terug  begin  verderprepost
[p. 263]

Zevende hoofdstuk
De zakelikheid der betekenis

Samenstelling van het hoofdstuk.

De gebruiks-aard van het woord, de vele aspecten die dat gebruik vertoont, maken het betekenis-vraagstuk tot een uiterst gecompliceerd probleem. Stelt men denken in taal geheel op één lijn met denken überhaupt, dan lijkt de zaak veel eenvoudiger dan wanneer men dat niet doet; dan kan men menen, weliswaar in taal niet met wetenschappelike begrips-vormen te doen te hebben, maar niettemin de begrips-notie ook op de betekenis te kunnen toepassen, zonder andere inconveniënten te ondervinden, dan een duidelike weerbarstigheid van sommige woord-categorieën om zich onder die begrips-notie te laten subsumeren. Er blijken dan te bestaan: begrips-woorden en.... Deze plaats is op zeer verschillende wijzen ingevuld. Het gemakkelikste is wel, ze niet in te vullen, en te zeggen: wat geen begrips-woord is, is geen woord. De meest recente, en een der meest consequente veroordelingen van dit, wel wat gemakkelike, standpunt, levert Bühler in zijn ‘Sprachtheorie’.

De grote moeilikheid, die de woordleer ondervindt is deze: zij constateert dat het woord een denk-moment omsluit. Welnu, een begrip is wezens-noodzakelik praediceerbaar, moet kunnen worden toegepast; maar hoe is het toch mogelik, deze toepasselikheid der woorden als algemeen kenmerk te blijven handhaven? Wat doen we b.v. met 'n voegwoord als dat? Betekenis hebben, is de noodzakelike voorwaarde voor 'n taal-moment om ‘gepraediceerd’ te kunnen worden. Van 'n woord als boom is de betekenis nogal eenvoudig; maar wanneer we naar de betekenis van dat vragen? We zullen trachten hier wat licht te brengen.

We moeten allereerst blijven bedenken, dat het woord gemaakt wordt in een denk-ervaring. Het woord is niet 'n ken-eenheid die we stellen in de waarneming. Het woord is noodzakelik een product van reflexie; niet per se van reflexie op taal, oorspronkelik zelfs wel per se van reflexie op niet-taal. Als product van reflexie, is het woord ‘vrij’ ten opzichte van de situatie, omsluit het 'n begrip omtrent eventuele situatie-momenten. Alleen het onmiddellike, alleen het waarnemings-

[p. 264]

denken, is volkomen situatie-gebonden; in deze zin is het woord natuurlik nooit volkomen situatie-gebonden. Dat is het antwoord op de vraag, die we ons stellen in de paragraaf ‘Het woord ooit volkomen situatie-gebonden?’ Wat alleen volkomen situatie-gebonden herhaal-baarheid zou vertonen, is geen woord. Onder dit opzicht laat het woord geen meer of minder toe: eo ipso dat 't gevormd is, is het bruikbaar in verschillende situaties, omdat het betekenis heeft. In ‘Betekenis of betekenisloosheid’ constateren we, dat 't best mogelik is, dat zich in taalgebruik 'n moment vertoont waarvan de Gestalt een woord-Gestalt zou kunnen zijn, doch dat nochtans geen betekenis blijkt te hebben, en dus geen woord is. Dus: is er betekenis, dan hebben we met een woord te maken. Dat is 'n enigszins gevaarlike uitspraak, al is zij waar. Ze kan zo gemakkelik verkeerd worden geïnterpreteerd. In ‘Twee vragen’ wijzen we er op, dat het noodzakelik is, scherp uit elkaar te houden de twee vragen die we ons, wat betreft de betekenis, moeten stellen; primo: heeft dit taal-moment betekenis; secundo: als 'n taal-moment betekenis heeft, is 't dan toch nog woord, als de betekenis niet zelfstandig toegepast zou kunnen worden? In ‘Categorematica en syncategorematica’ behandelen we kort Husserls opvatting van de kwestie. In ‘De aard der zakelikheid’ wijzen we er op, dat de aard der te symboliseren zaken wel degelik mee kan brengen, dat we daarvoor pas dan woorden kunnen maken, als ons denken verder gevorderd is; en in ‘Vorm-woorden’ wijzen we er op, dat 'n voegwoord als dat, 'n product van dat meergevorderd denken is. De vraag is maar, hóe wij ons vorming en gebruik dezer woorden moeten verklaren. Daarvoor is het nodig ons dieper te bezinnen op de aard van denken in het algemeen, en op de aard van het denken in taal in het biezonder. In de twee paragrafen ‘Logiese en psychologiese abstractie’ en ‘Noëtiese abstractie’ trachten we, aan de hand van meningen, ook van linguisten, deze verdere analyse te leveren, als een voorbereiding op de paragraaf: ‘Het logies abstracte en het woord’, waarin we uiteenzetten, dat het woord een taal-technies logies abstract karakter hebben kan, en derhalve ook onzelfstandig praediceren niets afdoet aan het woord-karakter van een taal-moment.

De verklaring, die wij geven, wijkt wezenlik af van die van Bühler. ‘De “Zeigwörter” en hun “Urfunktion”’ geeft een uiteenzetting van de fundamentele begrippen van Bühlers opvatting. In ‘“Zeigen” de anaphora?’ tonen we aan, dat Bühlers oplossing niet uit deze fundamentele begrippen kan worden afgeleid. In ‘“Urfunktion” en “Ausgangsbedeutung”’ zetten we uiteen, waar het tekort in de opvatting, die Bühler van de taal-techniese woorden heeft, ligt: hij stelt functie en teken-zijn op

[p. 265]

één lijn, ziet over 't hoofd dat ‘Darstellung’ een noodzakelik woord-moment is. We ontkennen helemaal niet, dat ook woorden ‘zeigen’ kunnen, maar we ontkennen wel, dat taal-momenten woorden zouden zijn, zonder dat ze ook ‘darstellen’. En dat dit geen logicisme is, bewijzen we nog eens ten overvloede in ‘Logicisme of linguistiek?’ Nu pas is 't mogelik het, reeds in het eerste hoofdstuk voortdurend geaccentueerde tekort in Bühlers ‘Organon-Modell der Sprache’ volkomen aan te geven: er is in Bühlers schema geen plaats voor de ‘betekenis’: waar woord moest staan, staan de ‘Schallwellen’.

Het is nu niet meer moeilik in te zien, dat Vendryes' theorie, die een parallel is van Wundts leer der ‘“Grund-” en “Beziehungselemente”’, ten onrechte de ‘morphèmes’, als zij zich als 'n woord schijnen te gedragen, op grond van dat morphème-karakter, uit de categorie der woorden wil laten vallen: wat de grammatiese traditie woord noemt is woord, voor zover wij kunnen aantonen dat het betekenis heeft. Het feit, dat het alleen onzelfstandig noemt, en het taal-technies karakter dier betekenis, doet daaraan niets af. In 'n eerste paragraaf: ‘De definities van “Sémantème” en “morphème”’ bewijzen wij, dat deze definities, afgezien van de theorieën die hij er verder uit ontwikkelt, niet juist zijn; in de tweede paragraaf: ‘Morphème en woord’ volgen we Vendryes' bewijsvoering en constateren we, dat zij, zoals we boven zeiden, niet bewijst, dat 'n taal-moment om z'n morphème-karakter, geen woord zou zijn. In ‘Conclusies’ bepalen we ons woord-begrip opnieuw nader, en leiden we met enkele woorden in tot het volgende, achtste, hoofdstuk: De betekenis-eenheid.

Het woord ooit volkomen situatie-gebonden?

