terug  begin  verderprepost

Helden of schapen?

Helden of schapen? Is daartussen geen ruimte voor mannen, gewone mensen, bangen voor mijn part en twijfelaars als u wilt, maar in ieder geval nog mensen zoals u en ik anno 1964 zijn?

De uitdrukking is uit een illegaal pamflet dat ongeveer twintig jaar geleden in West-Nederland werd verspreid. Het moet een volk al zeer slecht vergaan zijn als er blijkbaar geen andere keus meer is. Er werden in die dagen ook andere alternatieven gesteld, die er evenmin om logen. Hier is er één: Soldaat of slaaf! Natuurlijk prefereerden de meeste Nederlanders geen van tweeën, maar blijkbaar werd hun door de Duitsers geen andere keus gelaten.

Laten we het uitdrukken in de taal van ons rustig en welvarend Nederland A.D. 1964. Een onaangename situatie, mogen we wel stellen...

 

Er is niet gemakkelijk over die tijd, over december 1944, te schrijven. We waren er hartstikke beroerd aan toe, zo beroerd dat men zich, met de hulpmiddelen van thans, beter de ellende van de Congo, Zuid-Vietnam of Harlem kan voorstellen dan hetgeen zich in december 1944 in Rotterdam of Amsterdam afspeelde. Er zijn geen films of klankbeelden van. Enkele schaarse foto's, clandestien genomen, geven althans een vage indruk. Als schrijver van deze kroniek ben ik niet van plan een poging te doen u de toestand te schilderen. Het lukt toch niet en het zal u weinig zeggen, dat in december 1944 een verzetsorganisatie een aparte hulpploeg had om uit de portieken, van de bordessen van de Amsterdamse grachtenhuizen, uit loodsen, de halfdooien weg te halen, die met enkele (gestolen) broodbonnen en wat geld nog te redden waren. Omdat het kersttijd was. Proost!

Liever herinneren we aan een stukje uit een toentertijd ondergronds blad. Het artikel heette ‘De beurt aan Nederland’ en er stond onder meer dit in te lezen:

[p. 307]

‘Wij zijn een van de weinige volken van Europa, die in meer dan een èeuw tijds geen oorlogsgeweld op eigen bodem beleefde. Daarenboven en mede daardoor heerste hier in vele opzichten een ongekende welvaart. Dit heeft natuurlijk invloed gehad op onze mentaliteit...

...Dit volk wordt thans aan een ontzettende proef onderworpen. Angst en bezorgdheid om eigen land en volk knijpen ons bijwijlen de keel dicht...

 

De laatste weken echter heeft dit smartelijk maar zeer menselijk gevoel wel eens vormen aangenomen, die o.i. beneden onze nationale waárdigheid liggen. Dit is het geval wanneer een eerlijk gedragen lijden (dat wij niet behoeven te verbloemen of te ontkennen) ontaardt in zelfbeklag en gejammer...’

 

De schrijver herinnert dan aan 4 september (Dolle Dinsdag) waardoor de bevrijding van het noorden en westen des lands uitbleef en vervolgt:

 

‘...Wij vinden het geen prettige herinnering dat vlak daarop de hele wereld, zoals bijvoorbeeld via Radio Oranje gebeurde, Nederland heeft horen huilen en kermen... Ondanks alle ellende dienen wij toch te erkennen dat we er, in vergelijking met andere volken tot nu toe vrij goed zijn afgekomen. Wat ons thans overkomt verdroegen andere volken reeds veel eerder en soms al voor de tweede of derde maal. We denken aan de Russen, de Polen, de Grieken enzovoort...’

 

Nou ja, in ieder geval zegt de flinke zedenmeester, dat we er ‘tot nu toe’ vrij goed afgekomen zijn en ik heb een stellig vermoeden dat de toenmalige schrijver wist dat het nog wel erger zou worden. Het was immers nog pas december 1944. De bevrijding zou nog een klein half jaar op zich laten wachten.

 

Goed, nu ietwat preciezer. De bezetting duurde nu al vier en een half jaar. Onze joodse medeburgers waren vergast. Meer dan een half miljoen mannen als slaven naar Duitsland gevoerd. Onze kleren versleten. Onze fabrieken leeggeroofd. Ons vee grotendeels gestolen en geslacht. Het treinverkeer stond stil (staking!), wegvervoer was er niet of nauwelijks. Zelfs de binnenscheepvaart lag bijna stil. Het was winter en er was niets om de kachel te stoken. Daarvoor werden de leeggehaalde huizen van joden in een woeste rage door wildgeworden burgers clandestien afgebroken, het houten plaveisel opgebroken, straatbomen omgekapt. Wie stelen kon stal. Men liep honderd kilometers en meer om enkele kilo's aardappelen te bemachtigen. Het geld had vrijwel als ruilmiddel afgedaan. Men betaalde, ruilde met bonnen, sigaretten, aardappels, linnengoed, sieraden, horloges, enzovoort, enzovoort.

