Dit is het laatste nummer uit deze serie. Hiermee houdt dit geschrijf op, of men moest weer opnieuw beginnen. Nu 25 jaar geleden. Ook de cirkel van bezetting en bevrijding sluit zich. Op 5 mei hebben we de bevrijding herdacht, op 10 mei begon de Duitse overval, nu 25 jaar geleden. Een stralende meimorgen zoals dat heet, maar, zo schreef een dichter:
en onverdraagzaam en niet op het Europa van 1965 ingesteld als hij toen was, liet hij erop volgen:
Nou, als het om Hitler ging, dan heeft hij zijn straf thuisgekregen. Met zijn medewerkers en handlangers is men vandaag de dag, twintig, vijfentwintig jaren later nog bezig...
Aleer deze aflevering werd geschreven zat er een flink hiaat in de regelmatige opeenvolging van de artikelen. Deze reeks zit trouwens vol hiaten, maar was ook niet bedoeld als historische kroniek van de bezettingstijd. Geschreven werd over datgene wat aanknopingspunten bood met de wereld van vandaag en ons leven van heden. De aanleidingen lagen in het nu, niet in het verleden. Het is een merkwaardige ervaring te bemerken dat, naarmate de chaos en de honger, de terreur en de verwoesting toenemen, de actuele betekenis voor het heden en de affiniteit met de problemen van vandaag minder worden. Proporties, vergelijkbaarheden, vallen weg. Chaos is zinloos. Van het absurde valt niets te leren,
men kan het uitbeelden en beschrijven, maar, zoals gezegd, deze serie was niet bedoeld als geschiedschrijving. Vergelijkingen kan men zoeken in de Congo, in de hongerprovincies van India en helaas op vele andere plaatsen op deze planeet, maar niet in Nederland...
Sinds december 1944 was het leven in de bezette gebieden van ons land een absurditeit geworden. Bijna iedere Nederlandse burger was vogelvrij. Alle straten en landwegen waren het jachtterrein van de Duitse slavenjagers, die de mensen wegroofden als kattenmeppers onze poezen. Het normale politieapparaat bestond niet meer en was grotendeels vervangen door bewapende bruten en stommelingen, gerecruteerd uit de onderste rijen van de nsb, de Landwacht. Gas, elektriciteit en dergelijke waren uitgeschakeld. De ptt werkte niet meer. Ik heb huizen van drie verdiepingen in enkele uren tijd zien afbreken, door honderden mensen tegelijk, als mieren krioelend over de bouwval. Om een stukje brandhout voor de kachel. Wie viel of getroffen werd door een vallende steenklomp bleef liggen als een vod. Bij een bombardement ging men een getroffen maar nog levend paard met zakmessen en bijlen te lijf. Verhongerde moeders spaarden het laatste voedsel voor kinderen en er waren gezinnen waar ieder lid zijn eigen portie moest wegstoppen uit angst dat de ander het zou gappen. Ik heb een gedeserteerde Duitse soldaat zien opbrengen door de Feldgendarmerie, een stukje doodvermoeide menselijke ellende op weg naar de galg. Het beeld spookt nog door mijn dromen. Op een vuilnisbelt, midden in de stad, werden Nederlanders gefusilleerd en voorbijgangers, ook kinderen, werden gedwongen toe te zien. De Grüne Polizisten die dat deden, behoren niet tot de oorlogsmisdadigers en worden niet vervolgd. U kunt ze deze zomer in Zandvoort tegenkomen.
Nee, ik maak geen schilderij van de hongerwinter. Ik noem maar wat op dat mij te binnen schiet. Ons volksbestaan, ons menselijk bestaan, ons bestaan als mens op een nachtpitje, en wie, die het niet ervaren heeft, weet hoe ontluisterd, miezerig en zielig en wreed die hele hoop van nette meneren en mevrouwen die nu door onze welvaart galopperen, wordt, als de steunsels van civilisatie wegvallen?
