De linguistiek zoals wij die kennen is eenmaal begroet als een bevrijding. In Multatuli's ‘simplex sigillum falsi’ ligt het oordeel dat een taal-wetenschap van vele eeuwen trof. Het was een strenge maar beschermende eenvoud, die in ‘woorden’ terminos zag en in, ‘zinnen’ propositiones, die idea en judicium gebruikte om vocabula te scheiden en te verenigen in orationes imperfectas en perfectas. Het was de eenvoud die een systeem mogelik maakte, dat geen andere lacune vertoonde, dan aan de werkelikheid der taalverschijnselen vreemd te zijn, zoals het harnas vreemd is aan de levende mens. Toen is de tijd gekomen der duizend en één nachten, waarin steeds nieuwe geheimen werden ontsloten, en waarop elke nieuwe volgende morgen een rijker avond beloofde. Maar helaas, de geest laat zich door geen Sheherazade vertederen, en tenslotte bevredigen noch sprookjes, noch geheimen, noch beloften voor komende dagen. En wanneer dan tenslotte uit deze periode van duizend en één nacht resulteert, dat Hjelmslev zich gelukkig prijst dat hij én woord én zin uit de ‘grammatica’ kan elimineren,1) dan verwondert het niet dat ook deze linguistiek zich is gaan vragen wat zij nu eigenlik zoeken moet en waar zij nu eigenlik zoeken moet. Wie zich aan de leiding der nieuwere linguistiek toevertrouwde, kreeg kennis ‘de omni re scibili et de quibusdam aliis’ en bovendien de vrijheid te twijfelen of ‘taal’ überhaupt wel een geheel eigen karakter vertoont, en niet zou moeten worden teruggevoerd op een ‘fresh conception of speech’ als ‘human coöperation’2) of, wat traditioneler, ‘expressive movement’3) bijvoorbeeld.
Intussen kan hij zich troosten aan de hand zijner geleerde muze nagenoeg geheel het gebied der wetenschappen, die geen taalkunde zijn,
van de geluidsleer der natuurkunde tot de aesthetica der idealistiese metaphysiek toe, te hebben doorschreden en doorkend. Dempe vraagt wel terecht een wetenschap die allereerst ‘nur beschreiben will, was zur Sprache notwendig gehört und was nicht.’4) En, deze wetenschap is voorbereid; het meest door hen die, in enkele decenniën van toegewijde en rusteloze overgave en onderzoek, haar bouwstoffen verzamelden, ordenden en beoordeelden, ook door de eeuwen, wier rust nochtans in een veilig bezit minder vruchtbaar was dan weldadig.
Te vinden ‘was zur Sprache notwendig gehört und was nicht’ is allereerst een kwestie van methode. Men kan zo beginnen dat men van te voren weet dat men 't nooit vinden zal, en dat is een slechte methode. De paragraaf ‘A priori en observatie’ tracht dit aan te tonen en daarin dan meteen het remedie aan de hand te doen: wetenschap veronderstelt theorie omdat zij een denkend verstand veronderstelt; feiten te willen begrijpen zonder theorie is 'n contradictie. Het is maar de vraag: waar halen we die ‘theorie’ vandaan. En hierop tracht de paragraaf ‘Semiologie of linguistiek’ een antwoord te geven: een wetenschap, elke wetenschap, moet de theorie aan haar eigen feiten ontlenen, de linguistiek ontlene haar theorie dus aan haar te onderzoeken feiten, aan het taal-gebeuren. Bestaat de ‘theorie’ voor de linguistiek in een teken-begrip of 'n tekenleer, goed, maar dan worde dit teken-begrip aan het object der linguistiek zelf ontleend. Nu is het voor sommige wetenschappen met hun object nogal eenvoudig gesteld: de systematiserende botaniek kan wel van haar beoefenaars vragen te riskeren hun hals te breken om voldoende Edelweiss te bemachtigen, maar zij loopt weinig gevaar dat haar adept met paardebloemen thuis zal komen. Niet alzo de linguistiek. Want: waar is haar object te zoeken, in welke verschijnselen vindt de taal-onderzoeker zijn object gerealiseerd?5) Tot voor 'n zeventig-, tachtigtal jaren bestond hierover niet zo heel veel twijfel; wat 'n ‘woord’ of 'n ‘zin’ was, was duidelik genoeg, en anders wou de logica wel zo vriendelik zijn 't even te zeggen. Maar zo bleef 't niet, en door allerlei phasen van
‘denken’, ‘gevoelen’, ‘bewegen’ en ‘willen’ heen, schenen ‘woord’ en ‘zin’ tenslotte in het ongrijpbare te tuimelen, en zoals gezegd, Hjelmslev elimineert ze zelfs uit de grammatica. Ondertussen bleef de niet wetenschappelike mensheid en de schoolmeester, voor zover hij tenminste de trouw bewaarde, doorgaan met spreken, met woorden en zinnen gebruiken en dat ook aan hun kinderen te leren. Dat was het geluk voor het ‘Behaviourisme’, want als er één ding zeker was, dan moest 't toch wel dit zijn, dat die mensheid klanken voortbracht en dat die klanken, evenals het gedrag van de mensen, die klanken voortbrengen, aan geen redelike bestaans-twijfel onderhevig konden zijn. En het behaviourisme begon bij dat ‘gedrag’ te zoeken. Wij doen dat in de paragraaf ‘Water!’. ‘Markey’, als 'n vertegenwoordiger van deze methode van onderzoek, zet dan uiteen wat we daaruit leren: niet omdat de mensen meenden dat ze 't van die ‘woorden’ en ‘zinnen’ wel ‘wisten’, kon de wetenschap vertrouwen dat ze dáár moest zoeken, maar wel omdat het gedrag van 'n mens ánders wordt als hij taal gaat gebruiken, een verandering die overigens samenvalt met 't gebruik van andere dingen als teken. In de paragraaf ‘Voor-onderstellingen’ krijgen we te lezen, dat het getuigenis der taal-gebruikende mensheid zelf van zo weinig waarde is omdat zij van het dier afstamt! Toch heeft ook het Behaviourisme ons methodies iets, zelfs veel geleerd, het heeft gewaarschuwd tegen de kunstmatige abstractie van het taal-gebeuren uit zijn noodzakelik milieu, uit z'n noodzakelike betrekkingen, en we zullen die les ter harte nemen, zonder nochtans van het getuigenis der ervaring afstand te kunnen doen omdat dit alleen aan alle ‘gedrag’ zin geeft; dat wordt in de paragraaf ‘Introspectie en waarneming’ behandeld.
Het onderzoek omtrent het taal-gebeuren beschikt op het ogenblik over een uitgewerkte methodologie. Zij is van Karl Bühler. Een inleiding op de door hem gevolgde methode, en een critiek die tevens een ontwikkeling der methodiese inzichten volgens welke in deze studie zal worden gewerkt uitmaakt, geeft de paragraaf ‘Bühlers Methode’, en we moeten helaas beginnen te constateren dat Bühlers onderzoek ten eerste aanvangt daar waar het taal-gebeuren niet ligt, bij: ‘das was die Sinne des Sprachforschers rührt’ (invloed van Kant en van behaviourisme) en ten tweede uitgaat van 'n teken-begrip, zonder meer ontleend aan wetenschappen die geen linguistiek zijn. In ‘Auslösung, Kundgabe en Darstellung’ behandelen we de phaenomenologie van Bühlers teken-functies, hoe zij zich in de ervaring openbaren; in ‘Bühlers verklaringswijze’ volgt een bespreking van Bühlers subsumptie der teken-verschijnselen onder zijn teken-begrip. ‘Communicatie’ tenslotte bevat een critiek van Bühlers contact-begrip in communicatief taal-gebruik, dat opnieuw de gevolgen
vertoont van de keuze van zijn uitgangspunt. - De zo juist genoemde paragrafen kan men beschouwen als 'n inleiding op de drie paragrafen die volgen, en waarin allereerst betoogd wordt dat de linguist zijn uitgangspunt heeft te nemen in gegevens der introspectie; dit geschiedt in de paragraaf ‘Psychologisme of Behaviourisme’; vervolgens, dat Bühler de verhouding van de door hem aan ‘taal’ onderscheiden functies niet verantwoordt en zo ervarings-momenten tot taal-verschijnselen verklaart waarvan hij niet bewezen heeft, dat zij inderdaad taal-verschijnselen zijn; en dit alles tengevolge van zijn twee eerste methodiese directieven, in ‘Bühlers Methode’ aangegeven. Dit wordt in ‘De verhouding der functies’ uiteengezet.
Tenslotte, dat inderdaad aan ‘Darstellung’ het primaat in het taal-gebeuren toekomt, doch dat noch ‘Appell’ noch ‘Ausdruck’ in eigenlike zin taal-verschijnselen mogen heten, dat zij echter noodzakelike momenten vormen der taal-ervaring, en dat derhalve de noodzakelikheid moet worden geponeerd het linguisties onderzoek bij de ‘Darstellung’ aan te vangen. Ook Bühler sprak duidelik uit, dat de taal-ervaring alleen vanuit de ‘Darstellung’ te begrijpen is, doch hij maakte dit inzicht niet methodies vruchtbaar. Het voorafgaande vult de paragraaf ‘Het primaat der Darstellung’. De verdere compositie van dit hoofdstuk is nu gegeven: in ‘Terminologie’ ontwikkelen we aan de te gebruiken termen de begrippen die wij, uitgaande immers van de ervaring, over de structuur daarvan in het algemeen behoeven, en we besluiten het hoofdstuk met de paragraaf ‘Het taal-teken’ waarin, volgens de gekozen methode van onderzoek en aan de hand van de ontwikkelde begrippen, een zeer voorlopige bepaling van het object der onderhavige studie: het woord als blijvende eenheid, volgt.
