men elkaar vertrouwen! Niettemin kwam een organisatie tot stand geheel volgens democratische principes, waarbij niets werd gedicteerd, niets werd opgelegd, geen enkel fait accompli werd gesteld.
Het hierboven genoemde organisatie-principe berustte op een combinatie van beide meningen, namelijk een indeling zowel naar politieke overtuiging als naar werkterrein. Zo werd de illegaliteit ingedeeld in drie secties: rechts, links en een middengroep, die zich niet politiek kon of wilde uitspreken.
Drie personen, die min of meer als representant van één der drie secties kon worden beschouwd, stelden zich op in een verschillende hoek van de kamer. De overigen demonstreerden, door zich persoonlijk naast één van de drie te stellen tot welke groep ze wensten te behoren.
Aan het einde bleek de rechtersectie te bestaan uit: Trouw, de Landelijke Organisatie voor Onderduikers, het Schoolverzet en de Knokploegen.
De linkersectie bestond uit Het Parool, De Waarheid, Je Maintiendrai, Vrij Nederland, De Vrije Katheder, het Kunstenaarsverzet, de Raad van Verzet, Christofoor en Katholiek Kompas. De middensectie uit het Nationaal Comité van Verzet, het Zeeliedenfonds, het Studentenverzet, het Medisch Contact, het Nationaal Steunfonds, de Persoonsbewijzencentrale.
Hier niet genoemde organisaties hebben zich later bij één van de drie aangesloten.
De drie vertegenwoordigers, van elke sectie één, vormden te zamen met een man van het Vaderlands Comité en een man van de od de zogenaamde cc of Contact Commissie.
Daarmee was de zaak rond.
Men kan zich afvragen of het nog wel de moeite waard is om dit alles nu nog eens te vertellen. De hierboven geschetste organisatievorm is snel na de oorlog opgedoekt en vervangen door het normale patroon van politieke partijen en andere organisaties dat niet zo heel veel verschilt van hetgeen vóór de oorlog bestond. Het heeft zelfs in die naoorlogse organisatie nauwelijks sporen nagelaten en nergens enig merkteken geplaatst. Maar op deze wijze is in Nederland een tragische en gevaarlijke splijting in de illegaliteit voorkomen, is het contact tussen het in bezettingstijd opgekomen verzet en de vooroorlogse politieke partijen bewaard gebleven, is een dwaze en onnodige militaire dictatuur (hoe kort ook) als de od voorstond, niet doorgegaan. Met het toenemen van de spanning en het steeds algemener worden van het verzet in Nederland konden er in de volgende dagen beslissingen genomen worden namens allen. Tussen de regering in Londen en het volk in bezet gebied kon op deze wijze waarlijk een gesprek ontstaan, niet tussen regering en een toevallig groepje, maar met al degenen die zich in deze turbulente dagen met recht de representatie van het volk konden noemen (de nsb en de collaborateurs uitgesloten).
Dat is geen kleinigheid.
Weliswaar heeft de regering dit proces van coördinatie moeten bespoedigen door de benoeming van een commissie van vijf man, die deze coördinatie moesten doorvoeren als de organisaties het zelf niet eens konden worden met elkaar. Deze commissie heeft niet behoeven te werken, anders dan als stok achter de deur. De organisaties in bezet gebied hebben het zelf gedaan, en dat is hun eer. Zelfs zonder prins Bernhard, zoals Alden Hatch ons in zijn boek wil doen geloven.
11 april 1964.