In het vierde kwartaal van 1944 kreeg een burger per week iets minder dan drie pond brood, ruim een half ons rijst, een goed half ons peulvruchten, een half ons kaas, een half ons margarine en ruim een ons vlees. Aardappelen iets meer dan drie pond per week, namelijk 1615 gram. In het eerste kwartaal van 1945 liep dat allemaal nog tot ver beneden de helft terug...

[p. 308]

Dat zijn geen voorraden om je dik van te eten. Probeer het er, zelfs goed doorvoed als u nu bent, eens veertien dagen op vol te houden. Bij een koude kachel en in een tot de draad versleten jas... Probeer het maar niet, want zelfs dan weer u nóg niet hoe het eigenlijk was. Want hoewel eten voor ons Nederlanders een belangrijke zaak is, waaraan we veel afmeten, zo werd de eigenlijke angst toch door andere dingen veroorzaakt.

De Duitsers hadden, zoals zij dat noemden, de algemene arbeidsdienstplicht afgekondigd voor alle mannen van 16 tot 40 jaar. In Rotterdam werden er binnen 24 uur meer dan 50.000, vijftigduizend!, gevangen. Ook in Den Haag, Utrecht, Haarlem en een groot aantal kleinere steden werden ze als vee gestolen en weggevoerd als ze zich niet reeds als schapen hadden gemeld. Bij hun mensenjacht pasten de Duitsers de brutaalste methoden toe. Overvalwagens rijden van twee kanten een straat in. De zijstraten zijn in enkele minuten afgezet. Alle mannen, die zo in de val gelopen zijn, worden in de wagens gejaagd en afgevoerd. Soms doen de mensenjagers het zelfs per fiets. Een groep moffen is op pad. Ze omsingelen een klein gebied en vangen zodoende weer een tien- of twintigtal Nederlanders. Weg er mee! Niemand is meer veilig, maar het is ook vrijwel onmogelijk voor de mannen om thuis te blijven. Ze moeten erop uit, voor een beetje hout, voor een clandestien stukje brood. Als ze uit hun holen komen hebben ze niet meer veiligheid dan een vos bij een vossejacht. De Duitse honden liggen overal op de loer...

 

Zegt u nu maar, lezer van 1964, wat je daaraan doen moet. Om zoveel mogelijk gezamenlijkte kunnen optreden hadden de verzetsorganisaties zich aaneengesloten en een speciaal comité in het leven geroepen om de strijd tegen deze mensenjacht te organiseren. Dankzij veel geheim contact met Londen wist men de regering aldaar op de hand van het verzet te krijgen, maar de werkgeversorganisaties in Nederland waren moeilijker te overtuigen. Opnieuw namelijk zetten de Duitsers hun valstrikken uit en gaven de zogenaamde ‘onmisbaren’ de gelegenheid ‘Ausweise’, een soort vrijstellingen, aan te vragen. Niet doen, zeiden de jongens van het verzet. Wel doen, zeiden de werkgevers en een aantal ambtenaren. Als je het niet doet, wordt het in Nederland een chaos, zeiden vele werkgevers en hun aanhang. Alsof die chaos er al niet was!

Juist de chaos! zei het verzet. Het was bijvoorbeeld bekend geworden, dat het Duitse leger woedend was op de slavenjagers, die hun prooi overal wegkaapten, omdat daarmee ook het restje industrie dat nog voor de vijand werkte, in moeilijkheden kwam. Trouwens, zelfs de Duitsers waren gebaat bij een minimum aan organisatie, waardoor hun bezettingsapparaat hier kon blijven functioneren...

 

Zo sprak de regering op dinsdag 12 januari 1945 via Radio Oranje. We citeren slechts een gedeelte eruit:

Een verordening dd. 14 december jl. getekend door een zekere Liese, algemeen gemachtigde voor de totale oorlogsinspanning, legt met het oog op de zogenaamde arbeidsinzet de meldingsplicht op aan alle mannen van 16 tot 40

[p. 309]

jaar, met bepaalde uitzonderingen, waarvoor Ausweisen zullen worden verstrekt. Op verzet zijn scherpe straffen gesteld.

De regering bepaalt het volgende:

Elke directe of indirecte medewerking bij de uitvoering der nieuwe Duitse bepaling is ten strengste verboden, zowel voor het gehele personeel in overheidsdienst als voor alle werkgevers. Burgemeesters, politiebeambten, personeel der bevolkingsregisters, al het overige personeel in overheidsdienst, alsmede alle werkgevers, die direct of indirect medewerking zouden verlenen aan de nieuwe Duitse maatregel tot mensenroof, stellen zich bloot aan latere vervolging wegens collaboratie met de vijand...

 

Dat was duidelijke taal. Van die bestraffing wegens collaboratie, die hier zo plechtig wordt aangekondigd, is weinig gekomen, maar wel werden er door de illegaliteit alvast bij voorbaat een aantal ambtenaren die tot medewerking met de Duitsers bereid waren, neergeschoten en het overigens zo zachtmoedige hoofd van de Binnenlandse Strijdkrachten ging zo ver dat hij zijn ondergeschikten verlof gaf werkgevers die weigerden aan dit verzet mee te werken, met boksbeugels en ploertendoders te bewerken. Nou ja, dat bevel werd weer prompt ingetrokken en, N.B.! op aandrang van de verzetsbeweging zelf. Waarbij we uit deze hele geschiedenis twee belangrijke zaken kunnen ontdekken, namelijk, dat onze regering in Londen de verzetsbeweging als een soort autoriteit in bezet gebied erkende en vervolgens de opmerkelijke gematigdheid van die verzetsbeweging...