Men kan de taal zien als het al-omvattend menselik beïnvloedings-, denk- en expressie-middel en alles is dan aan haar belangrijk, alles noodzakelik, omdat het momenteel zijn functie vervult, zijn taak doeltreffend verricht. Elke bloem is bewondering waard niet alleen, maar zij heeft ook haar eigen geschiedenis, haar eigen structuur, zij kan object zijn van wetenschappelik onderzoek. Toch denkt geen bioloog er aan, kennis der structuur en geschiedenis van alle bloemen afzonderlik noodzakelik te achten voor een wetenschappelik inzicht omtrent het wezen van elke afzonderlike bloem. Dit heeft de taalkunde wel gedaan. Pauls opvatting van de taak van de taal-onderzoeker: ‘Das wahre Objekt für den Sprachforscher sind vielmehr sämtliche Äusserungen der Sprechtätigkeit an sämtlichen Individuen in ihrer Wechselwirkung auf einander. Alle Lautkomplexe, die irgend ein Einzelner je gesprochen, gehört oder vorgestellt hat mit den damit asso-
ziierten Vorstellungen, deren Symbole sie gewesen sind, alle mannigfachen Beziehungen, welche die Sprachelemente in den Seelen der Einzelnen eingegangen sind, fallen in die Sprachgeschichte, müssten eigentlich alle bekannt sein, um ein volständiges Verständnis der Entwicklung zu ermöglichen.’6) Pauls opvatting maakt, ondanks de onschatbare verdiensten van zijn persoonlik werk, de scherpe formulering uit van een wetenschappelike methode die, in haar grondbeginselen onaanvaardbaar, haar volgers beletten moest de weg naar een geslaagde synthese te vinden. Bovendien: de spontane variaties die telkens weer opnieuw de objecten der studie van de taal-onderzoeker vertonen, de zekerheid verschijnselen, alzijdig verbonden, immer variërend en van steeds minder doorzichtige structuur te bestuderen, veroorzaakten dat het de linguist zeer moeilik werd zich volkomen rekenschap te geven van zijn taak als methodies onderzoeker, en dat hij zich meestentijds er toe beperkte, de verschijnselen te naderen vanuit het standpunt dat hem persoonlik het meest uitzicht bood.
Doch de tijden kenterden. Men zoekt in het onbepaalde, het vervloeiend ongrijpbare dat, behoudens misschien de historiese grammatica, elk gebied der taalkunde gezegd werd te vertonen, de vastheid, de regelmaat terug te vinden, het structurerend princiep te ontdekken dat ook hier aan de verschijnselen ten grondslag kan liggen; men zoekt het standpunt van waaruit misschien een chaos overzichtelik zou kunnen blijken en geordend. De vraag: waaruit zal de onderzoeker de wetten zijner wetenschap afleiden, uit de zichzelf openbarende orde in de veelheid zijner gecatalogiseerde objecten of uit de toepassing zijner beginselen van onderzoek op het materiaal dat voor hem ligt, die vraag bestaat niet meer sedert men inziet dat in de denkende mens beide methoden noodzakelik samenvallen, dat er zelfs geen ordening der feiten bestaat zonder eigenwettelike werkzaamheid van het onderzoekend verstand aan het nog ongeordende feit; dat dus geen inzicht omtrent een bepaald gebied der werkelikheid kan verkregen worden zonder geduldige observatie van het te kennen materiaal én aanvaarding der directieven die het onderzoekend verstand levert. In de wetenschappelike conclusie vallen beide werkzaamheden samen en worden a priori, evenzeer als ervaringsweten, opgeheven in de wezenskennis die het doel van elke wetenschap uitmaakt.
Karl Bühler heeft dit standpunt onlangs geformuleerd en zich zo vlakaf tegenover Paul gesteld: ‘Genau so wie der systematisierende Botaniker
nicht jedem Pflanzenexemplar nachläuft und der Physiker nicht jeden vom Baum fallenden Apfel beobachtet, um das Gravitations-Gesetz zu verifizieren, obwohl der Sage nach einst ein fallender Apfel den Anstoss zu seiner Entdeckung gab, so behält sich auch der Sprachforscher vor, ganz nach den Forderungen seiner Wissenschaft eine eigensinnige Auswahl dessen, was er beobachten will, zu treffen’.7) In de onderscheiding van ‘Protokollsätze’ en ‘Axiome’ heeft Bühler in dit opstel zijn standpunt verantwoord. En hij concludeert: ‘Es ist also letzten Endes die Begriffswelt des Sprachforschers daraufhin zu untersuchen wie und warum sie imstande ist, ein wohlumschriebenes, aber den konkreten Bestimmtheiten unausschöpfbares Gebiet von Tatsachen, das Gebiet der konkreten Sprechereignisse, für die wissenschaftliche Einsicht ebenso zu einem Kosmos zu gestalten, wie das dem Physiker mit seinen Mitteln für seine, wie das jeder geschlossenen Erfahrungswissenschaft oder Gruppe von Erfahrungswissenschaften für ihren Ausgangsgegenstand mit einem immer wieder etwas anderen, dem Gegenstande angepassten Begriffsapparat gelingt.’ (blz. 21) De ‘Axiome’ zijn dan: ‘die konstitutiven, gebietsbestimmenden Thesen, es sind einige durchgreifende Induktionsideen, die man in jedem Forschungsgebiete braucht.’ (blz. 23)
Misschien kan dit als uitgangspunt voor de linguistiek duideliker geformuleerd worden: voor taalkundig onderzoek betekent het, dat er geen wetenschap omtrent aard en ordening der taalfeiten zal bestaan zonder kennisname der feiten én leiding-gevend princiep van onderzoek, ontleend, niet aan de orde der feiten - die nog gevonden moet worden! - doch aan het directief, het richting-gevend princiep dat de onderzoeker uit het enkele feit afleidt. In de grond is de zaak te eenvoudig om er veel woorden aan te wijden, zij is alleen een enkele maal vergeten. Wie iets omtrent de regelmaat van 'n bepaald verschijnsel wil weten, ordent de verschijnselen noodzakelik volgens een leiding-gevend princiep, al luidt dit ook maar: ‘zet de vormen die op 'n -s eindigen op 'n rijtje’ of: ‘verzamel de woordgroepen die aanvangen met dat’. De betreffende verschijnselen zijn, zonder de werkzaamheid van het onderzoekend verstand, niet zo vriendelik zichzelf in die slagorde te scharen. Het leiding-gevend princiep kan eenvoudig zijn of meer ingewikkeld, het dient echter te worden gededuceerd uit 'n feit in kwestie en niet, zonder meer, van buiten af te worden toegepast. Zo begrepen veronderstelt elk wetenschappelik onderzoek ‘eine ver-
nünftige Theorie’.8) Het is voor ons verder van geen belang te onderscheiden tussen ordenende en verklarende (tevens eventueel ordenende) princiepen; wij constateren dat de taalkunde haar ordenend en verklarend princiep, haar vaste uitgangspunt meent te hebben gevonden; zij formuleert: ‘de taal is teken’.
Dat is het wat de Saussure betoogde, en zijn opvatting is gemeengoed geworden. Na het verschijnen van de eerste druk van zijn oeuvre posthume in 1916, kwam er geen algemeen linguisties werk uit, dat van zijn invloed niet de sporen vertoonde. De gedachte dat de taal onder de teken-verschijnselen ressorteert is nu juist niet bijster nieuw - 2300 jaar heeft de mensheid deze gedachte al wel gekend - doch zij hoorde tot de begrippen die in de logica schuil gingen en het moest vele jaren duren voor zij, ook in de taalkunde, op volle waarde werd geschat.9) Van wijsgerige zijde betekenden reeds Husserls ‘Logische Untersuchungen’,10) waarvan de eerste druk uit 1900 stamt, een hernieuwing van 'n breder studie der tekens, en toen Bühler in 1919 van experimenteel-psychologiese kant in zijn ‘Kritische Musterung der neueren Theorien des Satzes’11) enkele aspecten van het vraagstuk onder ogen van een wijde kring van taalkundigen bracht, was een bepaalde opvatting die zich, zowel op het vasteland als in Engeland, reeds in de 19e eeuw aftekende, én in de wijsbegeerte én in de psychologie én in de linguistiek doorgedrongen. Deze gemeenschap van ideeën had weliswaar haar voordelen, doch zij bracht ook haar eigenaardige gevaren mee.
De Saussure begreep volkomen dat de linguistiek een eigen teken-leer moest ontwikkelen (blz. 32 vlg.), doch hij zag van den aanvang af deze
teken-leer op het breder plan van een wetenschap der tekens in het algemeen, een wetenschap die hij sémiologie doopte en die Bühler voor psychologie en linguistiek noodzakelik acht, als de wiskunde voor de exacte wetenschappen.12)
Terecht constateerde de Saussure dat deze wetenschap niet bestond en dat de werkwijze van de linguist momenteel dus vrijwel geheel door zijn materiaal bepaald was, doch hij sprak misschien niet duidelik genoeg uit dat dit volstrekt geen nadeel hoefde te zijn en dat de semiologie, zoals die hem voorzweefde, alleen zou kunnen worden ontwikkeld uit een studie der afzonderlike gebieden van teken-schepping en teken-gebruik. En toch is dat zo. Immers, zijn ‘sémiologie’ ziet hij als een tak van de omvattender wetenschap der psychologie13) en niet als een metaphysiese systeem-ontwikkeling. Bij deze laatste is de weg omgekeerd: uit het begrip naar zijn realisaties.
Ondertussen is de linguistiek noch psychologie zonder meer, noch metaphysiek; zij heeft haar eigen wegen te gaan. Zij behoeft niet te wachten op de ontwikkeling ener semiologie en zij kan dat niet, omdat deze semiologie zal bestaan bij de gratie ook van de uitkomsten van linguisties onderzoek. We wagen ons niet aan uitspraken omtrent het systeem der wetenschappen, doch wij zullen wel trachten het teken-begrip der linguistiek te ontwikkelen en te gebruiken, in zover dit voor het onderwerp van deze studie noodzakelik schijnt, meer niet.
Wijsgerig georiënteerd zijn Cassirers publicaties.14) Strikt beschouwd brengt hij weinig nieuws, zijn werk is geen begin, het is een uiteindelike synthese. Voor zover in zijn werk de analyse der feitelike teken-verschijnselen is opgenomen en verantwoord heeft het linguistiese waarde. Het is voor het - zeer belangrijke! - overige, ‘taal-philosophiese’, gedeelte, ken-kritiek, geoefend aan denk-processen in taal-ervaringen. De taalfeiten verduideliken er Cassirers wijsgerige opvattingen.
