Dit derde hoofdstuk is er een met een lange aanloop. Dat komt van het Edelweiss en de paardebloemen! In blanke onschuld een boek te schrijven over een grammatiese abstractie, en dan te menen het taal-gebeuren in de ziel te hebben gelezen, zou inderdaad een pijnlike vergissing zijn. We zullen dan ook reeds in de eerste paragraaf ‘Het feit der woord-onderscheiding’ aantonen dat 't ‘woord’ 'n ervarings-gegeven is, een ervarings-gegeven dat vrij is van elke grammatiese abstractie. In ‘Een theorie van woord-onderscheiding’ wordt vervolgens bewezen, dat er woorden moeten zijn als constante onderscheiding in alle taal-gebruik zelf, omdat zonder deze dit taal-gebruik onbegrijpelik wordt. De paragraaf ‘Het zinsprimaat’ houdt zich bezig met de theorie waaruit het negeren van het ervaringsfeit der woord-onderscheiding begrijpelik wordt; en dan blijkt er één ding, dat bij geheel dit vraagstuk enigszins onplezierig aandoet: de vergeetachtigheid van verschillende onderzoekers. De paragraaf levert 'n zeer belangrijk positief resultaat ook: de taal-maker is wezens-gebonden aan zijn ‘Umwelt’; hij is in woord-making en woord-gebruik noodzakelik afhankelik van het bestaande gebruik in de gemeenschap die hem voortbrengt.1) Natuurlik, als lid van die gemeenschap draagt hij zelf weer tot de ontwikkeling van dit gebruik bij,2) doch hij kan zijn invloed niet laten gelden, tenzij langs de weg van het gebruikelike tevens. Het is derhalve noodzakelik uit ‘Contact’, dat het woord als taal-moment ontstaat. In dat ‘contact’ worden de ‘klanken’ ingebouwd in de talloze ervaringen die het kind maakt. Met de differentiatie dier ervaringen, afleesbaar uit de differentiatie van het kinderlike gedrag,
differentiëren zich ook de klank-uitingen. Doch juist in die differentiatie pas kunnen zij hun aard tonen: zij openbaren zich dan als een eigensoortige ‘constante’ in dat gedrag, als 'n handelings-index, en wel als 'n handelings-index die in coöperatie als index fungeert, en op die coöperatie is aangelegd: alleen door zich aan te passen, zo goed en zo kwaad als 't lukt, aan de taal zijner omgeving, komt het kind van die naaste omgeving los, kan het zich vrijmaken van de verbinding met de moeder alleen of de allernaaste mede-mensen. Dit alles staat in ‘De taalklank als handelings-index’ of volgt daaruit. Het kind maakt zich inderdaad vrij en bindt zich tevens als het op enigerlei wijze blijkt te ‘weten’ dat het in z'n taalklank zo'n handelings-index bezit. Dit weten blijkt o.a. uit het naam-vragen.3) Het is minder juist, te trachten het bestaan van dit ‘weten’ te deduceren uit enigerlei notie van ‘denken’; het is beter het gedrag van het kind met betrekking tot z'n taalklank-gebruik te analyseren. Dat tonen we in ‘Taal-gedrag of verstand?’ aan. En, dit volvoerend, blijkt ons in ‘Naam-vragen en eerste taal-act’, dat het kind om te kunnen vragen naar namen van dingen, een ‘eenheid’ moet hebben geponeerd, die de betrekking tussen bepaalde ‘klanken’ en 'n bepaald ‘ding’ omvat. Dit is hetzelfde als te zeggen, dat het kind in 'n denk-act een eigensoortige ervarings-eenheid poneerde, die, dat blijkt uit ‘Naam-vragen en generaliseren’, een ken-eenheid is waarin 'n gedachte op bepaalde wijze werd vastgelegd. Immers ‘generaliseren’ is hetzelfde als geven van ‘toepasselikheid’. En uit vragen naar nieuwe namen blijkt zelfs het feit van het bestaan van een bepaalde gedachte: ‘klanken’, steeds tussen aanhalingstekens, omdat we ons alleen om een bekend uitgangspunt te hebben van deze term bedienen. In ‘Naam-vragen als criterium’ wijzen we er nog eens uitdrukkelik op, dat dit feit ons tot toets-steen dient, meer niet; dat we dus niet beweren dat alleen in of uit het vragen het teken ‘woord’, zou zijn gevormd. Ondertussen bewandelen we tot dan toe alleen de wegen der traditie, ener traditie die het ons mogelik maakt méér te vinden, een waardevolle traditie, maar een onvolledige. Het gemaakte woord blijkt 'n teken sui generis, een handelings-middel, een handelings-vervangende coöperatieve hulphandeling. Deze handelings-aard blijkt niet minder duidelik uit een verdere analyse der condities van zijn ontstaan, dan uit de verschijnselen van zijn gebruik. En nu wordt het ook duidelik dat ‘klanken’ en ‘ding’, of ‘zaak’ geïnterpreteerd, in de eerste taal-acten en taal-gehelen van het kind, een gevaarlike abstractie is, die
de natuur van het woord al bij zijn ontstaan vrijwel onkenbaar maakt. Dat werken we in ‘Klanken of handelingsmiddel?’ uit. Het woord vertoont dus een handelingskarakter. Wil dat zeggen, dat het geen denk-vorm is? Allerminst: zijn handelingskarakter impliceert enkel een eigensoortig gebonden-zijn en derhalve 'n eigensoortige gebruiks-mogelikheid van de onaanschouwelikheid die een noodzakelik moment van het woord uitmaakt. ‘Woord en gedachte’ behandelt het kindergedrag, geïnterpreteerd als ‘denk-verlangen’ alleen, en tracht de ontoereikendheid van deze opvatting aan te tonen. De verhouding: woord en gedachte, houdt ons ook bezig in ‘Het woord als gebruiksteken’, dat opvattingen critiseert die wel het woord als ‘middel’ accepteren, doch dit ‘middelend’ karakter alleen als 'n ouder stadium van datzelfde woord zien. Deze paragraaf voert ons over tot de notie ‘gebruiksteken’ en daarmee tot een voorlopig afsluitend woord-begrip. We hebben daarin de ontwikkelings-gedachte omtrent het woord ten volle aanvaard, doch wij zien deze ontwikkeling als 'n differentiatie die zich aan deze ervarings-eenheid voltrekt: een verder onderscheiden van de momenten die het woord-geheel uitmaken, en een gebruik volgens die onderscheidingen en volgens de mogelikheden, die de voortschrijdende automatisering van de spreekhandeling meebrengt. Zo resulteren inderdaad ‘klank’ en ‘betekenis’ als constituerende momenten van het woord in de ervaring van de volwassenen, doch ‘klank’ en ‘betekenis’ natuur-noodzakelik gebonden aan het gebruiks-karakter van het gehele woord, een karakter dat door deze differentiatie allerminst te loor gaat. De paragraaf ‘Differentiatie der spraakhandeling’ bestudeert dit alles. We kunnen nu in ‘Gebruiks-karakter en functionaliteit’ nog eenmaal én de aard van het woord als denk-vorm, én zijn gebruiks-karakter aan een hernieuwde analyse onderwerpen en aan de hand van Ach's opvattingen laten zien, hoe een a-linguisties functie-begrip verantwoordelik kan worden gesteld voor de onjuiste mening dat het woord, door welke differentiatie dan ook, vrij zou kunnen komen van dat gebruiks-karakter. Wij blijven altijd over het woord ‘beschikken’, en in ‘Woord-gebruik, woord-beschouwing en woord-making’ tonen we aan, hoe deze ‘beschikking’, berustend op het fundamentele feit der woord-making, een geheel andere is, naarmate zij geschiedt door gebruiken of door beschouwen. In tegenstelling met deze drie ongelijksoortige ervaringen omtrent het woord zelf, treedt nu ook des te scherper naar voren de weer geheel verschillende vorm van activiteit, behandeld in de vorige paragraaf, waardoor wij ons aan het woord ‘vrij’ denken, waardoor wij, van het woord als zodanig abstraherend, de gedachte, in het woord vastgelegd, behandelen als niet in taal gebonden onaan-
schouwelikheid, waardoor wij m.a.w. de taal ‘denkend’ opheffen. Het wordt nu ook duidelik waarom Ach kon menen dat er een ‘reine Sprache’ bestond zonder gebruikskarakter: hij ging uit van de woord-making bij volwassenen, constateerde bij die volwassenen ‘Verständigung’ als noodzakelik te bestreven doel om tot woord-making te geraken, en zag in ‘inwendig taalgebruik’ deze ‘Verständigung’ als handelings-doel vallen; gebruik niet onderscheidend van andere ervarings-mogelikheden aan het woord, de beschouwing nl. en het vrije, abstraherende denken, lag zijn conclusie voor de hand. Om niet het verwijt te moeten horen - onverdiend overigens omdat een nauwkeurige overweging van de tekst het al zou kunnen voorkomen - dat alleen de ken-momenten der ervaring in dit onderzoek tot hun recht kwamen, geeft de paragraaf ‘Woord-making, woord-gebruik en streving’ over de verhouding van kennen en streven bij het taal-gebeuren nog 'n korte samenvatting, terwijl in de slot-paragraaf ‘Conclusies’, een recapitulatie van de voornaamste resultaten van geheel ons onderzoek in dit hoofdstuk, gelegenheid biedt tot enkele methodiese slotopmerkingen en een voorbereiding tot het volgende hoofdstuk: ‘Woord-vorm en woord-Gestalt’.
