terug  begin  verderprepost
[p. 180]

Vijfde hoofdstuk
De woord-Gestalt als aanschouwelikheid

Samenstelling van het hoofdstuk.

Dit hoofdstuk moet ons licht verschaffen over de woord-Gestalt. Ten opzichte van het vigerende linguistiese begrips-apparaat betekent dit, dat we ons rekenschap hebben te geven van het begrip: woord-voorstelling. We sluiten daarbij aan op de linguistiese onderzoekingen waarin dat vraagstuk aan de orde is, op de onderzoekingen der phonologie. De paragraaf ‘Het phoneem’ ontwikkelt kort het phoneem-begrip als ervarings-constante tegenover zijn veranderlike realisaties. Men kan de phonologie het verwijt maken, dat zij zich tot nog toe niet geheel rekenschap gaf van haar uitgangspunt: wat neemt de taal-gebruiker waar, klanken of phonemen? De vraag is essentiëel. Wordt zij onjuist beantwoord dan gaat de taalkunde ook hier weer in psychologie op. Men kan hoogstens zeggen, dat de verschillende phonologiese opvattingen, op dit punt vergeleken, zeer onduidelik zijn. In ‘Klank of phoneem?’ tonen we aan dat we met klank-waarneming te maken hebben en dat derhalve het phoneem noodzakelik op het vormelik typiese betrokken is, dat het 'n eenheid legt tussen het waarneembare en de waarneming. De paragraaf ‘Herkenningselementen’ is niets anders dan een uitbreiding van dit pas-gewonnen inzicht: in de phonemen kennen wij op aanschouwelike wijze de klank; we kennen in woord-gebruik dus geen phonemen, doch wij kennen in phonemen; we wapenen ons zo tegen metaphysieke ontsporingen of tegen het verwijt van ‘platoniseren met 'n achterstand van twintig eeuwen.’ Dat het eerste juiste inzicht in de aard van het klank-karakter der taal al aanstonds in 'n ontsporing eindigde, waarvan zich de gevolgen nog steeds in de linguistiek doen gevoelen, tonen we aan in, ‘Gestalt en phoneem als positieve grootheden’. Het phoneem is wel degelik een positief aanschouwelik ervarings-moment en niet enkel een gekend onderscheid. Al voortgaande blijkt ons steeds duideliker, dat de linguistiek met haar gebruikelik voorstellingsbegrip, de vragen die zich voordoen niet zal oplossen. Dan komt in ‘Voorstelling’ Witold Doroszewski aan het woord, die zijn moeilikheden met klem en uiterst scherp stelde. Phonologiese onderzoekingen die zíjn voorstellings-begrip

[p. 181]

accepteren, plaatst hij voor onoplosbare problemen.

Op verschillende wijze is tegen deze moeilikheden stelling genomen. Men zocht de oplossing in de onaanschouwelikheid als moment der woord-eenheid, en daar ligt zij ook. Doch hoe? Bühler heeft de zeer grote verdienste hier licht te hebben gebracht, door het princiep der abstractieve relevantie in te voeren. Wij kunnen nu het phoneem determineren als 'n relevant moment der kennende aanschouwelikheid.1) Bühlers woorden waren nog niet koud, of de linguisten, nog altijd onder de ban van 'n psychologisties voor-oordeel, legden een scheiding tussen klank en phoneem, alsof het phoneem zichzelf zou kunnen verantwoorden zonder te worden beschouwd in z'n essentiële betrekking tot de klank. We behandelen dit in ‘Phonologie en Phonetica’. De daaropvolgende paragraaf ‘Phoneem en woord-Gestalt’ determineert het phoneem als 'n relevant moment der woord-Gestalt, dat alleen bepaal-baar is als onderscheiding in de woord-eenheid. We stuiten op het woord, waarin de Gestalt als aanschouwelik moment fungeert op grond van zijn kenmerkende geheel-verschijning. Een geheel-verschijning veronderstelt geheel-kwaliteiten, komplex-kwaliteiten zeggen we hier. De studie is nog te weinig gevorderd om daarover meer te kunnen beweren dan dat deze komplex-kwaliteiten de phonemen veronderstellen. Dit sluit aan op onze beschouwingen der melodie in het vorige hoofdstuk. Binnen bepaalde grenzen zijn de Gestalt-momenten veranderlik, zonder dat de kenmerkende geheel-verschijning te loor gaat. Waar liggen die grenzen? We zullen dat experimenteel hebben uit te maken. - Verklaarden wij de Gestalt als ervarings-moment? Neen. Verklaarden wij hoe de Gestalt functioneren kan zoals zij doet? Neen. Wij maken in de volgende paragraaf met een poging tot verklaring 'n aanvang: ‘Historica’ geeft zeer in 't kort het voorstellings-begrip dat wij zullen moeten corrigeren. ‘De woord-voorstelling moment van woord-beschouwing’ poneert de noodzakelikheid, te onderscheiden tussen waarnemings-beeld, voorstelling en omdachte aanschouwelikheid. Welnu, in taalgebruik is de woord-Gestalt nooit voorstelling, doch altijd omdachte aanschouwelikheid. Zij is evenmin waarnemings-beeld zonder meer, al berust haar actuering bij de hoorder wel degelik op 'n waarneming der typiese geluiden. In de drie verschillende verschijnings-wijzen fungeert niettemin de Gestalt altijd op dezelfde wijze tegenover de betekenis, waarvan zij het aanschouwelik

[p. 182]

diakritiese moment uitmaakt. En niet alleen dat zij op dezelfde wijze fungeert, zij vertoont ook in haar drie verschijnings-wijzen dezelfde structuur. Deze structuur, die op productie berust, bestuderen wij in ‘Synergie en Gestalt’, waarin we aantonen dat het woord een biezondere blijvende synthese van onderscheiden menselike activiteitswijzen uitmaakt; het deel dezer synthese dat aan de onaanschouwelikheid geopponeerd is noemen wij de synergie, waarvan de Gestalt het ken-aspect uitmaakt. Die synergie is een sensories-motories coöperatie-geheel, dat onder het primaat van een denk-act in de woord-eenheid wordt geconstitueerd als blijvend organies-psychies geheel, moment van het grotere handelings-geheel: woord. ‘De eenheid der activiteitswijzen’ in dit handelingsgeheel geeft 'n verklaring hoe 't mogelik is, dat de eenheid in stand blijft ondanks de veranderlikheid der Gestalt-momenten. De functie van de Gestalt als geheel in deze grotere eenheid, verklaart op haar beurt de disjunctieve relevantheid der phonemen. De Gestalt blijkt een ervaringsmoment te zijn, waarvan Meyerson zegt dat het ‘à mi-route de la pensée’ is. De Gestalt, in eenheid verbonden met de organiese momenten der synergie, maakt het begrijpelik hoe 'n aanschouwelik ken-moment schijnbaar inadaequaat gerealiseerd kan worden; dé grote, moeilikheid van Doroszewski tegen het phoneem is daarmee opgelost; de eenheid der organiese momenten en der aanschouwelike en onaanschouwelike ken-momenten van het woord, verklaren tenslotte de mogelikheid van absolute gelijktijdigheid van beweging en denken; zij elimineert de noodzakelikheid der prae-determinerende aanschouwelikheid.

In de volgende paragrafen komen we op deze summier gegeven oplossingen terug om ze aan het taal-gebeuren als zodanig te demonstreren. ‘Het phoneem disjunctief relevant’ werkt op die wijze, het verschijnsel in de titel genoemd uit. De paragraaf ‘Prae en post?’ omvat de studie der tijds-verhoudingen tussen denken, Gestalt en beweging, in het licht der blijvende handelings-eenheid. We ontwikkelen daarin uitvoerig hetgeen we op het slot der paragraaf ‘De eenheid der activiteitswijzen’ als 'n gevolg van dit feit aanwezen. ‘De veranderlikheid der articulatie’ tenslotte behandelt de gevallen die de facto in het taal-gebruik een verklaring vragen: de synergie is 'n geheel, hoe is 't mogelik dat zij slechts gedeeltelik reageert? Omdat zij geen zuiver ‘mechanies’ reagerend geheel is. Ook de invloed van het feit, dat de woordvorm, door opeenvolging van spreekbewegingen, in de tijd gerealiseerd moet worden, wordt behandeld. - Als we sluiten, kunnen we over het woord aanmerkelik meer zeggen dan de subsumptie van de woord-aanschouwelikheid onder het Gestalt-begrip, in den aanvang misschien kon doen vermoeden.

[p. 183]

Het phoneem.

Wij hebben de woord-Gestalt te verduideliken en wij beginnen bij een studie omtrent ‘klanken of phoneem?’ Is dat niet het paard achter de wagen? Er zijn methodiese bezwaren tegen deze werkwijze, maar zij heeft 't voordeel dat wij bij het bekende kunnen aansluiten, en dat heeft voor de schrijver - bij de behandeling van deze stof - de doorslag gegeven.

Als ergens, dan doet zich hier de antinomie voor: hoe is 't mogelik dat 'n ervarings-constante, 'n k laten we zeggen of 'n o, op verschillende wijze gerealiseerd wordt? En dat 'n bepaalde acoustiese ervarings-constante op verschillende wijze gerealiseerd wordt, is het uitgangspunt geweest van de phonologie.2) We kunnen de k van k-oe, k-i-p, k-ie-r als 't ware vooruit voelen wandelen in onze mond, we kunnen zonder moeite de o van t-o-l horen wegdoffen in de o van d-o-m, en toch. ervaren wij in taalgebruik die k's en die o's als identiek. En, nu zijn de nederlandse voorbeelden nog maar kinderspel, als we ze vergelijken met wat er in andere talen voor óns te beluisteren valt. De ervarings-constante die tegenover de variërende realisaties in de articulatie, en consequenter in het geluid, staat, is, gelijk bekend, phoneem gedoopt. En om nog eenmaal 'n overbekende zin van Trubetzkoy te citeren: ‘Das adhygische Phonem, das N. Jakovlev durch “a” bezeichnet, hat nach Palatalen den objektiv-phonetischen Lautwert eines i, nach oder vor gerundeten Velaren - den eines u, zwischen zwei Labialen - den eines ü, nach Dentalen - den eines y usw.’ (Travaux I blz. 41, 42) Dat wil zeggen, dat voor'n spreker van het adygies i, u ü, en y identiek blijven in hun verschillend gebruik, zoals voor ons de o1 of o2.3) Het betekent natuurlik niet, dat een vervanging van de ene klinker door de andere, niet zou worden opgemerkt, maar wel, dat 'n woord door 'n dergelike ver-

[p. 184]

vanging niet in een ander woord wordt veranderd, evenmin als 'n met o1 gearticuleerd dom, 'n ander woord zou worden dan het met o2 gearticuleerde. De gewone mens zou opmerken: wat spreekt die man raar.4) Of we de ervaringconstante nu zó of anders verklaren, het feit is er.

