Dat zit er dus weer op, deze cumulatie van nationale, socialistische en christelijke feestdagen, van koninginnedag naar het 1 meifeest, naar de dodenherdenking, de zogenaamde Nationale Feestdag en de Hemelvaart. Dat is wel wat veel van het goede! Men vraagt zich af of een combinatie niet mogelijk zou zijn, zodat er minder maar zinvoller feestgevierd kan worden. Oranje en rood liggen qua kleur dicht genoeg bij elkaar (politiek ook?) om ze op één dag te zetten. Daarmee zou een op sterven na dode 1 meiviering weer wat levendigheid krijgen en de koninginnedag iets meer zijn. Weliswaar hadden de Duitsers hun ‘Himmelfahrt-Kommando's’ maar dat is nog geen reden de dodenherdenking op Hemelvaartsdag te plaatsen. Wel zou een nationale feestdag als de vijfde mei gecombineerd met een christelijk feest reden kunnen zijn om een kerkgang met een feestneus te verbinden, waarbij op één dag in het jaar niet de klokken maar de toeters de gelovigen ter kerke zouden roepen, maar ach...
Het zal allemaal niet gaan en dus zullen we ermee moeten blijven zitten, op z'n minst tot Pasen en daarmee Hemelvaartsdag, een vaste datum heeft gekregen. Misschien aanleiding om er dan nog eens over te praten...
En nu beginnen we weer niet over het feit dat ons volk zo slecht feestvieren kan. We hebben aan uitwendige middelen ook niet veel meer dan de ietwat zielige materialen uit onze winkels voor feestartikelen, de kermis, de palingkraam en die hinderlijke optochten van veel jonge jongens en meisjes, in operette-uniformen met drums en tambour-maîtres, die zo martiaal doen dat men ze uit medelijden de Duitse parade-pas zou gunnen.
De stille tochten bij de dodenherdenking blijven indrukwekkend al bewijzen de vele ingezonden stukken in onze kranten, vol klachten over lieden die deze plechtigheden verstoorden, wel dat ook hier een steeds groter aantal Nederlanders zelfs een minimum aan eerbied overbodig vindt.
Trouwens, we weten langzamerhand niet meer precies wat en wie we gedenken, sinds de doden uit de Tweede Wereldoorlog zijn aangevuld met degenen die ‘sinds 1940 tot op heden’ voor ‘het vaderland gevallen zijn’. Nu zijn wij de laatsten om het hachelijke werk te ondernemen zelfs onder de doden te discrimineren en de arme jongens die op Java of op Nieuw-Guinea gevallen zijn, kunnen er ook niets aan doen dat het niet in de duinen van Overveen was. Van hen niets dan goeds, voor hen en hun nabestaanden ons meelij en heel veel (soms pijnlijke) stilte. De initiatieven zijn niet van hen uitgegaan. Die komen van de levenden, die om duidelijke redenen alle doden willen verzamelen ter versterking van de nationale gedachte. Een nuttig ding, die nationale gedachte, maar, gelijk de historie leert, eigenlijk alleen levend als men gezamenlijk bedreigd wordt of gezamenlijk een ander bedreigen wil. Aangezien voor beide zaken in onze tijd weinig reden aanwezig is, blijft die nationale gedachte een van de meest gebruikte instrumenten uit het arsenaal van de gerenommeerde feestredenaars. Laat ze hun gang gaan, ze verhogen er niemands bloeddruk mee.
Wij schrijven deze woorden omdat, bladerend in de ondergrondse pers van twintig jaar geleden, wij er een artikel aantroffen onder de naam: ‘Het probleem van het toekomstig leiderschap in het bevrijde Nederland’. Waarvoor men zoal de tijd nam, enkele weken voor de invasie!
Een blad schrijft:
‘Thans duurt de oorlog vier jaren en wij hebben de tijd gehad het een en ander op te merken. Het zijn niet de hoge officieren, die de Nederlandse guerrillastrijders aanvoeren. Het zijn niet de vroegere redacteuren, die de ondergrondse pers leiden. Het zijn niet de vakbondsleiders, die de strijd tegen de arbeidsdeportaties aangebonden hebben. Het is niet de Hoge Raad en het is niet de rechterlijke macht, die vooraan staan in de strijd tegen onrecht en wetsschennis. Het zijn niet de vroegere politieke leiders, niet de meeslepende redenaars en ridders van de onsterfelijke principes, die men in de republiek der illegale strijders het meest ontmoet... Wij doen hier geen onrecht aan de, helaas weinigen, die hun taak wél begrepen hebben. Zij zullen de eersten zijn om de waarheid van het bovenstaande te bevestigen. Zij weten zelf het beste dat men de meesten van hun vroegere ambtgenoten, zo men ze niet teruggetrokken in de particuliere belangen of collaborerend met de Duitsers aantreft, zoeken moet in de ontelbare fabrieken van toekomstplannen...’