De nieuwste nederlandse litteratuur, die zich met de aard van het woord bezig houdt, bevat omtrent de natuur der woord-eenheid uitspraken die met de inzichten, ontwikkeld in het vorige hoofdstuk, in tegenspraak zijn of lijken. Wij constateren, dat er geen ‘woord’ bestaat, of het vertoont bruikbaarheid in verschillende situaties. Zou iets inderdaad geen bruikbaarheid in verschillende situaties hebben, doch enkel tot één situatie beperkte herhaalbaarheid vertonen, dan kunnen wij het geen woord noemen. De woord-making is - wij bewezen dat overvloedig - 'n reflexe denk-act; en zo komt het woord, eo ipso dat het ontstaat, boven de gebondenheid aan één waarneembare zaak in één situatie, uit: het wordt als toepasselik gesteld. Elk woord veronderstelt 'n reflexe eenheid-gevende denk-act.

Langeveld ontwikkelt, met het oog op de onderscheiding der woord-soorten, een notie van ‘volstrekte, werkelikheidsgebondene taal’. (blz. 63) De interjectie hoort bij hem onder de ‘woorden’, maakt er

[p. 266]

zelfs een ‘soort’ van uit; maar ‘Men kan er niets mee mededelen, men kan het niet losmaken van de ene konkrete situatie waarin het voorkwam, het mist alle intellektuele, alle tijd-ontstijgende, alle objektiverende kracht. Het is nog geheel en al aan de onderkant der taal, aan de taal-drempel.’ (blz. 44) ‘De interjecties hebben alleen betekenis in een konkrete samenhang.’ (blz. 54) Het wil mij voorkomen, dat hij één van beide mogelikheden zal moeten kiezen: ofwel de interjecties hebben hún intellectualiteit, hún objectiverende kracht waardoor ze woorden zijn, ofwel ze moeten uit de categorie der woordsoorten worden geschrapt.

Hoe Bühler zich het probleem, dat hier ligt, opgelost denkt, zien we verderop. Ik geloof, dat Karl Vossler juist zag, toen hij over 'n interjectie als ‘Ach!’ schreef: Ein solches ‘Ach’ muss sich, um ein Satz zu sein, auf einen Schmerz beziehen, der nicht bloss empfunden und gefühlt, sondern auch vorgestellt, das heisst gedacht sein will als mein oder dein oder unser Schmerz,....’1) Ook wat op de ‘taal-drempel’ staat, is gesystematiseerd. Niet alleen dat het ‘phonematies’ gesystematiseerd is, maar het wordt, zoals von Humboldt prakties bewees (vgl. blz. 35), als taal gedacht. Prof. Pos heeft in 'n recente publicatie2) aan het vraagstuk, dat Langeveld stelt, een oplossing gegeven:3) het affect dat zijn uitdrukking vindt, wordt vorm: ‘De sprakeloze bewogenheid zocht naar een vorm, waarin zij voorgoed zou kunnen huizen. .... Met zijn uitdrukking heeft het affect ook zijn algemeenheid verkregen en daarin verdwijnt zijn oorspronkelike kwaliteit.’ Waarom? ‘De uitroep is vrij herhaalbaar en daarin verwant met het objectieve begripsteeken.’ Hoe wordt deze ‘verwantschap’ identiteit? ‘De affectieve uiting kan waargenomen en begrepen worden zoo, dat niet haar herhaling, maar haar vastlegging in symbolen daarop volgt.’ En op welke wijze geschiedt dit? Doordat de hoorder niet volkomen door het meegeleefde affect overrompeld wordt, zodat ‘de affectieve spraak op hem overslaat’, doch doordat hij een zekere afstand bewaart, en hij ‘deze ervaring (overneemt) op de wijze die zijn begrijpende situatie veroorlooft.’ Nu is 't hem mogelik het affect in 'n symbool vast te leggen en: ‘hij verleent aan het affect algemeenheid.’ ‘Wat het woord bij den hoorder oproept is een gedistantiëerd begrip van het affect.’ (blz. 224)

We zouden willen toevoegen: het affect dat zijn uitdrukking vindt in

[p. 267]

de kreet, wordt door de hoorder of spreker-hoorder (!) ingehoord in het phonologies systeem van hun taal, en door hen, situatie-begrijpend, als woord geponeerd. Zo kunnen we de a-r-r-r-r-kreet bij de tandarts tot 'n ‘woord’ maken, niet minder of meer dan ‘Juuch’ van de paarden-drijver, of en hola. En, wat Pos schrijft is letterlik toepasselik op elke handelings-index, die het eerste kinderlike klanken-voortbrengen uitmaakt, niet alleen op het symboliseren van het affect door kinderen of volwassenen. Ook ‘Onrationeel taal-gebruik’, zoals Langeveld het noemt (blz. 56), is niet mogelik, zonder actuering van onaanschouwelike momenten; dat zal bij de bespreking van Bühlers sententie uitvoeriger worden behandeld.

De toepassing van woorden die inderdaad op 'n laag interpretatieniveau staan (vgl. Langeveld blz. 63) - d.w.z. van woorden die zonder tussenschakel, stammen uit denken over waarneembare gegevens - kan deze (en andere!) woorden wel ‘binden’ aan het onmiddellike, doch te zeggen, zoals Langeveld doet: ‘Het deiktiese “dat” blijft gebonden aan het buiten de taal gelegen objekt, of psychologies (curs. v.d. schr.): het komt niet los van de onverwerkte “oorspronkelike” (Sassenfeld) voorstelling, van de “Individualvorstellung” (Frohn etc.)’, is in zijn tweede lid minder juist. Elk woord is van het onmiddellike los, want woord-making is 'n denk-act uit 'n denk-ervaring, en niet 'n denk-act der waarneming. Van het bestaan van een ‘volstrekt werkelikheids-gebonden taal’ weten wij niets. We weten alleen, dat we de woorden vaak voor het onmiddellike, voor het irrationele, voor het waarneembare, kunnen gebruiken. Waar we ooit met zekerheid kunnen constateren: hier is taal, daar is eo ipso de mogelikheid van gebruik in verschillende situaties aanwezig; dat blijkt uit de ervaring, dat leert de theorie. Dat een woord, volkomen situatie-‘gebonden’ gebruikt, door 'n gebaar zou kunnen worden vervangen, of zelfs volkomen achterwege zou kunnen blijven, bewijst volstrekt geen wezensgebondenheid. Staan we samen voor 'n bloemperk en zeg ik: ‘Wat 'n prachtig perk!’ dan is, gegeven dat ik spreek, alles aan deze zin weg te laten, en door 'n gebaar te vervangen, behalve de zins-melodie en 't ene woord prachtig.

De onderscheiding tussen ‘gebruik’ en ‘gebruiksmogelikheid’, die in Langevelds beschouwingen wel ligt, maar in deze kwestie niet expliciet naar voren komt, levert het, op het eerste gezicht misschien verbluffende resultaat, dat de zaak in wezen juist andersom is als de schijn zou kunnen doen vermoeden. Prof. Pos schreef mij in een correspondentie over deze kwestie: ‘overigens zijn hier twee opzichten te onderscheiden: 1. dat van het gebruik en het bewustzijn van den gebruiker; 2. het objectieve gezichtspunt. Voor 1. is er zeker een groot onderscheid

[p. 268]

tusschen een meer affectief en een meer logisch element: de gebruiker zelf houdt de uitroep (het affectieve) voor situatie-gebonden, voor bij benadering uniek; vanuit 2. gezien is het net andersom; die termen, die voor het bewustzijn van den gebruiker het meest aan de situatie (of het affect) gebonden zijn, die zijn tegelijk het meest-algemeen (“impliciet”), en worden door de taal zelf expliciet tot die algemeene functie gepromoveerd’.4)