Anders is het gesteld met de sematologiese onderzoekingen van Bühler. Hij is psycholoog. Daarin ligt zijn kracht en zijn zwakheid. Meer dan Cassirer en veel meer dan de nog uitvoerig te behandelen schrijvers,
Ogden & Richards, heeft hij echter onmiddellijk vruchtbare bijdragen tot de linguistiek geleverd. Geen linguist kan hem ongelezen laten, maar geen linguist ook zal hem volledig volgen. Niet zonder meer de menselike ervaring bij taal-gebruik is voorwerp van onderzoek voor de taalkunde, doch wel is haar object: het moment waarin ook deze ervaring centreert, het taal-gebeuren zelf, beschouwd in al zijn betrekkingen. Zonder twijfel wordt het taal-gebeuren, indien wij abstraheren van het ervaringsgeheel waarin het zich voltrekt, onbegrijpelik, doch omgekeerd is ook dit ervaringsgeheel voor wetenschappelike verklaring ontoegankelik zonder een ontwikkeling der eigen-wettelikheid van dat taalgebeuren. En, dit laatste is taak der linguistiek; zij gaat hierin aan een psychologiese verklaring van dit speciale ervaringsgeheel vooraf. De ‘sematologie’ die Bühler in zijn ‘Axiomatik’ bedoelt, is in werkelikheid metaphysiek. Vandaar dat hij met even zoveel woorden negeert dat het mogelik zou zijn uit linguistiek of de psychologie een teken-begrip te ontwikkelen (Axiomatik, blz. 35). Dit is ongetwijfeld juist: het moet in die wetenschappen ontwikkeld worden uit de beschouwde feiten. Aan Bühler is, toen hij deze negatie neerschreef, een ogenblik ontgaan dat het onaanschouwelike waaruit de metaphysiek haar begrippen ontwikkelt, geen ander is dan het onaanschouwelike dat in elke waarneming uitgangspunt is voor alle biezondere wetenschappen.
Bühlers aangekondigde samenvattende werk ‘Sprachtheorie’ laat nog steeds op zich wachten.15) Wel publiceerde hij in zijn ‘Axiomatik’ een meer uitgewerkte tekenleer als eerste hoofdstuk van deze ‘Sprachtheorie’ en gaf hij een beknopt, maar zeer duidelik, overzicht van zijn taalkundige meningen op het Hamburger psychologencongres van 1931 (Bericht XII).
Een oorspronkelike positie menen Ogden & Richards in te nemen.16) Zij verfoeien de metaphysiek; zij geloven niet dat de psychologiese traditie hun veel biedt; zij vinden zich nieuw, blinkend nieuw, en schreven een ‘Science of Symbolism’. Wij komen hierover nog uitvoerig te spreken.
Met de vier namen Cassirer, Bühler en Ogden en Richards is de momentele stand van het vraagstuk der semiologie getypeerd. De reeds genoemde Dempe kritiseert Bühler en levert een taal-philosophies compendium, vrijwel uitsluitend van duitse onderzoekingen. Publicerend vóór het verschijnen van Bühlers ‘Axiomatik’, trok hij alreeds de consequen-
ties uit diens ‘Darstellungs’-theorie en maakte die tot grondslag van zijn systeem.
Tot nu toe spraken wij over de arbeid van philosophen en psychologen. Onder de taalkundigen die na de Saussure tot een linguistiese ontwikkeling van het teken-begrip bijdroegen, moeten genoemd worden Willem L. Graff17), Alan H. Gardiner18) en onder velen, de duitse linguist Leo Weisgerber,19) terwijl de zweed Gustaf Stern,20) in het eerste deel van zijn omvangrijk werk, een soort ‘Speculum’ samenstelde van de theorieën, gepubliceerd tot 1928. In ons land verscheen dit jaar het werk van Langeveld21) dat, met didactiese bedoelingen, een eerste nederlandse weerklank uitmaakt op ideeën die in het buitenland reeds een tiental jaren stimulerend werkten.
Dat de Saussure met zijn teken-begrip niet misgreep, blijkt voorlopig wel het scherpst bij de studie van het nieuwe taalkundige begrip van het ‘phoneem’. Zonder een ontwikkelde linguistiese teken-notie blijft het inzicht omtrent dit verschijnsel ‘im Schwebe’. Prof. Pos gaf alreeds een korte scherpe karakteristiek van dit vraagstuk in taal-philosophiese belichting.22) De professoren de Groot en van Ginneken vertegenwoordigen in Nederland twee phasen van het taalkundig onderzoek hieromtrent.
De taal-onderzoeker van vandaag, die niet het gevaar wenst te lopen het doel van zijn onderzoek te missen, heeft nog iets anders te doen dan zich rekenschap te geven van de vraag: welk leiding-gevend princiep waarborgt mij 'n betrouwbaar resultaat; hij moet zich bovendien afvragen: welke methode van onderzoek heb ik te kiezen, waar en hoe heb ik mijn veld van onderzoek te begrenzen. Misschien werden deze vragen tot voor enkele jaren gemakkeliker beantwoord dan hun object wel toeliet; altans de wijze van onderzoek omtrent de teken-functie heeft in de laatste jaren een ingrijpende verandering ondergaan.
Elke mens kent tekens, ervaart 't bestaan van tekens. Op een teken van de bel stapt hij al de bewaarschool binnen en kort na de jaren dat hij van 't bestaan der morse-tekens hoorde, kwam de tijd dat hij - het is niet meer modern - postzegels op 'n bepaalde manier plakte. Hij
wist dat er iets mee bedoeld werd en dat tekens hem iets zeiden. Het was dan ook gewoonte dat hij, uitgegroeid tot philosoof of linguist, en gesterkt door de ervaring dat 't met die postzegels altijd was uitgekomen, ontleedde wat die tekens hem zeiden, wetend dát ze hem zeiden wat ze volgens 'n ander zeggen moesten. Een systematies beschrijvende wetenschappelike analyse van dergelike ervaringen noemt men introspectie.23) Maar de introspectieve methode raakte in discrediet, niet zozeer omdat ze géen resultaten had, maar omdat ze er te veel, te verschillend en te vreemde vertoonde. De lezer is - met de schrijver - misschien niet zo onmiddellik overtuigd van de noodzakelikheid, de introspectieve methode radicaal door 'n andere te vervangen als Markey hem zegt: ‘The technique of Freudians and the psycho-analysts gives us very clear evidence that the so-called introspective attempt at direct observation is a failure,’24) maar niettemin is het toch volstrekt niet duidelik, dat de ingrijpende veranderingen in het psychologies onderzoek en de daaruit gevolgde veranderingen bij de linguistiese onderzoekmethode zonder waarde zouden zijn. Men heeft zich nl. rekenschap gegeven van het feit dat geen enkel psychies verschijnsel geïsoleerd kan worden, dat het immer moment is van een groter geheel.
Men heeft zich verder eveneens rekenschap gegeven van het feit dat dit ‘groter geheel’ niet één individu omvat, maar minstens: één individu agerend en re-agerend op zijn omgeving of op zichzelf, zodat in ieder geval de omstandigheden mede in de verklaring van elke actie dienen te worden opgenomen. Men meende er zich ten derde eindelik rekenschap van te hebben gegeven, dat in dat handelings-geheel de individuele ‘ervaringen’ voor de onderzoeker ontoegankelik waren; men adopteerde vanuit de dier-psychologie biologiese observatie-methoden. Men werd met één woord ‘behaviourist’. Amerika het luidst, leerde dat een behaviouristiese methode de introspectieve methode zou vervangen. En, dat kan, onder sommige voorwaarden, inderdaad met succes geschieden. Ook in het onderzoek der taal-verschijnselen drong deze methode door. Ogden & Richards willen ze ‘gematigd’ toepassen, bij Gardiner zijn er duidelik sporen van aan te wijzen, de Laguna is overtuigd propagandiste, en Bühler tenslotte heeft zich, op zijn wijze, in deze richting georiënteerd.
Het ligt niet in het bestek dezer studie een techniese uiteenzetting te geven van de behaviouristiese psychologie. Behaviourisme zal alleen besproken worden in zover het door enkele auteurs werd toegepast op taal-
kundige verschijnselen, niet in al zijn consequenties die het ongetwijfeld nog bij taalstudie krijgen zal.25) Al ligt de bakermat van het behaviourisme aan de andere zijde van de oceaan, dan is toch de tweede druk van het franse verzamelwerk Nouveau Traité de Psychologie par Georges Dumas (Paris, Alcan), dat sedert 1930 verschijnt en dat in dertien delen compleet zal zijn, ook door de verschillende richtingen die daarin, met galliese helderheid, aan het woord komen, ter oriëntering voortreffelik. In het Tome Premier geeft André Lalande in zijn hoofdstuk: La Psychologie, ses divers objets et ses méthodes (blz. 367 vgl.) paragrafen (La Méthode d'Introspection, Le ‘Behaviorisme’ et la psychologie concrète) die als korte karakteristiek voldoende lijken om de taalkundige deducties begrijpelik te maken. Uitvoeriger, en geschreven vanuit de mentaliteit die prakties aan elke West-Europeaan, niet vak-psycholoog, vak-philosoof of bioloog, eigen is, zijn de uitstekend gedocumenteerde samenvattende beschouwingen van M. Barbado O.P. Introduction à la Psychologie Expérimentale (Trad. française de Ph. Mazoyer Paris 1931). blz. 302 vlg. Wij menen te kunnen volstaan met het weinige dat hier nog volgen zal, om de lezer voldoende te oriënteren omtrent deze werkwijze, en we zullen beginnen met 'n enkele vage aanduiding: de behaviouristiese methode van taal-onderzoek bestudeert het gehele gedrag van de taal-gebruikende mens en tracht van hieruit het moment ‘taal’ in het gedrag te begrijpen. Geven we een voorbeeld.
Het is schroeiend heet. Al uren zijn de veldflessen leeg. 't Is overal heuvels, zand, brem en wat schrale hei. De padvinderspatrouille rust tegen de helling van 'n heuveltje met wat bestoven hakhout. Twee man klimmen langzaam naar boven, dalen en verdwijnen. Na 'n ogenblik de roep: ‘Water!’ Wat er nu volgt, waarneembare gebeurtenissen en aan onze waarneming onttrokken menselike ervaringen, vult de lezer zelf aan. Er is niet een jongen op de heuveltop gekomen, heeft z'n veldfles laten zien, 'n drinkbeweging gemaakt en naar beneden gewezen, naar de andere kant; er is ook geen plaatje vertoond van 'n heel stil bronnetje, niets van dit alles: er zijn klanken voortgebracht en vernomen. En wat is daar niet allemaal op gevolgd! Grace Andrus de Laguna, stille getuige van deze gebeurtenissen, fluistert tegen een vriendin: You see! ‘What does speech do? What objective function does it perform in human life? the answer is not far to seek. Speech is the great medium through which human coöperation is brought about.’