Jawel, maar op dezelfde vuilnisbelt waar de Duitsers vele Nederlanders neerknalden, legden dappere jongens enkele uren later de Nederlandse vlag. Wijd uitgespreid. En ineens was het een monument. In dezelfde tijd waarin de chaos tot volstrekte absurditeit uitgroeide, was het ondergronds verzet beter georganiseerd dan ooit tevoren. Van avontuur was het een handwerk geworden, van een romantische idealistische bevlieging bijna een wetenschap. Terwijl de regeringloosheid in de gezinnen, op straat, in de scholen en de fabrieken toenam, kreeg Nederland in die dagen zijn eerste officiële ondergrondse ‘regering’ in de vorm van het college van vertrouwensmannen. Terwijl het contact tussen families verloren ging en het bijna onmogelijk was van Amsterdam-centrum naar Amsterdam-Noord te komen, was het contact met Londen intensiever en veelvuldi-
ger dan ooit. Terwijl de honger groter werd kwam er meer jenever beschikbaar voor de illegaliteit, dankzij collaborerende fabrieken die op het nippertje nog wat wilden goedmaken, en waarmee!
Een mens is een taai dier. Hij blijkt met veel minder toe te kunnen dan hij in zijn welvaart en rust meent. Zelfs zijn geluk schijnt er in zekere zin onafhankelijk van te zijn. Als ik even tevoren heb gezegd dat de mens in zijn gedragingen zo gemakkelijk beneden het algemeen menselijke gedragspatroon valt, dan zeg ik nu dat een van de wonderbaarlijkste dingen is hoezeer ons volk in het algemeen een zekere waardigheid, stijl en samenzijn wist te bewaren en dat onder omstandigheden, die daar bijna een lachertje van maakten. Het resultaat van een eeuwenoud en vrij streng cultuur- en gedragspatroon, van opvoeding, taboes en vele zaken meer, die men heden als ouderwets ervaart. Of van iets anders?
Nochtans, een absurde chaotische tijd, die ik langs de denkwegen waarlangs ik het schoolverzet, het artsenverzet, de pers en honderd zaken meer benader, niet benaderen kan. Het is alsof iets van het chaotische mijn denken thans nog verwart. Het worden flarden, groteske beelden, die overigens minder emotie teweegbrengen dan de gebeurtenissen uit 1940 tot, laten we zeggen, begin '44. In ieder geval, wie denkt dat een menselijk avontuur als een oorlog is, in zijn loop te berekenen valt, vergist zich. Het loopt altijd anders. Toen de vijand uit het oosten kwam, in 1940, was Rotterdam het centrum van de strijd. Nu de bevrijders uit het westen komen, wordt er niet op onze stranden gevochten, niet in het westen, maar in het oosten. Terwijl voor de ene helft van ons land de ellende voorbij is begint zij voor de westelijke helft pas goed, maar anderzijds, terwijl de steden en dorpen van het oosten vechtend bevrijd moeten worden, met tanks en granaten, komt de vrijheid in het westen als lunchpakketten uit de lucht vallen.
Als in bezet gebied bijna niemand meer telefoneren kan, bestaat er een uitnemende verbinding tussen bezet en vrij Nederland. Als er geen stroom meer is, als de voorraden zijn uitgeput, als er geen machines meer draaien, is de gezamenlijke oplaag van de ondergrondse pers tot in de vele honderdduizenden, ja tot miljoenen opgelopen, tienmaal meer dan in ‘betere’ tijden.
Maar er zijn nog andere dingen:
Vijf jaren lang is het verzet in Nederland, de strijd om de vrijheid op vaderlandse bodem een zaak geweest van burgers, van mannen en vrouwen, jongens en meisjes met een confectiepakkie aan. Als de vrede komt, is dat een zaak van militairen, dan komt het mg, het Militair Gezag, dan komt het uniform.
Vijf jaren lang is de verzetsbeweging het geweten en de voorhoede van het Nederlandse volk geweest, moesten beslissingen genomen worden van een zwaarte waaronder ook regeringen gebukt zouden gaan, maar ze wérden genomen en het waren meestal goede besluiten. In de laatste weken van de bezettingstijd zijn er opnieuw zaken aan de orde die over leven of dood beslissen.
Het gesprek met de vijand wordt geopend door een man die ik een collaborateur noem, vijf jaren lang, het wordt overgenomen door anderen, er wordt van alles gedaan en gezegd, tegen Seyss-Inquart, tegen de regering in Londen, tegen het geallieerd opperbevel, maar... zonder dat de verzetsbeweging daarin gekend is, zelfs zónder dat de verzetsbeweging op de hoogte gesteld wordt...