De gedachte van Langeveld schijnt terug te gaan op Cassirers onderscheiding van 'n mimies, 'n analogies en 'n symbolies taal-stadium, waarin als enkel-aanschouwelik stadium het mimiese, wordt verondersteld. Junker toont het tekort in deze opvatting duidelik aan, en besluit: ‘Anschauliches und Unanschauliches meinende Bestandteile bilden keine geschichtliche Abfolge, kein Nacheinander, sondern Momente der sprachlichen Darstellung selbst, die auf einer jeden Entwicklungsstufe vorhanden sind.’ (blz. 15)

Om te bepalen of 'n kinderlike spreekhandeling, of 'n uiting van primitieven, de realisering is van 'n woord, is niet het feit, dat de zaak waarop de spreekhandeling is gericht, waarneembaar is, 'n criterium, - wél echter kan als criterium gebruikt worden: de wijze waarop dit richten blijkt te kunnen geschieden. En dan volgt, zoals wij reeds vroeger aantoonden, dat wij eerst dán recht hebben om te spreken van 'n woord, als wij te maken hebben, met 'n handelingsvorm, die niet enkel als re-actief handelen kan worden begrepen, doch die een reflexieve tussen-schakel veronderstelt. Terecht schreef Cassirer: ‘Der Laut ist noch nicht Sprachlaut, solange er sich rein als Wiederholung gibt, solange ihm mit dem Willen zur “Bedeutung” auch das spezifische Bedeutungsmoment fehlt. Das Ziel der Wiederholung liegt in der Identität, - das Ziel der sprachlichen Bezeichnung liegt in der Differenz.’ (I blz. 135-136) De moeilikheid is echter ‘Wiederholung’ van ‘Bezeichnung’ te onderscheiden. Minder juist is het dan ook, op grond van verschijnselen zoals Cassirer die uit het Ewe beschrijft,5) te menen:

[p. 269]

‘Allgemein lässt sich eine dreifache Stufenfolge aufweisen, in welcher sich dieses Heranreifen der Sprache zu ihrer Form, diese ihre innere Selbstbefreiung vollzieht.’ (I blz. 136-137) ‘Die eigene Form’ van de taal is bereikt in de woord-making überhaupt. De verdere ontwikkeling is niets anders, dan wat Langeveld ‘struktuurverfijning’ noemt. (blz. 93) De vorming van het ‘apparaat’ zelf, waarvan Langeveld spreekt, ligt in één lijn met de oorspronkelike woord-making, omdat ook deze reeds reflexie veronderstelt. Het betrekken der woorden op elkaar, zoals dat in 'n gebruiks-eenheid bestaande uit meerdere woorden gebeurt, is, wat betreft het ‘materiaal’, mogelik geworden door de woord-making, ook al is de ‘betekenis’ der eerste woorden, voorlopig alleen nog maar 'n ‘begrip’ van het waarneem-bare.

Cassirer heeft zich, al noemt hij Junker niet, toch tegen een dergelike critiek trachten te verdedigen (vgl. III blz. 264-265); m.i. is hij daarin niet geslaagd.

Brengen wij hetgeen deze paragraaf ons aan inzichten levert, weer in onze terminologie over, dan volgt daaruit, dat we moeten zeggen, dat elk woord ‘betekenis’ moet hebben, dat elk woord moet kunnen ‘darstellen’. Doch, dit te bewijzen scheen van ouds de linguistiek een hachelike taak. Zij vreesde voortdurend logicistiese ontsporingen. Wij zouden niet durven beweren, dat die ontsporingen altijd zijn uitgebleven. Wij zeggen niet, wat Bühler aan sommige taal-theoretici verwijt: ‘dass alle Sprachzeichen Symbole derselben Art sein müssen,’ (Sprachtheorie blz. 107), maar wij zeggen wél, dat er geen woord kan zijn dat niet ‘darstellt’, omdat elk woord, ook het meest ongrijpbare partikel, om bewust te kunnen worden gebruikt, het onaanschouwelike moment moet omsluiten, dat de mogelikheid van zijn bestaan als gebruiks-teken conditioneert. - Het vraagstuk is met deze weinige opmerkingen niet afgedaan; wij zijn ons daar volkomen van bewust, en we zullen het nog opnieuw ontmoeten.

Betekenis en betekenisloosheid.

In de referent, als denk-handelings-eenheid, die moment uitmaakt van de woord-eenheid, stellen wij een niet-ik tegenover ons. Treffen wij bij ons onderzoek van het taal-gebruik een taal-moment aan, waarin wij geen niet-ik tegenover ons stellen, dan is er geen sprake van, dat het betreffende moment een ‘woord’ uitmaakt. Een taal-moment dat niet ‘darstellt’, en waarin wij toch 'n woord-Gestalt zouden menen te herkennen, is geen woord. Wij weten uit de taalgeschiedenis hoe ‘woorden’ tot suffixen geworden zijn, hoe ‘woorden’ zijn verdwenen, hoe uit twee woorden één ‘woord’ werd. Wij weten, dat op het ogenblik geen enkele taal-gebruiker, ook niet de meest doorgefourneerde taal-historicus, terug ‘gebruikt’ als

[p. 270]

te rugge (of te rug); wij weten bovendien, dat taal-gebruikers met de ‘woorden’ van 'n bepaalde taal op zeer verbluffende wijze omspringen. 'n Sigaar is 'n sigaar, en wanne is 'n brabants vraag-partikel. Wanneer het waar is, wat men mij eens vertelde, dat een brabants moedertje tegen haar heer-neef zei: ‘Toe ge vat 'n si-wanne-gaar?’, dan zou iemand twijfel kunnen krijgen over woord-karakter, over ‘zakelik’ betrokken zijn en andere fraaiigheden. We staan voor 'n willekeur, waarbij elk systeem schijnt te moeten wijken. We behoeven niet verder te gaan dan van ‘schijn’ te spreken. Want alleen voor hem valt de grondslag onder het systeem weg, voor wie grondslag en systeem identiek zijn met het in zijn ontwikkeling voltooid zijnde en tot onbewegelikheid gekomene. Welnu, dit is met geen enkel taal-verschijnsel het geval. In deze zin is er in de ervaring niets constant. Het gemeenschappelik bezit der taal-gebruikers vermeerdert, verandert, en slinkt, terwijl zij het gebruiken; en bovendien laat dit gebruik hun speelruimte, op eigen wijze een bepaalde, voor samenhandeling geschikte, positie in te nemen. Het vermeerderen, veranderen en verdwijnen betreft ook de woorden - dat weten we - en we moeten derhalve er op voorbereid zijn, onder de gebruikte taal-momenten, momenten aan te treffen die, na woord te zijn geweest, geen woord meer zijn; momenten ook, waarvan we in een concreet geval niet in staat zijn uit te maken tot welke categorie zij in dat bepaalde gebruik behoorden. Dat wij geen taal kunnen gebruiken zonder te denken, wil niet zeggen dat we alles immer op dezelfde wijze denken en blijven denken: te in terug gebruiken we niet als het partikel te, omdat we het niet als het partikel te denken. Er is 'n verschijnsel waarbij 'n ‘woord’ tot een nog lager niveau van functionaliteit terugzinkt: Prof. Overdiep6) analyseerde gevallen uit 't Katwijks dialect van ‘een “overgangsklank”, eigenlik een “syllabe” of zelfs een “woord”, dat in den bijzinsvorm is blijven hangen na volkomen ondergang van zijn oorspronkelijke beteekenis en functie.’ (blz. 45) Het is o.a. de klank-groep e-n in zinnen als ‘Toe ze bij de poort en kwamme.’ waarvan het gebruik, vergeleken b.v. met: ‘Toe ze bij de poort kwàème....’ volkomen blijkt te berusten op de ‘syntactische klankvorm (‘d.i. accent, toonhoogte en quantiteit’). Zo'n klank-moment blijkt te functioneren als 'n moment, dat in de betreffende zinnen het evenwicht binnen die ‘syntactische klankvorm’ handhaaft. We hebben hier duidelik te maken met Gestalt-momenten van de ‘zin’. Dit en is geen ‘woord’. Het is evenmin woord als de -n- van ‘Toe .... regende-n-et.’, Gestalt-