Doch wat ervaren we als constant? Het zal toch wel nodig zijn, eerst dit uitgangspunt zuiver te stellen, voor we verder kunnen. Sapir zelfs, de bij uitstek heldere en scherpzinnige, is hierover vaag. Hij schrijft: ‘dans la parole, seule l'observation attentive peut abstraire les positions phonétiques exactes et cela souvent au depens de nos intuitions phonétiques exactes, phonémiques devrions-nous dire. Dans le monde physique, le sujet parlant et l'auditeur peu instruits émettent des sons et les perçoivent, mais ce qu'eux-mêmes sentent lorsqu'ils parlent ou entendent, ce sont des phonèmes.’ (curs. v.d. schr.)5) En op de volgende pagina lezen we: ‘le sujet parlant peu instruit n'entend pas des éléments phonétiques, mais des phonèmes.’ Dat is percevoir, sentir en entendre door elkaar. En deze begrippen verschillen! Neemt de taal-gebruiker ‘sons’ waar? We herinneren ons uit het vorige hoofdstuk dat hij weliswaar geluiden waarneemt, doch dat hij in die waarneming gericht is op wat er aan die geluiden typies is. Hoort hij phonemen? Het wil ons voorkomen dat dit een lapsus calami is, een uitgegleden pen in de ijver van de vaart naar het nieuw-ontdekte: hij hoort, als taalgebruiker, typiese geluiden; als taalbeschouwer-phoneticus eventueel: ook deze typiese geluiden of bepaalde vormelike geluidsgehelen. En dat ‘sentir’? Inderdaad hij merkt iets van ‘phonemen’; zij zijn ervarings-moment. Doch hoe?

Klank of phoneem?

Laten we deze vraag voorlopig rusten, trachten we alleen ons uitgangspunt eens en voor al zuiver te krijgen. Voor- en tegenstanders van het phoneem-begrip, Doroszewski6) zowel als Trubetzkoy7) verstaan onder ‘klank’: een waarnemings-moment dat afhankelik is van de stimulerende geluidsgolven; onder ‘klank’ derhalve verstaan zij een ervarings-moment. Dit is een alinguisties standpunt dat zich aan beiden wreekt: in het taalgebruik nemen wij klanken waar, d.w.z. plaatsen wij klanken als

[p. 185]

'n verschijnsel buiten ons en, hoe we dit nu ook straks zullen willen verklaren, het is een volslagen psychologisme, klanken tot ervarings-moment te verklaren: in de ervaring projecteren we de zo straks bedoelde k's buiten ons; en al is het volkomen juist, dat het begrip klank een essentiële betrekking insluit tot de waarneming, tot het psychiese, dan is het niet minder juist, dat de klank zich aan ons als van ons gescheiden openbaart. Voor- en tegenstanders van het phoneem waren beiden nog bevangen in psychologisme, zij lieten na, een juiste phaenomenologie van hun uitgangsverschijnsel te leveren.

Als moment van het taal-gebeuren derhalve, voor zover dat zich afspeelt in de psyche der taal-gebruikers, bestaan er geen ‘klanken’ (wel bestaan er in taal-beschouwing klank-voorstellingen eventueel); er bestaan als taal-moment alleen phonemen.

Doroszewski nu meent, dat 't tot verwarring moet leiden, boven de ‘klank’ als ‘psychies’ aequivalent van de luchttrillingen, weer, zoals Baudouin de Courtenay deed - en de phonologen doen - een ‘équivalent psychique du son’ aan te nemen; en daarin heeft hij gelijk. Trubetzkoy bewandelt gevaarlike wegen als hij schrijft: ‘Ainsi, bien que l'impression acoustique immédiate et la représentation ou l'image acoustique soient toutes deux des phénomènes psychiques, elles n'en sont pas moins des phénomènes essentiellement différents.’ (l.c.) Hij geraakt op deze wijze volslagen buiten de kwestie, want er is in de geluidswaarneming bij taalgebruik geen gewaarwording (‘impression’) die ervarings-moment daarvan zou uitmaken, om vervolgens in 'n ‘image’ nóg eens te worden ervaren. Doroszewski heeft gelijk, dat er in de ervaring geen doublure van een waargenomen taal-klank bestaat, die dan phoneem zou zijn; de waargenomen taal-klank is zelf phoneem. M.a.w. in de taal-ervaring is de waargenomen klank tot phoneem ‘gestaltet’. Het verschijnsel ‘klank’ in de betekenis van: psychies aequivalent van luchttrillingen, bestaat als moment van 'n taal-ervaring, niet. In een taal-ervaring nemen we in een phoneem bepaalde geluidsmomenten als typies waar, en op dié geluids-momenten zijn we in de taal-ervaring, zover deze waarneming is, gericht. Die typiese geluidsmomenten nu, noemen we de klanken. Ook het phoneem derhalve nemen we niet waar, doch in het phoneem, in een bepaalde psychiese aanschouwelikheid, kennen we het geluid, en in zoverre is het phoneem als onderscheiding in onze ervaring aanwezig. Dat dit phoneem ‘waargenomen klank’ is, ervaren we niet, daartoe concluderen we uit een analyse der taal-ervaring. De gewaarwording ‘geluid’ derhalve, is van 'n taal-ervaring geen moment. De gewaarwording ‘geluid’ kan alleen moment zijn van een ervaring die we taal-

[p. 186]

beschouwing noemden. Doroszewski meent ten onrechte, dat de ‘ervaring’ uit ‘gewaarwordingen’ wordt ‘opgebouwd’, terwijl integendeel uit de ervaring ‘gewaarwordingen’ kunnen worden geanalyseerd. ‘Gewaarwording’ is geen ervarings-moment dat deel uitmaakt van elke ervaring.

Het is niets verwonderliks, dat een prikkel-complex, het stimulerende geluid in ons geval, niet als complex tot bewustzijn komt; ook de oude psychophysiek wist dit; doch zij overzag het verschijnsel prakties, omdat zij voortdurend experimenteerde met ervaringen, die we ‘prikkel-beschouwingen’ of ‘gewaarwordings-beschouwingen’ zouden moeten noemen. Het is deze atomistiese psychophysiek, die Doroszewski als ‘de’ psychologie beschouwt. Trubetzkoy heeft wel groot gelijk, dat wij geen ‘klank’, doch ‘phonemen’ als ervarings-moment in taal-gebruik beleven, maar hij gaf op Doroszewski's moeilikheid geen antwoord.

Het spraakgebruik heeft een gelukkige zet gedaan, door met klank, als het over taal handelt, het waarneembare geluid te bedoelen. Wij wijken van dat spraakgebruik niet af, en verstaan onder klank wat Trubetzkoy noemt ‘les facteurs matériels des sons de la parole humaine: ... les vibrations de l'air qui leur correspondent.’ (Journal, blz. 231)

Welnu, aan het phoneem - dat zagen we - beantwoorden de facto onderscheiden klanken, die niettemin, voor de taalgebruiker, zich als identiek voordoen. De russiese taal-kunde bestudeerde deze verschijnselen vóór zij in West-Europa de algemene aandacht trokken: ‘Scerba glaubt, dass diese Variabilität in der konkreten Verwirklichung der Phoneme für das Phonem wesentlich ist. Das Phonem ist seiner Meinung nach, “der Vorstellungs-Typus, welchem verschiedenartige Aussprachen entsprechen”.’8) Dat is definiëring van 'n Gestalt-verschijnsel, en ook Scerba begreep dus reeds, dat we met het gewone voorstellings-begrip niet uitkomen.9) Want niet alleen, dat deze ‘voorstellingen’ verschillend gerealiseerd kunnen worden, maar ze zijn eigenlik helemaal geen ‘voorstellingen’ die zich als ervaringsmoment openbaren: het zijn ‘voorstellingen’ die er ‘als voorstelling’ niet zijn! ‘Die Lautvorstellungen, die ‘Phoneme’ sind nach der Lehre der ‘psychologischen Schule’ keine wirklich gegebenen Vorstellungen. Scerba gibt zu, dass normalerweise, in einem durchschnittlichen Bewusstsein die Lautvorstellungen in klarer und gegliederter Form gar nicht vorhanden sind. Sie sollen erst ‘zum

[p. 187]

Bewusstsein gebracht werden.’ (Cyzevskyj blz. 9) En, dit alles geldt gelijkerwijze voor het woord: ‘Bei Menschen, die eine Sprache vollkommen beherrschen, können die Vorstellungen des [Wort]-Sinnes mit irgendeiner Lautvorstellung eines Wortes, mit einem lautlichen Worttypus verbunden werden, welchem verschiedene Aussprachen entsprechen, wobei die Amplitude der Variationen zuweilen sehr gross sein kann.’ (Scerba bij Cyzevskyj blz. 17) Voegen we daarbij dat die: ‘irgendeine Lautvorstellung eines Wortes’, gewoonlik niet alleen niet helder en geleed, maar zelfs helemaal niet aanwezig is, dan staan we weer voor de vraag: is de kennende aanschouwelikheid, woord-Gestalt, phoneem of wat dan ook, in het taal-gebruik wel een voorstelling?

We stellen de beantwoording van deze vraag nog maar steeds uit, en zullen haar nog enige paragrafen lang moeten uitstellen, want de vraag blijkt steeds meer aspecten te vertonen. Vatten wij nog 'n ogenblik samen wat deze paragraaf ons aan inzicht bracht: het aanschouwelik moment in taal-gebruik, dat ons de betreffende klanken doet kennen, het phoneem, is ervarings-moment; d.w.z. we merken het phoneem als onderscheiding waarin we een bepaalde aanschouwelikheid kennen; het stelt zich als geleding in een groter geheel waarin het functioneert; het phoneem derhalve is niet het aanschouwelik gekende, het is het aanschouwelik kennende, dat zich in het gebruik alleen als betrokken op het typiese geluid, op het aanschouwelik kenbare openbaart. Het vormelik typiese derhalve, dat we in het phoneem aanschouwelik kennen, is voor het phoneem essentieel.

Herkenningselementen.