In de organisatie waarin ik werk, heerst honger. Niet zo erg als onder de burgerij want de gezamenlijke verzetsbewegingen zorgden ervoor dat er, zij het kleine dan toch extra, porties voedsel beschikbaar zijn om het werk gaande te houden. Maar tot de organisatie behoren ook de families waar de werkers onderdak vinden en ook daar heerst honger. Er wordt een binnenschip gecharterd, dat naar Friesland zal varen. Daar is voedsel. Voor tien flessen jenever wordt er, met een tweetal jongens van de eigen organisatie, die daarvoor aangewezen zijn, een bemanning van Duitse soldaten gevonden, die het schip door de controle zullen loodsen. Ze komen terug mét aardappelen. In een kroegje op het Singel wordt de geslaagde onderneming gevierd, de Duitsers erbij en ook de elfde fles jenever. Een van de illegale medewerkers heette Albert. Hij had de leiding van de onderneming. Een bezopen Duitser zit met de arm om hem heen geslagen en lalt in gebroken Nederlands: Albert ist Gott. Der geest van Albert schweefde über de Sudersee...
De aardappels werden verdeeld met behulp van de politie. Voor één pond liet ik ook m'n haar knippen. Dat was hard nodig.
Toch was het een vrij gevaarlijke onderneming. Albert kwam er goed doorheen. Luttele dagen later is er de capitulatie. De oorlog is voorbij, maar op de Dam beginnen Duitsers, uit angst? door een misverstand? op de samengestroomde menigte te schieten. Ook iemand van onze organisatie behoort tot de getroffenen. Een kogel dwars door het hoofd. Hij sterft in het Binnengasthuis en we staan bij zijn sterfbed. Als hij dood is zal hij naar de kelder verhuizen, want gelegenheid om te begraven is er allang niet meer. Gelukkig kennen we de chirurg en die geeft toestemming het lijk mee te nemen als we zelf maar voor vervoer zorgen. We organiseren een bakfiets, we wikkelen hem in een zeildoek, als we hoeken omgaan in het nauwe straatje rolt het zeildoek met zijn inhoud in de lege bak van links naar rechts...
Zo was de bevrijding.
En nog iets. In het begin van het jaar waren een aantal voormannen van het verzet door verraad in de val gelopen en gearresteerd. Ook iemand van onze groep was daarbij. Ze vormden het voorlopig bestuur van de latere Stichting '40-'45. Waar zaten ze? Wat zou er met ze gebeuren? Wat hadden ze wel, wat niet bekend? Tot de koeriersters behoorde een meisje wier broer gefusilleerd was omdat hij behoorde tot de overvallers van het bevolkingsregister in Amsterdam. Ze had contact met zijn vroegere Sachbearbeiter onderhouden. Ook nog in 1945. Je wist nooit waar het goed voor was. Deze Duitser zegt haar iemand van het verzet te willen spreken. Nicht so ein Würstchen... Hij heeft wat voor. Ik
word er voor aangewezen. Een ontmoeting vol met veiligheidskleppen wordt georganiseerd, maar op de dag dat die plaats zou hebben wordt Oelschlägel vermoord, een sd'er. De anderen krijgen opdracht die avond thuis te blijven. Dus moet ik naar de sd. Ik ging. Ik was niet bang en ik ben er zeker van dat dieptepsychologen zullen vaststellen dat er een onbewuste Todestrieb aanwezig was. Dat is heel wel mogelijk. We verlangden naar de vrijheid en we waren er bang voor.
De sd'er heeft een plan. In Purmerend is de nsb-burgemeester gekidnapt door de illegaliteit. Diens vrouw is een Duitse dorpsgenote van de sd'er. Zijn voorstel, zegt hij, ligt zuiver in het menselijke vlak. Hij wil die burgemeester terug, terwille van zijn jeugdvriendin, ik krijg dan mijn vriend terug. Ik maak het verhaal kort. In Purmerend aangekomen, blijkt de man ontvoerd te zijn door jongens van mijn eigen organisatie. Ze hebben gelogen, gezegd dat hij nog leeft, om represailles jegens gevangenzittende Purmerenders te voorkomen. De man die ook mij deze leugen moet komen vertellen blijkt een vooroorlogse vriend van me te zijn. We hebben nooit geweten dat we in een zelfde georganiseerd verband werkten. Hij zegt de waarheid. De burgemeester is dood. Met die boodschap moet ik terug. Nee, er gebeurt niks met onze mensen, maar er blijft wel een geregeld contact met deze sd'er. Ik leer zijn hele levensgeschiedenis kennen. Een tragische. Ik krijg een geheim telefoonnummer en hij kan mij bereiken onder de naam Frank. Er vindt zelfs een gesprek plaats met Lages. Ongeveer zo:
‘Wat willen u en uw mannen doen als de communisten naar de macht grijpen?’