[p. 271]

moment van regende of et zou wezen. De verklaring van deze verschijnselen hoort in een leer van de woordgroepen en van de zin, doch het constateren van het feit of we hier met 'n woord te doen hebben of niet, heeft te geschieden volgens de normen van 'n woordleer, die bij 'n geval als dat en, moet vragen, of er sprake is van ‘betekenis’ of niet. Het is best mogelik, dat we dit in een bepaald geval eenvoudigweg niet kunnen uitmaken, omdat ons de ervaring van de spreker ontoegankelik is, en eventueel vergelijkings-materiaal, zoals Overdiep zich verschafte, ons niet ten dienste staat. Dat is niet een onplezierige omstandigheid waarin alleen de taal-kunde kan geraken; op haar wijze staat elke wetenschap voor dergelike moeilikheden, en niemand heeft 't nog de wetenschap der wiskunde kwalik genomen, dat ze van 'n bepaalde figuur moeilik zou weten uit te maken, of 't nu wel 'n driehoek is of niet. Wat een taal-theorie te doen heeft, in een geval waarin een bepaald taal-moment zich niet als woord laat verklaren, is, aan te geven op welke wijze het dan wél kan worden beschouwd; en Prof. Overdiep heeft dit voor de en-vorm als evenwicht-moment van de ‘syntaktische klankvorm’ reeds gedaan.

'n Sigaar als si-gaar, heeft zo al evenmin veel verontrustends. Hebben we met een zeer biezonder geval van infigering te maken? Het is mogelik, maar, gezien het germaans taal-systeem, weinig waarschijnlik. Iets definitiefs te zeggen kan alleen gewaagd worden op grond van vergelijkings-materiaal en getuigenissen van de betreffende taal-gebruikers; en, beide ontbreken hier. Werd si als 'n bijv. naamwoord opgevat? Best mogelik. Wat heeft de gebruikster dan daarbij gedacht? Ik weet het niet. Het feit heeft voorlopig alleen dit nut, ons op onze hoede te doen zijn, om de mogelikheid steeds voor ogen te houden, dat de ene taal met z'n woord en woord-Gestalt wel eens op 'n geheel andere wijze zou kunnen omspringen dan de andere. Doch of we nu onder groenlanders experimenteren of in Patagonië of in Turkestan, de mensen zeggen ‘iets’; en waar we 'n taal-moment vinden betrokken op zo'n ‘iets’, betrokken op een niet-ik, en zich veraanschouwelikend in een bepaalde Gestalt, die in onderscheiden verbanden constant blijft, daar hebben we met een ‘woord’ te maken. Het wordt duidelik dat 'n eskimo-woord er dan wel eens anders uit zou kunnen zien dan het onze!

Twee vragen.

De cardinale vraag omtrent de aard van de ‘zakelikheid’ der betekenis, werd - waar zij de aandacht trok - tot nog toe steeds onder een of andere vorm gesteld als: een te verrichten keuze tussen zelfstandige en onzelfstandige ‘betekenissen’, die we op zelfstandige of onzelfstandige ‘zaken’ zouden toepassen: Koe was 'n ander soort woord dan tegen, omdat de bedoelde ‘zaak’ een

[p. 272]

andere was. Koe is 'n woord dat op poten staat, maar tegen!: Je moet toch ergens tegen staan. Er valt hier weinig tegen te zeggen. Doch, de zaak werd gecompliceerder, toen men op grond van een absoluut metaphysiek en geneties zinsprimaat, de ‘betekenis’ ging terug voeren op de ‘zin’ waarin het woord werd gebruikt: koe, ja, eigenlik moest 't buiten de zin geen ‘betekenis’ hebben, of eigenlik geen ‘eigenlike’ betekenis; maar enfin, koe, op welke manier we daar nu ook aan zouden komen, koe was toch wel 'n passabel ‘woord’. Maar nu tegen, het voorzetsel tegen? De zaak werd al bedenkeliker! In de zin heeft tegen 'n ‘betekenis’; 't is duidelik wat anders of je tegen de muur loopt of over de muur; in ieder geval is tegen 'n beetje raar ‘woord’. Maar wanneer we nu zeggen: ‘Ik wou dat-ie maar kwam!’ of ‘De was hangt te drogen!’ Dat en te, zijn dat woorden? Van welke aard is dan hun ‘betekenis’? Valt er hier nog wel iets zelfstandigs of onzelfstandigs te kiezen? Gecompliceerder nog werd 't vraagstuk, toen de zelfstandigheid of onzelfstandigheid ging worden afgemeten naar proclise of enclise: ‘K'eb honger!’ K'eb is toch eigenlik een eenheid; 'k geloof da'k'm zie!’ K'eb en da'k twee woorden?

Het is Vendryes geweest, die in zijn ‘sémantème’ - en ‘morphème’- theorie, een oplossing van het vraagstuk beproefde. En, daarbij moest het woord veren laten, veel veren. Ondertussen is het vraagstuk één facet van een veel wijder probleem, dat reeds dateert uit de tijd van de bloei der Griekse wijsbegeerte. Het heeft de aandacht gehad van de middeleeuwse logici en grammatici, en het kreeg opnieuw belangstelling van linguistiek en wijsbegeerte in de 19e en 20ste eeuw. Het probleem is dit: op welke wijze reageert de mens in de taal op de verschillende gebieden der werkelikheid; hoe en in hoever, vat hij in zijn ‘woorden’ de hiërarchie der zaken. - Alles kan in een woord worden vastgelegd, en geen enkel verschil der ‘zaken’, maakt 'n taal-teken meer of minder woord. Voor het meest tastbare voorwerp als 'n boom, voor de subtielste zielehouding, en zelfs voor de betrekkingen die we stellen in het taal-gebruik zelf, kunnen we woorden maken. En, zijn deze zaken eenmaal ‘verwoord’, dan kan de gedachte, waardoor we die zaken in het woord hebben gesymboliseerd, worden gebruikt op 'n wijze, die geheel afwijkt van de toepasselikheid van 'n begrip zonder meer. We hebben dit al in 't vorige hoofdstuk gezien; we zullen het in het volgende uitvoeriger bestuderen.

Doch nu komt de vraag, en dat is het facet van het probleem, dat ons hier aangaat: als de betekenis wat men - ten onrechte - noemt: onzelfstandig, is, als m.a.w. blijkt, dat we 'n taalmoment niet zelfstandig van de zaken ‘praediceren’ kunnen, is dat taal-moment dan nog

[p. 273]

wel 'n woord? Het antwoord, dat wij geven, luidt zonder enige aarzeling: het feit dat we 'n taaimoment - waarin we 'n niet-ik, 'n betekenis kennen - kunnen gebruiken, onverschillig op welke wijze wij de betekenis kunnen praediceren, stempelt een taal-moment tot woord.

Het is geen te sterke uitdrukking, te beweren dat in linguistiese beschouwingen, gewijd aan deze vraagstukken, de twee onderscheiden kwesties: heeft 'n taal-moment betekenis, en: hoe wordt die betekenis gepraediceerd, bijna steeds door elkaar worden behandeld, of zelfs door elkaar geward. Wij zullen trachten ze te onderscheiden.

Categorematica en Syncategorematica.

Vendryes' theorie der morphèmes en sémantèmes is niet uit de lucht komen vallen. Ze had 'n voorgeschiedenis in logica en wijsbegeerte, en ook in de linguistiek uit de jaren van Wundt.