Het valt niet te ontkennen dat de mens in staat is zich van alles wijs te maken. Een zekere voorzichtigheid, zelfs tegenover het meest onomstotelik zeker geachte, is daarom plicht van elke wetenschappelike onderzoeker. We behoeven hier niet uit te maken hoe ver die voorzichtigheid dient te gaan, van welke aard zij moet wezen; we stellen alleen vast, dat we het niet onvoorzichtig vinden, aan te nemen dat het, op z'n tijd, in ons vaderland regent. Zo vinden we het ook niet onvoorzichtig te menen dat we wel eens 'n woord zeggen, dat we beter hadden kunnen zwijgen: we voegen iemand ‘Eend!’ toe, en we hebben dat te betreuren. We gaan 'n stap verder: de juffrouw uit 'n poelierswinkel belt op om te vragen wat we eigenlik bestelden, we antwoorden ‘Twee eenden!’ Als Nederlanders die school gegaan hebben, menen we nu twee ‘woorden’ te hebben gebruikt, en misschien vinden we ook, dat eend van daarstraks en eenden van nu eigenlik 't zelfde ‘woord’ zijn. Dit laatste doet momenteel niet ter zake, doch het eerste wel: we leven in de overtuiging ‘woorden’ te gebruiken. Millioenen ervaringen schragen die overtuiging.3*)
Nederlands eminente grammaticus Prof. Overdiep, ontkent dit feit niet, doch hij ziet het als 'n gevolg van 'n oorspronkelike ‘afspraak’ tussen schrijvers en lezers. ‘Sedert men schrijft, onderscheidt men woorden.’4) Als, in het betoog en de methode van de schrijver, deze zin iets betekent - en dat is inderdaad het geval, vgl. ‘Enkele notities’ - dan is het duidelik dat de schrijver aanneemt, dat een niet-schrijvend preker geen ‘woorden’ onderscheidt.4*) Deze theorie komt niet uit de lucht vallen, zij heeft 'n voorgeschiedenis. Van het schrijven van die voorgeschiedenis en 'n critiek der sententies, die de stof dezer geschiedenis uitmaken, wordt hier afgezien; zij zou enkele hoofdstukken vullen. Voor zover de theorieën ons onmiddellik aangaan, komen zij verderop ter sprake. Wij zouden de mensheid van heden willen nemen zoals ze is, en ons dan afvragen: onderscheidt zij ‘woorden’? We doen een verdere concessie: we sluiten van die mensheid uit al degenen die behoorlik school gegaan hebben en die beschikken over enige schrijfvaardigheid, we vragen enkel naar het gedrag van mensen die maar uiterst zelden de pen ter hand nemen, van kinderen die nog niet schrijven kunnen en van analphabeten. Onderscheiden die ‘woorden’? Wat de eerste categorie aangaat: 'n krijgsgevangen fransman schreef naar z'n vaderland (ik citeer uit het hoofd) ‘Tuman verras du chaud cola.’ Onderscheidt die man geen woorden? Natuurlik, het los schrijven van de delen van deze zin bewijst niet dat hij ze wél onderscheidde, het is zeker ook 'n gevolg van 'n aangeleerde schrijf-methode, maar bewijst het feit dat, behalve du, geen enkel ‘woord’ er goed afkwam, dat de man moeite zou hebben, gesproken chocolat van du, enverras van m('), tu van m(') te onderscheiden? Het feit bewijst dat de man moeilik schreef, niets meer en niets minder. We kunnen dat feit interpreteren en dan zeggen: en de man schreef zo moeilik, omdat hij 'n toer had z'n gesproken woorden uit elkaar te halen ten gevolge van 't feit, dat hij ze ‘kunstmatig’ moest onderscheiden, maar we kunnen ook zeggen: de man schreef zo moeilik, omdat hij werd gehandicapt
door gemis aan inzicht in de princiepen der schrijfwijze en daardoor 't slachtoffer werd van de hem nog in 't hoofd hangende schrift-beelden verras, du en chaud. Ondertussen blijven beide antwoorden zuiver hypotheties, al geven we graag toe dat 't eerste het voordeel heeft erg eenvoudig te zijn.
Het franse vraag-partikel der gesproken taal ti, (‘Je vous fais-ti tort?’ (Maupassant)) heeft 'n vreemde geschiedenis: kort en goed komt 't hier op neer, dat de pronomina il en ils op 't eind van vraagzinnen, gesproken zonder de eindconsonanten, van 't verbum werden gescheiden met voorplaatsing van de slot-consonant van de werkwoords-vorm.
‘Ton frère dit-il?’ werd ‘Ton frère di-ti?’
‘Tes frères disent-ils?’ werd ‘Tes frères diz-ti?’5).
Bewijst dit misschien een niet-onderscheiden van woorden? Het bewijst een niet onderscheiden van het pronominaal karakter van il(s) in dit gebruik, en 'n moeilikheid bij de gebruikers tot bepaling van de woord-grenzen, verder bewijst 't niets omtrent 't ‘woord’.6)
Hetzelfde geldt voor de eigenaardige gevallen van onjuiste woordonderscheiding, die Jespersen onder de term Metanalysis heeft samengevat.7) Het is vooral bij kinderen dat zich het verschijnsel 't duidelikst openbaart, Sechehaye en Cohen geven er recenter voorbeelden van: 'n niet-begrepen obstiné wordt opgevat als 'n combinatie (onverschillig welke: samenstelling of woordgroep) van obsti en nez en vervolgens wordt obsti in 'n mondsituatie gereproduceerd als obstibouche.8) Wat bewijst dit feit? Dat de vierjarige jongen wél ‘woorden’ onderscheidde: nez werd tegenover bouche gesteld en beiden tegenover het nu, op zijn manier, begrepen obsti- of obsti.
Cohen9) geeft voorbeelden die misschien nog verbluffender zijn. Toen zijn dochtertje Laurence ongeveer twee jaar was noemde ze 'n ezel nâne; zij gebruikt ‘comme usuellement les jeunes Français nâne pour âne, par mauvaise coupe de “un âne” et tendance à eviter l'initiale vocalique’. Maar wat gebeurt er als zij drie jaar en drie maanden is? ‘elle coupe “un nègre” en un-ègre; on s'en aperçoit - et elle est amenée à rectifier pour la suite - parce qu'elle a l'occasion de mettre au pluriel, en disant de(s)-z-ègres, à l'étonnement de son entourage.’
(blz. 392) En wat bewijst dit? Dat het kind niet alleen het ‘woord’ ègre heeft onderscheiden maar evenzeer un. Natuurlik, er is verkeerd onderscheiden, maar dat is de moeilikheid niet; 'n moeilikheid zou alleen bestaan als er niet werd onderscheiden. Het verkeerd onderscheiden is 'n noodzakelik gevolg van het feit, dat het kind de woorden bij voortduring in 'n samenhang gegeven worden waarin het maar enkele bekenden aantreft, en waaruit het dus telkens z'n eigen woord te maken heeft. Nauwlettende observatie der feiten waaruit moeilikheden tegen het verschijnsel ‘woord’, als zich in de ervaring van 'n taal-gebruiker openbarende onderscheiding, kunnen worden gemaakt, leert dat deze moeilikheden bewijskracht missen.
Doch observatie der feiten leert nog wat anders: een volwassen analphabeet onderscheidt woorden. Als Sapir niets anders gedaan had dan dit feit duidelik vaststellen, had hij reeds de linguistiek een uiterst voortreffelike dienst bewezen. Bij zijn werk als onderzoeker der Indianen-talen vond hij het feit bevestigd in twee geheel verschillende phasen. Indianen zonder enige kennis van grammatica, schrift of spelling, dicteren, gevraagd om de elementen waarmede zij iets bedoelen te scheiden, zonder aarzeling de woorden, ook die woorden hunner talen, bedenken wij dat wel, die van 'n uiterst complex karakter zijn; andere Indianen die alleen geleerd hadden klanken met schriftfiguren aan te duiden, zonder dat hun de geschreven woord-vormen te voren waren bijgebracht, hadden wel enige moeite de klanken juist aan te duiden, doch gaven de woorden zonder bezwaar weer.10)
Wij, die onderwezen zijn in ‘woorden’ schrijven, hebben soms moeilikheden uit te maken of we met één of twee woorden te maken hebben, of we iets als ‘woord’ zullen beschouwen of als suffix of praefix. De ‘hyphenated words’ van 't engels kunnen menigeen hoofdbreken kosten; doch het is, zolang het tegendeel niet is bewezen, minstens even verstandig de oorzaak van deze aarzelingen ook in 'n niet geheel voldoende theorie te zoeken en niet enkel in wankelende onderscheidingen. Jespersen schreef eens: ‘There is hardly sufficient reason for German official spellings like miteinander, infolgedessen, zurzeit, etc.’11).
Uit de ondervinding van Sapir blijkt dat men, zich verlatend op de ervaring en niet allereerst handelend onder invloed van gepraeconcipiëerde spellings-begrippen of grammatica-opvattingen, zelfs bij het schrijven van woorden, geen grote moeilikheden hoeft te ondervinden, omdat de woord-onderscheiding een moment dier ervaring is. Wij beweren niet dat er nooit moeilikheden zijn; we beweren zelfs dat er moeilikheden moeten zijn, doch deze moeilikheden laten én de woord-ervaring én het woord-begrip volkomen intact: al moeten we noodzakelik nu en dan twijfelen of we met 'n woord te maken hebben of met iets anders, en ook of we met één of meer woorden te maken hebben, het blijft ‘overwhelmingly’ duidelik, dat de woord-onderscheiding 'n ervarings-feit is, dat aan geen twijfel onderhevig kan zijn. We moeten twijfelen in bepaalde gevallen, omdat de taal verandert, omdat het mogelik is nieuwe ervarings-eenheden te stichten en oude opzettelik of onopzettelik te vernietigen: onnadenkend werden wel is waar gebruikt en geassocieerd, en bij een volgend gebruik kon uit de associatief gereproduceerde drie woorden er één gemaakt worden, ondanks 't feit dat de leden van het nieuwe woord weliswaar nog volop als onderscheiden woorden voorkwamen ook. Dit bewijst alleen dat het woord-gebruik ook onderworpen is aan een zekere ‘mechanisering’, dat we onze aandacht kunnen richten volgens 'n bepaald moment uit 'n groep van ervarings-momenten, dat het woord als syntagma12) moment
is van een groter ervaringsgeheel; het bewijst allerminst dat het woord als syntagma zich niet als ervarings-moment zou openbaren, dat het woord slechts 'n afspraak tussen schrijvers en sprekers, 'n grammatiese abstractie zou zijn.13) Deze meningen zijn de ontkenning van feiten wier klaarblijkelikheid niet onderdoet voor 't feit, dat het bij bewolkte lucht nog al eens regent, ook al zou 't kunnen zijn dat in een bepaald geval de wind de druppels uit de sproeier in onze buurmans tuin, juist op ons boek waait.