(blz. 19).26) Ogden & Richards, achter 'n beetje voller brem-bosje in de buurt, geven elkaar 'n knipoog en 'n stootje in de zij. Ze hebben uit de woorden van hun vrouwelike collega ‘derived instruction and.... amusement’27), en zijn ongetwijfeld voorzichtiger als ze elkaar zeggen: No doubt! ‘Symbols direct and organize, record and communicate.’ (blz. 9) ‘Symbols’ doen zoveel, dat we ook de termen ‘direct and organize’ wel zeer wijd moeten spannen om er helemaal mee uit te komen.
Daar heb je bijvoorbeeld die ronde jongen met z'n opgestroopte mouwen strak om de armen. Toen hij ‘Water!’ hoorde, had hij ineens datzelfde heerlike gevoel als acht weken geleden na de operatie, toen hij voor 't eerst, na 'n volle dag dorst, de zuster met het heldere glas zag komen. Dát onder ‘direct and organize’ en zelfs onder ‘to record’ te vangen, is misschien, met een beetje wijde uitzetting dezer begrippen, nog mogelik, maar hier van ‘to communicate’ te spreken is glad-af onmogelik, want de vaandrig, die ‘Water!’ riep, heeft nog nooit in een ziekenhuis gelegen. ‘To record’, registreren, vermelden, geldt echter volkomen én van het voorwerp der vondst water én van de jubelende toon waarop ‘Water!’ de vreugde van de vinder uitdrukt, en ‘to communicate’ is evenzeer toepasselik op de overdracht van deze gevoelens van de roeper op de luisteraars als op de overdracht van de kennis van de oorzaak dier vreugde: het gevonden water.
Het is niet goed mogelik al de gevoelens, al de gedachten, al de strevingen en handelingen die de roep zou kunnen wekken, te registreren, maar het is onmogelik over 't hoofd te zien, dat in de roep ‘Water!’ ook de vloeistof vermeld is, wier naam de kleine explosie van activiteit veroorzaakte die we ons voorstelden. In al het beweeglike, dat geheel de situatie plotseling vertoont, blijft één vast uitgangspunt: de taal-term water, die de handelingen van de hoorders leidt, hun denken organiseert, hun het water vermeldt, en hun de met jubel begroete vondst van het water, om hen tot handelen te bewegen, overdraagt, ‘communiceert’.
‘Water!’ schijnt op vele wijzen een ‘teken’ te zijn. En zijn al deze ‘wijzen’ taal-tekenverschijnselen? Heeft het Behavourisme voor deze vraag een oplossing? Laten we 'n ogenblik 'n schrijver aan 't woord, die ons hieromtrent zou kunnen inlichten. We noemden z'n naam al: John F. Markey. Hij is overtuigd behaviourist. Er zijn van het behaviourisme vele vormen en die van Markey is er een, doch een, die nadrukkelik de taal-verschijnselen tracht te plaatsen.
Deze schrijver ontkent niet dat zich in het individu processen afspelen die aan de waarneming onttrokken zijn, hij ontkent niet dat wij deze feiten ervaren, doch hij twijfelt of die ervaring voor betrouwbaar wetenschappelik onderzoek toegankelik is met methoden der introspectie.28) Niet dat hij de feiten negeert ‘which are often called thought, mental, conscious and the like’, doch hij wil trachten ze te verklaren ‘by the behaviour, the action, of physiological organisms’. ‘The attempt is to see how far mind et al. may be explained as a particular integrated type of behaviour; i.e., to look at mind as action.’ (blz. 28)
Het verschijnsel ‘taal’, dat Sapir noemt ‘a particular how of thought’,29) wordt nu door hem bestudeerd als: ‘a particular how of action’. Hij definiëert dan een symbool ‘as an act or object which is marked off by behaviour as a substitute for a stimulus-act or -object and a response-act or -object, and which is also at the same time set off by behaviour as different from them. The symbol has a double validity, that is for both the stimulus and the response.’ (blz. 28) In onze ‘Water!’-situatie is de bepaalde spreek-handeling het symbool, 't ‘substitute’ voor 't ‘stimulus-object’ water; de groep van handelingen volgend op de spreek-handeling is de ‘response-act’.
Uitgaande van de eenvoudigste symboolverschijnselen bij kinderen tracht hij uit hun gedragingen het biezondere handelingskarakter van een ‘symbool’ af te leiden. Voor een groot deel komt dit neer op het omschrijven van de verschijnselen in een nieuwe terminologie. Reeds in 1923 wees Pillsbury er op, dat dit voor ons voorlopig 't nieuwe blijft
in de resultaten der nieuwe methode.30) In zover de eerste taalklank-verschijnselen bij het kind beschouwd kunnen worden als momenten in het ontstaan van een voorwaardelike reflex, verschijnselen die ook Markey overigens niet als ‘taal’ accepteert, levert deze beschouwing een aanvulling op de studie van het ‘mechanisme’ in het vroegste taalklank-gebruik bij het kind, doch overigens zal de taalkundige bij Markey tevergeefs zoeken naar iets dat hij niet reeds ‘wist’ uit de tijden der schijnbare alleenheerschappij der introspectieve methode. Hij zal overigens neiging gevoelen ontmoedigd het boek dicht te klappen, als blz. 103 hem de slot-erkenning (reeds aangekondigd op blz. 29) brengt: ‘Although in the past chapters the study of symbols has centred around the language symbols in general and spoken symbols in particular, symbolic behaviour is not limited to verbal language. When once symbols have arisen in behaviour, practically any act or object may become symbolic in character.’ Zo is het.31) Maar de taalkundige vraag is niet: waarin komt het symbolies karakter van de taal overeen met het symbolies karakter van andere verschijnselen, doch: waarin verschilt het. En daarop geeft Markey geen antwoord, of het moest zijn dat het ‘symbool’ in 't ene geval een totem-paal zijn kan en in het andere geval een taalklank moet wezen. Voor hem was 't doel bereikt, toen hij op blz. 60 schreef: ‘The main conclusion remains that in young children the content of symbols is action. With increasing age the obvious action content tends to decrease, while at the same time, apparently, the refined action content increases.’ Het is alleen een beetje onbevredigend dat die ‘refined action content’ met de methoden die Markey bij zijn onderzoek gebruikte, zich zo moeilik laat aanwijzen.32)
‘The fact that with particular people at particular times the symbolic process may not be observable does not thus show the process itself to be out of range of observation. The important fact is that it is observed upon innumerable occasions and as a process, the period of integration in children being particularly instructive.’ (blz. 147)
Ook het Behaviourisme van Markey gaat uit van bepaalde voor-onderstellingen, doch deze zijn niet ‘some myste-
rious “psychic” or the like’ (blz. 129), doch ‘levende physiologiese organismen met hun physiologiese grondslagen van gedrag, zoals die worden blootgelegd door neurologiese en behaviouristiese studie’; deze veronderstellingen ‘were all that was assumed’! Het is luce clarius dat deze gegevens veel eenvoudiger, helderder en betrouwbaarder zijn dan de beleving waardoor de mens weet dat hij met ‘Water!’ iets bedoelt en dat kersen ‘lekker’ kunnen zijn!
De grondfout van deze behaviouristiese taalbeschouwing is volstrekt niet, dat zij aanneemt dat de ervaring omtrent ‘taal’ op een of andere wijze wordt veruiterlikt - dat ontkent geen sterveling - maar wel, dat deze veruiterliking de ervaring adaequaat kenbaar zou maken. Markey geeft zelf toe dat zijn uitleg geen ‘complete explanation’ was; ze liet ‘Life’ onverklaard. Hij meent dat hij dat niet hoefde te verklaren en daarin heeft hij zeker gelijk. Maar, zijn verklaring liet niet alleen ‘Life’ onverklaard, doch gaf ook in 't geheel geen antwoord op de vraag waarom het proces der symbolisatie ‘essentially inventive or creative in operation’ is (blz. 128).33) Geen wonder dat Markey's taalkunde niet ver reikt. Het enige excuus is ‘We lack in technique.’ (blz. 143) Doch wat deze waarom-vragen met technique van observatie-mogelikheden te maken hebben, is onverstaanbaar, want de processen zijn ook volgens hem - het zij nog eens herhaald - ‘essentially inventive or creative’!
Deze behaviouristiese taalonderzoekingen zijn de riten van een geloof, en dat geloof is de evolutie-leer. De Laguna stelde zich zonder terughouding op het standpunt dat taal het geheel der menselike communicatiemiddelen omvat, saamgehouden door een bepaald doel: de samenhandeling. De menselike taal en de dierlike schreeuw: ‘Different as they are in important characteristics, they are both found to perform the same fundamental function of coördinating the activities of the members of the group’. Doch waarom is dat nu toch de ‘fundamental function’? ‘The evolution of the one from the other thus becomes comprehensible.’ (blz. IX)34)
Evenmin als 't voor taalkundig inzicht erg voordelig is bij Adam te beginnen, verdient het aanbeveling bij Darwin aan te vangen.