 

Overigens, het zij hier in alle eerlijkheid en bescheidenheid gesteld: Het was geen gemakkelijk probleem. Het verzet stelde het zo en wij citeren daarbij ‘officiële’ woorden: ‘Toegeven en buigen is de zekerste weg naar de zelfvernietiging. Verzet tot het uiterste en met alle middelen is de enige mogelijkheid tot zelfbehoud...’

Met andere woorden, door toe te geven kunnen enkelen zichzelf redden, maar als volk, als collectief betekent het dat de Duitsers steeds grotere aantallen als slaven zullen wegvoeren, steeds sterkere verdedigingswerken zullen opwerpen, waartegen onze bevrijders straks zullen moeten stormlopen...

De anderen redeneerden aldus: Door gedeeltelijk toe te geven houden we althans nog een minimum van normaal volksleven aan de gang.

- Daarmee houden we ook een stuk Duitse macht intact, was het antwoord van het verzet.

- De Duitsers zullen een groot aantal weigeraars fusilleren...

- Als onze mannen bij honderdduizenden worden weggevoerd is dat even erg, zo niet erger dan het verbloeden van een volk op de slagvelden.

- Huisvaders kunnen met zo'n Ausweis het lot van hun familie verzachten...

- Ze verlengen er de oorlog mee, waardoor niet alleen de weggevoerden maar ook de achtergeblevenen met de ondergang worden bedreigd...

De illegale pers publiceert berichten van mannen die naar Duitsland zijn af-

[p. 310]

gevoerd. Het klinkt als nieuws uit een vreselijke, onvoorstelbare onderwereld. Het verzet publiceert verhalen hoe de geallieerde soldaten aan het front zwoegen, lijden en sterven. Waarom zij wel, waarom wij niet?...

Een groteske, bijna aan menselijke proporties ontsnappende discussie.

Precies zoals de situatie was. Die zou alleen nog maar erger worden.

 

En wanneer u nu denkt dat het verzet aan dit werk de handen vol had dan heeft u gelijk. Toch gebeurde er nog veel meer en nu, twintig jaar later, is het ook voor de schrijver dezes moeilijk te begrijpen, waar men voor al die andere dingen de fut vandaan haalde. Er werd gediscussieerd en nagedacht over het toekomstig Nederland, over de democratie, over de wederopbouw. Er werd in Noord-Nederland geprotesteerd als er arbeiders in het bevrijde Zuid-Nederland 12 uur staakten. Er werd gepolemiseerd met De Waarheid, die vond dat de gewapende verzetsbeweging in Frankrijk de wapens moest kunnen behouden, ook nadat er een nieuw bewind was gevormd. Er werd zelfs een stichting opgericht om, na de bevrijding, voor de slachtoffers van het verzet te zorgen... En dat gebeurde vaak door dezelfde mensen, die zich even actief met het verzet bezighielden.

 

Wonderlijke combinatie van krachten... Hoewel, en dit is dan opnieuw een illegaal krantebericht uit die dagen, stel het u ook weer niet té mooi voor.

 

Hier heeft u een bericht uit een nummer van 14 december 1944:

 

Na de razzia's hebben vele Duitsers zich verbaasd over de lijdzame houding van ons volk. Wij hebben Duitse officieren met minachting over ons horen spreken. Zij vinden ons volk een laf volk. Als bewijs voor deze mening gaven zij de houding van de Rotterdamse bevolking bij de razzia's. Letterlijk vertelden zij: ‘Vrouwen, en dat niet weinigen, kwamen bij de Duitsers en boden zichzelf voor geslachtelijke omgang aan, als hun mannen of jongens werden vrijgelaten. Vele vrouwen kwamen met kilo's boter, flessen cognac enzovoort...’

 

Zeshonderd Rotterdammers zaten ergens onder bewaking van een officier en drie manschappen. De officier zei later: Wat een lafaards zijn deze Nederlanders. In Polen zouden ze dat anders gedaan hebben. Mijn manschappen hadden ter beschikking één machinegeweer met tien schoten en twee geweren met weinig schoten. Ikzelf had alleen mijn revolver. Hadden ze opstand tegen ons gemaakt dan hadden we er hoogstens twintig kunnen neerschieten, de rest van de zeshonderd had ons fijngehakt...

 

Ja, ja, maar als diezelfde Duitse officier nu nog leeft en hij zou voor het tribunaal gehaald worden om geoordeeld te worden wegens mensenroof, dan zou hij hebben geantwoord: Befehl ist Befehl.. Ich war nur ein sehr kleiner Mann... Zoals ze allemaal antwoorden.

[p. 311]

Helden of schapen? Zo was toch de titel van dit artikel?

In ieder geval het was heel moeilijk in die dagen een man, zelfs een zeer kleine man, te zijn.

12 januari 1965.

prepostterug  begin  verder