De traditionele logica onderscheidde de termen als ‘significans per se’ en ‘significans cum alio’. De eerste, de categorematiese termen, hadden op zichzelf beschouwd al ‘volledige betekenis’, de tweede, de syncategorematiese, hadden dat niet. Mens wordt om die reden als categorematies beschouwd, tegen als syncategorematies. Ondertussen werd deze verdeling gekruist door een ander princiep dan ‘volledige betekenis’, het princiep nl. van ‘zelfstandige bruikbaarheid’ als subject of praedicaat van een ‘propositio’. De categorematica konden ‘sine consortio alterius’ subject of praedicaat zijn, de syncategorematica konden dat niet. De logica drukte dat juist uit door te zeggen, dat de wijze van ‘betekenen’ der woorden kon verschillen. Op deze manier kwamen nu woorden als loqui, albus en homo onder de categorematica; de casus obliqui, en adverbia met praeposities, de conjuncties en bijv. gebruikte voornaamwoorden of relativa, onder de syncategorematica. 'n Adjectief als vlug heette categorematies, maar 'n adverbium vlug syncategorematies. Het is duidelik, dat daarmee het begrip der ‘completa significatio’ geweld lijdt. Immers, de complete of incomplete ‘betekenis’, is 'n vraag omtrent het niet-ik, dat we in een woord tegenover ons kunnen stellen, en het princiep der bruikbaarheid als subject of als praedicaat, is 'n vraag omtrent de wijze van noemen.7) Of niet de middel-

[p. 274]

eeuwse grammatici uit hun verdelingen meer hebben weten te maken, dan het zo op 't eerste gezicht zou lijken, moge voor 'n andere studie voorbehouden blijven; een feit is, dat de moderne Phaenomenologie in haar leer der betekenissen eenzelfde uitgangspunt kiest, en niet zonder succes van hieruit voortbouwt. Brentano werd gevolgd door Marty en Husserl. En van de Phaenomenologie - het werk vooral van de laatste - kon Oesterreich schrijven: ‘In den letzten zwei Jahrzehnten hat sich um Husserl ein dauernd an Umfang wachsender Kreis von Anhängern gebildet, der die neukantischen Schulen bereits in den Hintergrund gedrängt hat.’8) En opnieuw heeft zich deze school de termini en de significationes, de ‘Ausdrücke’ en de ‘Bedeutungen’, tot voorwerp van studie gemaakt. Vendryes had, voor de oplossing van zijn problemen, hier veel verhelderends kunnen vinden.9) Vendryes echter noemt onder zijn litteratuur wel Mauthner, maar geen Marty of Husserl.

Ondertussen, wie als taalkundige Marty of Husserl leest, executeert zich; hun beschouwingen moeten voortdurend in een ander kader getransponeerd worden. Dit neemt niet weg, dat zij, en met name Husserl, voor een studie der betekenis belangrijke bijdragen leverden. Wij bespreken alleen wat voor ons van onmiddellik nut is.

Waardoor is het woord voor Husserl ‘woord’? Doordat wij, taal-gebruikend, in het woord op de zaak betrokken zijn. Niet de waarneembare woord-vorm, de ‘physische Worterscheinung’ is ‘woord’, doch ‘woord’ is het ervarings-moment waarin wij op de zaak zijn gericht: ‘Unser Interesse, unsere Intention, unser Vermeinen - bei passender Weite lauter gleichbedeutende Ausdrücke - geht ausschliesslich auf die im Sinngebenden Akt gemeinte Sache’. (blz. 40)10) Doet die ‘Sache’ iets aan de betekenis en het woord-zijn af? Neen, zegt Husserl: Onzelfstandigheid van de zaak en ‘onzelfstandigheid’ van de betekenis zijn niet correlatief. (blz. 313 vlg.) Wel zijn er, zegt hij, woorden met onzelfstandige ‘betekenis’. Het betreffende woord vraagt als het ware om aanvulling; dat geldt van 't voegwoord en, dat geldt van 't voorzetsel van, dat geldt ook van een geflecteerde vorm moeders. Deze woorden zijn ‘mitbedeutend’. Maar Husserl verwerpt terecht de sententie, als zouden er woorden of uitdrukkingen bestaan, ‘die bloss mitbedeutend sind, d.h. die für sich keine Bedeutung besitzen,

[p. 275]

sondern erst im Zusammenhang mit andern Bedeutung gewinnen’. (blz. 302) Het feit der afhankelikheid ontneemt aan 'n taal-moment niet de ‘betekenis’: ‘Auch ein unselbständiges Moment, z.B. eine intentionale Verknüpfungsform, durch welche sich zwei Vorstellungen zu einer neuen zusammenschliessen, kann ihren bedeutungsmässigen Ausdruck finden, sie kann die eigentümliche Bedeutungsintention eines Wortes oder einer Wortkomplexion bestimmen.’ (blz. 305) De ‘betekenis’ van het betreffende woord, is dan volgens hem geen ‘zelfstandige’, doch dit tast de constantheid dier ‘betekenis’ volstrekt niet aan. M.a.w. de zaak waarvan de betekenis wordt gepraediceerd, kan dan weliswaar een betrekking zijn, zoals in de praeposities, of een als betrokken gedacht ‘ding’, moeders b.v., doch deze zaak werd, op biezondere wijze, gesymboliseerd, verzakelikt, kenbaar gemaakt in een woord-eenheid, bruikbaar in verschillende situaties. Ook het syncategorematiese woord, onverschillig welk woord dat is, draagt op grond van zijn eigen aard, zíjn deel bij tot de vorming van het taalgeheel. En daarom worden ‘Synkategorematika .... verstanden, selbst wenn sie vereinzelt stehen; sie werden als Träger inhaltlich bestimmter Bedeutungsmomente aufgefasst, die nach einer gewissen Ergänzung verlangen, und zwar einer Ergänzung, die, obschon der Materie nach unbestimmt, (d.w.z. onbepaald ten opzichte van het concrete moment waarmee zij vragen te worden verbonden: “van huis”, “van goud”, “van moeder”, “van te veel spelen”) doch ihrer Form nach durch den gegebenen Inhalt mitbestimmt und somit gesetzlich umschrieben ist.’ (blz. 307) Verander, in de zin van een vertoornde vader, maar eens de voorzetsels: ‘Jij gaat maar van (zonder) mijn centen op reis!’ Het is totaal onmogelik, dat de voorzetsels uit de samenhang der termen hun betekenis halen, want is de betekenis van de rest een andere als de vader 'n ander voorzetsel gebruikt? Integendeel, niet de rest modificeert van of zonder, maar van of zonder modificeren de rest essentiëel. Het is waar, dat het gebruik van van of zonder verschillende situaties veronderstelt, maar het veronderstelt juist niet verschillende vergezellende taal-momenten; het veronderstelt geen contextueel onderscheid. En daarover gaat het. Zo draagt de praepositie aan het geheel der gebruikte taal-momenten haar deel bij, en wel een concreet bepaald deel. Zij bestaat op ‘deze bepaalde wijze’, omdat het in haar eigen betekenis ligt te kunnen bestaan. ‘Die Richtigkeit dieser Bemerkung wird evident wenn wir erwägen, dass derselbe synkategorematische Ausdruck in unzählichen verschiedenen Kompositionen auftreten und überall dieselbe Bedeutungsfunktion entfalten kann.’ (blz. 307)

Dat in het voorafgaande, moeders als syncategorematicum werd be-

[p. 276]

schouwd, was een gevolg van 'n juiste opmerking van Marty, een juiste opmerking, die echter op 'n minder juist beginsel moet worden teruggevoerd. Marty gebruikt in plaats van de termen categorematies en syncategorematies, auto- en synsemanties.11) Zijn minder gelukkige uitdrukking, dat synsemantika zijn ‘Zeichen welche nur mit andern bedeutsam sind’, en dat de rest autosemantika zijn, laten we maar voor wat ze is. Het criterium om de twee groepen te onderscheiden, is volgens hem daarin gelegen, ‘dass die einen, wie z.B. (amo) oder (komm!) schon allein genommen der Ausdruck eines für sich mitteilbaren psychischen Phänomenons sind, während dies von einer Partikel wie “wenn”, “aber”, und dergleichen nicht gilt.’ (blz. 207) Dit criterium is onjuist: mededeelbaarheid ‘für sich’ is ook aan synsemantika eigen. Ook partikels als wenn en aber kunnen ‘schon allein genommen der Ausdruck eines für sich mitteilbaren psychischen Phänomenons’ zijn. De voorbeelden liggen voor het grijpen: A: ‘Nou heeft-ie me toch z'n hoed in de trein laten liggen!’ .... B: ‘Maar!!’ - Men beroepe zich niet op het ‘für sich’ als zin-volheid der uitdrukkingen. Buiten elke situatie is amo niet minder zin-leeg dan wenn; ze verschillen dan wel in hetgeen zij kunnen betekenen.