Het is de verdienste van beschouwingen als die van Markey dat zij duidelik verband leggen tussen taal en handeling. Van welke linguistiese aard dit verband is, welk
karakter hierdoor speciaal het taal-teken verkrijgt, dat het een zeer speciaal handelings-middel is, dat het dus speciale gebruiksmogelikheden ‘bezit’, al deze punten, die van onmiddellik linguisties belang zouden kunnen zijn, worden door hem niet verder uitgewerkt. Het kan ook niet anders; zijn behaviourisme kan op die vragen hieromtrent geen ander antwoord geven dan: ‘When once symbols have arisen in behaviour, practically any act or object may become symbolic in character’. Om hier licht te verkrijgen is het noodzakelik, dat aan introspectieve gegevens te ontsteken. De tegenstelling tussen een behaviouristiese werkwijze en de tot dan toe bij de bestudering van taal-vragen gangbare, is er ene van introspectie en waarneming, of liever: het behaviourisme heeft hier een tegenstelling geadstrueerd die er in werkelikheid niet bestaat; beide methoden sluiten elkander niet uit, doch zij convergeren in de studie der taal-verschijnselen tot de enig juiste vorm van onderzoek, die het taalgebeuren ziet als menselik handelings-complex in een bepaalde situatie, waarvan een waarneembare omgeving noodzakelik deel uitmaakt. De behaviourist die meent dat deze laatste factor te veel werd voorbijgezien, heeft gelijk; de behaviourist die meent dat conclusies uit zijn waarnemings-gegevens alleen, hem de structuur van het taal-gebeuren zullen ontsluiten, vergist zich, omdat hij over 't hoofd ziet dat het punt in deze situatie, dat aan de waarneembare handelingen hun zin en eenheid geeft, in de handelende individuen ligt. Het oude princiep ‘si duo faciunt idem non est idem’ heeft door het behaviourisme niets van zijn waarde verloren, en als ook al 'n behaviouristies onderzoeker zichzelf tot maat van alle dingen wenst te maken, dan ligt toch die act van het ‘meten’ in hem, en is zij alleen voor hem toegankelik buiten alle waarneming om.35) We omschrijven in dit verband introspectie 't best als: de systematiese observatie van eigen ervaringen door de onderzoeker.36) Men heeft de introspectie als wetenschappelike methode soms ook verworpen omdat men haar zag als 'n procédé dat een volkomen vervorming van de feitelike toestand betekende. Deze misvatting berustte op een verwaarlozen van het feit, dat de gegevens, die we in de reflexie ‘systematies observeren’, in de ervaring als moment wel degelik aanwezig zijn, dat we ze wel degelik ‘mérken’. In zóverre ‘veranderen’ we bij reflexie sommige dier momenten, dat we ze dan als ‘object’, als ‘zaak’, tegenover ons stellen, terwijl ze in de ervaring dit ‘intentioneel’ karakter niet hadden, niet als ‘zaak’ werden gekend. Doch, we
konden ze bij reflexie alleen vinden en herkennen, omdat we ze in de ponerende ervaring ‘merkten’. En tans, nu wij ze observeren, weten we dat we ze op die wijze veranderden. De introspectieve methode gaat uit van het feit der herkenning; ze behoeft geen dogmatiese voor-onderstellingen.
Het is mogelik elke methode te misbruiken; en evenmin als de behaviouristiese methode haar waarde verliest omdat haar beoefenaars verder concluderen dan zij toelaat, evenmin verliest de introspectieve methode de hare omdat zij op dezelfde wijze werd misbruikt! De bezwaren tegen de introspectie zijn wetenschappelike ‘scrupels’. Niemand aarzelt 'n ogenblik om de volgende dag voor 'n taartje 'n dubbeltje te betalen, als hij 't de vorige dag ‘lekker’ gevonden heeft. Het meest extreme behaviourisme vond het zelfs wetenschappelik, dat getuigenis, niet te aanvaarden, als de taartjes-liefhebber vandaag niet ‘watertandde’ en het dus de speeksel-quanta niet had kunnen meten. Wij moeten toegeven deze eis niet te hebben gesteld en niet te zullen stellen. Wil men het feit der reflexie, waarop dat taartjes-kopen berust, een ‘voor-onderstelling’ noemen, soit! De studie der behaviouristen kan ons, taalkundigen leren, dat het een gevaarlijke abstractie is, het psychies proces waarin het taal-gebeuren bestaat, los te maken van zijn noodzakelike betrekkingen tot de situatie waarin het zich voltrekt; het behaviourisme echter abstraheert, even gevaarlik, van de, aan alle waarneming onttrokken, eenheidgevende act, waarin dit gebeuren zijn middelpunt en structurerend princiep vindt.
Het is Bühler geweest die, introspectie en waarneming der gedragingen van de taal-gebruikende mens verenigend, het taal-gebeuren aan de hand van het teken-begrip ‘semiologies’ te verklaren zocht. Volkomen terecht gaat hij uit van het taalgebruik in communicatie. Bühler meent dat er van een juist inzicht in geheel de functie der taal geen sprake kan zijn als men het contact dat zich in taal-gebruik constitueert niet als ‘wechselseitig’ beschouwt. Zo neemt hij zijn uitgangspunt in de observatie van minstens twee personen: het ‘Zweiheitsmoment’37) in communicatief contact is essentiëel voor het begrip der tekenfuncties.38) Het is dan ook begrijpelik dat hij behaviourisme, verstaan als studie der waarneembare verschijnselen naast en volgens die der ‘Erlebnismomente’ die alleen introspectief te vatten zijn, noodzakelik acht. Doch, hoezeer hij ook overtuigd blijkt dat de beha-
viouristiese methode heuristiese waarde heeft, toch is bij hem van den aanvang af de overtuiging levend, dat in de observatie van de voor waarneming toegankelike processen, reeds de schemata geprojecteerd liggen, die de eigen ervaringen hem introspectief hebben gegeven. Het reeds genoemde referaat: ‘Das Ganze der Sprachtheorie, ihr Aufbau und ihre Teile’ is hiervan een uitstekend voorbeeld.
Toch: Bühlers methode kan ‘semiologies’ verantwoord zijn, zij is het linguisties niet. Zijn zwakte ligt in zijn uitgangspunt en zij ligt op dezelfde plaats waar wij haar bij de Laguna aantreffen: er is niet een naast-elkander van verschijnselen, doch een in-elkander, waarbij alleen ons menselik weten omtrent die hiërarchie, ons menselik weten omtrent hetgeen in deze hiërarchie primeert, bij het onderzoek leidraad kan zijn.
Het waarneembare biedt geen houvast om de verschijnselen als taal-verschijnselen te ordenen; het waarneembare biedt hoogstens een leidraad voor bepaling van de opeenvolging in de tijd: de roep ‘Water!’ gaat aan de beweging der patrouille in de roep-richting vooraf, maar die beweging is alleen verklaarbaar uit ons ‘weten’, dat ‘Water!’ water ‘betekent’.38*) Wie hiervan bij zijn onderzoek, zij het ook tijdelik, abstraheert - en dit doet Bühler door ‘das konkrete Sprechereignis’, waaronder hij verstaat: ‘das was die Sinne des Sprachforschers rührt’ (Axiomatik blz. 19), tot ‘Ausgangsgegenstand der Linguistik’ te nemen - snijdt zich de weg af om uit het taalgebeuren zelf de structuur van dat taal-gebeuren te verklaren, stelt zich m.a.w. buiten de linguistiek, wier object het taal-gebeuren is, beschouwd in al zijn betrekkingen, en wier uitgangspunt even noodzakelik in dat gebeuren is te zoeken. Wie niet zo begint, negeert prakties in zijn aanvangs-beschouwing reeds de linguistiek. Hoogstens kan hij noties ontwikkelen die de linguistiek als lemma's, als leen-waarheden, bij haar onderzoek kan veronderstellen. Het is vooral de studie dezer lemma's bij Bühler die een uitvoerige behandeling zijner methode zo vruchtbaar maakt. Bovendien biedt een ontwikkeling van Bühlers inzichten ons gelegenheid, uitdrukkelik die momenten der taal-ervaring als secundair aan te wijzen, die in het verdere verloop onzer studie niet meer expressis verbis zullen worden
behandeld.38**)
Bühlers synthese in zijn ‘Axiomatik’ is een bewonderenswaardig stuk werk. Het is spijtig zelfs hiertegenover nog een kritiese positie te moeten innemen; en toch is dit nodig. Het is niet mogelik twee wijsgerige systemen die elkaar uitsluiten, in een andersoortige studie te willen doen samenklinken: Bühler begint met Kant te citeren, in een door ieder aanvaardbare uitspraak overigens, maar hij schrijft op blz. 57: ‘die schlichte Deskription des ganzen Tatbestandes, wie ihn der Sprachforscher sieht und sehen muss, kann nicht exakter und adäquater vollzogen werden, als es mit Hilfe des platonisch-aristotelischen Begriffsapparates von jeher in der Sprachforschung geschehen ist’. Deze mening heeft hem niet belet op de geobserveerde zinnelike data een platonies-aristotelies teken-begrip ‘toe te passen’ in plaats van, meer platonies-aristotelies, uit de ervaren eenheid van aanschouwelikheid en onaanschouwelikheid, van een bepaald werkelikheidsgebied het eigen tekenbegrip te ontwikkelen. Ondertussen: de kantiaanse en de platonies-aristoteliese opvattingen verdragen elkaar op dit punt niet. Bühler meent dat de opvatting van Kant: ‘dass die Begriffe leer bleiben ohne Anschauung’ door de taal-feiten wordt geverifiëerd: het schijnbaar lege, het schijnbaar zuiver schematiese teken, het ‘Zeig-Wort’, blijkt volgens hem teken te zijn en woord in zijn betrekking tot de ‘Anschauung’ waarin het ‘zeigt’ (Sprachtheorie blz. 153 en blz. 373). We antwoorden: één van de twee: ófwel deze verklaring is juist, maar dan is zijn beroep op het platonies-aristoteliese begrips-apparaat een slag in de lucht, want dat begrips-apparaat is niet in staat een teken-notie te leveren die op enigerlei wijze zou kunnen passen op ‘leere Begriffe’; ófwel de verklaring is onjuist, maar dan valt Bühlers deixis-functie als taal-tekenverschijnsel. Onze conclusie is opnieuw: wij linguisten doen beter, en ook Bühler had beter gedaan, buiten deze problemen te blijven. Of begrippen ‘leeg’ kunnen zijn of niet, een feit blijft dat het denken in taal een eigensoortige denkwijze is; dát kunnen we als linguist aantonen. En, als zodanig, eist dat denken de ontwikkeling van een ‘bodenständige’ teken-notie, niet alleen toepassing van welk andersoortig teken-begrip ook. Steeds zweeft Bühler de subsumptie der taal-verschijnselen onder een ‘aussersprachliches Modell’ voor: ‘Dagegen
fehlt vorerst noch ein völlig klares aussersprachliches Modell, an dem die an der Sprache abgelesene Darstellungsweise illustriert werden könnte.’ (Sprachtheorie blz. 255). Wat er taal-kundig aan taal te begrijpen valt, is alleen demonstreerbaar aan 'n taal-model. Het andere is semiologie misschien of wijsbegeerte.