Het verwijt dat Langeveld de nederlandse grammatica terecht maakt: de probleem-armoede, kan de phonologie bezwaarlik worden verweten. Prof. de Groot brengt op de voorafgaande beschouwingen nog 'n correctie aan: zijn het phoneem en de woord-Gestalt wel voldoende getypeerd als ken-moment, zijn het geen herkennings-momenten? En inderdaad, het zijn herkennings-momenten. Zij delen in het gebruiks-karakter dat geheel de taal eigen is; zij zijn afhankelik van het gebruik der gemeenschap; zij moeten worden ‘gemaakt’ aan aanschouwelike ervarings-momenten die in het gebruik der gemeenschap functioneel zijn. In phoneem en woord-Gestalt functioneert de gekende aanschouwelikheid der klank als mede-constituent van de teken-eenheid; doch opdat de klanken, in de Gestalt gekend, kunnen functioneren, moeten zij her-kend zijn, d.w.z. moet er aan haar onderscheiden zijn wat functioneel typies is. De Groot rekent zo de phonemen en de woord-Gestalt tot de herkennings-elementen, respectievelik niet-betekenis-dragende of symbool-kenmerken, betekenis-

[p. 188]

dragende of symbolen.10) Doch - en dit scherp gesteld te hebben is nog steeds de grote verdienste van Doroszewski's oppositie - er moet iets ‘herkend’ worden. En wat herkennen we? Het is uit het voorafgaande duidelik: geen phonemen, geen woord-Gestalten. We zijn in taalgebruik niet op een of andere wijze betrokken op phonemen of woord-Gestalten, doch in phonemen, in woord-Gestalten, als momenten der ervarings-eenheid woord, herkennen we de typiese momenten van de geluidsstroom. Doroszewski zou 't recht krijgen om de Groots pogingen, om de eigenschappen van phonemen aan kenmerken van het klinker-geluid (N.T. XXV blz. 233, 234; Travaux IV blz. 140-147) te demonstreren, tot ongerijmdheid te verklaren, als we phonemen of woord-Gestalten zouden ‘herkennen’ en niet geluiden (en) of eventueel articulatie-bewegingen. De Groot zegt: ‘Für die phonologische Funktion der Klangelemente kommt es darauf an. dass sie wiedererkennbar sind und nötigenfalls voneinander unterschieden werden können. Das wesentliche ist aber die Wiedererkennbarkeit, weil Unterscheidung ohne Wiedererkennung für die Sprache keinen Wert hat.’ (Travaux IV blz. 116) Doch, die ‘Wiedererkennbarkeit’ is 'n eigenschap van de momenten van de klankstroom die functioneel niet onderscheiden zijn. In het phoneem, in de woord-Gestalt, worden aan de gekende vorm de typiese momenten onderscheiden, en wel uitdrukkelik onderscheiden van andere momenten van diezelfde vorm, van diezelfde geluidstroom. Het poneren dezer onderscheidingen geschiedt in de woordmaking, waarin nu eo ipso de typiese momenten van de vorm herkenbaar gemaakt zijn in functie van de blijvende woord-eenheid. Gebruik van deze eenheid is nu her-kennen van de typiese geluidsmomenten. ‘Wiedererkennbarkeit’ veronderstelt dus onderscheiding, al is het volkomen juist dat onderscheiding zonder herkenbaarheid voor de taal geen nut heeft, doch de her-kenning is 'n aspect van taal-gebruik.

De moeilikheid hier de distincties zuiver te treffen, heeft twee oorzaken: de gangbare linguistiek vertoont nog bijna altijd psychologistiese neigingen; en dan wordt vergeten, dat we in communicatief taal-gebruik altijd te maken hebben met waarnemings-verschijnselen die van de denk-ervaring, die het taal-gebruik uitmaakt, moment zijn. En in die waarnemings-momenten stellen wij het waargenomene buiten ons. Van moderne taal-philosophie als die van Pos ten onzent, kan de linguistiek

[p. 189]

nog steeds een juiste phaenomenologie leren. Een tweede oorzaak is gelegen in het door Bühler zeer duidelik gesignaleerde feit, dat de typologie en statistiek van het geluidsmateriaal, opgesteld zonder de taal-ervaring te veronderstellen, zonder m.a.w. uit te gaan van de phonologiese verschijnselen, zich niet dekt met het phonologies type aan de klank onderscheiden, met die momenten dus, die in de ervaring als typies zijn geponeerd.11)

Uit het voorafgaande blijkt dat de definitie die de Groot in de ‘Suppléments’ (Travaux IV blz. 311) van een phoneem geeft: ‘kürzestes, selbständig wiedererkennbares (curs. v.d. schr.) Wortmerkmal, zu dessen Merkmalen ein (mehr oder weniger) bestimmtes Timbre gehört,’ misschien beter zou kunnen luiden:‘kürzestes selbständig wiedererkennendes etc....’ De term ‘wiedererkennbares’ levert gevaar op, dat de lezer 't phoneem weer tot ‘klank’ maakt. De klank is herkenbaar, het phoneem is het kenmerkende woord-moment, waarin de klank herkend wordt. Bühler formuleert dan ook juister: ‘Die Phoneme sind die natürlichen ‘Male’ (Kennzeichen), woran im Lautstrom der Rede die semantisch entscheidenden Einheiten dieses Lautstroms erkannt und auseinander gehalten werden.’ (Axiomatik blz. 32, 33) En, de ‘semantisch entscheidenden Einheiten dieses Lautstroms’ zijn de klankmomenten, die Gemelli typies verklaart en waarvan hij het type bij observatie vastlegde. Slechts geringe momenten vaak in de klankstroom zijn typies; het grootste deel van de klank-vorm is a-typies, én door combinatoriese invloeden én door semantiese irrelevante invloeden als leeftijd of stemtimbre, of situatie-invloeden als afstand, storende bijgeluiden, ongeschikte middenstof (telephoon).12) Taal-Gestalt zonder vorm en daaraan onderscheiden vorm-typiek, is echter onbegrijpelik. En, dit te bedenken is een voortreffelik antidotum tegen metaphysieke ontsporingen.

Gestalt en phoneem als positieve grootheden.

Al is taal een denk-verschijnsel, toch veronderstelt zij niet alleen ‘gestaltend’ denken, zij veronderstelt ook een positieve aanschouwelike grootheid, en de taal blijft alleen bruikbaar, zolang er aan die aanschouwelikheid functioneel typiese momenten zijn. Zowel de Gestalt als de vorm veronderstellen bepaalde aanschouwelike momenten, die weliswaar per se in oppositie tot andere aanschouwelike momenten staan die in de taal gebruikt worden, doch wier functie wel degelik afhangt van hun eigen vorm. De Saussure had aan de linguistiek menig kwaad uur bespaard, als hij dat was blijven bedenken. Al is zijn grondbeginsel, dat

[p. 190]

een bepaald phoneem zijn functie vervult op grond van een systematiese ordening,12*) volmaakt juist, dan is het toch onjuist te zeggen, zoals de Saussure doet, dat de phoneem-functie alléén in het herkennen van de verschillen tussen de ‘klank-voorstellingen’ bestaat. Op deze wijze heeft hij de grondslag onder zijn systeem weggeschoven, want rust de phoneem-functie op geen, op welke wijze dan ook, constante positieve aanschouwelikheid, dan valt ook de woord-Gestalt, en daarmee het aanschouwelike moment van het signe en consequenter het gehele signe als taal-moment, en blijft alleen het onaanschouwelike over.

De Saussure leert: ‘Le signifiant linguistique,.... dans son essence, n'est aucunement phonique, il est incorporel, constitué, non par sa substance matérielle, mais uniquement (curs. v.d. schr.) par les différences qui séparent son image acoustique de toutes les autres.’ (blz. 164) En verder: ‘Tout ce qui précède revient à dire que dans la langue il n'y a que des différences. Bien plus: une difference suppose en général des termes positifs entre lesquels elle s'établit; mais dans la langue il n'y a que des différences sans termes positifs.... Mais dire que tout est négatif dans la langue, cela n'est vrai que du signifié (de betekenis) et du signifiant (de Gestalt) pris séparément: des que l'on considère le signe dans sa totalité, on se trouve en présence d'une chose positive dans son ordre.’ (blz. 166) De ‘betekenis’ en de Gestalt beschouwd ‘séparément’, d.w.z. zonder een wezens-betrekking op elkander, zijn geen taal-moment meer, geen woord-Gestalt en geen betekenis; en, in die betrekking zijn beiden ‘positief’ of .... zij zijn als taalmoment niet. S. Karcevskij constateert terecht dat de Saussure's princiep tot het absurde leidt.13) En het is even absurd, taal in denken als taal in klank te laten opgaan.

Steeds verder dringen we in het probleem der woord-aanschouwelikheden door, en wij leerden ze kennen als positieve aanschouwelike grootheden, waarin wij de klanken aanschouwelik kennend onderscheiden, en waarin we, als zij optreden als gebruiks-momenten, diezelfde klank

[p. 191]

herkennen. Maar steeds strakker draait zich ook de schroef aan, die ons voorstellings-begrip klemt: wat moeten positieve aanschouwelike grootheden die verschillend zouden kunnen gerealiseerd worden, die zouden kunnen veranderen of wegvallen, of zelfs in het geheel geen ervarings-moment schijnen uit te maken? Doroszewski had waarlik enige voortreffelike pijlen op zijn boog.

Voorstelling?