De moeilikheden die worden ingebracht tegen het woord als feitelik onderscheiden in het taalgebruik, stammen uit de taal-kunde, niet uit de ervaring van de taalgebruikende mens. Hoe is 't mogelik, vraagt zich de taal-kundige af, dat we menen 'n woord bank te gebruiken, terwijl 't bij 'n isolerende wetenschappelike beschouwing kan schijnen, dat we 'n reeks ‘woorden’ bank gebruiken, een reeks waarvan elke term iets ‘Einmaliges’ zou kunnen blijken bovendien! Laten we die ‘Einmaligkeit’ voorlopig rusten. Wie geen philosophie of semantiek heeft bestudeerd, leeft dan toch in de gelukkige ‘waan’, als men wil, dat de term koe die hij vandaag gebruikt dezelfde is als de term koe die hij gisteren gebruikte en morgen gebruiken zal; hij meent met 'n constant gegeven te opereren. En, als de bedoelde philosophen en semantici een brief moeten schrijven in 'n vreemde taal, doen ze net als de gebruikers van de meer huiselike term koe. Dat is het tenslotte wat Pos,14) en aansluitend bij Pos' beschouwingen, Langeveld (blz. 41-50) constateerden en verklaarden.
We staan dus voor 't feit b.v. dat we, als gewoon mens, geen ogenblik twijfelen dat er 'n woord bank bestaat. Maar is banka (= zitmeubel) nu ook bankb1 (= crediet-instelling)? Of erger: is bankb2 (= bankgebouw: De Twentsche Bank is afgebrand) nu ook bankb3 (= employé's van bankb1: De bank heeft vandaag vrij)? Deze ‘moeilik-
heid’ doet én prakties én theoreties aan het woord-begrip niet af. Prakties zonder aarzeling kiezen wij die woorden om ons te uiten, zonder aarzeling begrijpen we de woorden als woorden; theoreties: alle begrijpen veronderstelt vaste punten in het grotere geheel van taal-gebruik, dat we ‘zin’ noemen of hoe dan ook. Uitgaande van een te interpreteren geheel van taal-gebruik, bewijst Pos, dat het ‘begrijpen’ noodzakelik ‘elementen’ veronderstelt die als ‘identiek’ ‘gebruikt’ worden. Niet deze ‘identiteit’ zelf wordt in het taal-gebruik begrepen, doch het taal-gebruik veronderstelt de identiteit van het te begrijpen ‘element’. Wij ‘kennen’ in het taal-gebruik de ‘zaak’, omdat die elementen identiek zijn. Zonder deze ‘identiteit’ was er geen taal-gebruik mogelik, want: ‘Wenn im strengen Sinne jeder Zusammenhang die Elemente ändert, so lässt sich kein Element mehr von einem anderen unterscheiden, da jedem jedes passieren kann.’ (blz. 309) Taal-gebruik berust op de constantheid van de in het woord vastgelegde onaanschouwelikheid. Vertoonde het woord geen constantheid in verschillend gebruik, dan zou het slechts ‘bruikbaar’ zijn voor één zaak in één situatie, dan was het m.a.w. geen ‘taal’; want het taal-teken, dat leert de ervaring, ook afgezien van elke reflexie over de aard der onaanschouwelikheid, der betekenis, en der aanschouwelikheid, de Gestalt, - het taal-teken, het woord, heeft als onloochenbare karakteristiek: de bruikbaarheid voor verschillende zaken in verschillende situaties. ‘Das Wörterbuch wäre unmöglich, wenn es unbedingt richtig wäre, dass ein Wort in jedem Zusammenhang etwas anderes bedeutet oder, wie wir lieber sagen, ist.’ (blz. 308)
Langeveld15) werkt op deze, door Pos zeer summier gegeven, princiepen voortreffelik door (vgl. biezonder blz. 45). Hij legt het begrip ‘element’ naast ‘de kleinste foneties-semantiese eenheid genaamd ‘woord’ (blz. 44) ten grondslag aan zijn tweede hoofdstuk: ‘Schets ener grammatiese theorie’. Op deze wijze schept hij zich de mogelikheid de integratie van het woord als eenheid in de tekst, als eenheid ener
andere orde: de orde der ‘zins-delen’, wetenschappelik te verantwoorden en hun wederzijds verband als denk-vormen te verduideliken. En, de voor ons uitermate belangrijke conclusie blijkt dan opnieuw te zijn, dat het woord: ‘als element zijn identiteit met andere gevallen, waarin het voorkomt, handhaaft; a.h.w. zijn identiteit door zijn toepassing in alle mogelike gevallen heen redt.’ (blz. 48)
Dit betekent niet - Pos wijst daarop - dat wij die ‘constantheid’ in het taal-gebruik ‘begrijpen’, dat wij er ons al sprekend, immer van bewust zouden zijn, een woord als identiek met 'n woord in ander gebruik uit te spreken, doch wél: dat zich dat woord, dat het momentele taalgebruik mogelik maakt, in het gebruik onderscheidt, zó dat wij het bij 'n daarop volgende voor-wetenschappelike, niet analyserende, taal-beschouwing, bij een eenvoudige vergelijking met 'n ander gebruiksgeval, als identiek of niet-identiek kunnen herkennen. De beschouwing moet niet ‘analyserend’ zijn, d.w.z. wij moeten niet abstraheren van het ervarings-gegeven van het zich-onderscheiden, waarmee de taal-ervaring ons het woord levert, doch wij moeten de eenheid bank, of wat dan ook, met de eenheid bank in een ander gebruik vergelijken. Veranderen we de ervarings-gegevens door de woorden alleen ten opzichte van hun betekenis-schakeringen te gaan vergelijken, dan abstraheren we natuurlik eo ipso van de identiteit, en lopen we gevaar deze abstractie, bij een eventuele wetenschappelike synthese, niet te herstellen. De constantheid van het betekenis-moment als ervarings-gegeven betekent dit, en niets anders: op grond van het zich in het taal-gebruik onderscheidende woord, kan, zonder redenering, de taal-beschouwer bij een eenvoudige vergelijking twee naar ‘Gestalt’ overeenstemmende woorden als identiek of niet-identiek herkennen. Het resultaat dezer reflectie is geen wetenschappelik ‘bewijs’ voor de identiteit; het zo gevormde oordeel is een gegeven waaruit de taal-wetenschap ‘bewijzen’ moet, dat het alleen op de identiteit of niet-identiteit van de gebruikte woorden kan worden terug-gevoerd, en hoe dan vervolgens die identiteit of niet-identiteit te verstaan is. Waren er geen constante elementen dan was er ook geen interpretatie mogelik van een nog totaal of ten dele onbekend geheel: het woord moet een constant ervarings-gegeven zijn, omdat we het als zodanig blijken te kunnen gebruiken.16) Dit is theorie. Ze is juist. We deden haar hier zeer beknopt voorafgaan
terwijl, even beknopt, een andere beschouwing over theorie volgt die juist het omgekeerde beweert, en die o.i. onjuist is.
Elk wetenschappelik onderzoek gaat noodzakelik van 'n ‘theorie’ uit. Dat feit heeft soms minder wenselike gevolgen. Wie de onderzoekingen omtrent de aard der taal-tekens volgt, zal constateren, dat zeer vaak de uitgangsnotie al met 'n bepaald theoreties merkteken wordt voorzien, dat niet aan de observatie van het onderhavige verschijnsel zelf ontleend is. Al is het waar, dat de laatste jaren het ‘woord’ meer in ere komt, de leer van het ‘zins-primaat’, d.w.z. de leer dat de ‘zin’ én natura én tempore vóór het woord is, beheerst nog het merendeel der woord-beschouwingen. Het woord wordt onmiddellik beschouwd als syntagma, als moment van het grotere geheel ‘zin’, zonder dat eerst de vraag naar de eigen aard van dat grotere ervaringsgeheel gesteld is, of altans is opgelost. Nu gaan we volkomen accoord met de constatering, dat in onze talen het woord in het grote merendeel der gevallen als syntagma gebruikt wordt, maar 'n feit is, dat het ook geïsoleerd als ‘zin’ kan optreden, dat zelfs in de eerste periode van kinderlik taal-gebruik altijd eenheden optreden die niet syntagmaties verbonden zijn. Albert Sechehaye noemt deze eenheden monorèmes;17) iedereen kent de duitse term ‘Einwortsatz’. Het is derhalve feitelik onjuist het woord onmiddellik en zonder meer, op grond van welk zin- of syntagma-begrip ook, als moment van een, uit gelijksoortige leden bestaand, geheel op te vatten. Deze onjuistheid wordt niet gecorrigeerd door het feit, dat er geen talen bekend zijn, die niet - hoezeer ook hún ‘woord’ complex moge zijn - kleinere eenheden kennen die in grotere gebruikseenheden kunnen worden samengevat, door het feit dus dat elk ‘woord’ blijkbaar als syntagma kan gebruikt worden, en dat het woord derhalve op syntagmaties gebruik moet zijn ‘aangelegd’.17*) Het is zelfs een taal-philosophies postulaat, dat er geen
taal kan bestaan die dit verschijnsel niet vertoont. Maar noch deze, ongetwijfeld juiste, taal-philosophiese opvatting, noch het feit der mogelikheid van syntagmaties gebruik, doen iets af aan 't feit der gebruiks-mogelikheid der woorden als eenledige uiting. Wie het ‘woord’ zonder meer uit de ‘zin’ verklaart, onverschillig of hij die zin als een méér-woorden-geheel of enkel als 'n gebruiks-eenheid opvat, maakt zich telkens schuldig aan het interpreteren van verschijnselen uit het ene stadium van taal-gebeuren in het andere. Wie, zij het ook zonder erg, met de feiten marchandeert, kan ook de theoretiese eindjes niet meer aan elkaar knopen. Leerzaam zijn onder dit opzicht de overigens zo voortreffelike uiteenzettingen van Delacroix in zijn hoofdstuk: Le système formel du langage (blz. 211 vlg.). We lezen daar op de ene bladzijde: ‘Le mot forme un tout autonome et complet où le rôle morphologique, marqué par des affixes ou par l'alternance vocalique, est étroitement lié à la signification, marquée par la racine,’ om op de volgende te vinden: ‘Les mots n'ont point d'autonomie; ils ne sont qu'un élément de combinaisons plus ou moins fréquentes. Le mot ne nous apparaît que dans des ensembles où sa valeur vient précisément du caractère habituel de la combinaison.’ (blz. 213) De eigen onderzoekingen van Delacroix bewijzen, dat het grotere geheel ‘zin’ alleen zijn verklaring vindt in de veronderstelling van het voor-bestaan van kleinere momenten, van woorden.18) Deze theorie is bij vele taalkundigen nog altijd een steen des aanstoots. De laatste uiting hieromtrent die mij onder ogen kwam, is van J. Vogel, die schrijft: ‘Mögen neuerdings Versuche mit einem anderen Aufbau der Grammatik gemacht werden, keiner kann an der Notwendigkeit vorübergehen, den Satz als Ausgangspunkt für seine sprachliche Betrachtung zu nehmen, wenn er vor dem Forum der wissenschaftlichen Kritik bestehen will. “Im Anfang war eben der Satz”, man verzeihe diese Variierung des Faustwortes. Erst das Ausgehen vom Satz ermöglicht es, zum Sinn der Sprache als dem Ausdruck wahren Lebens in seiner bunten Mannigfaltigkeit vorzudringen.’19)
Er worden over en weer minder vriendelike woorden gezegd als dit onderwerp ter sprake komt, en het is niet nodig ze hier te herhalen. Wel is 't nodig, vast te stellen dat het vraagstuk voor de linguistiek, en
consequenter voor de grammatica, van fundamenteel belang is. Weisgerber (blz. 12) wijst daar niet ten onrechte op. Al kan het ons, zoals zo aanstonds zal blijken, in deze studie volkomen onverschillig laten, van welke aard men het uitgangspunt van alle taal-onderzoek meent te wezen, we zullen toch kort verduideliken welke positie wij hieromtrent innemen.