Er ligt in 'n beschouwing der ‘Termini’ of der ‘Ausdrücke’, zoals wij die hier 'n ogenblik volgden, een fout, die voor de linguistiek - en misschien niet voor haar alleen - geweldige gevolgen heeft gehad. Is het wel waar, dat er woorden zijn met ‘onzelfstandige’ betekenis? Wat is dat: onzelfstandige betekenis? Als deze uitdrukking voor het woord werkelik iets betekent, dan zou dat alleen kunnen zijn, dat het denk-moment in zo'n woord geen blijvende eenheid uitmaakt, doch per se moment is van 'n bepaalde grotere blijvende eenheid. We moeten spreken van blijvende eenheden, want Husserl merkt inderdaad terecht op, dat ‘mitbedeutend’ zijn, niet betekent, dat die woorden ‘erst im Zusammenhang mit anderen Bedeutung gewinnen,’ doch dat dergelike woorden een ‘eigentümliche Bedeutungsintention’ hebben. Maar, dergelike woorden zijn nooit momenten van grotere blijvende eenheden, want hun kenmerk is juist, dat de eenheden waarin ze kunnen optreden, wat betreft het lid dat hun ‘betekenis’ zou completeren, zou ‘ergänzen’, volslagen verschillen; we herhalen: ‘van huis’, ‘van goud’, ‘van moeder’, ‘van te veel spelen’! Wat is er dan eigenlik onzelfstandig aan deze ‘betekenissen’? Als we de zaak op de spits zouden willen drijven, konden we antwoorden: niets!

[p. 277]

Husserl wijst er immers zelf op, dat deze ‘onzelfstandigheid’ heel rustig 'n woord 'n woord laat! En toch is er aan deze woorden wél iets onzelfstandigs; doch dit onzelfstandige ligt niet in hun betekenis als diakrities woord-moment, of in hun referent als structurerend woord-princiep, maar het ligt in hun wijze van noemen. Ze worden, zoals ze nu eenmaal gemaakt zijn, niet gebruikt, om zelfstandig de onzelfstandige zaak, die in hen gesymboliseerd is, te noemen; doch, ze noemen alleen, ze worden alleen toegepast, in betrekking tot - en derhalve in afhankelikheid van - andere ken-momenten der ervaring waartussen zij intermediëren. Nemen we het voorzetsel nabij. Dit noemt, in afhankelikheid van andere ervaringsmomenten, de betrekking van: zich op kleine afstand bevinden. Nabij ‘verlangt’, zoals Husserl terecht zegt, naar zulke momenten om ze te verbinden. Nabijheid ‘verlangt’ op deze wijze niet. - Het was 'n fout, die ook de phaenomenologie niet vermeed, dit onderscheid voorbij te zien. Het is voor de linguistiek essentiëel. Wat blijkt immers? Dat we hier niet te maken hebben met wezenlike betekenis-verschillen tussen de woorden, tengevolge van verschillen die die structuur van het betreffende woord als woord zouden raken, doch met verschillen, die het woord in zijn functies modificeren, zonder de betekenis-eenheid en constantheid aan te tasten, d.w.z. zonder het woord als woord te raken. Allerlei linguistiese beschouwingen zijn door het verwaarlozen van de distinctie tussen symboliseren en noemen, tussen ‘Darstellen’ en ‘Nennen’, in logicisties vaarwater geraakt, en hebben hun linguisties woord-begrip opgeofferd aan een logies terminus- of Ausdruck-begrip. We ontkennen allerminst, dat het woord modificaties tengevolge van deze logiese verschillen zou vertonen, wij ontkennen echter wel, dat het daarom meer of minder woord zou zijn. We doen een nuttig werk, als we het begrip: onzelfstandige betekenis, in de linguistiek dáár plaatsen, waar het hoort. Doch, die plaats is niet bij de woord-betekenis, doch bij de categoriale woord-momenten. Daarover handelen we in ons achtste hoofdstuk. Woorden symboliseren nooit onzelfstandig, zij kunnen wel onzelfstandig noemen.

De aard der zakelikheid.

De beknopte bespreking van het verschijnsel der auto- en synsemantiek kan ons veel leren; en wel allereerst, wat wij hierboven reeds als stelling poneerden: niet de aard der in een taal-moment gesymboliseerde zaak stempelt een taal-moment tot ‘woord’, doch een taal-moment is woord door het feit dat een bepaalde gedachte - waarop die ook betrokken is - in een taal-gebruiksteken werd vastgelegd. Zoals we zeiden: alles kan in een woord worden gesymboliseerd; ook onze eigen houdingen, onze eigen acten, onze eigen ervaringen. Het

[p. 278]

ligt voor de hand, dat door het kind allereerst waarneembare dingen worden gesymboliseerd; het ligt eveneens voor de hand dat, naarmate de te symboliseren ‘zaak’ meer denk-werkzaamheid vraagt, het woord, waarin die denk-activiteit wordt vastgelegd, later verschijnt. Zolang we ons niet door de ‘zaken’ laten in de war brengen, zolang we niet metaphysies, ken-krities, logies, of psychologies het taal-verschijnsel beschouwen maar linguisties, ligt het evenzeer voor de hand, dat het volstrekt niet nodig is alle onderscheidingen van de werkelikheid die we kennen, in afzonderlike woorden te symboliseren. Het is een feit, dat het mogelik is veel-in-een te poneren, en dat veel ongesymboliseerd kan blijven. Flecterende talen drukken een meervoudigheid van gesymboliseerde zaken uit binnen een woord, dat ook Gestalt-verwantschap vertoont met het woord waarin de zaak niet als meervoudig wordt uitgedrukt; de ene taal drukt betrekkingen in praeposities uit, die de andere taal, met het fundament dier betrekkingen, in naamvalsvormen symboliseert; de ene taal drukt betrekkingen uit in woorden die de andere taal in het woord onuitgesproken laat; de ene taal plaatst handeling en tijd waarin die handeling geschiedt, of wijze waarop die handeling beschouwd wordt, of aard der handeling zelf, in één woord (aoristus); de andere taal gebruikt daarvoor hulpwerkwoorden, of laat bepaalde aspecten in het woord onuitgesproken.11*)

De juiste opvatting, dat taal meer is dan een bepaalde denk-vorm, dat het woord functioneert op een veel meer handelbare en communicatief affectieve wijze dan alleen zijn ‘Darstellungs’-moment toelaat, heeft van de andere kant het inzicht omtrent de eigen aard van het woord geen goed gedaan. Wel wat gemakkelik werd er getwijfeld aan het feit of 'n ‘woord’ betekenis had, werd verondersteld dat we te maken zouden hebben met 'n gewoonte-klankrest, een zinsevenwicht-factor, een loze vorm. Een vroeger logicisme maakte plaats voor een psychologisme. Als het waar is - en het is waar - dat de taal is ‘gestaltet durch und durch’, dan is de taal ook doordacht ‘durch und durch’, en dan zijn alleen dié aanschouwelike taal-momenten, die zich gedragen als een ‘woord’, geen woord, waarvan het, zoals van Overdieps voorbeelden, vaststaat, dat ze inderdaad alleen functioneel zijn.