Op het Internationale Congres voor Phonetiese Wetenschappen te Amsterdam, sprak prof. Witold Doroszewski de volgende, begrijpelikerwijze een geanimeerd debat inleidende, woorden: ‘Tout élément réel du langage doit être perceptible par les sens. Les caractères physiologiques et acoustiques d'un son constituent l'essence même de ce son, ce sans quoi il ne serait plus identique à lui-même. Faire abstraction des qualités audibles d'un son, considérer comme éléments essentiels du langage des “représentations”, des “intentions”, des “idées” de sons, c'est entrer de plain pied dans le domaine du mythe et c'est “platoniser” avec vingt-quatre siècles de retard.’14) En de situatie was niet geheel vrij van humoristiese momenten toen, in de onmiddellik aansluitende voordracht, Prof. Pos' tekst de volgende woorden bevatte: ‘Mais, a-t-on objecté, ces éléments dont la phonologie fait cas, ne sont que des constructions ou des abstractions. Nouveau malentendu: ils le sont si peu qu'il importe de souligner que ce sont des faits d'expérience, qui se manifestent dans la réalité où nous vivons et qui sont expérimentales à plus juste titre que les prétendus sons objectivement perçus, lesquels personne ne perçoit à moins de se décider à devenir phonéticien.’ (Proceedings, blz. 137.) Bedriegt m'n geheugen mij niet, dan formuleerde Doroszewski in het debat nog eens scherper, wat hij in zijn voordracht reeds gezegd had, met de woorden: ‘Ce qui caractérise un p français, anglais, polonais, ce qui le distingue des autres p, c'est la façon dont le p donné est réalisé. Et la réalisation du son ressortit entièrement au domaine de l'expérience.’15) In dat debat nl. nam hij veronderstellenderwijze een ogenblik de positie zijner tegenstanders over, en argumenteerde toen als volgt: geen enkele normale spreekhandeling is mogelik, die niet door een adaequate spreekhandelingsvoorstelling wordt bepaald; welnu, elk verschil in de voortgebrachte klanken is dus ook een voorstellingsverschil en een, op welke wijze dan

[p. 192]

ook gerealiseerd, phoneem, veronderstelt altijd een concrete klank- of articulatie-voorstelling, het ‘phoneem’ is derhalve even concreet als de ‘klank’. Een phoneem kan dus misschien wel een vertegenwoordiger van een hele familie van klanken16) worden genoemd, maar een zeer reële vertegenwoordiger, even concreet bepaald als zijn vertegenwoordigde zusjes en broertjes. Meningen als van de phonologen, dat er een ‘voorstelling’ zou kunnen zijn waaraan verschillende realisaties beantwoorden, zijn contradictories.17) Reeds vóór dit congres had Doroszewski deze sententie scherp en ondubbelzinnig geformuleerd in een controverse met Tytus Benni. De laatste schreef ‘Haben wir es in dem ersten Fall, Kiel, Kuh, Kopf, mit einem oder mit drei k-Lauten zu tun?. Zur Feststellung von drei verschiedenen Lauten gelangen wir erst durch eine exakte physiologische Analyse, als psychologische Lautvorstellung existiert in allen drei Fällen dasselbe k. Wir müssen das psychologische Moment, die Absicht ein k auszusprechen, und das physiologische Moment, die Ausführung, in Betracht ziehen. Je nach der Lautnachbarschaft erhalten wir drei nichtbeabsichtigte Abarten der Ausführung, welche normalerweise unterbewusst sind und erst durch absichtliche Analyse zum Bewusstsein gelangen.’18) Doroszewski antwoordt, dat 't best mogelik is dat, vergeleken met de realisering van een geïsoleerde klank (een geïsoleerde k b.v.), de occasionele varianten van diezelfde klank in de subconscientie van de spreker automaties verbonden worden, en zich in het bewustzijn van de sprekers dan ook als verbonden openbaren. Maar dat verbonden-zijn, dié ‘eenheid’, beantwoordt nu juist niet precies aan 't geen Tytus Benni ‘Absicht’ noemt: ‘Mais cette unité ne correspond pas précisément à ce que M. Benni appelle ‘intention phonétique’ (Absicht) et elle ne peut être opposée au ‘son’ en ce sens que ‘son’ serait un élément ‘physiologique’ et l'‘intention’ - l'‘équivalent’ psychique du son. Car, pour dire Kiel, il faut bien avoir l'intention de dire Kiel et non autre chose, et de le dire comme on le dit couramment et non d'une autre façon, c'est-à-dire avec un k initial palatalisé.’ En dan volgt de passage, waarin hij de theorie formuleert, die gemeengoed

[p. 193]

is van vrijwel alle taalkundigen, en die toch een oplossing van de Gestalt-vraagstukken in taal-gebruik onmogelik maakt: ‘Pour qu'il y ait des réalisations phonétiques, il faut qu'il y ait préalablement des représentations phonétiques (curs. v.d. schr.) auxquelles est soumis le fonctionnement des organes de la parole. Toute coordination des muscles articulatoires serait impossible, si ces muscles, dans leur activité, n'obéissaient pas fidèlement aux impulsions partant des centres nerveux. Ces impulsions ne sont autre chose que des représentations motrices des sons et ce sont elles justement qui font qu'un son est articulé d'une certaine façon. Une articulation traduit une représentation motrice...’ (Travaux IV blz. 68) Het is dus vlakaf onmogelik, dat een ‘voorgestelde’ eenheid, die niet deze concrete klank-voorstelling zou zijn, de uitvoering van een concrete articulatie, en daarmee 't voortbrengen van een concrete klank, zou kunnen bepalen.19) Een ‘phoneem’ derhalve in de zin van Trubetzkoy, bestaat niet. Aldus Doroszewski.

Zolang de phonologen met hun, niet nader gedetermineerd, voorstellings-begrip opereren, zijn deze moeilikheden onweerlegbaar: een bepaalde waarneembare handeling veronderstelt een bepaalde determinant. Als phonemen ‘voorstellingen’ moeten zijn, heeft Doroszewski gelijk. Al ontkent Trubetzkoy energiek, dat hij met zijn phoneem een voorstellings-doublure bedoelt, en constateert hij terecht, dat phonemen ervarings-momenten zijn, wat voor 'n ‘Gebilde’ dan wel 'n phoneem is, verklaart hij niet. Hoe 't mogelik is dat 'n phoneem in verschillende klanken gerealiseerd wordt, blijft 'n raadsel. En, raadselachtiger nog is - Doroszewski had dit met nog meer succes kunnen urgeren, als hij niet zelf 'n voorstellings-notie die onjuist is, voor ogen had - hoe 'n phoneem gerealiseerd kan worden dat helemaal geen determinerend ervarings-moment uitmaakt, hoe we m.a.w. spreken kunnen zonder ‘voorstellingen’ van klanken.

Ter verdediging der phoneem-notie, kan men met Trubetzkoy's eigen bepalingen van dit begrip al 'n bitter klein beetje aanvangen.20) In de ‘Polabische Studien’ spreekt hij van phonemen als ‘Lautvorstellungen oder akustisch motorische Absichten’ (blz. 6, Cyzevskyj, blz. 8); in ‘Zur allgemeinen Theorie der phonologischen Vokalsysteme’ (Travaux I, blz. 39, 40) komt niet de term Absicht voor, overigens blijft de omschrijving dezelfde. ‘Les idées acoustico-motrices, significatives dans une langue donnée, les plus simples...’ heten ze in ‘Sur la “Morphonologie”’ (Travaux I blz. 85), terwijl in de ‘Thèses’ van de ‘Cercle linguistique

[p. 194]

de Prague’, waarvoor Trubetzkoy mede verantwoordelik is, ze weer ‘images acoustico-motrices subjectives’ worden genoemd van een systeem, waarin zij: ‘une fonction différenciatrice de significations’ vervullen. (Travaux I blz. 10) Tenslotte - en dat werkt hij in zijn artikel ‘La phonologie actuelle’ (Journal blz. 232, 233) breed uit - is 'n phoneem ‘ce qu'on s'imagine prononcer.’

Al deze formuleringen, en hun verantwoording bovendien, ontzenuwen de kern van Doroszewski's moeilikheid niet: ofwel het phoneem is geen ‘voorstelling’, ofwel het phoneem bestaat niet, en ‘phonologie’ heeft geen zin.

Het phoneem als relevant aanschouwelik moment.

Anderen dan Trubetzkoy hebben een oplossing trachten te geven. Van Ginneken beschrijft de verschijnselen die ons in de eerste paragraaf bezig hielden, en besluit dan: ‘Maar hieruit wordt het nu voor elken kenner van wat elementaire psychologie toch duidelijk als de dag, dat we hier niet met concrete klank- of articulatie-voorstellingen te doen hebben; maar met universeele abstracte klank- of articulatie-begrippen; die van de bijkomstige eigenaardigheden dier combinatorische klankvariaties afzien en alleen de allen gemeenschappelijke ideëele comprehensie bevatten’.21) Zo bestaat er in de psyche een klank-begrips-systeem, een ‘ideeën-instrument’, dat wij sprekend bespelen: door het aanslaan van de phoneem-toetsen reageert de articulatie, en wij spreken; in de ‘akoustieke waarneming’ van die articulaties herkennen wij de representanten van die phonemen, en wij zijn hoorder. Hoe is 't mogelik, dat zo'n klank-begrip in verschillende klanken gerealiseerd wordt? Het lijkt me, dat Prof. van Ginneken dit terugvoert op combinatoriese invloeden en de invloeden der verschillende psychiese milieu's waarin het systeem bestaat. (Vgl. blz. 12-15) De ‘vaste ideale klank’ ondergaat hiervan de invloed.

Bij van Ginneken vervangen nu de klank-begrippen, de klank-voorstellingen. De moeilikheden echter, die tegen de klank-voorstelling gemaakt werden, gelden ook voor het begrip: er is, in talloze gevallen van taal-gebruik, van niets prae-determinerends dat klank-momenten vertoont, sprake. We merken verder op: als het phoneem een klank-begrip uitmaakt, dan maakt ook de woord-Gestalt een woord-begrip uit, want alles wat van het phoneem gezegd kan worden omtrent zijn veranderlikheid en constantheid, geldt a priori van de inwendige woord-vorm. Op deze wijze zouden we de taal-ervaring van alle aanschouwelike momenten ontdoen en bleef naast 't begrip alleen de - in

[p. 195]

deze veronderstelling in het taal-gebruik zélf niet aanschouwelik gekende - articulatie over. Bovendien, we kunnen 't phoneem waarneembaar maken; heel de kwestie berust hier juist op; en 'n begrip is op geen enkele wijze waarneembaar te maken.

Terecht niettemin zocht van Ginneken in de richting der onaanschouwelikheid, waarin hem Bühler was voorgegaan. Op de ‘Réunion phonologique internationale tenue à Prague’ (18-21 XII 1930) hield Bühler zijn principiële voordracht Phonetik und Phonologie. (Travaux IV blz. 22 vlg.) Zijn Axiomatik geeft van het in zijn voordracht behandelde nog aanvullende verduidelikingen.