Het is een feit dat alle taal-onderzoek moet uitgaan van taal-gebruik en we zijn het met allen eens die de eenheid van taal-gebruik zin noemen. Wanneer J. Vendryes schrijft: ‘C'est donc par l'analyse de la phrase qu'il faut commencer toute étude statique,’20) dan is hieraan onjuist, dat de term phrase niet alleen als gebruik, doch als ons grammatiese begrip zin = meerledig geheel, genomen wordt. Als 'n kwade genius zweeft boven de linguistiek de engel der vergeetachtigheid: het woord wordt niet alleen syntagmaties gebruikt. Zeker: ‘Aussi doit-elle aborder le fait linguistique dans son ensemble et en bloc, tel qu'il est réalisé dans l'usage’ (blz. 176), maar het woord wordt niet noodzakelik in 'n meerledig geheel gerealiseerd. Ook Jespersen (Language blz. 134) maakt zich wel wat gemakkelik van de zaak af, als hij zegt dat men even goed handen-klappen zin kan noemen als 'n eenledige uiting van 't kind. De notie gebruiks-eenheid, die zowel de meerledige, grammaticaal gestructureerde, uiting omvatten kan als de eenledige, ontging hier ook hem.20*) Deze eenheid openbaart zich op geheel verschillende wijze, haar momenten kunnen één of meer ‘woorden’ zijn, doch haar karakter als afgesloten uiting blijft in haar melodie bewaard.21) Nederlandse termen voor de onderscheidingen tussen de eenheid van taalgebruik in het algemeen (één-woord- of meerwoorden-geheel) enerzijds, het meerwoorden-geheel als eenheid van taalgebruik anderzijds, en het meerwoorden-geheel met uitgesproken verbale praedicering daarnaast, bestaan niet. Het is elders, al bestaan er meer bruikbare termen, met die onderscheidingen al weinig beter gesteld: ‘Il est plutôt rare qu'on fasse une distinction rigoureuse entre
la phrase et la proposition. Le plus souvent on les confond pour dire “phrase” ou “proposition”, indifféremment. Pourtant, la proposition est une unité grammaticale (syntaxique) bien déterminée qu'il est impossible de confondre avec la phrase.’22) Vervangen we, ter vermijding van misverstand, de termen communication actualisée door valeurs sémiologiques actualisées en faire door distinguer, dan vinden we onze opvattingen duidelik geformuleerd door Serge Karcevskij met de woorden: ‘La phrase est une unité de communication actualisée. Elle n'a pas de structure grammaticale propre. Mais elle possède une structure phonique particulière qui est son intonation. C'est précisément l'intonation qui fait la phrase. N'importe quel mot ou assemblage de mots, n'importe quelle forme grammaticale, n'importe quelle interjection peuvent, si la situation l'exige, servir d'unité de communication. L'intonation vient procéder à l'actualisation de ces valeurs sémiologiques virtuelles, et depuis ce moment, nous nous trouvons en présence d'une phrase.’ (blz. 190)
Zelfs Antoine Meillet schiep zich omtrent dit feit geen klaarheid. Met zijn bekende uitspraak: ‘Il ne faut pas envisager le mot isolé: ce n'est qu'une abstraction vaine; le mot ne se manifeste que dans la phrase.’22*) heeft hij school gemaakt. Telkens ontmoeten we haar opnieuw. Zelf heeft hij zijn opvatting, twee jaar later, nog eens in andere vorm verduidelikt: ‘En réalité, séparés ou non les uns des autres, les mots ne sont autonomes ni phonétiquement ni au point de vue sémantique.’ ... ‘Le mot n'est qu'une partie de combinaisons pratiquement constantes;’22**) Niet een volkomen aansluiten bij de feiten, maar het toepassen van een bepaalde theorie, ligt aan deze en andere soortgelijke meningen ten grondslag.
Even onmiskenbaar als de noodzakelikheid is, uit te gaan van taal-gebruik, even onmiskenbaar is het, dat het optreden van het meerwoorden-geheel, de ‘Mehrwort-satz’, wijst op diep-gaande veranderingen die zich voltrekken, niet alleen in dat taal-gebruik, doch ook in de acten die deze ervarings-soort mogelik maken: het feit dat 'n woord in een meerwoorden-geheel optreedt, wijst op een voortschrijden der denk-handelingen, op een reflex begrijpen der werkelikheid, op een wijze van woordmaking die de ‘Einwortsatz’ nog niet noodzakelik veronderstelt.23) Het wijst verder op de voltrokken ontwikkeling van het
gebruikte taal-tekensysteem van 'n ‘een-klasse-systeem’ naar 'n ‘twee-klassen-systeem’, de vorm waarin wij de ‘taal’ gebruiken. Deze gedachte van Bühler (Axiomatik) betekent voor de linguistiek een nieuw en vruchtbaar princiep van onderzoek. ‘Woord’ en ‘zin’ zijn inderdaad ‘korrelative Momente’24) van taal-gebruik en wanneer Stenzel schrijft: ‘Wir konnten weder dem Satz vor dem Wort noch dem Wort als dem “Elemente” des Satzes den grundsätzlichen Vorrang, das πρότερον τῃ φύσει einräumen. Wir haben schliesslich diese Frage als falsch gestellt eingesehen und einer “präsentiellen” Gleichwertigkeit in jedem Sinne das Wort geredet. Das “Wort” als bereits durch einen kategorialen Akt geformter materialer Bedeutungsgehalt ist der Möglichkeit nach, wie es die Einwortsätze zeigten (s.o.S. 60), allemal Satz, (curs. v.d. schrijver) der Satz verwirklichter entfalteter Gehalt eines einheitlichen Sinnmeinens,’ (blz. 73, 74) dan heeft hij alle elementen voor het begrip van de verhouding ‘woord’ en ‘zin’ gegeven, zonder nochtans die verhouding geheel te hebben verduidelikt. De uitspraak: ‘het woord kan evenmin vóór de zin zijn als de zin vóór het woord’ is misschien waar voor taal-gebruik, voor ‘spraak’, voor ‘speech’, voor ‘la parole’; zij is niet waar, wanneer wij vragen naar de mogelikheid van het gebruik, wanneer wij vragen naar ‘taal’. Ries heeft in ander verband de gedachte geformuleerd, die ook aan deze studie ten grondslag ligt: ‘Soweit jene Frage (naar woord- of zins-primaat) bei der Indifferenziertheit der ursprachlichen Gebilde überhaupt einen Sinn hat, kann man nur sagen: die ältesten Sprachgebilde, die Wort- und Satznatur in sich vereinten, dienten als Sätze; das konnten sie aber nur auf Grund ihrer Wortnatur; auf ihr beruht notwendig, aus ihr allein fliesst ihre Satzfunktion: ohne jene ist diese überhaupt nicht denkbar.’ (III blz. 42)
De mens kan alleen taal gebruiken, omdat hij zich daartoe te voren mogelikheden heeft geschapen, omdat hij ervarings-eenheden stichtte
die hij als zin en in de zin kan gebruiken, en: deze eenheden zijn ‘woord’. De ‘zin’ is de telkens hernieuwde synthese dier ondergeschikte momenten. De zin is de structurerende taalgebruiks-eenheid van de ervaring waarin wij communiceren, doch die zin bestaat bij de gratie van het ‘bereits durch einen kategorialen Akt geformte’ woord.25)
Natuurlik de term woord, zoals wij die in de taalkunde gebruiken, heeft alleen betekenis in oppositie tot de term zin; bestond er geen meer-woorden-geheel, dan zouden we kunnen spreken van ‘gebruiks-eenheid’ b.v. en ‘gebruikte (gebruiks-)eenheid’. Doch wij hebben nu eenmaal te maken met hetgeen Pick reeds noemde de ‘nicht wegzuleugnende Tatsache...., dass die Worte aneinander gefügt werden, um den Satz zu bilden.’26) Wij spreken bijna steeds in zinnen die uit meerdere woorden bestaan, en elk woord kan, op een of andere manier, als syntagma gebruikt worden; dat is 'n feit. Maar in die gehelen onderscheiden we woorden; dat is ook 'n feit, zelfs voor degenen die weinig vrede hebben met de manier waarop wij gezegd worden aan die ‘woorden’ te komen. En bovendien: wij brengen eenledige uitingen voort, die bestaan uit ‘Gebilde’ die we in meerledige gehelen als moment onderscheiden; zo gebruikt Hilde Stern ‘puppe’. Dat is 'n derde feit. En, het zijn deze feiten waaraan wij ons graag zouden willen houden.