In de ontwikkeling van de taal van het kind, verschijnen de ‘vorm’-woorden veel later dan de andere; zij behoren uiteraard tot de producten van een meergevorderd denken: zij berusten op denken over taal-gebruik. Hetzelfde geldt van flexie-vormen. Men heeft de ‘analogie’ te hulp geroepen om het verschijnen dier flexie-vorm te verklaren, maar het zal

[p. 279]

goed zijn te bedenken, dat ‘analogie’ de term is voor een reeks verschijnselen die wezenlik volkomen verschillen. Als door ‘analogiewerking’ adjectiva met 'n -e-uitgang voorzien worden, kan men zich trachten te behelpen met 'n associatieve verklaring, doch men doet beter eerst de Gestaltverschijnselen van woord-groep en zin te bestuderen. Maar als 'n kind spontaan gaat zeggen: ‘es wird nächter’,12) dan wordt ‘analogie’ ter verklaring van dit verschijnsel, indien men meent dat dit gebruik niet ‘denken’ veronderstelt, een leege term. Natuurlik, opzettelikheid in de zin van: beredeneerde vergelijking, veronderstelt ook dit voorbeeld niet, maar het veronderstelt wél, dat het kind in de comparatieven vergeleken met de positief, een graad-verschil kent, een graad-verschil heeft gedacht; dit gebruik veronderstelt vergelijking, deze vorming kan niet ‘onbewust’ zijn geschied, zolang men ten minste onder onbewust verstaat: die werkingen, die, ofschoon zich niet als ervarings-moment openbarend, toch moment zijn der synergieën, waarvan de ervaring het beleven uitmaakt.13)

Men kan een bevestiging vinden van deze opvatting in de overweging, dat er, wanneer de partikels geen eigen ‘betekenis’ hadden, geen enkele grond is aan te geven, waarom ze, als irrelevante momenten van een zins-Gestalt, niet reeds veel vroeger constant zouden optreden. De kinder-‘taal’ lijdt nu juist niet aan klanken-armoede. Pas wanneer de spreekbewegingen ‘denken’ gaan veronderstellen omtrent die bewegingen, op dat ogenblik worden de spreekbewegingen in hun wilde ontwikkeling geremd, dan verdwijnen ook ‘woorden’ die er vroeger schenen te zijn: waarom zijn er onder die ‘woorden’, behalve de interjecties, zo weinig ‘partikels’?14)

‘Vorm-woorden’.

Men heeft 'n voegwoord als dat, betekenis-loos verklaard; men heeft het beschouwd als 'n gewoonte-klankrest - waarvoor geen ‘logiese’ verklaring te geven is - die het zinslid, waarvan dit voegwoord deel uitmaakt, nu eenmaal voor ons taal-gevoel eist. De ontwikkeling uit het aanwijzende dat, zou wijzen op 'n verzwakking van de bewustheid waarmee de term gebruikt wordt, en de mogelikheid 'n

[p. 280]

dergelik ‘verbindings’-woord weg te laten, iets waarvan vooral vrouwelike taalgebruikers talrijke voorbeelden geven, zou de betekenis-loosheid voldoende bevestigen. Wat hiervan te denken? Het frappante is, dat niemand ontkent dat het gebruik van het voegwoord dat en dergelike ‘partikels’ bij de onderschikking, een meergevorderd denken veronderstelt,15) doch dat men anderzijds huiverig is, dat denken dan ook tot de grond te analyseren om te trachten zo tot klaarheid omtrent de daarbij gebruikte taal-momenten te komen. De mening van Prof. de Vooys, dat we hier te maken hebben met 'n tamelik jong ‘woord’, 'n product van hoger denken, is niet alleen juist, zij is fundamenteel voor heel het begrip van de structuur ener taal-ervaring. Wij ‘denken’ nl. ook onze eigen taal-structuur en de betrekkingen die deze structuur noodzakelik impliceert. Niemand twijfelt er aan, dat we de meervouden van substantiva en verba niet ook in een taalkundige onderscheiding denken, doch de daarbij gebruikte uitgangen, de categorie-kenmerken, zijn geen woord. Nu hebben wij wel een ‘woord’ om betrekkingen die we in een taal-ervaring noodzakelik moeten leggen, om de gebruikte woorden te begrijpen, te ‘ver-woorden’. Zo'n woord is het voegwoord dat.16) Dat ‘woord’ is volstrekt niet noodzakelik om de betrekking te ‘denken’: kinderen en primitieven komen er zonder voegwoord, en toch moet de betrekking gedacht zijn. Ook wíj kunnen zeggen: Ik geloof, dat-ie komt en: Ik geloof, hij komt. Maar in het eerste geval hebben we de afhankelikheid van het tweede zinslid ten opzichte van Ik geloof, uitdrukkelik verwoord, in het tweede geval niet. In het tweede geval bestaat de mogelikheid, dat wij die afhankelikheid, tijdens het spreken nog, breken, bestaat de mogelikheid uit te drukken, dat onze overtuiging van zijn komen sterker is, dan onze eerst geuite twijfel. In het eerste geval is de afhankelikheid van het tweede zinslid, na het eenmaal gesproken dat, niet meer weg te denken, zonder gevaar voor misverstand. De uitdrukking met dat is concieser, is dwingender in zijn taalkundige structuur dan de tweede, omdat wij gebruik gemaakt hebben van een, ook de logiese afhankelikheid binnen het taal-geheel symboliserend, ‘woord’. Het woord dat is niet ‘zakelik’ in deze zin, dat wij het gebruiken om er die betrekking zelfstandig mee te noemen, doch wel symboliseert het 'n zekere afhankelikheid, die we ook in ons taal-denken willen gesteld zien. Dat is 'n zuiver taal-technies woord. Het is natuurlik mogelik, dat we dit woord

[p. 281]

met meer of minder overtuiging gebruiken, we kunnen het ook ‘gedachteloos’ uitspreken; maar, we kunnen het niet helpen, dat we de term gebruikt hebben, die 'n bepaalde afhankelikheid symboliseert, een uiterst scherpe onderscheiding, die de taalgebruiker zich geschapen heeft in dit schijnbaar onbeduidend voegwoord.

Er is natuurlik geen sterveling die zich in z'n taal van alle dag reflex realiseert wat hij doet; en, we herhalen het uit den treure: dat is ook helemaal niet nodig om van denkend taal-gebruik te spreken. Doch, een dieper gravende linguistiek is niet verantwoord, als zij niet geheel de betekenis tracht te ontraadselen van de processen die zich in het taalgebruik voltrekken. Men mag haar van gemakzucht verdenken, als zij van bepaalde verschijnselen niet ook 'n verklaring in het denken zoekt, zolang zij niet van elders bewezen heeft, dat alleen irrelevante Gestalt-factoren hier een volledige verklaring bieden. En, voor ons nederlandse voegwoord dat b.v., heeft dit vooralsnog geen sterveling gedaan. We hebben te maken met een uitgesproken ‘synsemanties’ woord, waarvan de zaak bestaat in een in het denken zelf te voltrekken onderschikking en te poneren ‘afhankelikheid’, die zich bovendien in de structuur van de tekst kan uiten door een verandering der woordschikking. Het voegwoord dat is, om een uitdrukking van Langeveld te gebruiken, betrokken ‘op een relatie-kenmerk der taal zelf’ (blz. 65).

Logiese en psychologiese abstractie.