De theorie van Bühler is langzaam gegroeid.39) Over een periode van verscheidene jaren kan men die groei volgen.40) De volgende paragrafen trachten de theorie in haar tegenwoordige vorm recht te doen.41)
Bühler onderscheidt reeds vroeg aan de taal drie teken-functies. In het reeds genoemde artikel van 1919 ‘Kritische Musterung’ staan ze vermeld op de eerste pagina s: ‘Wörter wie au oder aha zeigen Erlebnisse des Sprechers an (Schmerz, aufleuchtende Erkenntnis), das ist Kundgabe.’ (blz. 1.) Vervolgens: ‘Ein Anruf wie he ist dazu bestimmt, die Aufmerksamkeit des Hörers zu erregen, das ist Auslösung.’ (blz. 1, id.) ‘Es gibt noch eine ganz andere Leistung der Sprache, die nicht aus Ausdruckbewegungen abgeleitet werden kann, die nicht auf das Kausalverhältnis, das den Laut mit Sprecher und Hörer verbindet, zurückgeht, sondern auf ein Verhältnis das die Mathematik als Zuordnung bezeichnet: der Name ist seinem Gegenstande, der Aussagesatz einem Sachverhalt zugeordnet.’ ‘De Rijn komt bij Lobith in ons land.’ ‘Wir finden die wesentliche Leistung dieses Satzes, wenn wir ihn für richtig oder falsch erklären, und richtig oder falsch ist er nicht durch sein Verhältnis zum Sprecher oder Hörer, sondern durch sein Verhältnis zu einem geographischen Sachverhalt. Diese andersartige Leistung des Satzes wird, wie ich meine am schärfsten durch das Wort Darstellung getroffen.’ (blz. 3. 4) En, het is duidelik, ‘Darstellung’ kan ook een tekening, een landkaart, een curve, een wiskundige of scheikunde-formule uitoefenen.
Het is nuttig, de samenwerking der teken-functies aan één concreet taal-gebeuren te demonstreren. De gescheiden voorbeelden, zoals Bühler die in den aanvang geeft, doen zijn opvattingen niet prakties genoeg uitkomen. - De lucht is betrokken; mijnheer en mevrouw zullen uitgaan:
‘Zou je geen paraplu meenemen!’ ‘Wel nee, jongen, d'r is te veel wind.’ Mijnheer staat op de mat, doet de deur open, kijkt, zegt: ‘Regen!’ Mevrouw draait zich om, neemt haar paraplu uit de standaard en schudt de vouwen open.
Mevrouw zag de regen niet, evenmin als zij haar man zag; de gebruikte taal-term regen functioneert ‘auslösend’, bewerkt de ‘Ordnung der Steuerungsmomente’ (Bericht XII blz. 105) in degene tot wie gesproken werd. ‘Regen!’ heeft vrolik geklonken en 'n beetje ironies ook; dat is ‘Kundgabe’ van de stemming van de heer des huizes.42)
Mevrouw heeft 't goed gehoord! Ze heeft voor de spiegel haar hoedje nog 'n beetje vastgedrukt, en.... nog steeds niet naar buiten gekeken. Maar ze zegt: ‘Je hebt lekker weer gelijk!’ omdat ze nu heel goed weet dat er buiten water uit de wolken valt, en dat weet ze omdat haar man zei: ‘Regen!’ Dat is ‘Darstellung’. Bühler concludeert: ‘Regen!’ fungeert dus op drie wijzen als teken: als ‘Signal’ (Auslösung = Appell, vgl. Axiomatik blz. 80), als ‘Anzeichen’ (Kundgabe = Ausdruck vgl. id.) en als ‘Zeichen’ (Darstellung), of met 'n meer expressieve naam ‘Ordnungszeichen’ of ‘Symbol.’ (vgl. Axiomatik blz. 90) Met deze onderscheidingen - over hun afkomst uit verschillende philosophieën kunnen we zwijgen - vat hij de verschijnselen onder 'n tekenbegrip.43)
Welke kenmerken vertoont nu dit ‘Induktionsidee’ teken? Reeds de oude scholastieken, zegt Bühler, die sommige teken-problemen goed formuleerden en oplosten, gaven een zeer bruikbare omschrijving: ‘Sie sagen kurz: aliquid stat pro aliquo, das sinnlich wahrnehmbare Sprachzeichen steht für etwas anderes, als was es selbst ist, es fungiert als Stellvertreter.’ (Bericht XII blz. 101) Het is zeer tekenend dat Bühler juist deze formulering ‘stare pro aliquo’ gebruikt. Zijn bron Ockham zegt wat meer: ‘Signum accipitur pro illo, quod aliquid facit in cognitionem venire, et natum est pro illo supponere’ (= stare pro aliquo).44) De tekst bij Geyser wijst er t.a.p. uitdrukkelik op dat supponere een kennis-theoretiese onderscheiding is: ‘Die Supposition ist die
Repräsentation dessen, was im Umfange des Begriffs liegt, durch das diesen Begriff bezeichnende Wort’. M.a.w. doordat het woord ‘facit aliquid in cognitionem venire’, is het teken plaatsvervanger.
De nominalist Ockham wijkt hierin niet af van de grootmeester der scholastiek Thomas van Aquine, die het teken als volgt definieert: ‘Signum est per quod aliquis devenit in cognitionem alterius.’45) Alleen in een ken-act kan iets ‘teken’ zijn, en het is de wijze dier kennisname die de tekensoort wezenlik bepaalt. Niet de vorm die gekend kan worden is ‘teken’ - ook al blijven we veilig het rode signaal-licht, zoals 't spraakgebruik vraagt, 'n ‘teken’ noemen - doch wel: de gekende ‘vorm’ in de eenheid met de onaanschouwelikheid die ons ‘iets anders’ doet kennen. En, dit anders is de ‘zaak’, dit andere is het ‘niet-ik’, dat wij in het teken-gebruik tegenover ons stellen.
Bühler heeft zich willen wapenen tegen de Saussure's psychologisme (Axiomatik blz. 34 vlg.) en hij kritiseert diens befaamde ‘circuit de la parole’ (de Saussure blz. 27 vlg.), waarvan hij terecht meent (vgl. nog Bericht XII blz. 99) dat zij geen inzicht geeft in de structuur van het taalgebeuren en tenslotte in naturalistiese beschouwingswijzen gevangen bleef,46) doch ook Bühler, tans onder invloed van behaviourisme, maakte zich niet volkomen vrij. Wanneer ‘psychologisties’ een denigrerend epiteton is, dat op Bühlers linguistiese inzichten niet past, dan heeft hij zich toch niet vrij gehouden van een ander epiteton dat ook zo gebruikt zou kunnen worden; hij is, ongetwijfeld zijns ondanks, nog ‘behaviouristies’: hij stelt de ‘Schallwellen’ als teken. Bühler werd bevestigd in zijn mening omtrent de juistheid zijner verdeling door biologiese en behaviouristiese beschouwingen:47) een schot klinkt, een zwerm vogels vliegt op. Er is een oorzakelike samenhang tussen schot en vogelgedrag. Het ‘vluchten’ is ‘ausgelöst’, de functie van het schot is ‘Auslösung’. De struiken ritselen, een tijger verschijnt. De leider van een troep apen, die aan de voet van de bomen spelen merkt het gevaar, dat in hem een waarschuwingskreet ‘auslöst’. Doch deze ‘ausgelöste’ kreet vertoont twee aspecten: de leider maakt er zijn angst in waarneem-
baar: dat is ‘Kundgabe’; de ander apen horen de kreet en vluchten: dat is ‘Auslösung.’48)
Dempe vat dit samen in twee regels: ‘Kundgabe ist immer zugleich selbst Auslösung und wird nur Kundgabe genannt, weil sie eine andere Auslösung zur Folge hat.’ (blz. 57) In situaties als die zo juist beschreven zijn, is van geen ‘Darstellung’ iets te bespeuren. Een uiting die zich alleen als het gevolg van de ‘Darstellungs’-functie laat verklaren is het b.v. als het kind gaat vragen: ‘Wat is dat?’, wijzend op 'n bloem, wijzend op 'n vogel.
Van dit biologies uitgangspunt is Bühler niet meer geheel vrij gekomen; het beïnvloedt al zijn verdere beschouwingen, die ‘linguisties’ hadden moeten zijn. Hij zal op deze wijze de specifieke eigenaardigheden van zijn drie vormen van teken-zijn, als ze geobserveerd worden aan 'n gebruikte taal-term, niet volkomen kunnen ontwikkelen. Bekijken we daarvoor de zo straks beschreven gevallen nog eens wat nader.
‘Regen!’ Wat wilde de heer des huizes? Zijn vrouw er toe brengen haar paraplu mee te nemen; dat in ieder geval. Wat was dus zeker de bedoeling van zijn woorden? De ‘situationsgerechte Reaktion’ bij zijn vrouw te wekken, haar handelingen te beïnvloeden. Hij zou dit op verschillende manieren hebben kunnen doen. De eerste daarvan is wel wat vreemd. Zij zou nl. in handtastelikheden hebben moeten bestaan. Doch, dat gebeurt niet. Zijn teken: ‘Regen!’ neemt de plaats in van al zijn handelingen; hij steekt geen vinger uit en Mevrouw reageert vlot en zelfs beminnelik. Wat is er gebeurd? Er was geen gemeenschappelik waarnemingsgeheel, Mevrouw zag de regen niet; de taal-term ‘Regen!’ is voldoende.49) De psychiese ‘Steuerungsmomente’, die de uitwendige handelingen van Mevrouw bewerken, zijn door de kennisname van het teken ‘geordnet’ en geactiveerd. Het ‘teken’ neemt dus de plaats ook in van de bedoelingen van de spreker omtrent de beslissingen van de hoorder: ‘Die Sprachzeichen fungieren im Verkehr der Menschen als Steuerungsmittel des praktischen Verhaltens, sie sind Signale im
Dienste des Gemeinschaftslebens.’ (Bericht XII blz. 104)50)
Ondertussen is het Bühler met deze signaal-functie als teken-verschijnsel niet voor de wind gegaan; de subsumptie onder ‘plaats innemen’ wou maar matig lukken. Hij erkent dit zelf ruiterlik: ‘Es ist nach alldem nur das grob-logische Facit, wenn man der Ordnung halber die Formel aliquid stat pro aliquo auch für die Signale ausfüllt.’ (Axiomatik blz. 89) Het zou wel eens kunnen wezen dat zijn signaal-functie geen taal-teken-verschijnsel was, doch enkel een functie van het taal-moment in het ervarings-geheel, een functie die ook andere dan taal-momenten kunnen vervullen.