De theorie van het zinsprimaat, begrepen als de theorie van het prae van taal-gebruik vóór woord-making bij eenzelfde individu, is 'n onhoudbaar postulaat: doch deze theorie schijnt met een zuiver aprioristies beginsel te kunnen worden geschraagd. Dit beginsel staat geformuleerd in het, in de nieuwere psychologie herleefde, adagium: Totum est prius partibus. Die psychologie poneert dit beginsel als 'n feilloos uitgangspunt, wat het ongetwijfeld is. Alleen, we herhalen: princiepen eisen, om juist te kunnen worden toegepast op feiten, in de redenering een reeks minores, die aan die feiten dienen te worden ontleend. Wij zullen dus de feiten trachten te analyseren en trachten te ontdekken welke zin het adagium: het geheel is voor de delen, in de taal-kunde en daar speciaal voor het ‘woord’ heeft. Zoals het tot nu toe op de taal-eenheden werd toegepast, voerde het tot een onjuiste interpretatie van een juist princiep.
Er is slechts één betekenis waarin het princiep: de zin is vóór het
woord, onmiddellik duidelik is, en dat is als constatering van het feit, dat elk taal-gebruikend individu als wezensgebonden aan de gemeenschap die dit individu voortbracht, én bij zijn woord-making én bij zijn gebruik, afhankelik is van het gangbare taal-gebruik dier gemeenschap: het gebruik der gemeenschap is vóór making en gebruik door het individu. Het zou een funeste abstractie zijn, te menen dat een mens volkomen autonoom zijn communicatie-middel zou kunnen scheppen. Hij ageert natuurnoodzakelik in en op de sprekende gemeenschap die hem voortbrengt. Rousseau's onbedorven natuurwezen is een uit de werkelikheid geabstraheerd monstrum. Dit inzicht is de grote ‘Errungenschaft’ voor alle wetenschap uit het eerste kwart der twintigste eeuw. Wat dit voor de taal-wetenschap betekent hopen wij in de volgende paragrafen en hoofdstukken prakties, niet theoreties, verder te verduideliken.
We geven volmondig toe dat het ‘woord’, dat in de eerste kinderlike taal-uiting gebruikt wordt, in de kinderlike ervaring een functie moet vervullen die sterk afwijkt van de functies die het later zal vertonen, doch is het ook wat anders? Betekent Bühlers twee-dimensionaliteit van het taal-gebruik een wezenlike verandering in het gemaakte woord, of is dit een gebruiks-verschijnsel? Wij zijn zo vrij dit in het midden te laten, omdat het voor ons hier van geen belang is. We houden ons aan het onmiskenbare waarnemings-gegeven, dat 'n oorspronkelik gebruikte eenledige taal-vorm, 'n ‘monorème’, ook in het meer-woorden-geheel optreedt. En, om volgens de prijzenswaardige linguistiese en grammatiese methode het vormelik criterium boven de betekeniskenmerken te stellen, noemen we nu dit ervarings-moment woord. We constateren verder, dat het taalgebruik zich uitbreidt op de wijze van een ‘bouwen’:27) de grotere gehelen bestaan uit delen die te voren reeds bestonden. Dit is niet zó te begrijpen dat elk deel eerst geïsoleerd zou worden gebruikt en dan in een groter geheel, doch wel zo, dat ook die delen die, zonder eerst geïsoleerd te zijn gebruikt, later in gehelen
verschijnen, de vormelike eigenschappen vertonen van de delen die wel van den aanvang af geïsoleerd werden gebruikt.
Om huis-, tuin- of keuken-termen te gebruiken: het kind begint bepaalde vormen te gebruiken en gebruikt diezelfde vormen in meerledige zinnen. Bovendien verschijnen er in meerledige zinnen vormen die nooit te voren geïsoleerd werden gebruikt, doch die wel ook in andere meerledige zinnen voorkomen, en die wel, altans door volwassenen, geïsoleerd gebruikt kunnen worden. Het ervarings-moment dat in die vormen waarneembaar wordt, noemen we woord. Welke theoretiese interpretatie men nu verder aan dit verschijnsel geeft, interesseert ons hier niet; voor ons zijn deze feiten uitgangspunt. Wanneer wij spraken van een ‘bouwen’, waarvan zich het begrip aan de waarneming laat ontlenen, dan bedoelen we daarmee allerminst, dat de zin zou kunnen ontstaan uit een samenvoegen van woorden zonder meer, dat een som van ‘woorden’, op 'n bepaalde manier ‘opgeteld’, ooit tot een ‘zin’ zou kunnen voeren. Dat is inderdaad niet enkel theoreties gladweg onbegrijpelik, maar het is ook in strijd met systematiese observatie der ervaring, die ons leert dat de zins-vorming een geheel andersoortige synthese is dan de woord-making. Wat we constateren is dit: in de zin als meerledig geheel worden als moment ‘woorden’ gebruikt, die te voren geïsoleerd optraden, en, in verschillende meerledige gehelen treden dezelfde ‘woorden’ op.28) Dat zijn de enige voor-onderstellingen waarvan dit hoofdstuk uitgaat. De aard van het als woord benoemde verschijnsel moeten de volgende bladzijden verklaren.
Elk mens ervaart de taal als een biezonder middel om met zijn medemensen in verbinding te treden, en het is in die verbinding, in dát contact, dat wij meer nog dan elders het kinderlik gedrag zich zien differentiëren zó, dat hieruit conclusies omtrent de aard van het taal-gebeuren zijn te trekken. Het is als gemeenschapswezen, dat de mens zijn taal maakt. Van dit feit hebben wij uit te gaan. Contact, verbinding met andere mensen, heeft het kind van het eerste ogenblik af. De mensen zijn de grote bron van kinderlike ervaring, de bewegende, meest wisselende vorm der werkelikheid die zich aan hem vertoont.29) Moeder vertoont zich aan hem lachend, ernstig, bedrijvig, rustig; zij is met hem doende; zij hanteert de dingen die voor hem van belang zijn; zij toont de dingen die zij hem wil leren kennen; zij liefkoost, neuriet, vleit,
zingt en spreekt. En meer dan iets zijn het de taalklanken en hun melodie,30) die zij inbouwt in het voortdurend innige contact dat tussen haar en het kind bestaat. Reeds van de eerste weken af bestaat er 'n ‘seelische(r) Kontakt zwischen dem Kinde und anderen Menschen; und das Hin und Her von lautlichen Äusserungen dient zur Herstellung und Vertiefung dieses Zusammenhanges.’31)
Hoe eenvoudig het waarnemingsgeheel van het kind moge zijn, in alle richtingen worden de taalklanken gevoegd in die eenvoudige structuren, en voortdurend vormen zij een moment der ervaring die het kind maakt. En de klanken zelf die het kind voortbrengt, zij zijn allereerst en noodzakelik een spontaan moment zijner uitingen32), en even noodzakelik worden zij door de banden die in de waarneming ontstaan communicatiemiddel, ‘die Bekundung von Neigung und Abneigung, Wunsch und Abwehrstellung, Bitten und Befehlen, das Hineingezogenwerden in gleichartige Lautäusserungen der Gemeinschaft (Schreien, Johlen, Singen.’33) De klanken worden verzadigd met een rijkdom van associaties, die een voortdurende herhaling immer hechter maakt.
Ook het gedrag van het kind is de veruiterliking van één geheel van ervaring, dat zich tenslotte ook aan het kind zelf openbaart, niet enkel in de verlangens en gevoelens die het kind beheersen, doch ook in de verworven kennis: het kind stelt zich iets voor en ervaart dat het zich iets voorstelt.34)
Steeds verder differentiëert zich het kinderlike gedrag, voortdurend wint het aan aspecten, en in de wisselende aspecten van dit gedrag begint zich één vormelike constante van zeer bepaalde aard te vertonen, één index die onmiddellik opvalt: de taalklank. In verschillende situaties handhaaft zich dezelfde klank-constante als een kristallisatie-kern in de vervloeiende omgeving. We bedoelen dit: ongetwijfeld ontwikkelt geheel het kinderlik handelen zich in de richting van ‘Steuerung’, van doel-stelling en
praestatie, en de taalmomenten ontwikkelen daarin mee. Doch steeds meer vertonen zij 'n eigenaardige vorm van kinderlike re-actie: constante gelijkvormige beantwoording in de handelingen van het kind: eenzelfde gehoorde klank wekt bij het kind eenzelfde handeling, eenzelfde handeling gaat vergezeld van eenzelfde klank, eenzelfde klank wordt met de blijkbare bedoeling een, door de situatie bepaalde, handeling te wekken, uitgestoten. Steeds meer differentiëren zich in de handelingsgehelen de klank-uitingen: het kind verwerkelikt daarin de streving naar 'n bepaald doel. Met evenveel nadruk als in de nieuwere psychologie van de ene zijde terecht de eigen-wettelikheid van het taal-gebeuren wordt vastgesteld, wordt van de andere kant met reden de ongedifferentiëerdheid van de vroege stadiën tegenover de andere kinderlike handelingen volgehouden: een taalklank-reactie is aanvankelik niet anders dan de re-acties op het zien van 'n pop b.v.35) Toen Hilde Stern haar eerste woord didda sprak,36) bleek dit bij vergelijking in wezen geen andere re-actie dan die van een kind dat grijpt naar iets dat het wil hebben, en toen Bühlers dochtertje, tien maanden oud, regelmatig een stukje beschuit aan een lint naar zich toehaalde, zonder dat haar dit was geleerd,37) of Hilde ‘puppe’ zei, voor het eerst en spontaan en met een klaarblijkelike bedoeling,38) hoefden ook deze beide handelingen in wezen niet te verschillen; zij vinden een gelijkluidende verklaring.39) Met recht schreven Clara en William Stern: zelfs dit spreken ‘ist keine für sich bestehende Aktivitätsphäre, sondern ein unselbständiger Bestandteil persönlichen Lebens überhaupt.’ (blz. 122) Dit spreken is opgenomen in de contact-ervaringen, evengoed als het voorbereid wordt in de enkel inwendige processen, en het deelt in alle eigenschappen van beide.
