|
|
|
| |
| | | |
De Geschiedenis van Philip, den schommelaar.

Vader spreekt, op strengen toon,
Tot zijn' kleinen, wilden zoon:
‘k' Hoop dat Philip nu eens stil
Aan de tafel zitten wil!’
En zijn moeder fluistert zacht:
‘Geef op vaders woorden acht!
Doe ons heden geen verdriet!’
Maar de knaap gehoorzaamt niet,
Met zijn' stoel al heen en weêr:
‘Philip! dat mishaagt mij zeer!’
| | | |

Ziet eens, kind'ren! op deez' plaat;
Hoe het Philip verder gaat:
Door zijn schomm'len heen en weêr,
Valt hij met de stoel ter neêr
En, bij 't achteroverslaan,
Grijpt hij angstig 't laken aan;
Maar, wie heeft het ooit gezien?
't Laken en de soep-terrien,
Vorken, lepels, flesch en glas,
Vallen ramm'lend naar beneên,
Op en om den jongen heen.
| | | |

Onder 't laken ligt hij neêr;
Al zijn leden doen hem zeer.
Hoort eens naar zijn bang geroep:
‘Moeder, ach! die heete soep
Heeft mijn heele been verbrand!
O, hoe zeer doet mij mijn' hand
Och, mijn neus doet mij zoo'n pijn,
Zou hij ook gebroken zijn?’
Maar zijn vader vol van spijt
Om zijn' ongehoorzaamheid,
Beurt hem op en zegt: ‘mijn zoon!
Gij hebt uw verdiende loon.
Kindren, die ondeugend zijn,
Lijden dikwijls smart en pijn;
Wees voortaan dus niet meer stout!
Maar, opdat gij 't wel onthoudt,
Neem ik u nog, tot uw straf,
Al uw' mooije speelgoed af.’
|
|
|