Bühler verwerpt Trubetzkoy's ‘Lautvorstellungen’ en ‘psychologische Ausdrucksweise’ (Travaux IV blz. 26) en poneert de noodzakelikheid ‘der Einführung eines eigenartigen Relevanzprinzips in die Lautlehre.’ We verduideliken dit aan z'n vocaal-beschouwingen: alle vocalen, elk vocaal-geluid heeft vijf grondeigenschappen: ‘Er hat einen bestimmten Platz in dem Vokaldreieck nach der Helligkeit und Sättigung des Klanges, die ihm eigen sind, es hat eine bestimmte Intensität, eine Dauer und einen Melodieverlauf.’ Welnu van die vijf grondeigenschappen van het geluid, ‘gebruikt’ de taal alleen enige bepaalde als ‘kenmerk’ om het ‘woord’ te signeren. Alleen dié eigenschappen zijn dan in het teken ‘relevant’ gemaakt: in het adygies is alleen de ‘Sättigung’ relevant, en wel in drie duidelik onderscheiden graden, die men de a-, e-, en ə-groep kan noemen.22) Dit ‘gebruik’ van slechts enkele grond-eigenschappen van het geluid op een bepaalde wijze, veronderstelt ‘abstractie’, en ‘abstractie’ veronderstelt, hoe dan ook, denken.22*) Bühler spreekt nu van het Prinzip der abstraktiven Relevanz: ‘Mit den Zeichen, die eine Bedeutung tragen, ist es also so bestellt, dass das Sinnending, dies wahrnehmbare Etwas hic et nunc nicht mit der ganzen Fülle seiner konkreten Eigenschaften in die semantische Funktion eingehen muss. Vielmehr kann es sein, dass nur dies oder jenes abstrakte Moment für seinen Beruf, als Zeichen zu fungieren relevant wird. Das ist in einfache Worte gefasst das Prinzip der abstraktiven Relevanz.’ (blz. 38. vgl. nog Axiomatik blz. 56-58) Bühler spreekt nu van ‘das Ver-

[p. 196]

hältnis des ideellen ‘Phonems’ zur Lautmaterie’ (Axiomatik blz. 57) en, volgens Doroszewski ‘platoniserend met een achterstand van 24 eeuwen,’ (Proceedings, blz. 134) ziet hij in het phoneem een wetenschappelik bepaalbaar εἶδος, een ‘beeld’, een ‘ideëel’ beeld. Hij zegt niet, dat het phoneem een ‘gedachte’ is, een ‘begrip’, een ‘idee’; hij wil aan zijn bepaling geen preciese ontologiese betekenis gehecht zien.23) Hij wil alleen het verschil naar voren brengen tussen het waarneembare gebeuren, articulatie en klank-vorm, en het determinerend relevante. Wel concretiseert hij zijn opvatting verder, en subsumeert het phoneem-begrip onder de teken-notie. Het phoneem is een ‘Diakritikon’, een ‘Unterscheidungszeichen’ (Travaux IV blz. 40), waarmee een klank-geheel tegenover een ander klank-geheel kan worden gesteld: slip-slap, i en a zijn diakritika.24) Dit diakritikon - Bühler onderscheidt hier begrijpelikerwijze niet zuiver, zijn definitie (vgl. blz. 189 hiervóór) distingueert geen typiese van relevante momenten, de ene als vorm-, de andere als Gestalt-momenten - is het ervaringsmoment, waarin aan de waargenomen geluidstroom de typiese momenten worden onderscheiden. Men bedenke wel: dit onderscheiden geschiedt in de ervaring; de geluidstroom zelf vertoont alleen vanuit de ervaring de typiek die in het phoneem ‘semanties’ functioneert. Hierdoor wordt van het waargenomen geluid een aanmerkelik gedeelte der verschillen, die zich hierin openbaren, semanties irrelevant en consequenter - zoals Gemelli aantoonde - in de waarneembare vorm a-typies. Waarom kan

[p. 197]

de een bóbbel zeggen, de ander bòbbel zonder dat dit voor 't begrijpen storend werkt? Omdat het verschil tussen deze twee klanken niet functioneert en bepaalde overeenkomsten wel. Zo laat de taal de grote massa zelfs der vorm-momenten voor wat ze zijn, maakt ze niet ‘relevant’.25). We kunnen besluiten: het phoneem is een relevant moment der kennende-aanschouwelikheid.

Phonologie en phonetica.

Doch, de gekende vorm is gekend geluid, en hoe achterhalen wij wat er in een phoneem relevant gemaakt is? Alleen in phonetiese studie, in de studie van dat geluid.

De phonologie leert, op grond van haar phoneem-notie, van welke momenten van een klankstroom de typiek gezocht moet worden, van welke momenten de phonetica dus de vormelik typiese eigenschappen experimenteel moet vaststellen en beschrijven; de typiek zelf is geen voorwerp van onderzoek van de phonologie: de eigenschappen van het gekende geluid zijn alleen aan dat geluid afleesbaar, omdat wij in taalgebruik wel het geluid waarnemen, doch niet het phoneem. De phonetiek is niet de Assepoester die de phonologie er van schijnt te willen maken. Alleen aan het geluid zijn de opzichten, waaronder in het phoneem dat geluid, als aanschouwelik gekende vorm, relevant gemaakt is, te bepalen.

Dat het adygies drie ‘openingsgraden’ kent weten we uit phoneties en niet uit phonologies onderzoek; dat we het vocaalsysteem moesten ordenen in drie groepen 'n a-, 'n e-, en 'n ə-groep leert de phonologie.26) Aan de phonologie wordt daarmee niet te kort gedaan. Haar taak is nog omvattend genoeg. Geheel de leer der phoneem-

[p. 198]

combinaties en hun verhoudingen valt binnen haar studie-materiaal bovendien. Zij alleen kan de werkelik gebruikte combinaties in een bepaalde taal aanwijzen en verantwoorden. Zij ontwikkelt de phoneem-systematiek ener bepaalde taal. Uit de permutatie van de gebruikte phonemen in het woord kat b.v., blijkt haar, dat in het geïsoleerde woord in het nederlands de combinatie atk, kta en tka ongebruikelik zijn, uit hoofde van de ongebruikelikheid der medeklinker-combinaties kt en tk in ‘Anlaut’ en tk in ‘Auslaut’. De phonetica neemt de taak over, als moet worden uitgemaakt, wat er in het phoneem relevant is: de klanken en hun combinatie-mogelikheden levert haar de phonologie; de phonetica maakt, uit het experimenteel geconstateerde gemeenschappelike in de verschillende combinaties der klanken vergeleken met de geïsoleerde vorm, de typiek op, en concludeert zo tot hetgeen er in het phoneem relevant is.27) De o is 'n nederlands phoneem; maar is 't nu de o-klank van bóbbel of van bòbbel, die typies is? Noch de o van bóbbel, noch die van bòbbel, maar alleen zekere gemeenschappelike eigenschappen van beide. De verschillen die de phoneticus aan hen constateert, kan hij als a-typies kenmerken, omdat 't woord bobbel met beide herkenbaar blijft. Phonologie en phonetica komen tot hun resultaten niet op grond van psychologiese analyse of beschrijving, doch op grond van de taalervaring die het studie-object uitmaakt der linguistiek.28)

Phoneem en woord-Gestalt.

We hebben in de voorafgaande paragrafen voortdurend vanuit een vrijwel verzwegen veronderstelling geredeneerd: alleen op grond van het woord is het phoneem te bepalen. We weten dat in man, de phonemen m, a en n voorkomen, omdat het woord man met deze phonemen ‘lautgestaltlich identifizierbar’ is (Bühler, Travaux IV blz. 45), en niet met m, a en l b.v. Alleen aan een woord, alleen op grond van de ‘lautgestaltliche Identifizierbarkeit’ van de woord-Gestalt, is het mogelik uit te maken wat er aan die Gestalt relevant is. Het woord-geheel is het noodzakelike uitgangspunt voor de

[p. 199]

bepaling van de functionaliteit van z'n delen, zoals het woord omgekeerd ook uitgangspunt is voor elke bouw van een groter taal-geheel. In het woord centreren alle taal-verschijnselen.

Het is onmogelik van 'n meerwoordengeheel of van 'n lettergreep uit te gaan, om het phoneem te vinden, omdat het phoneem hierin slechts onrechtstreeks functioneert, nl. via de woord-Gestalt en het woord.29) Ook in de studie der phonologie, blijkt de centrerende positie van het woord in geheel het taal-gebeuren. Wat is namelik het geval? De woord-Gestalt, gevormd uit de in de opeenvolging van de tijd tot eenheid gebrachte gekende klank-momenten,30) onderscheidt zich van andere woord-Gestalten niet primair aan de relevante leden dier Gestalt, doch aan haar kenmerkende geheel-verschijning: ‘Wenn wir im Deutschen Saat - satt, Beet - Bett usw. mit dem Ohre unterscheiden, dan sind da komplexe Diakritika im Spiele. Denn der hörbare Unterschied erstreckt sich nachweisbar nicht nur auf die Vokale, sondern kurz und bündig auf das Ganze des Silbenklanges.’ (Bühler, Travaux IV blz. 41)

Aan de woord-Gestalt onderscheiden zich leden, die de komplex-kwaliteit van dit geheel mede tot uiting brengen, doch deze relevante momenten zijn alleen disjunctief relevant, d.w.z. niet alle relevante momenten samen zijn nodig om de Gestalt te doen functioneren, doch zij volstaan, hetzij het ene of het andere, of althans slechts met enkele samen tegenover de andere. We herinneren ons het verschijnsel uit de paragraaf ‘de Gestalt’, waar wij het aan 'n kubus demonstreerden. Echter veel verder dan in dit voorbeeld, strekt zich de veranderingsmogelikheid

[p. 200]

van de woord-Gestalt uit. Een begroetings-formule ‘Morgen!’ of ‘Besjour!’ kan in 't gebruik verminkingen vertonen waardoor van de vijf phonemen er twee overblijven, en wat er bij 'n meerwoorden-geheel gebeuren kan, zagen we reeds in de eerste paragraaf van ons vorige hoofdstuk zeer duidelik! Onbegrijpelik is dit alles, wanneer niet de Gestalt een, haar kenmerkende, geheel-verschijning vertoonde, die onder deze veranderingen der leden bewaard blijft. De kenmerkende geheel-verschijning berust op komplex-kwaliteiten waarvan de phonologie nog slechts enkele met moeite tracht vast te stellen. Een zeer belangrijke bijdrage tot de studie van dit vraagstuk leverde Fritz Röttger.30*) Hij bewijst afdoende, dat de Gestalt als geheel fungeert: ‘Entscheidend sind nicht, wie bisher fälschlich angenommen wurde, qualitative oder quantitative Unterschiede der sog. Aufmerksamkeit, die da isolierte Sonder-prozesse vereinzelter Lautvorstellungen bewirke; sondern spezifisch gefärbte Ganzqualititäten bewirken und bestimmen Werden und Gestalt.’ (blz. 214)