Voor ons is in dezen het belangrijkst: de zekerheid dat de taalklank met nagenoeg alle ervaringen van de mens is verbonden. In de menselike ervaringswereld is alles met alles verbonden: de eigen menselike bewegingen zijn geassociëerd met gehoorde geluiden, de waargenomen vormen zijn verenigd met verschillende gevoelens, waargenomen kleuren werden verenigd met smaak- en reuk-ervaringen, bevredigde strevingen
zijn verbonden met enkel waargenomen en zelf voortgebrachte geluiden, en dit alles, en veel meer, is verenigd in onderling weer verbonden gehelen. Doch, door dit alles heen en in elke structuur telkens weer opnieuw, wordt nu juist de taalklank ingebouwd als een soort index voor het handelingsdoel, dat de volwassen mens op deze wijze het kind aankondigt, een index ook van het handelingsdoel, door het kind tegenover zijn medemens gebruikt. Het verschijnsel der taalklank is een constante die in talloze verbanden optreedt, de constante die dan ook de eigenschappen deelt van al de situaties die als geheel werden ervaren; de taalklank is belast met alle ervaringen die de mens maakt. Het contact dat zich in de klanken constitueert, vertoont al van den aanvang af evenveel aspecten als er kenmerkende ervaringsverschillen zijn in het leven van het individu. Hoe men deze ook noemen wil, ‘Entladung, Ausdruck, Kundgabe, Selbstdarstellung’, verder differentiërend: verlangen, afkeer en al de verschillende vormen van streving, affect, gevoelen en primitief kinderlik ‘begrijpen’ meer, zij zijn aan te wijzen in het klank-gedrag van het kind, zij staan te lezen in de taal-tabellen der kinderlike ‘Sprachgeschichten’, waarvan wij in van Ginnekens nederlandse Keesje een oorspronkelik voorbeeld bezitten. De studie der taal als communicatiemiddel voert op al deze wegen, en, de linguistiek heeft ze betreden. En het resultaat? ‘A definition of language that is so extended as to cover every type of inference becomes utterly meaningless’, zegt Sapir. (blz. 3-4.)
Het taalklank-gebruik vertoont stilaan aspecten die steeds meer gelijken op het gebruik der volwassenen. En, de volwassene gebruikt zijn taal, wetend daarmee een bepaalde bedoeling te kunnen realiseren. Dit weten noemen de Sterns ‘Symbolbewusstsein’. Is het, op welke wijze dan ook, in het kind ontstaan, dan verandert heel het kinderlik gedrag, en het feit dier verandering is zo opvallend, dat ook Markey b.v. er geen ogenblik aan twijfelt. De Sterns zien dat ‘weten’ als de specifieke taal-karakteristiek. Het ligt geen ogenblik in onze bedoeling het ‘Symbolbewusstsein’ te ontkennen, doch wel vragen we ons af: wat is het specifiek nieuwe verschijnsel dat ons het bestaan van een Symbolbewusstsein garandeert? En we antwoorden: het naam-vragen.
Of het nu Hilde Stern is of Günter of Eva, Inge Bühler, of van Ginnekens Keesje en al de vele andere kleinen meer, wier taalgedrag werd bestudeerd, altijd is er in die levens een moment aan te wijzen waarop het wezentje in zijn handelingen toont dat het innig contact, dat hem met allen die tot hem spraken, lachten en zongen verbond, is ver-
anderd, een ogenblik waarop geheel zijn gedrag en zijn voorlopige ‘spreken’ een verandering ondergaat die wezenlik is: ‘Dieser Augenblick ist als der entscheidende in der Menschwerdung öfters bezeichnet worden’.40) Men zegt helaas: ‘het kind ontdekt dat een ding een naam heeft.’
Clara en William Stern onderscheiden aan de spreekontwikkeling drie tendensen. De eerste is de zuiver ‘expressieve’, die zich uit in allerlei ‘Triebhandlungen’, bewegingen en klank-uitingen: ‘Ihrem Begriffe nach ist eine solche Triebhandlung... nicht bestimmt durch, und nicht gerichtet auf Personen oder Gegenständen ausserhalb des sich Äussernden, sondern sie besteht im blossen Hinausprojizieren des Dranges in den körperlichen Akt.’ (blz. 125)41) De tweede tendens noemen zij de ‘sociale’. De ‘Kontaktdrang’ richt zich op ‘mensen’ in het zo straks genoemde ‘Hin und her von lautlichen Äusserungen’. (zie boven blz. 28)
De twee zo juist genoemde tendensen zijn niet specifiek menselik. Bij hoger georganiseerde dieren veroorzaken zij niet alleen ‘rudimentäre Lautsprachleistungen,’ doch zelfs zijn zij hier in veel zuiverder vorm te observeren dan bij het kind meest het geval is. De derde tendens is de ‘intentionale’: ‘Diese fehlt den untermenschlichen Lautäusserungen völlig.’42) Door deze tendens begrijpt het kind dat met taalklanken iets bedoeld wordt, dat dingen namen hebben. ‘Nun erfährt aber das kindliche Sprechen noch innerhalb der Zeit, in welcher der Einwortsatz alléin herrscht, eine eingreifende Umgestaltung, durch welche der Sprechling aus der unbewussten Gelegenheitssprache zu eigentlich menschlichen, systematischen und bewussten Sprachleistungen übergeht.’43)
Een oncritiese beschouwing is geneigd deze verandering al bij het begin van alle spreken aan te nemen. Dat hoeft zo niet te zijn. Het ontstaan ‘des Symbolbewusstseins und des Symbolverlangens’ valt niet noodzakelik samen met het eerste waarneembare doelmatige gebruik van taal-klanken. ‘Das Kind braucht nicht nur die Worte als Symbole, sondern merkt, dass die Worte Symbole sind, und ist unausgesetzt auf der Suche nach ihnen.’ In de keuze der uitdrukking ‘als Symbole’ is de formulering niet erg gelukkig, doch de bedoeling der Sterns is duidelik: het frappante is niet, dat het kind woorden ‘als Symbole’ d.w.z. als op een of andere wijze met de dingen verbonden, gebruikt, doch dat het merkt, dat de woorden met de dingen verbonden zijn. Het eerste kan een papegaai ook leren, en tot voor kort achtte men het zelfs uitgesloten, uit een studie der kinderwoorden van de eerste spreek-maanden, onder het opzicht van gebruik essentiële verschillen in het totaal-gedrag van kind en papegaai aan te wijzen.44) Ook de papegaai kan ‘koekkie’ leren zeggen en in verband met z'n verlangens juist gebruiken, doch het werd nog niet geconstateerd dat Lorre ooit vroeg naar het naam-verschil tussen sprits en krakelingen. En dit vragen is het kenmerkende en irreductibele phenomeen dat het taalgedrag van het kind, lang voor het kan zeggen wat er in hem omgaat, vertoont. Het is de uiting van de eenvoudigste vorm van het verschijnsel dat elk volwassen mens in zichzelf kent: met een klankencomplex wordt vaak ‘iets’ aangeduid.45) Het is de ‘Nenn-
Omtrent het feit dat we in taal met een teken-verschijnsel te doen hebben, bestaat momenteel geen twijfel. Toch wordt het ‘Symbolbewusstsein’ en de betekenis van het naam-vragen als bewijs daarvoor, ontkend. Delacroix b.v. negeert volstrekt niet het wezenlike verschil tussen de eigenlike taal-periode en wat daaraan voorafgaat, en niet minder dan de Bühlers of Sterns is hij er van overtuigd, dat in de taal integendeel een verschijnsel optreedt, dat op geen mechanisme, welk dan ook, is terug te voeren: ‘Il est possible que l'enfant réagisse d'abord mécaniquement, animalement aux signes sonores. Il est impossible de maintenir l'hypothèse, quand on le voit comprendre vraiment le langage;’ (blz. 299) maar, Wallon citerend, weigert hij het verschijnsel dat de Sterns ‘Symbolbewusstsein’ noemen, te aanvaarden (blz. 302).
Voor hem worden het ‘bestaan’ en ‘le caractère propre du langage’ door twee feiten bewezen: ‘l'immense élargissement du symbolisme, capable de figurer tout l'univers mental et non plus seulement quelques objets privilégiés et qui déclenchent des réactions d'intérêt; la structure morphologique des éléments verbaux, l'intervention des morphèmes, capables de figurer les relations logiques qui sont les lois et le plan de cet univers mental, sans qui il est amorphe et inexistant.’ (blz. 299, 300) Is deze totale veralgemening van het teken-gebruik en de morphologiese structurering aan de kindertaal te constateren geweest, dan is de overgang van het ‘signaal-stadium’ naar het taal-stadium voltrokken.48)
De ontkenning van het ‘Symbolbewusstsein’ doet wel een weinig vreemd aan, als we op blz. 301 lezen: ‘Les mots dépassent donc le
stade des signaux sonores et par le concept qu'ils engagent (curs. v.d. schrijver), et par le caractère indéfini du système de signes qu'ils constituent, et par les lois mêmes du système de ces signes.’ De nieuwe, hier terecht op de eerste plaats genoemde, eigenschap, waardoor klanken van ‘signal sonore’ ‘taal’ worden, de intentionaliteit, is niets anders dan wat de Sterns met de term ‘Symbolbewusstsein’ bedoelen. Alleen vatten zij, volkomen aansluitend bij de feiten, in deze benaming ook reeds de aanschouwelikheid, die in de term ‘symbool’ ligt, aanstonds in hun eerste verantwoording van ‘taal’.