Ik lach en zeg dat ze dat niet zullen doen.
‘Maar áls... en wat verwacht u dan van ons?...’
Ik zeg niks, lach.
Hij zegt: ‘Wij staan gereed u te helpen.’
Ik zeg wat over hulp bij Beëlzebub halen en probeer in het Duits het spreekwoord te citeren over de kat en de kater. Weet niet wat kater is en zeg ‘Mann-Katze...’
Tussen de sd'ers onderling zaaien we wantrouwen en haat. We zeggen bewijzen te hebben dat die en die de benen wil nemen en in burger wil onderduiken. Ze vertrouwen elkaar niet meer...
Maar al met al, als Amsterdam feestviert, zitten onze vrienden nog gevangen. Men is van plan ze als gijzelaars naar Den Haag te voeren met de mogelijkheid dat ze onderweg neergeknald worden.
Er vinden dramatische telefoongesprekken plaats, met Lages en Rühl en Viebahn.
‘- Und wenn sie jetzt nicht sofort entlassen werden, Gott verdammt, so werden sie noch heute Abend auf dem Dam gehängt werden, wenn die Meute euch nicht schon zerrissen hat...’
Ze kwamen vrij, laat, op het nippertje. Die avond was er ook bij ons feest, op een onderduikadres aan de Prinsengracht. Telefoon. Het is de man die ik als
eerste bij de sd ontmoette, de vriend van de Purmerender burgemeestersvrouw, nu weduwe. Maar die zijn er zoveel. Miljoenen!
- Ich möchte Sie grüssen...
Ik zwijg.
- Ich warte hier bis deine Leute kommen, mich zu holen...
Ik zwijg.
- Na ja. Vielleicht begegne ich in der Hölle ein Franzosen, ein Engländer und so ein illegale Werker und spielen wir zusammen ein Spielchen Skat...
Ik zwijg.
- Sie erwarten viel von der Freiheit, tun Sie nicht, Herr Frank?
Ik zwijg.
- Sie werden bald enttaüscht sein...
- Grüss Gott, das wollte ich eigentlich nur sagen...
Ik wil wat zeggen, ik wilde de hele tijd wat zeggen, maar ik weet niks. Ten slotte:
- Adieu, zeg ik. Ik zeg à Dieu, mache es mit Gott.
Toen hingen de vlaggen al uit en het was een trieste avond.
Waarmee ik maar zeggen wil... en dat is nu juist wat ik niet weet en wat ook niet meer gezegd behoeft te worden, nu we ons zat gegeten hebben aan de vele woorden wat de oorlog betekende, waarom die gevoerd werd, wat vrijheid is, en wat vrijheid moet zijn. Het zal wel allemaal waar zijn wat er is gezegd, we zijn niet gek en de sprekers helemaal niet.
Ik had gedacht deze serie artikelen toch eenmaal te zullen beëindigen met een gloednieuwe peroratie over wat er allemaal geleden is, waarom, over de prijs van onze vrijheid en over de grote edele taken die ons nog wachten. U ziet, er is niks van gekomen en ik vind het eigenlijk wel goed zo, want de hele serie is eigenlijk wel ietwat con sordino geschreven.
Maar op één ding wil ik hier wijzen. Toen de hoofdredacteur van dit blad, die inmiddels mijn vriend is geworden, mij uitnodigde deze reeks te schrijven, wist hij dat ik niet tot zijn partij en niet tot de politieke richting behoorde die zijn blad uitdrukt. Toch bleef hij bij zijn uitnodiging en er is nooit wat van mijn manuscript geschrapt. Dat is niet alleen de liberale traditie op haar mooist, maar ook een van de grondslagen van de democratie, namelijk de wetenschap dat we bij alle (en terechte!) verschillen en (geoorloofde en onvermijdelijke en zelfs gewenste!) tegenstellingen toch meer gemeenschappelijks hebben, dat de verschillen tegelijk accentueert en relativeert.
Ik dank hem voor die uitnodiging van destijds.
En tot slot: Er is een Russisch rijmpje, dat ik bij u onvergetelijk zou willen maken en dat, als dat gelukt, de gehele zin van deze artikelenserie uitmaakt. Dit:
Snapt u?
8 mei 1965.