‘Der Primat des Ganzen vor den Teilen’ is het tweede feit dat uit zijn onderzoekingen onmiskenbaar naar voren treedt. Verder blijkt niet alleen het primaat van het betreffende geheel over de delen, maar ook de ervarings-eenheid openbaart zich duidelik. Ten vierde: ‘Endlich gestattete unser begrenzter Ausschnitt aus dem Leben der Sprache, den genetischen Primat des psychischen Ganzen - in jeder der von F. Krueger und seiner Schule unterschiedene Bedeutungen - weiter zu erhellen,’ (blz. 215) Hij bewijst, al gebruikt hij die term niet, dat de ‘Gestalt’ niet gevormd wordt uit bestaande ‘phonemen’; om het traditioneel te zeggen: dat het woord-beeld niet wordt opgebouwd uit klanken; hij bewijst aan de hand der feiten omstandig, dat de differentiëring van het aanschouwelike geheel, die wij in ons derde hoofdstuk bespraken, slechts geleidelik de kennis der Gestalt-momenten oplevert. Hij bewijst volstrekt niet - dat zou trouwens buiten het bestek van zijn studie vallen - dat in elk psychies geheel van het ogenblik álle onderscheidingen áltijd alleen uit dat geheel te verklaren zijn; hij bewijst alleen, dat de woord-Gestalt altijd als geheel

[p. 201]

fungeert, en dat haar momenten, in hun worden, uit dát geheel te verklaren zijn. We merken nog eens op: dit is iets anders dan te menen, dat elk moment altijd uit elk bepaald geheel van het ogenblik zou ontstaan. Dat heeft Röttger ook van zijn woord-Gestalt-momenten niet bewezen.

Wij toonden in ons derde hoofdstuk aan, dat elk woord bij zijn making, in zijn worden, altijd volkomen uit het ervarings-geheel dient te worden verklaard. Evenmin als de Gestalt uit háar momenten, wordt het woord uit zíjn momenten, Gestalt en betekenis, opgebouwd. Met het phoneem heeft het woord verder nog gemeen, dat het ook alleen in 'n geheel bestaan kan, dat het noodzakelik ervarings-moment is. Het woord als ervarings-moment verschilt van het phoneem in dit essentiële punt, dat het om te kunnen bestaan, geen bepaald geheel veronderstelt. Het vertoont een vorm van autonomie die aan het phoneem volkomen vreemd is. Het is juist de aard van het woord van geheel ongelijksoortige gehelen moment te kunnen zijn. Het phoneem kan als phoneem alleen bestaan in het grotere woord-Gestalt-geheel; het woord veronderstelt, om te kunnen bestaan, volstrekt niet een meerwoordengeheel; het kan als woord tegelijkertijd gebruiks-eenheid: zin zijn. Opnieuw stoten we op het fundamentele verschil tussen functionele taal-momenten en autonome taal-momenten: het phoneem is 'n functioneel aanschouwelik teken-moment, het woord is simpliciter teken.

In de woord-aanschouwelikheid vonden wij de wederzijdse functie van de Gestalt-behoudende momenten op zeer markante wijze uitgedrukt: enerzijds onderscheiden zich daarin de phonemen als diakritiese momenten van het geheel, en anderzijds poneert zij zichzelf op die momenten de bepalende komplex-kwaliteiten. Op beide berust haar kenmerkende geheel-verschijning: ‘Dass es in jeder Sprache eine abzählbare Anzahl, ein System... elementarer notae (de phonemen) gibt, ist eine der Grundthesen der Phonologie. Was ich hinzu behaupte, ist: es muss ihr sofort eine zweite Grundthese an die Seite gestellt werden. Eine These des Inhaltes, dass diese notae genau dort, wo sie vorgefunden werden und fungieren, im Lautcharakter des Wortes, ihre Partner, Berufsgenossen und Gegenspieler haben in den genannten Komplexcharakteren. Sollte dagegen noch irgend ein Zweifel aufkommen, so wäre, wie ich glaube, schon der Hinweis auf die Tatsache, dass die bestimmte einsinnige Reihenfolge der Laute im Worte ein noli me tangere im Gesamtgepräge ist, geeignet, ihn zu entkräften.’ (Bühler, Travaux IV blz. 47) De Gestalt fungeert niet alleen in haar verenigde phonemen, zij fungeert als geheel, en moet ook altijd als geheel fungeren, omdat zij als

[p. 202]

zodanig in de eenheid van het taal-teken is geponeerd.30**) Zelfs de tot 'n enkele klank gereduceerde uitwendige woordvorm kennen we in de woord-Gestalt, want de diakrise, die wij in het gebruik voltrekken, is er ene waarin wij het ‘woord’ ervaren: als m-o-r-g-e-n, m-o-ə wordt, kan deze laatste vorm, waargenomen, de Gestalt uitmaken van morgen, omdat, op welke wijze dan ook, aan de vorm een moment overbleef dat de diakrise mogelik maakt.

Hoe ver kan het verlies der geledingen gaan, zonder dat de eenheid blijkt te zijn opgeheven?30***) Wij weten het niet; maar wél weten we dit ene: altijd moet een aanschouwelik moment dat, gekend, als Gestalt-moment relevant is, aanwezig zijn. En is dat moment aanwezig, dan herkennen we in de Gestalt als geheel de vorm, omdat de Gestalt alleen als geheel functioneert in de teken-eenheid woord. We komen hierop uitvoeriger terug.

Terecht bestudeert Bühler de ‘Situationsindizien und Kontexthilfen’ die bij de totstandkoming der diakrise functioneren, doch zij veronderstellen toch altijd 'n relevant Gestalt-moment om de woord-ervaring mogelik te maken, en in communicatie een typies vorm-moment bovendien.30****) Het woord derhalve als gebruikt taal-moment, wordt ervaren aan een Gestalt, die als eenheid onafhankelik is van elke situatie, doch alleen afhankelik van het taal-systeem dat in woorden en hun gebruik is uitgebouwd.

Uit deze paragraaf resulteert ons de wetenschap, dat het phoneem een relevant woord-Gestaltmoment is, waarin we een bepaalde klank kennen, en de woord-Gestalt: een aanschouwelike ken-eenheid, waarvan de kenmerkende geheel-verschijning berust op de wederzijdse functionaliteit van phonemen en komplex-kwaliteiten, van welke laatste de in de

[p. 203]

tijd bepaalde opeenvolging der phonemen er ene is. De Gestalt-momenten zijn disjunctief relevant en alleen bepaalbaar ten opzichte van de woord-eenheid; de Gestalt als ervaringsmoment veronderstelt derhalve slechts enkele relevante aanschouwelike momenten. En ook hierin weer toont zich het verschil tussen de vrije synthese tot het gebruiks-geheel zin, en de blijvende eenheid die we in het woord gemaakt hebben. De woord-Gestalt veronderstelt tot volkomen begrip geen interpolatie der ontbrekende relevante momenten tot een ‘volledige’ Gestalt-realisatie; de zin, om als deze zin begrepen te worden, veronderstelt wel de interpolatie van de ontbrekende woorden. Vertoont een zin-schema een open plaats, dan moet een hoorder completeren, interpoleren. Dat kan uiterst eenvoudig zijn en bijna onopgemerkt verlopen, maar het veronderstelt niettemin een ogenblik van taalbeschouwing. De toevoeging móet geschieden, wil de hoorder het bedoelde geheel kunnen vormen. ‘De zin altijd begrijpelik’ is volgens de nederlandse taalgewoonten onbegrijpelik als de hoorder of lezer niet, minstens in de denk-act waarin hij dit geheel, ook in een zeer bepaalde situatie, plaatst, vervolledigt met is. De Gestalt r in ‘'keprgisterenochezien!’ eist geen aanvulling, geen interpolatie van welk phoneem of ander functioneel moment ook, tot haar, omdat de kenmerkende geheel-verschijning der Gestalt h-aa-r, die in dit geheel tot onderscheiding van het woord haar nodig is, is gebleven. Wel kan in de zin de melodiese bouw, ondanks het uitvallen van woorden, volledig herkenbaar blijven en het geheel nog als zin herkend worden, doch het kan niet als deze bedoelde zin worden begrepen, zonder dat er op een of andere wijze geïnterpoleerd wordt zó, dat het geïnterpoleerde woord, of altans de onaanschouwelike aanvulling, nu ook ervarings-moment uitmaakt; en van dit laatste is bij relevante momenten der woord-Gestalt geen sprake. Het waargenomen r fungeert in r als h-aa-r omdat het met de onaanschouwelike betekenis een, vóór elk gebruik bestaande, blijvende eenheid uitmaakt, die als gebruiks-mogelikheid een dynamiese potentie van de taal-gebruiker is.

Zijn we waar we wezen moeten? Volstrekt niet. We deden niet meer dan, na in het vorige hoofdstuk de verschijnselen onder het Gestalt-begrip te hebben gesubsumeerd, nu aan de Gestalt-verschijnselen een begripssysteem ontwikkelen, dat die verschijnselen zonder tegenspraak in onderling verband samenbrengt. Verklaarden wij de Gestalt zelf als ervarings-moment, verklaarden wij hoé zij functioneren kan als zij doet? Neen. Alle moeilikheden, die aan het voorstellings-begrip eigen zijn, blijven dwingend als te voren. Het is het woord als ervarings-gegeven dat ons in deze studie bezig houdt; het is dan ook de Gestalt als ervarings-moment, die wij nog steeds onverklaard lieten.

[p. 204]

Historica.

Toen de taalkunde zich psychologies oriënteerde,31) waren het de woord-voorstellingen, die het eerst en ten volle de aandacht trokken. Wundt ging voor; van Ginneken opende met een beschouwing over dit psychiese verschijnsel zijn ‘Principes’. Hij had, in die dagen, iets anders te bewijzen dan wij nu: hij had aan te tonen dat de voorstelling niet met de ‘gedachte’ samenviel, en hij bewees 't aan de feiten. Ondertussen is zijn standpunt, in de linguistiek evengoed als in de tekenleer, algemeen geworden. Ook zelfs Ogden & Richards, voor wie denken en aanschouwelikheid wèl samenvallen, wijzen toch de ‘voorstelling’ als denk-vorm af. Doch wat verstonden de onderzoekers onder ‘woord-voorstelling’? Een ervarings-moment dat, zoals we reeds vaak zeiden, de psychiese prae-determinant moest zijn van het gesproken, gehoorde, gelezen en geschreven woord. (Principes § 1-8) De articulatie werd beheerst door een motoriese articulatie-voorstelling; 't schrijven door 'n motoriese schrijf-voorstelling; het horen was mogelik door 'n auditieve voorstelling; 't lezen door een visuele. Die voorstellingen waren onderling verbonden, doch de band kon losser of vaster zijn. Ontbrak in een individu een dergelike voorstelling, dan trad een der vormen van ‘aphasie’ op. Het was duidelik, dat de voorstellingen zeer complex moesten zijn (§ 25 blz. 20), want de voorstelling werd gedacht als het noodzakelik adaequate kennis-correlaat van de gewaarwordingen, en de noodzakelik adaequate, gekende determinant van de bewegingen. De ‘voorstellingen’ - een ‘résidu’ veronderstellend - ontstaan uit voorafgaande uitgevoerde bewegingen of klank-waarnemingen, die men dan bewegings- of gehoor-beeld noemde, dat weer tot actuele voorstelling kon worden. Voor elke gewilde beweging werd een bewegings- of kinaesthetische voorstelling noodzakelik geacht.32) Zowel gehoorbeeld als bewegingsbeeld werden in de spraakhandeling duidelik als aktueel voorgestelde determinanten der articulatie aangewezen.