Hij belooft in zijn ‘Sprachtheorie’ deze vraag op te lossen (Axiomatik blz. 89) en geeft voorlopig al enige aanduidingen.50*)
Nu wat Bühler ‘Ausdruck’ noemt in zijn ‘Axiomatik’ en wat vroeger ‘Kundgabe’ heette: Mijnheer was vrolik en had ook wel 'n beetje Schadenfreude; Mevrouw heeft 'ns even gelachen en ook wel 'n prikje gevoeld. Dat heeft ‘Regen!’ gedaan. Mevrouw heeft daaruit iets opgevangen waaruit zij nu haar mans vrolikheid kent en z'n Schadenfreude, en ze heeft ook daarop gereageerd, deze keer lief en lachend, 'n andere keer is ze misschien wel eens kwaad geworden. ‘Regen!’ heeft 'n gemoduleerd dynamies en muzikaal accent gedragen, en zekere duurverschijnselen vertoond. De ‘uitdrukking’ heeft de plaats ingenomen van Mijnheers gevoelens. Bühler heeft voor deze teken-functie de naam ‘Anzeichen’ gebruikt.51)
Op twee plaatsen bespreekt hij zeer uitvoerig dit verschijnsel,52) eerst in het ‘Bericht’, dan in zijn ‘Axiomatik’.
Hoe komt de kennisname van Mevrouw tot stand? ‘Wir schliessen quoad existentiam aus dem Auftreten eines Lächelns oder anderer Ausdruckssymptome auf dies und das im Erlebnis oder in der Persönlichkeit dessen, der das “Symptom” produziert, an dem wir es sehen.’ (Bericht XII blz. 103) Er zijn twee termen die verklaring behoeven, schliessen en quoad existentiam. Met ‘schliessen’ bedoelt Bühler niet dat er een redenering nodig zou zijn om een ‘Anzeichen’ als zodanig te ‘erfassen’, hij laat 't in het midden of dit ‘erfassen’ direct of indirect zou zijn.
Ook ziet hij de mogelikheid dat ook 'n dergelike ‘Ausdruck’53) ‘symbolisch’ zou worden, doch dit alles doet niets af aan het voor hem essentiële in de ‘Ausdruck’, waarvoor hij ondertussen ook de naam ‘Zusammenhangszeichen’ heeft gebruikt: wij worden door zijn bestaan tot de kennis van het bestaan of tot bestaan komen van het ‘Angezeigte’ gebracht; rook wil zeggen: er is vuur, donkere wolken: er komt regen, lachen: er is plezier. En, deze functie kàn een ‘Anzeichen’ uitoefenen op grond van onze overtuiging van een ‘connexio rerum’ tussen ‘Anzeichen’ en ‘Angezeigtes’. Een ‘Anzeichen’ in taal is ‘Kundgabe von Akten, von psychischen Erlebnissen und Stimmungen, von Bewusstseinweisen, und nicht von Sachverhalten oder Gegenständen,’54) en wel zo dat de hoorder kennis van hun bestaan krijgt. Ook hier weer is het nodig er op te wijzen dat hem die kennis niet expliciet in taal wordt bijgebracht, in dàt geval spreken we van ‘Darstellung.’55)
Van een geheel andere orde is het feit dat ‘Regen!’ de plaats inneemt van het complex van physiese processen dat zich in de natuur afspeelt, en dat door Mijnheer werd waargenomen. ‘Ordnungszeichen’ noemt Bühler deze klasse van tekens. Er is geen verhouding van afhankelikheid in bestaan tussen ‘Regen!’ en de vallende regen, zoals die tussen vallende regen en wolken wel bestaat, en ook tussen rook en vuur, het lachen en het plezier. Niet door zijn bestaan is ‘Regen!’ een motief voor onze kennis van het bestaan van de regen, doch door zijn ‘Zuordnungsbedingung’
De curve op een vel papier, die het verloop der koorts bij een patiënt aangeeft, is niet door de koorts veroorzaakt, en ze gedraagt zich ook helemaal niet ‘alsof’ dat wel zo zou zijn. Ze heeft alleen representatieve waarde, omdat zij door ons van te voren op het verloop der koorts ‘betrokken’ is. ‘In dieser Zuordnungsbedingung liegt das Wesen der Darstellung (representatio) beschlossen. Es ist, so könnte man das kurz ausdrücken, nicht eine connexio rerum, sondern ein ideeller ordo rerum, eine Erkenntnisordnung, in deren Rahmen die Stellvertretung hier statt findet. So könnte und kann man sich ausdrücken, solange alle letzten erkenntnistheoretischen Streitfragen von dem an sich so einfachen Tatbestande, den wir im Auge haben, fern gehalten werden.’ (Bericht XII
blz. 104)56) Dit laatste is de specifiek menselike teken-functie der taal: ‘die Darstellungsfunktion (ein neuer Name für eine alte Sache, den ich 1919 als erster vorgeschlagen habe) ist das Dominierende und, so weit wir heute sehen können, spezifisch Menschliche an der Menschensprache.’ (Bericht XII blz. 121)
Gustaf Stern (blz. 24) is verwonderd dat Bühler en Ogden & Richards geen afzonderlike taal-functie ‘communication’ onderscheiden. Wanneer hij, die toch Bühlers ‘Krise’ onder zijn literatuur vermeldt, zich volkomen gerealiseerd had welk hun standpunt is, zou voor deze verwondering geen plaats geweest zijn. Dat taal ‘communiceert’.57), op welke wijze dan ook, is voor hun taal-beschouwing een postulaat. Zij nemen, en wel op zeer goede gronden, van te voren aan, dat ‘communicatie’ bestaat: zij weten èn uit eigen ervaring, die zich aan elke waarneming door een ander individu onttrekt, èn uit de constatering der ‘Kovarianz’ van het gedrag der sprekende individuen, dat zij door taalklanken met een ander individu in contact zijn. Zij beschouwen nu, vanuit hun standpunt terecht, niet communicatie als een taal-verschijnsel, maar taal als een communicatie-verschijnsel.
Natuurlik is vanuit dit standpunt niet het geheel der taal-ervaringen onderwerp van studie, want, zonder enig contact, zonder enige communicatie, bestaat de taal waarin we zwijgend denken. Doch Bühler ontkent dit aspect evenmin als Ogden & Richards dat doen. Zij nemen allen terecht aan dat in het communicatief taalgebruik de sleutel ligt voor het begrip van alle taal-aspecten en dat in alle communicatief taal-gebruik ook dit andere aspect ligt opgesloten.58) Als de wijsbegeerte dit al niet
eeuwen met recht had beweerd, zou Cassirer het in onze eeuw dan toch wel duidelik hebben aangetoond.
Wat is communicatie? Wij doen de werkelikheid geweld aan wanneer wij ons de situatie, waarin een communicatie-proces door taal zich voltrekt, voorstellen als bestaande uit 'n waarneembare omgeving, een spreker en hoorder en 'n taal-moment, dat als 'n soort ping-pong-balletje tussen spreker en hoorder heen en weer vliegt. De taal-ervaringen van spreker en hoorder zijn gescheiden processen en de verbindende klankgolven zijn helemaal geen taal. Van de taal-onderzoeker gezwegen, is er in ons ‘Water!’-avontuur, ten opzichte van het taal-gebeuren, in werkelikheid niet één taal-moment, doch er zijn er twee. Het ene is dat van de spreker, die taal voortbrengt, het andere dat van de hoorder, die taal interpreteert. De taal-onderzoeker, die deze twee momenten in één ervaring beleeft, en ten opzichte van wie heuvels, lucht, licht, warmte, roeper, hoorders en hij zelf één situatie uitmaken, is maar al te zeer geneigd dit over 't hoofd te zien. En gebeurt dit, dan wordt ‘communicatie’ een bedrieglike term. We denken zo licht dat die zou slaan op een of ander mediërend proces, buiten spreker of hoorder, een soort actieve physiese of metaphysiese accolade.59) Niets is minder juist dan dat: communicatie is de ervaring van een relatie van gelijkvormigheid tussen taal-voortbrenger en taal-hoorder.
Het communicatie-proces in taal is geen mechanies gesloten en homogeen verloop, zoals de schemata van de Saussure (blz. 27 vlg.) of Gardiner (blz. 79), die beiden een soort cirkelgang voorstellen, zouden kunnen doen denken. Alleen op het plan der physiese verschijnselen is er continuïteit. De taal-ervaringen van spreker en hoorder bouwen zich daarbuiten en daarboven uit. Juist in zover er ‘taal’ is, ‘Kontakt höherer Ordnung’ (Krise blz. 41), is er twee-heid; in zover er physiese samenhang bestaat, is er eenheid. Wil de communicatie volkomen zijn, dan moet aan elk der polen, spreker en hoorder, het proces bewust worden gecontinueerd.
Het wijsgerige probleem dat zich hier voordoet: hoe deze eenheid in gescheidenheid mogelik is, hoeft geen taalkundige te verontrusten. We hebben eenvoudig het feit te nemen (Krise blz. 85). Communicatie impliceert twee gescheiden processen, één bij de spreker, één bij de hoorder.
Daartussen en daarbuiten zijn ongetwijfeld klank-golven, maar waarin spreker en hoorder met elkaar ‘communiceren’ is niet in klank-golven, doch in ‘taal’; physies is er ‘contact’ in klank-golven. De verklaring der gelijkvormigheid dezer taal-ervaringen zoekt Bühler terecht bij een teken-functie. In zijn formulering plaatst hij die echter waar ze niet te vinden is: in het zinnelik waarneembare, en niet in de ervaring, waar hij ze zou moeten zoeken en prakties ook vindt.