Dat klinkt niet erg prettig en schijnt niet vrij van de zelfgenoegzaamheid en de overdrijvingslust die, volgens velen, zo kenmerkend was voor de illegaliteit. Maar de ondergrondse schrijver van twintig jaar geleden gaat verder Hij zegt:
‘Er is nog een andere kant aan deze zaak. De crisis die Europa doormaakt wordt niet allereerst door het nationaal-socialisme veroorzaakt, maar door de innerlijke zwakheid der volken zelf, waarvan de nazi's gebruik hebben weten te maken. Iemand heeft het tijdperk tussen beide wereldoorlogen het “interregnum der moraalloosheid” genoemd en een ander noemde als de grootste kwaal van onze tijd het feit, dat men niet meer bereid was zijn overtuiging met daden te bevestigen. Wij waren voor de vrede, voor het recht, voor de mensheid, maar in werkelijkheid respecteerden we alleen maar het opportunisme. Daarom bleef het werkloosheidsvraagstuk onopgelost, daarom lieten we recht en menselijkheid vertrappen op de slagvelden van Valencia en Guadelajara, daarom verkwanselden we de vrijheid van de Tsjechen, enzovoort, enzovoort... We komen met dit verschijnsel niet klaar door te beweren dat de problemen zo ingewikkeld zijn. Nog nooit was het zo gemakkelijk te weten welke dingen nodig zijn als thans. Wanneer we maar de moed hadden het feit te aanvaarden, dat (wij citeren Denis de Rougemont) de moeilijkheid niet ligt in het onderkennen van de waarheid maar in het aandurven van de dingen die nodig zijn...’
Laten we in het licht van hetgeen twintig jaar geleden geschreven werd nog even teruggaan naar de gedenkdagen van mei 1964. Soms krijgen wij de indruk dat vele ouderen vooral de jongeren willen duidelijk maken hoe slecht ze het tijdens
de bezetting hebben gehad. Hoe weinig er te eten was, de houten fietsbanden, het gedwongen spitten enzovoort. Onze pers brengt bij die gelegenheid liefst een aantal sterke verhalen, staaltjes van grote dapperheid of thans bijna onvoorstelbaar avontuur. Onder de verworvenheden die door de bevrijding gered werden, speelt ‘de vrijheid’ de grootste rol, meer dan recht, meer dan de kans om recht te doen, meer dan de opgave, de taak om recht te doen, meer dan de solidariteit met de zwakken, meer dan de hoop op een ietwat andere en betere wereld, dan die waarin het fenomeen Hitler kon ontstaan, opheffing van de grote materiële verschillen tussen de volken en honderd zaken meer, die in talloze verklaringen van politieke leiders, kerken, in illegale en legale brochures, in plechtige verklaringen werden opgesomd. Men begint te laat te herdenken wanneer men aanvangt bij de ontplooiing van Hitlers militaire macht. Het raadsel, het gevaar ligt in zijn opkomst als politieke macht en de bereidheid van het Duitse volk en van het Westen én van de kerk met hem te pacteren.
De herdenking van de herwonnen vrijheid is niet veel meer waard dan een historische repetitie, die bijvoorbeeld in 1572 zou kunnen beginnen, naar 1648 naar 1672 en 1813 en 1945, goede maar voorbije zaken, als we niet openlijk met elkaar en als individu en als volk, juist in deze dagen, spreken over de vrijheid van alle volken, de Polen en de Tsjechen, de Spanjaarden en de Angolezen, de negers van Zuid-Afrika en de vs. Ook op het recht dat alle volken hebben op hun aandeel in de rijkdommen van de wereld. Een zeer actueel onderwerp, nu in Genève bij de wereldhandelsconferentie de machteloosheid van het Westen blijkt om iets van zijn materiële privileges prijs te geven en de machteloosheid van de ‘have not’-landen om iets meer te verwerven dan een aalmoes.
Ik ben niet zo dwaas om te beweren dat de Tweede Wereldoorlog tevergeefs gestreden en gewonnen is. Godbeware voor zulke onzin. Maar met de gedenkdagen van mei nauwelijks achter de rug zou Nederland, vóór- en tegenstanders, op zijn achterste benen moeten staan als een domme, kleinzielige minister een internationale groep van serieuze vrouwen het recht om bij de nato-conferentie te betogen, ontzegt en blijkbaar slechts dan toegeeft als buitenlandse politici deze Hollandse interpretatie van orde en rust wel wat al te gortig vinden...
Twintig jaar geleden leefde het Nederlandse volk in de opperste spanning. Het grote, beslissende moment in de Tweede Wereldoorlog was dichtbij gekomen. Niet eens een kwestie van maanden, nauwelijks van weken. Elke volgende nacht kon de nacht zijn. Mede door de Duitse propaganda maakte niemand zich enige illusie omtrent de verwoesting en het leed waarmee zo'n ‘Ende mit Schrecken’ gepaard kon gaan. Het werd allemaal in de schrilste kleuren getekend. Men was bereid erdoorheen te gaan om vele en velerlei redenen, maar een van de voornaamste was toch wel het onstilbare toekomstverlangen, het verlangen, niet alleen om baas te zijn in eigen huis, maar om dit eigen huis nieuw en beter op te trekken dan voorheen. Een klein bewijs dat deze stemming inderdaad aanwezig was is het feit dat er over die toekomst nooit zoveel gedacht en geschreven werd als in die dagen toen tegelijkertijd ook het praktische verzetswerk zijn hoogtepunt naderde.
Een Mei-herdenking zonder dit toekomstverlangen is ten dode opgeschreven. Men leeft nu eenmaal niet van het verleden. We zullen de dromen van toen in de werkelijkheid van vandaag en morgen moeten betalen. Daarbij is de militaire paraatheid van de nato slechts een aspect en misschien niet eens het belangrijkste. Daarbij behoort ook de woningbouw, die ons hetzelfde schaamrood op de kaken behoort te brengen als de mensonterende werkloosheid van de twintiger en dertiger jaren.
Ik noem met opzet maar één punt. Vult u ze zelf aan, nationaal zowel als internationaal. Misschien komt u dan tot de ontdekking dat de nabetrachting op de gedenk- en feestdagen boeiender kan zijn dan het feest.
16 mei 1964.