Dat de volwassene van dit alles zo weinig merkte - alleen soms als hij b.v. 'n woord niet vinden kon of 'n beter zocht - kwam door de automatisering; het ging allemaal zo gauw - en niet langer reflex doch automaties - dat we het verloop in de ervaring niet langer volgden.

De denk-onderzoekingen van de laatste twintig jaar, en het parallel voortgezette onderzoek der voorstellings-verschijnselen, maakten dat deze

[p. 205]

verklaring niet langer houdbaar blijkt. Al deze voorstellings-processen werden bij het kind ‘verondersteld’ als verklarings-mogelikheden. De veronderstelling is overbodig; ze hoeven evenmin voor 't kind te worden ‘aangenomen’ als ze bij de volwassenen bestaan.

De woord-voorstelling moment van woord-beschouwing.

Overgaande tot de bewijsvoering, dat de Gestalt inderdaad de verklaring biedt van de verschijnselen die we daaraan constateerden, staan we voor de moeilikheid, dat we uit de psychologie begrippen als leenwaarheden zouden moeten kunnen gebruiken, die helaas diezelfde psychologie ons nog niet aan de hand doet. We zullen ons daarom 'n ogenblik zelf moeten helpen.33)

Wij moeten beginnen ons vrij te maken van de mening, dat de aan-schouwelikheid in haar structuur of in haar functie zou veranderen, naarmate zij moment is van 'n waarnemings-ervaring, 'n voor-stellings-, of 'n denk-ervaring. Meyerson, Delacroix en vele anderen (Meyerson noemt Willwoll en Bühler) constateren aan het ‘image’ een zeer eigen-aardige structuur: ‘sous quelque forme qu'elle se présente, elle est déjà vision intellectuelle; elle présente à l'esprit des choses déjà élaborées, vues d'un certain point de vue, avec une schématisation correspondante, avec une accentuation de certains traits, un grossissement de certains caractères; elle est toujours un peu comme le croquis de l'artiste, qui exprime sa façon de voir le site.’ (Delacroix blz. 404) Zó echter kennen we in de waarneming ook de aanschouwelikheid der waarneembare ‘dingen’. De levendigheid, de volheid, het bewustzijn de ‘lijfelike’ tegenwoordigheid van het waargenomen aanschouwelike, het sluit aan op de actuele stimulering die het waarnemend subject mede doorleeft; wat hij echter van het ‘ding’ denkt, is in de waargenomen aanschouwelikheid ‘élaboré’, ‘verwerkt’, het is... gestaltet. We herinneren ons de kubus. In de voorstellings-ervaring, als tegengesteld aan de waarnemings-ervaring, beleeft ons ik dat ‘image’, die aanschouwelikheid, op een andere wijze dan in de waarneming: het is zich bewust van de subjectieve aard van het in deze aanschouwelikheid gekende: doch deze aanschouwelikheid zelf, is niet van een andere structuur dan de aanschouwelikheid waardoorheen we in de waarneming de dingen buiten ons denken. In de twee gevallen beleven wij het aanschouwelik gekende in een verschillende verhouding tegenover ons ik,

[p. 206]

doch de structuur van dat kennen zelf als aanschouwelik moment der ken-eenheid, waarin wij óf waargenomen óf voorgestelde dingen denken, vertoont in wezen geen onderscheid. In het voorstellen, duideliker nog dan in het waarnemen, vertoont zich het Gestalt-karakter. Het is niet anders in een denk-ervaring. Ook daár de schematisering der aanschouwelikheid, de accentuering van bepaalde momenten, de vergroting van bepaalde trekken, het fragmentariese van de ‘schets’. De feiten zijn psychologies gemeengoed. Het is de houding van ons ik, in het denken: de richting op het onaanschouwelike, die, schijnbaar, de functie der aanschouwelikheid en, feitelik, de helderheid van het aanschouwelike als ervarings-moment, doet terugtreden. Ook in het denken fungeert de aanschouwelikheid op dezelfde wijze en met dezelfde structuur als in voorstellen en waarnemen. Zoals de mens slechts één denken denkt, dat zich in verschillende phasen van betrokken-zijn manifesteert, zo aanschouwt hij ook slechts in één aanschouwelikheid, die zich in de phasen van het waargenomene, het voorgestelde en het om-dachte uit. En de macht der beide polen: aanschouwelikheid-onaanschouwelikheid, is omgekeerd evenredig met de functie der subjectiviteit; is deze subjectiviteit alleen eenheidgevend gestaltend, dan overweldigt ons de aanschouwelikheid: wij nemen waar; is zij eenheidgevend gestaltend en bewust aanschouwelikheid actuerend werkzaam, dan verliest die aanschouwelikheid het kenmerk der noodzakelikheid, dan schijnen wij haar te beheersen: wij stellen voor; schept ons ik, vergelijkend scheidend of vergelijkend verenigend, nieuwe eenheden, dan kon het zelfs schijnen of de aanschouwelikheid als ervarings-moment verdween: wij denken. De Würzburger Schule meende een ogenblik ‘anschauungs-loses Denken’ te vinden; zij heeft deze sententie laten vallen. Niet alleen dat deze sententie de eenheid van het menselike wezen onbegrijpelik zou maken, zij bleek ook bij voortgezette observatie onhoudbaar. Delacroix mag zeggen: ‘Ce que nous trouvons dans toutes les observations qui prétendent révéler une telle pensée pure, c'est le sentiment d'un savoir et d'un pouvoir, qui, si l'on y regarde de près, s'accompagne toujours d'opérations commençantes et au moins partiellement formulées.’ (blz. 406)

Deze veraanschouweliking is een noodzakelike voorwaarde voor het denken. Immers de gedachte bestaat alleen als moment der aanschouwelik-onaanschouwelike ken-eenheid, waarvan het ‘image’ het aanschouwelike lid uitmaakt; en het is derhalve onmogelik een ken-act te voltrekken, zonder het aanschouwelike lid dier eenheid te stellen of mede te reproduceren; de eenheid bestaat niet zonder de aanschouwelikheid. Op grond der geobserveerde feiten constateert Delacroix nog eens: ‘Il semble donc

[p. 207]

que, dans tous les cas, la pensée opère sur une donnée, sur quelque chose, sur un schéma, sur un signe. Nous n'apercevons jamais la virtualité pure sans un commencement de réalisation, le pur pouvoir sans un commencement d'exercice, la force sans le mouvement. Il est vrai que la puissance d'abréviation de la pensée est extraordinaire, et qu'un rien suffit souvent. Nous arrivons à faire tenir des développements entiers dans un mot.’ (blz. 411)

In al deze gevallen functioneert de Gestalt tegenover de gedachte als de inwendige vorm van een teken34): want in de eenheid die beiden uitmaken om te kunnen bestaan, zijn wij altijd op de zaak gericht, stellen wij altijd 'n niet-ik tegenover ons: ‘Bref, aucune image n'est une “simple” image, la fonction cognitive (c'est-à-dire la relation à la chose qu'elle signifie) est essentielle à son existence même.’ Meyerson (blz. 576) citeert deze woorden van Hoernlé en poneert daarmee het princiep der ‘Gestaltung’: de structuur der aanschouwelikheid is alleen uit haar functie in het tekengeheel te verklaren.35) De gedachte bepaalt haar structuur; zij is, inzover zij deze dient. Dit geeft haar geheel eigensoortige kwaliteiten, haar variabiliteit in constantheid b.v., die ons reeds zo lang bezig houdt: ‘l'image est à mi-route de la pensée, elle est du sensible transformé de la pensée’ (blz. 595),36) en zij is dat in alle

[p. 208]

vormen waarin zij zich openbaart, en in alle ervaringswijzen van ons ik: in de waarneming betrekt het denken het in haar gekende op het waarneembare, in de voorstelling op het in ons geproduceerde waarneembaar maak-bare; in het denken, als om-dachte aanschouwelikheid, als aanschouwelik moment t.o.v. de denk-eenheid heeft de aanschouwelikheid geen ‘zakelik’ betrokken ‘inhoud’ meer, doch steeds vertoont zij dezelfde Gestalt-verschijnselen. Meyerson hoeft niet, twijfelend, een ‘différence de nature’ tussen om-dachte aanschouwelikheid en het waarnemings-beeld te veronderstellen, zij zijn van dezelfde natuur, doch worden in een anders-soortige ervaring gebruikt.

Voor de aanschouwelike momenten der waarneming gebruiken we verder de term waarnemings-beeld, voor die der voorstelling: voorstelling en voor die ener denk-ervaring omdachte aanschouwelikheid. En evenmin als hun structuur en functie als aanschouwelikheid door dit verschillend gebruik verandert, evenmin verandert de aard der aanschouwelikheid door re-productie.