Het verschil tussen de duitse en de franse opvatting is terug te voeren op een onderscheid in wetenschappelike methode: waaraan zal men de aanwezigheid van een nieuw ervarings-moment in de psyche van het jonge kind meten: aan een criterium ontleend aan andere ervaringsmomenten waaronder het nieuwe verschijnsel gezegd wordt te ressorteren, of aan de aspecten van dit, al of niet nieuwe, ervaringsmoment zelf? Voor Delacroix staat het, zoals voor de duitse psychologen even goed, van den aanvang vast, dat de taal ook functioneert als denk-middel. Wanneer Delacroix nu verschijnselen constateert die ook het denken der volwassenen karakteriseren, dan is voor hem de taal aanwezig. Wel waarschuwt hij er voor, in de oudere stadia geen jongere functies te interpreteren, en hij doet dit ook niet, doch hij systematiseert en argumenteert prakties vanuit een begrip van ‘notion’, van ‘une forme élémentaire de jugement’, ook al verklaart hij uitdrukkelik dat we deze begrippen voor 't kind wel als zeer vaag hebben te interpreteren. Voor hem is de vraag: ‘où commence l'intelligence?’ (blz. 299). Doch dit is niet de juiste vraag voor een taalkundige. Het is volkomen juist, van de taal te zeggen: ‘Elle n'est rien sans la pensée’ (blz. 301), maar het is methodies minder juist de constatering van het feit of we met ‘taal’ te maken hebben, afhankelik te stellen van de vraag: is hier verstand, want deze laatste ‘est très difficile à trancher chez l'enfant’ (blz. 299). Zij veronderstelt dat we ons eerst een idee over kinderlike intelligentie hebben gevormd. Dit idee moet dan worden toegepast op bepaalde klank-gedragingen van het kind. Maar van deze geldt weer, dat zij in de vroegere stadia van kinderlike ontwikkeling zich niet onderscheiden van andere doelmatige handelingen, en dat zij in de latere stadia een systematiek vertonen, waarvan door het extreem behaviourisme wordt verklaard, dat deze enkel iets eigens lijkt, omdat de structuur er van zo ingewikkeld is. Wanneer wij de factoren dier structurering maar konden vervolgen tot op de factoren die in de aanvangsperiode werkzaam zijn, zou zich hun volkomen soortgelijkheid duidelik genoeg openbaren. Wij zagen dat de behaviouristiese methode
van taal-onderzoek halt hield, wanneer de verschijnselen te ‘ingewikkeld’ werden. Delacroix daarentegen wil bij een zekere graad van ingewikkeldheid het taal-karakter juist aantonen. Dit is methodies een cirkelgang, want het is een feit dat ook Delacroix de intelligentie van de periode waarin het kinderlik ‘spreken’ verstandswerking vertoont, allereerst en voornamelik weer aan de ‘taal’ demonstreert.49)
Het lijkt methodies juister de feiten te nemen zoals ze zijn, en niet de vraag te stellen: is hier verstand, doch wel: is dit feit op dezelfde wijze te verklaren als de voorafgaande feiten. Is dat niet het geval, dan kan daar ongetwijfeld uit volgen dat er ‘verstand’ moet geweest zijn, doch deze conclusie is taalkundig niet primair.50) Bühler en Stern trachten dit te doen en ‘veronderstellen’ hieromtrent niets, Delacroix ‘veronderstelt’ alles. Het is daarom ook dat hij Wallon's kritiek als afdoende beschouwt om Stern te weerleggen (blz. 302). Wallon argumenteert: dat het kind de namen vraagt van alle voorwerpen waarmee het in contact komt, bewijst niet dat het feit der herkenning van ‘namen’ buiten de telkens wisselende situaties al verkregen heeft ‘sa pleine indépendance et son individualité totale’. ‘Lorsque l'enfant d'un an et six mois se fait dire le nom de chaque objet, il met à l'épreuve une connexion nouvellement découverte, mais rien n'indique qu'il ne fasse encore de l'un le simple attribut de l'autre. Seule la généralisation systématique de la question témoigne alors qu'il s'agit non d'une notion accidentelle et passive, mais d'une tendance préludant à la fonction qui assignera à toute réalité un substitut symbolique.’
Door de uitdrukking dat het kind ontdekt ‘dass jedes Ding einen Namen hat’, gaf de duitse psychologie tot deze kritiek aanleiding. Inderdaad, dat volgt uit het namen vragen niet. Van het begrip ‘jedes Ding’ vertoont het kind in die periode nog geen spoor. Het feit laat, zo lang wij de traditionele beschrijving der eerste taal-verschijnselen niet - zoals in de volgende paragrafen zal gebeuren - completeren, de volgende conclusies toe: Het kind heeft de betrekking ontdekt tussen een bepaald ‘klanken’-complex51) en een bepaald ding, en deze ontdekking vastgelegd in een bepaalde eenheid. Deze betrekking was in de ervaring reeds talloze malen gegeven, doch haar bestaan wordt nu ontdekt. De aard van die betrekking kan hem volkomen ontgaan. Het deel ‘Symbol-’ mag in de term ‘Symbolbewusstsein’ dan ook niet reduplicatief worden opgevat. Alles wijst er op, dat het kind de naam als behorend bij het ding, als 'n eigenschap daarvan, beschouwt. Dit feit is zovele malen bij kinderen en primitieven aangewezen, dat het geen nadere bevestiging behoeft. Doch, het feit dat deze betrekking, niet als symbool, doch wel als feit ener betrekking van bepaalde ‘klanken’ tot een bepaald ding moet zijn gesteld, is een noodzakelik postulaat om het vragen te verklaren.
Het kind immers vraagt telkens naar de naam van dezelfde dingen even goed als naar de naam van verschillende dingen.52) Daarvoor is het nodig dat het, op welke simpele wijze dan ook, heeft begrepen dat bepaalde ‘klanken’ bij een bepaald ding horen: ‘Il les comprend en comprenant leur liaison avec un objet ou une situation qui s'insère dans sa vie.’53) Het is mogelik - en de beschikbare gegevens laten dit zelfs vermoeden - dat het kind uiterst verwonderd is dat bij elk ding, waar het mee te maken krijgt, ‘klanken’ horen, maar het moet op een of andere wijze, de eenheid der betrekking tussen ‘klanken’ en 'n ding in een bepaald geval hebben ervaren, om naar de saamhorigheid der leden: deze ‘klanken’, dit ding, te kunnen vragen. Want: om deze vraag te kunnen stellen, is het nodig dat het kind de eenheid der leden heeft vergeleken met de onderscheiden leden zelf, en deze eenheid twijfelend als ‘mogelik’ heeft ervaren. Het constitueren, het
‘Setzen’ van deze eenheid, de act der ‘Zuordnung’, volgens Bühler, wordt door Delacroix terecht ‘le phénomène fondamental du langage’ genoemd. Deze ‘Zuordnung’ derhalve is, hoe dan ook, een synthese; zij veronderstelt een eenheid-gevende act54) en zij is analyties terzelfder tijd: zij poneert twee leden van een eenheid. De eenheid-gevende act is de act der woord-making, 'n symbolisatie-act, en de eenheid zelf die in deze act wordt gesticht, zij is het woord.55) Dit woord kan in de ervaring niet geponeerd worden zonder dat daar reeds onderscheidingen bestonden: er moeten ‘klank’- en ding-waarnemingen geweest zijn, minstens als lid van grotere waarnemings-komplexen; er waren zonder twijfel associaties ontstaan tussen de ervaringsmomenten die nu in één nieuw geheel worden samengevat, en daardoor tevens op een nieuwe wijze onderscheiden, doch op de wijze van een ‘bouwen’ dat tevens ‘breken’ is, wordt niet enkel een ‘band’ gelegd, doch een eenheid geschapen, die van een andere orde is dan de oorspronkelike omvattender ervarings-eenheid waaruit het woord ‘gebroken’ wordt.56)
Goldstein onderscheidt niet de relatief vrije gebruiks-synthese
der woorden in een meerwoorden-geheel van de woord-synthese, maar toch is ook zijn mening niet waardeloos, als hij constateert: ‘Ce qui est sûr, c'est que le concept du mot, comme le concept en général, se fonde sur des représentations, mais n'est pas un lien entre des représentations; il représente une donnée spécifiquement différente, un point de vue déterminé en face du vécu quel qu'il soit, une certaine attitude de langage que nous adoptons en présence d'un mot, d'une phrase, etc., attitude qui est toujours la même qu'il s'agisse de mots entendus, dits ou évoqués de façon sensorielle ou motrice. Cette expérience interne centrale, spécifiquement verbale, grâce à laquelle le son entendu, prononcê, lu ou écrit devient un fait de langage, l'attitude verbale commune que nous adoptons à cette occasion, voilà ce qu'il nous faut serrer de près.’ (blz. 459)
Het naam-vragen bewijst dat de symbolisatie-act een denk-act is. Het bewijst dit, omdat het een stellen van toepasselikheid is, een generalisatie. Cassirer is niet zonder reden zo krachtig in zijn appreciaties van het vraag-verschijnsel.57) Het poneren van deze woord-eenheid is hetzelfde als ‘generaliseren’. Want in deze eenheid is op hetzelfde ogenblik niet alleen - wat een eerste wijze van generaliseren is - de mogelikheid van herhaald gebruik van deze eenheid mede ‘gesetzt’,58) - immers naar de werkelikheid van deze mogelikheid vraagt het kind, dat op 'n stoel wijst en ‘ditte toel?’ zegt - doch ook de mogelikheid van gebruik in verschillende situaties ligt er in opgesloten: als de stoel met ‘toel’ een eenheid vormt, dan kan elke stoel voor Keesje een ‘toel’ zijn, zo lang in een hernieuwde ervaring het moment stoel voor hem maar overeenkomst blijft vertonen met ‘stoel’- uit de ‘stoel-toel’-ervaring. Dit was a priori te verwachten, doch de feiten zijn deze conclusie al lang vóór geweest: het kind gebruikt nu inderdaad z'n ‘toel’ voor alles wat stoel is of er ook maar op lijkt.59)
Het is volstrekt niet nodig, dat Keesje de naam toel als symbool kent in de betekenis die de volwassene aan dat begrip weet te moeten hechten, doch het is meer dan voldoende dat hij weet, dat toel en stoel zo bij elkaar horen, dat je toel zegt als je de stoel ziet of aan de stoel denkt of de stoel wil hebben. En dat hij dat ‘weet’, en nog veel meer, nl. dat ‘klanken’ ook nog wel eens bij andere dingen zouden kunnen horen dan bij zijn ‘stoel’, blijkt tenslotte duidelik uit Keesjes vragen naar nieuwe dingen.