Bühler verklaart ‘Symbol’, ‘Anzeichen’ en ‘Zeichen.’ volgens hetgeen wat vervangen wordt, en dat is zeer juist, doch hij plaatst als vervanger de ‘Schallwellen’ en dat is principieel onjuist: niet de klank is ‘teken’, doch de taal-term, en deze bestaat alleen in de taal-gebruikende mens.60)
Reeds in zijn ‘Kritische Musterung’, dus lang voor hij 't teken-begrip als plaatsvervanging toepaste, zag hij een a priori der teken-mogelikheden in hun doelmatigheid, in de richtingen waarin zij iets konden ‘leisten’, in hetgeen hij hun ‘Sinn’ noemde. Hij formuleerde dit scherp in een latere publicatie: ‘Wir stellen die Frage, in welcher Art ein sprachliches Zeichen sinnvoll sein kann, und antworten: in den drei und nur in den drei genannten Richtungen, nämlich in Richtung auf den Sprecher (Kundgabe), den Hörer (Auslösung) und einen Gegenstand oder Sachverhalt, den er nennt oder darstellt (Darstellung).’ (Syntax blz. 60) Reeds Junker merkte op dat op deze wijze de zaak bedenkelik wordt: immers ‘Auslösungs’- en ‘Kundgabe’-verschijnselen zouden én bij spreker én bij hoorder moeten worden gedefiniëerd.61)
Junker zou misschien nog bedenkeliker gekeken hebben als hij reeds had kunnen lezen wat Bühler nog zou schrijven:
‘Um auf den springenden Punkt zu kommen, fragen wir uns einfach nach der Weise der alten Grammatiker mit wer? was? wem? durch die Struktur (der taal-situatie) hindurch und finden: In Relation zu diesem was ist der Sprecher als Sender und der Hörer als Empfanger zu betrachten. Der eine gibt, der andere nimmt entgegen - was? “Flatus vocis” sagten die alten Nominalisten, “Schallwellen” sagt der moderne Stoffdenker und kein Philosoph der Welt wird ihre Position zu erschüttern vermögen. Sie soll auch gar nicht erschüttert, sondern nur ergänzt werden durch den Zusatz, dass diese Schallwellen im Austausch “als Zeichen” fungieren.’ (Bericht XII blz. 100, 101)
Immers laten we toegeven dat altans de waargenomen klank ‘als teken’ ‘functioneert’ in zover deze teken-wijze ‘signaleren’ of ‘uitdrukken’ is, ‘functioneert’ zij daarom ook ‘darstellend’? Ervaren wij in de waargenomen klanken ‘iets anders’, kennen wij in hén de ‘Gegenstände und Sachverhalte’? Ook Bühler beweert dit geen ogenblik; wij kennen ‘Gegenstände und Sachverhalte’, de ‘zaken’ in de gedachte, in de onaanschouwelike ken-momenten der ervaring. En hierin ligt opgesloten dat ‘Ordnungszeichen’-zijn - ‘teken-zijn’ zullen wij zeggen - geen ‘functie’ is, doch een eigen zijns-vorm, die ad hoc moet worden geschapen, geponeerd. Door als middelpunt van zijn bestudeerde situaties van taalgebruik de ‘Schallwellen’ te nemen begon Bühler zijn onderzoek buiten de kern van het taalgebeuren. Zijn ‘Schema der Sprachfunktionen’ brengt nu als taal-verschijnselen samen data die taal-wetenschappelik disparaat zijn. ‘Appell’ en ‘Ausdruck’ enerzijds - Bühler ontkent dit niet - en ‘Darstellung’ anderzijds zijn irreductibel. De schemata zoals hij ze telkens geeft, verdoezelen dit feit. De drie ‘Dimensionen’ zijn ook niet anders dan ‘grob-logisch’ onder één teken-begrip te vatten; d.w.z. vatten we ze onder één teken-begrip dan is dit begrip voor de linguistiek onbruikbaar, omdat het per se veelzinnig is.61*) In het middelpunt der studie van de linguist moet staan, wat inderdaad het centrum is van elke situatie waarin taal gebruikt wordt: het taal-moment. De uitgangsnotie van de linguist wordt noodzakelik aan de ervaring ontleend, omdat we alleen introspectief kunnen
bepalen wat inderdaad in de te bestuderen situatie ‘zin-vol’ is, ‘zin-vol’ op de wijze der taal.
Bühler heeft zelf eens van de behaviourist geschreven: ‘Er mag sich drehen und wenden, wie er will, es ist ihm wesensgesetzlich vorgeschrieben, aus all dem, was man an Verhaltungsweisen der Tiere und der Menschen mit den Sinnen wahrnehmen kann, die “sinnvollen” auszuwählen, an denen allein das Interesse des Psychologen haftet. Also auch hier muss etwas in der Klammer zurückbleiben, und niemand kann letzten Endes darüber Aufschluss geben, was Sinn eigentlich ist, ausser die Erlebnispsychologie.’ (Krise blz. 46) En dat is geen psychologisme, want de linguistiek kan bezwaarlik gaan ontkennen dat haar object, het taal-gebeuren, alleen vanuit zijn ervarings-aspect kan worden bepaald. Psychologisme is het, dit ervarings-aspect te abstraheren van zijn betrekkingen tot het menselik gedrag, tot de situatie waarvan dit gedrag deel uitmaakt en tot de ‘zaken’; psychologisme m.a.w. is het, te doen alsof het taal-gebeuren niet wezens-noodzakelik buiten zichzelf uitwijst. Psychologisme is het daarom als de Saussure, de ‘taal-vorm’ signifiant en de ‘betekenis’ signifié noemt, in plaats van het teken - d.w.z. de eenheid van ‘vorm’ en ‘betekenis’ - signifiant te noemen en de ‘zaak’ waarop wij in taal-gebruik betrokken zijn signifié. Maar het is géén psychologisme als de linguist uitgaat van het feit dat elke onderzoeker, vóór hij begint, op zijn wijze uit eigen ervaring weet wat ‘taal’ is62), omdat hij taal ‘begrijpt’, een proces waarvan het moeilik zal zijn aan te tonen dat het zich niet in de onderzoeker en - wat betreft zijn ‘inhoud’ - onttrokken aan elke waarneming, voltrekt. Elke onderzoeking van ken-verschijnselen steunt, minstens ter bepaling van haar object, op gegevens der introspectie, en als in die gegevens der introspectie geen moment zou liggen dat buiten de introspectie uit voert, dan blijven we er tot in aevum binnen. Hierover te refereren is echter taak der metaphysiek, niet de onze.
Bühler heeft zich met zorg er voor gewacht geen psychologismen te bedrijven, hij heeft helaas behaviourismen bedreven. Een schema dat in ‘Schallwellen’ centreert, is noch psychologies, noch sematologies, noch linguisties.63) Na het voorafgaande spreekt Bühlers schema zijn eigen taal. Wij laten hier een ‘Organon-Modell der Sprache’ volgen, dat zijn gedachten vereenvoudigd weergeeft.

De instelling op de klank als ‘teken’ belemmerde ongetwijfeld de vorming van 'n begrip omtrent de verhouding der verschillende momenten in de ervaring van de taal-gebruikende mens. Zonder enige aarzeling poneert Bühler de ‘Darstellungsfunktion’ als de ‘dominierende Zeichenfunktion der Sprache’.64) Doch van deze dominatie geeft hij geen linguistiese verantwoording. Wel
hebben we van hem geleerd: ‘Durch Zuordnung der Ausdruckszeichen gewinnen sie eine neue Sinndimension. Damit eine unabsehbare Steigerung ihrer Leistungsfähigkeit als Kommunikationsmittel. Das eine durch das andere.’ (Krise blz. 50, 51) In zijn ‘Axiomatik’ reeds werkt hij op waarlik begeesterende wijze de sematologiese princiepen uit waarop deze ‘unabsehbare Steigerung’ berust: de taal-gebruiker opereert met een ‘(mindestens) zweiklassiges System’ van ‘Setzungen (Konventionen)’. Een systeem derhalve van het taal-type ‘baut dementsprechend auch jede vollendete Darstellung in (mindestens) zwei abstraktiv zu sondernden Schritten auf, sagen wir einmal kurz, wenn auch unscharf und missverständlich: in Wortwahl und Satzbau. Die eine Klasse von Setzungen verfährt so, als gälte es, die Welt in Fetzen zu zerschneiden oder in isolierbare Momente aufzulösen und jedem von ihnen ein Zeichen zuzuordnen, während die andere darauf Bedacht nimmt, einer Durchkonstruktion derselben Welt (des Darzustellenden) nach Relationen die zeichenmässigen Mittel bereitzustellen. Das sind, darstellungstheoretisch gesehen, zwei durchaus disparate Weisen des Vorgehens. Darüber muss volkommen Klarheit geschaffen werden....’ (blz. 69).
Maar, over de eerstbedoelde ‘Setzung’ - die strikt genomen eigenlik alleen Setzung zou mogen heten - leert Bühler de linguist weinig. Wel schreef hij reeds in zijn ‘Syntax’ (blz. 72) dat de taal ‘Gestaltung und Gestaltetes (ist) durch und durch d.h. bis hinauf zum Satz und bis hinab zu den phonetischen Elementen, diese eingeschlossen’, en heeft hij dit inzicht in zijn latere phoneem-studies - en hierin ook linguisties - zeer vruchtbaar gemaakt, doch de eigenlike ‘Setzung’ waarop dit gehele tekensysteem is opgetrokken, de funderende act der woordmaking, neemt bij hem niet de alles beheersende plaats in die haar in het taal-systeem toekomt. Dat heeft hem zijn drie-deling vanuit de ‘klank’ beschouwd als ‘teken’ gedaan! We geven graag toe dat de ‘Darstellung’ in het taal-gebruik domineert, doch we blijven ons met recht afvragen: in welke functie centreert het taalgebeuren of is er geen andere hiërarchie dan dat de ‘Darstellung’ in praestatie-vermogen de beide andere ‘functies’ overtreft? Is de taal-ervaring, waarvan wij toch allen menen dat zij een zeer eigen karakter heeft, dat aan andere ervarings-momenten niet eigen is, misschien nièt zo eigensoortig, vergissen wij ons en is zij alleen een combinatie van menselike handelingen, saamgehouden door het gemeenschappelike doel: communicatie, zoals de geheel verschillende handelingen van de sportsman die een spring-praestatie wil leveren worden gecoördineerd door het doel: hoog springen, zoals de geheel verschillende menselike handelingen van de man die aan zijn schrijf-
machine werkt, worden gecoördineerd door het doel: Bühlers tekentheorie uiteenzetten?
Dempe heeft geheel zijn werkje aan het betoog gewijd ‘dass es nur eine Grundfunktion der Sprache gibt, die die Sprache als Sprache konstituiert, eben die Darstellung.’ (blz. 98)65)
Hij heeft daarin, geloof ik, gelijk. Bühlers niet op ‘Darstellung’ terugvoerbare ‘taal’-momenten ‘Auslösung’ en ‘Kundgabe’ zijn ‘Sinndimensionen’ der communicatie, niet specifiek taalverschijnselen. ‘Communicatie’ als ervaring die in taal-gebruik tot stand komt, is onverstaanbaar wanneer de verschijnselen, die Bühler onder ‘Appell’ en ‘Ausdruck’ groepeerde, buiten beschouwing worden gelaten, doch de taal-verschijnselen in deze communicatie worden onbegrijpelik wanneer zij als communicatie op één lijn worden gesteld met de feiten die onder ‘Darstellung’ worden samengevat.65*)
Ook hier weer was het standpunt van de onderzoeker voor het beantwoorden der vragen beslissend. Wie zich afvraagt: welke momenten vertoont een communicatie-proces ten opzichte van de waarneembare klanken, zal een ander antwoord krij