Elk aanschouwelik ervaringsgeheel is ge-produceerd; we hebben dat aan de feiten bewezen: het is uit het complex der prikkels niet te verklaren. We zagen verder, dat deze productie verklaard moet worden uit zijn functie in een ken-geheel. Die functie, waartoe het onaanschouwelik moment van een ken-geheel het aanschouwelike determineert, blijft de aanschouwelikheid in al z'n gebruiks-wijzen bij. Re-productie verandert daar niets aan. Ook het waarnemings-beeld, dat, eenmaal gevormd, tot potentieel ervarings-moment terugtreedt, wordt, bij hernieuwde stimulering, mede ge-re-produceerd; hierin verschilt het niet van de voorstelling of de omdachte aanschouwelikheid. Het voorstellings-karakter is evenmin een kwestie van het ge-re-produceerd zijn; het voorstellings-karakter is 'n kwestie van de houding van ons ik tegenover een niet-ik; daarin verschilt de voorstelling van waarnemings-beeld en omdachte aanschouwelikheid. Voorstelling en gereproduceerde aanschouwelikheid zijn dus niet zonder meer hetzelfde: voorstelling is ge-re-produceerde aanschouwelikheid in een voorstellings-ervaring. En daarmee zijn we aan de conclusie, die voor onze kwestie van zeer groot belang is: er bestaan geen woord-voorstellingen in taal-gebruik; woord-voorstellingen bestaan alleen in bepaalde gevallen van woord-beschouwing, in die gevallen nl. waarin deze beschouwing gericht is op de woord-Gestalt. Heel het voorstellings-begrip waarmee de linguistiek pleegt te werken, is 'n begrip dat tot 'n andere ervaringscategorie hoort, dan die van het taal-gebruik, dat 'n denk-ervaring is, en wel 'n ervaring waarin we gericht zijn op de zaken waarvoor we het woord gebruiken. Heel de woord-voorstellings-theorie

[p. 209]

kwam uit de studeer-kamer van taal-beschouwers, niet uit de vakkundige observatie van het werkelike taal-gebeuren. Consequent kwamen de vroegere onderzoekers tot de eis van prae-determinerende voorstellingen, want inderdaad moest volgens hun theorie - al kenden zij de hier gebruikte distinctie niet - van de beschouwing tot het gebruik worden overgegaan.

Synergie en Gestalt.

De aanschouwelikheid waarmee wij in taal-gebruik te maken hebben, is omdachte aanschouwelikheid, geen voorstelling dus, en geen waarnemings-beeld. Dit laatste eist enige verklaring; want 't is toch een onomstotelik feit, dat we in communicatie typiese geluiden waarnemen. Inderdaad maakt 'n dergelik waarnemings-moment deel uit van elke communicatie in taal, doch dit waarnemings-moment is functioneel volkomen betrokken op de denk-act zelf. Het aanschouwelik moment van 'n waarneming of 'n voorstellings-ervaring echter betrekken wij in die ervaringen op de zaak die we in de denk-act, waarvan die aanschouwelikheid moment uitmaakt, kennen: het bruin is de kleur van het paard. Dit is in taal-gebruik niet het geval; de typiese geluiden hebben geen ‘zakelik’ karakter: p-aa-r-d is niet het geluid van 'n paard, maar in de Gestalt p-aa-r-d geactueerd aan de waargenomen vorm p-aa-r-d, denken wij het paard.37) De woord-aanschouwelikheid als waarnemings-beeld bestaat alleen in de ervaring van de phoneticus, en wat de woord-voorstelling aangaat, daarover passim meer.

Nu wij zo de woord-Gestalt geplaatst hebben, kunnen wij - en dat is het volgende stadium van ons onderzoek - zijn verhouding tot de synergie, die de voorwaarde voor het bestaan der Gestalt als ervarings-moment uitmaakt, bestuderen.

Alle ervaring is alleen begrijpelik als 'n activiteits-wijze van het gehele individu, als de activiteits-wijze van een organies-psychies geheel, een organies-psychiese eenheid. Spreken van welk ervarings-moment ook, is tevens altijd impliceren van organiese processen die geen ervarings-moment uitmaken. Met de aanschouwelike en onaanschouwelike ervarings-momenten vormen deze processen de menselike handelings-eenheden, en het niet onaanschouwelike deel van deze handelings-eenheden noemen wij 'n synergie, 'n sensories-motories coöperatie-geheel.

[p. 210]

Dat deze synergie per se motories is, en niet alleen sensories, blijkt uit het feit der productie. Het geheel der organiese processen is niet uit sensoriese stimulering begrijpelik; het veronderstelt een structurering die ook het motoriese omvat. Doch deze sensories-motoriese synergieën vertonen een zeer bepaalde functionaliteit ten opzichte van het kennen: zij worden geconstitueerd, een bepaalde ken-act in het organies-psychies menselik individu mogelik makend. Het is in deze ken-act dat de synergie met haar functionele eenheid en structuur ontstaat. Niet alleen dus het sensoriese, doch ook het motoriese, vindt mede in de functionaliteit van de synergie ten opzichte van het onaanschouwelike, zijn verklaring. Kennend worden, onder het primaat van een denk-act, de sensories-motoriese processen opgenomen in een synthese, die een blijvend menselik handelingsgeheel kan uitmaken. Alles wat in deze synthesen, blijvende of niet-blijvende, moment is, deelt in de eigenschappen van het geheel. Momenten van een dergelik geheel, die in vorm volkomen gelijken op momenten die niet in dit geheel zijn opgenomen, verschillen dus per se functioneel: zij zijn niet dezelfde. Zelfs organies kan hun structuur niet dezelfde zijn, als de structuur van een organies gegeven dat niet in dit geheel is opgenomen.38)

Een dergelike handelings-eenheid kan blijvend zijn of alleen momenteel. Alle enkel ogenblikkelike, alle niet blijvende handelings-gehelen omvatten mede bewuste streefmomenten. Dit moment, uit zijn aard richtend in de momentele situatie, kan derhalve geen deel uitmaken van een blijvend geheel, doch wel worden blijvende gehelen onder de invloed van het momentele streven tot het vrije momentele handelings-geheel gedetermineerd. Zo maakt van elk ervaren enkel ogenblikkelik handelings-geheel, waarvan blijvende handelings-gehelen altijd moment zijn, ook een streefmoment noodzakelik deel uit.

Dwelshauvers zegt nu dat het ‘image’ niets anders is, dan ‘la notation consciente, d'une synthèse fonctionnelle’ (blz. 360), en ‘L'image se construit en même temps que les synergies fonctionnelles s'organisent dans le système nerveux.’ (blz. 384) En tenslotte, even verder: ‘Les images ne sont autre chose que l'inscription consciente de mécanismes régulateurs qui servent d'intermédiaires entre l'organisme et la conscience.’ (blz. 385) En omdat de synthese geconstitueerd wordt in een denk-act, is er één ogenblik waarop het relevant aanschouwelike als zodanig kennend

[p. 211]

geconstitueerd wordt, één ogenblik waarop elk ‘image’, elke ken-aanschouwelikheid ons bewust is, dat is het ogenblik van haar vorming.38*) In het gebruik kan de synergie nu verder functioneren zonder dat alle momenten, die in de kenmerkende geheel-verschijning relevant kunnen zijn, opnieuw tot ervarings-moment worden. Wat men gewoonlik ‘Gestalt’ noemt, is het ken-aspect van de zo juist geschetste synergie. Het ken-proces als menselike handeling is dus met het ervarings-moment niet uitgeput; het veronderstelt de werking der gehele synergie, ook van de organiese processen die geen ervarings-moment uitmaken. De mogelikheden die in het ken-aspect liggen, behoeven in het gebruik niet alle geactueerd te worden om deze synergie te doen functioneren; het is voldoende dat alleen zoveel der relevante momenten ons bewust wordt als nodig is om de kenmerkende geheel-verschijning te veraanschouweliken. En, welke momenten relevant blijken, is nog maar zeer weinig bekend. En zolang de Gestalt slechts middel is in een handelings-geheel van het individu, heeft zij evenmin zijn aandacht, als de hamer van de timmerman die 'n spijker in de muur wil slaan: ook die bekijkt niet bij elke klop de hamer. Hij bedient er zich van op een wijze dat we geneigd zijn te zeggen: hij grijpt ‘automaties’ toe; 't gaat om de spijker in de muur. Dat is ook de toestand van de aanschouwelikheid in het taalgebruik. Zij is middel, zoals het hele taal-teken middel is; wij kunnen van haar geen voorstelling maken, zonder het taal-gebruik als ervarings-wijze op te heffen.

De eenheid der activiteitswijzen.

Het is van het allerhoogste belang, voortdurend in het oog te houden, dat de menselike bewuste activiteit een eenheid uitmaakt van de verschillende menselike activiteitswijzen. Daaruit zijn vele feiten te verklaren. De Gestalt is dus ook niet alleen de door het denken gestructureerde aanschouwelikheid, de Gestalt is met dat denken één. Wel is zij van dat denken onderscheiden, doch hypotheties onverbrekelik zijn beide samengevat in de ken-eenheid. Wel heeft het denken de kracht nieuwe eenheden te stichten, wel kan in pathologiese toestanden de eenheid worden verbroken, wel is het mogelik de momenten afzonderlik te beschouwen, doch altijd gaat dit ten koste van de betreffende éénheid, die daarin wordt opgeheven.

In de blijvende handelings-eenheden neemt de Gestalt een dubbelzijdige functie waar: zij is ‘inscription consciente des mécanismes régulateurs’ tussen het organisme en het denken; zij is voor dat denken tevens omdachte aanschouwelikheid: zonder veraanschouweliking in

[p. 212]

'n Gestalt bestaat het denken niet; zij functioneert ook tegenover het handelen als geopponeerd aan denken. Zij is figureel veranderlik, maar denk-functioneel constant; zij is veranderlik binnen de grenzen waarin de ken-eenheid, waarvan zij het aanschouwelik moment uitmaakt, bestaanbaar is; en deze ken-eenheid is bestaanbaar, zolang zij zich ook aanschouwelik onderscheidt, zolang m.a.w. de Gestalt haar kenmerkende geheel-verschijning behoudt.39) Haar momenten zijn om dezelfde reden slechts disjunctief relevant: de Gestalt als ervarings-moment bestaat om de aanschouwelike diakrise mogelik te maken; en deze diakrise is mogelik aan het geheel; haar momenten zijn alleen secundair diakrities, d.w.z. diakrities binnen een systeem van onderscheidings-ken-merken, die verschillende Gestalten mogelik maken tegenover de verschillende gedachten, die door 'n Gestalt tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Ik bedoel dit: als wij maar tien gedachten te veraanschouweliken hadden, die nooit verenigd zouden kunnen optreden, zouden wij met tien volslagen onderscheiden aanschouwelike gehelen toe kunnen; de onbeperkte denk-mogelikheden echter eisen in de aanschouwelikheid, zoals de phonologen ten opzichte van de woord-Gestalt zo duidelik aantonen, een systeem om niet het absurde van menselike mnemotechniek te vragen.40) Het denken schept zich in de Gestalt een middel tot deze diakrise, en schept zich in diezelfde Gestalt nu een ervarings-moment, dat