In het ‘Setzen’ der eenheid die de betrekking: deze ‘klanken’ horen bij dat ding omvat, blijkt niet enkel de mogelikheid van gebruik in verschillende situaties te liggen, doch het kind poneert hierin ook de mogelikheid van het bestaan van andere ‘namen’. Zonder dit zou het tot geen enkele vraag kunnen zijn gekomen over dingen waarvan het de naam nooit te voren hoorde. En, deze vragen worden gesteld.60) Vragen naar nieuwe namen is vragen naar 'n eigenschap van dingen, waarvan het de naam te voren nog niet met het ding in één ervarings-eenheid had samengevat. Immers die vragen luiden, terugvertaald in onze woorden: horen bij dit ding ‘klanken’? en niet: ‘horen deze klanken bij dit ding’; immers: het kind kent de betreffende klanken juist niét. Doch hieruit volgt, dat het kind, om deze vraag te kunnen stellen, ook het moment ‘klanken’ moet hebben gegeneraliseerd, dat het m.a.w. de gedachte ‘klanken’ heeft, d.w.z. ‘klanken’ gelezen tussen aanhalingstekens: wij hebben daarover nog zo een en ander te zeggen! Ook al was de formule: het kind ontdekt dat elk ding een naam heeft, niet erg gelukkig, zij heeft toch wel, ook voor de kindermentaliteit, een zeer duidelike betekenis: zij geeft aan dat zich bij het kind, op welk een primitieve en ongedifferentiëerde wijze dan ook, het verschijnsel ‘naam’ = ‘klanken’ die bij een bepaald ding horen, heeft gegeneraliseerd. Van Ginneken heeft in de Kleuterroman (blz. 41) en in zijn weinig genoemd, doch belangrijk samenvattende boekje: De ontdekkingen van den kleuter (blz. 31), dit probleem reeds gesteld, doch het onder de begrippen ‘algemeen denkbeeld’ en ‘gedachte’ enigszins anders verantwoord.
Het is mogelik dat deze laatste generalisering van het naam-verschijnsel een verdere trap van ontwikkeling is dan het eerste naam-herkennen, en niet reeds onmiddellik hierin ligt opgesloten, doch het onderzoek over deze verschijnselen is nog te weinig gevorderd om over het ‘wanneer’ dezer verschijnselen met zekerheid iets te zeggen. Pas op 't moment, dat het kind een nieuwe naam vraagt, is het bestaan
dezer generalisering, waarin zich de gedachte ‘klanken’ openbaart, aan geen twijfel onderhevig.60*)
Tot het taalkundige oer-phenomeen der ‘Setzung’ ener eenheid tussen ‘klank’ en ding, die ‘Zuordnung’ is, wordt in de eerste jaren van het kinderleven met zekerheid uit het naam-vragen besloten. De observaties der behaviouristiese psychologie, zoals die van Markey, maken deze restrictie noodzakelik. In het verschijnsel der ‘metalalie’ hadden trouwens ook de Sterns (blz. 135) al op een bron van overhaaste conclusies over het bestaan van taal-verschijnselen gewezen. Zoals wij zagen, wordt de taal-klank ingebouwd in nagenoeg alle handelingsgehelen van het jonge kind, en laat dus ook de reproductie, bij vernieuwing der oorspronkelike situatie, een ‘mechaniese’ verklaring toe. Echter, de verandering van het kinderlik taal-gedrag die in de, eenmaal zuiver geconstateerde, vraag-handeling zich uit, is op die mechaniek niet terug te voeren.
Er wordt soms getwijfeld aan de algemeenheid van het verschijnsel der vraag-periode.61) De Sterns menen, dat hier sprake moet zijn van onvolledigheid in 't onderzoek (blz. 192). Dit laatste is zeer waarschijnlik, maar het is van geen belang. De ‘vraag’ is alleen een afdoend criterium, niet een noodzakelike voorwaarde voor het bestaan van taal-inzicht of taal-uiting. Delacroix heeft - dit is uit het voorafgaande duidelik - volkomen gelijk, wanneer hij meent dat ‘begrijpen’ noodzakelik aan het spreken voorafgaat. Als het kind gaat vragen, heeft het taal ‘begrepen’.62) ‘La compréhension est le phénomène fondamental du langage.’ (blz. 289) 't Is maar de vraag wat er ‘begrepen’ is, en daarover zijn we voorlopig nog niet veel wijzer geworden. De namen-vraag is overigens niet het enige criterium. Zij is alleen in het totaal-gedrag van het jonge kind zeker een criterium dat in bepaalde omstandigheden volkomen duidelik, vrijwel zeker altijd is te constateren, en waarschijnlik, in de eerste 24 maanden, het enig geheel betrouwbare criterium uitmaakt.63)
Wat weet nu tenslotte, volgens het voorafgaande, het vragend kind
van een ‘symbool’? Dat het bepaalde ‘klanken’ gebruikt en gebruiken kan om er een bepaald ding, dat het herkent, mee aan te duiden, hetzij omdat het dat ding hebben wil of kwijt wil zijn, het graag heeft of met afkeer ervaart, hetzij dat het iemand iets over het ding zelf wil vertellen; en: dat ‘klanken’ bij meerdere dingen kunnen horen. Dit ‘symbool’, deze gekende eenheid van ‘klank’ en ding, dat ‘teken’, dit ‘woord’ is inderdaad het grondphenomeen waarin zich de taal constitueert. Het communicatie-middel ‘taal’, in het woord geschapen, ‘fungeert’ nog op vele wijzen, en deze ‘functies’, waarvan wij de verschijnselen tot in het vroegste contact tussen kind en sprekende mens kunnen vervolgen, blijven haar eigen tot in haar meest volmaakte vormen. Ja, de taal is zó volmaakt, omdat zij méér is dan ‘Darstellungsmittel’, maar toch: ‘was zur Sprache notwendig gehört und was nicht,’ openbaart zich enkel in, en in tegenstelling met haar ‘Darstellungsfunktion’. Of we nu toel uit 'n meerledige vraag ‘ditte toel?’ nemen, of ditte, milch of pappa (Clara und William Stern, blz. 30) uit de meerledige mededeling, of apfe appel (vgl. id. blz. 27 en blz. 44) uit ‘apfe wo?’ of wo, of Günthers eenledige das (id. blz. 89), zij eisen een gelijkluidende verklaring. En, al wat hier gezegd is, geldt van onverschillig welk woord, dat we ooit in een zin, met andere woorden samen of op z'n eentje, ‘gebruiken’. Wij bewezen dat wij dit ‘woord’ tot stand brengen, ‘maken’, door aan bepaalde ervaringsmomenten een bepaalde eenheidgevende act te voltrekken, een bepaalde ‘Setzung’, die we ‘symbolisatie’, of ‘woord-making’ noemen. Dit taalteken, dit woord komt ongetwijfeld in een ken-act, in een denk-act zelfs, tot stand. Het vertegenwoordigt, ook voor de kinderlike gebruiker een, op de wijze der taal gevormd, ken-geheel dat hem iets anders doet kennen, het ding nl. of de zaak die hij met toel of das te lijf wil. Het heet terecht een ‘teken’, doch het ‘op de wijze der taal gevormd zijn’ ligt in het voorafgaande nog maar zeer vaag uitgedrukt. Beschouwen we daarom de synthese nog wat nader.
Wat wij tot hiertoe uiteengezet hebben, waren de conclusies die we uit de gangbare beschrijving van het kinderlik taal-gedrag konden trekken. Doch er is meer. Zoals we zagen: het kind ‘setzt’ ten eerste een betrekking tussen deze bepaalde ‘klank’ en dit bepaalde ding, ook, en misschien daarna, ‘setzt’ het een betrekking tussen ‘klanken’ en bepaalde dingen, later ‘setzt’ het een betrekking tussen ‘klanken’ en elk ding. Edoch, hiermee is het vormelike taal-moment aan al deze ‘Setzungen’ nog niet anders gegeven dan als ‘klank’. Het kind doet echter meer, reeds in de eerste ‘Setzung’ van een taal-symbool.
Het is een gevaarlike abstractie, alleen van ‘klank’ te spreken als lid van de betrekking waarin het kind een symbool poneert.63*). Herinneren we ons de bladzijden hiervoor, dan weten we dat het niet alleen de ‘klank’ is die het kind eenmaal als met een bepaald ding verbonden herkent en ‘setzt’, doch wel een handelingsgeheel dat gericht is op een bepaald doel en waarvan de klank slechts een moment uitmaakt, zij het ook dat dit moment in het handelingsgeheel als wat wij index, of exponent, noemden fungeert.64) Het kind geeft in de spreekbewegingen, gevolgd door de, ook door hemzelf gehoorde, klank, uiting aan een streving naar een bepaald doel, een doel dat bestaan kan in een ‘ding’ of ‘handeling’ of beter misschien in een ‘te be-handelen ding’. Het streven dat zich in deze voel-bare, zichtbare en hoorbare handelingen uit, is gericht op een afsluitende handeling, waarin het bestreefde in bezit wordt genomen of afgeweerd, en deze uitwendige handeling wordt tenslotte, ook in het psychiese verloop der reacties, afgesloten in een ‘Erledigungs-reaktion’, waarmee ‘der Antrieb erlöscht, weil seine Befriedigung eingetreten ist.’ (Grünbaum blz. 165)
Het handelings-begrip waarvan hier wordt uitgegaan verschilt wezenlik van de, alleen subjectief bepaald geachte, ‘Triebhandlungen’ waarvan de Sterns (blz. 112) spreken.
De nieuwere psychologie, doordat zij zich er toe zette telkens allereerst de ‘gehelen’ van menselik handelen te bestuderen en niet te beginnen bij de daaruit, hetzij alleen door de onderzoeker geanalyseerde, of door het handelend individu gedifferentiëerde momenten, heeft het begrip der zelfstandige, aanvankelik niet uitwendig gerichte, handelingen laten vallen. Immers het kind is geen moment zijns levens zonder contact-stimuli, het is natuurnoodzakelik altijd in een ‘Umwelt’ geplaatst, en daardoor leeft het in de even noodzakelike ban van doel-gericht en transitief handelen, van re-actie die van elk handelingscomplex deel uitmaakt. Als het in zichzelf nu nog de mogelikheid heeft van herkenning van dit feit, is ook de grondslag voor de symbool-vorming gegeven: ‘Isoliert man das reine Bewegungsmoment, so entsteht eine unübersehbare Reihe von Problemen, welche alle in der Frage gipfeln: Wie kann der Bewegungsmechanismus nicht nur biologisch zweckmässig werden,
sondern wie kann er auch in seiner höchsten Differenzierung in der Sprache zum Träger der symbolischen Darstellungsfunktion werden. Diese Problematik ist aber unlösbar, nur weil zu ihrem Ausgangspunkt etwas gemacht wird, was in der Wirklichkeit des Lebens gar nicht besteht, nämlich der intentionsfreie und sinnledige eigengesetzliche Bewegungsvorgang. Alle vitalen Bewegungen, auch die elementarsten und genetisch ursprünglichsten, sind im Ganzen des Systems