Bij de bestudering van het vraagstuk van de zakelikheid van het woord, gebruiken we impliciet of expliciet voortdurend de begrippen abstract en abstractie. Er zijn daarvan zeer verschillende vormen.17) Wij bespreken slechts de vormen die voor ons van belang zijn. Het logiese abstractie-begrip wordt gekenmerkt door weg-lating. We herinneren ons dat het luidde: ‘Actus, quo mens ex duobus vel pluribus natura sua conjunctis unum sine altero considerat.’ (vgl. blz. 189) Maakt men met dit logiese abstractie-begrip ernst, dan is het duidelik, dat we te maken hebben met een denk-technies procédé, met een ‘planmässiges Denken’.18) Deze logiese abstractie is 'n bepaalde vorm van hulpactie in het denken, een weg om tot iets anders te komen. Logies abstracte gedachten vertonen - en daardoor zijn zij als denk-technies procédé bruikbaar - weinig onderscheidingen: Het mens-begrip, uitgedrukt in

[p. 282]

‘animal rationale’ is, ten opzichte van de onderscheidingen die het mens-begrip vertonen kan, logies zeer abstract!

Abstract heeft ook 'n andere zin. Een kind dat de pop-gedachte blijkt te bezitten, heeft die gedachte uit aanschouwelike momenten geabstraheerd. Tegenover de aanschouwelike kennis wordt de onaanschouwelike nu psychologies abstract genoemd. Het logies abstracte is, omdat het onaanschouwelik is, altijd ook psychologies abstract. Maar volstrekt niet al het psychologies abstracte is logies abstract. Want niet al het psychologies abstracte is ontstaan in een denk-act waarin de mens ‘unum sine altero considerat.’ Het logies abstraheren veronderstelt: een vergelijkend laten vallen van onderscheidingen met een denk-techniese bedoeling. Daarvan is nóch in de waarneming, nóch in alle denken sprake.

Het logiese abstractie-begrip verkeerd toegepast, heeft zeer veel ontsporingen op zijn geweten. In zijn artikel ‘Wortart und Wortsinn’ wordt F. Slotty er de dupe van:19) hij meent dat de ‘Benennung eines Gegenstandes’ tot stand komt, doordat de mens de kenmerken van de zaken waarneemt, en de zaken nu naar dát kenmerk benoemt, dat het meest op den voorgrond treedt.20) Zeker, hij bedoelt dit niet ‘intellectualisties’, hij spreekt van ‘Affektbetontheit’, maar Slotty veronderstelt toch tenslotte een differentiatie in de waarneming, die alleen verklaarbaar zou kunnen zijn uit een logies abstractieve instelling. Wij behoeven slechts aan ons derde hoofdstuk te herinneren, om te mogen zeggen, dat de naamgeving in sommige gevallen bij volwassenen zo tot stand kan komen, doch dat deze wijze als algemeen procédé eenvoudigweg niet bestaat. Er komt nog iets anders bij. Porzig schrijft: ‘Bekanntlich erfordert es ein ziemliches Mass von Reflexion, sich die Merkmale eines wahrgenommenen Gegenstandes zum Bewusstsein zu bringen’.21) Hoe komt het, dat 't moeite kost de kenmerken aan een zaak te onderscheiden? Omdat wij gehelen waarnemen. Hij merkt op: ‘Sinnvollerweise kann man

[p. 283]

“Merkmale” doch nur “an” Gegenständen wahrnehmen’. Deze redenering is a priori, en men zal er moeilik iets tegenin kunnen brengen; maar bovendien: het feit dat wij gehelen waarnemen is een gegeven, door de moderne psychologie zo duidelik aangewezen, dat het niet prettig is, te moeten constateren dat Slotty het over 't hoofd zag. De denk-eenheid waarin wij een dergelik geheel kennen, is psychologies abstract. Nu is het juist, dat ook die eenheid zich aan iets moet onderscheiden, maar het is onjuist, aan te nemen dat dit ‘onderscheiden’ in de ervaring van de taalmaker zou betekenen, dat hij in die onderscheiding een kenmerk van de zaak zou moeten kennen; dat is veel te logies gedacht. Wij hebben geen enkel gegeven om aan te nemen, dat het feit dat de denk-eenheid zich onderscheidt, per se iets anders betekent dan: dat wij in haar de zaak kennen in oppositie tot het andere, tot alles wat niet deze zaak is. Het loont zeer de moeite van Ginnekens Kleuterroman daarop na te lezen. Te spreken van een ‘Merkmal .... im Vordergrunde des Bewusstseins’, of van ‘dominierende Elemente des Begriffs.... Begriffskerne.’22) is ‘hinein-interpretieren.’ Het kinderlike ‘begrip’ is een zich onderscheidend denkmoment: het ene ‘begrip’ is niet het andere; maar dat dit betekenen zou, dat er in dat begrip al iets ‘dominiert’, dat er zich al iets in zou onderscheiden, als geopponeerd aan iets anders, dat tot ditzelfde zou horen, daarvan blijkt niets. Het is, zoals van Ginneken het zo aardig beschrijft (Kleuterroman blz. 36 tot 40) zó, dat papa kan betekenen ‘er snort wat (voor mij)’. Natuurlik, die snor is 'n kenmerk van de zaak papa, maar de zaak papa is niet de zaak die Keesje kent; de zaak die Keesje kent is: ‘het snorrende (voor mij)’, en niet: ‘dat (grote b.v.) dat (voor mij) snort’, waarin het ‘snorren’ het dominerende zou zijn. Pas dán kan Keesje in zijn papa-gedachte iets gaan differentiëren - als iets, dat zich onderscheidt van het ‘snorren’

[p. 284]

- als Keesje moet leren, dat er op 'n verschillende manier ‘gesnord’ kan worden, als Keesje nl. zijn oom niet papa mag noemen! En, dan abstraheert Keesje weer volstrekt niet logies. Daarover aanstonds.

Het psychologies abstracte is: het toepasselik onaanschouwelike. Deze toepasselikheid van het psychologies abstracte, veronderstelt óok een weglaten, doch dit weg-laten is phaenomenologies iets geheel anders dan het logies abstraheren. - Het psychologies abstracte mist het kenmerk der individualisering. Al kunnen we in het psychologies abstracte op dit éne individu: deze ene biljartbal, betrokken zijn, de kennis-eenheid biljartbal zelf echter, waarin we op dat ene individu betrokken zijn, vertoont niet het één-biljart-bal zijn, zij is vrij van individuëring ten opzichte van de zaken waarop wij haar kunnen toepassen. Op deze wijze zijn nu alle woorden psychologies abstract, want zij omsluiten een onaanschouwelike denk-eenheid.23) Zij zijn daardoor echter volstrekt nog niet logies abstract. In het psychologies abstracte ligt het fundament voor het logies abstracte, het logies abstracte is tegenover het psychologies abstracte echter secundair.

Wij wezen er zo straks reeds op, dat het logies abstracte zeer weinig onderscheidingen vertoont, en dat zijn bruikbaarheid als denk-technies procédé daarvan afhangt. Tegenover hetgeen er aan de zaken kenbaar is, is het logies abstracte dus armelik aan onderscheidingen. Doch is het arm-zijn aan onderscheidingen, nu ook een kenmerk van het psychologies abstract-zijn? Volstrekt niet. En toch is het dit, wat telkens weer de taal-onderzoekers voorzweeft als zij schrijven, zoals Emil Winkler doet: ‘Aus dieser Gärung aber klärt sich das ‘reine’ Denken ab. Das innere Gesetz des Denkens, Ordnung und fortschreitende Abstraktion, macht sich geltend. Vor der Wellenlinie taucht im Geiste des Sprechers eine Gerade auf. Anders ausgedrückt: aus dem ‘sprachlichen’ Gedanken lässt sich der ‘reine’ Gedanke abstrahieren als das vom sprachlichen Gebilde ‘Bedeutete.’ (blz. 16)24) Op deze wijze dan wordt, meent Winkler, ‘der “erlebte” Ausdruck cantare habeo z.B. Zeichen für den “logischen”, rein Erkenntnis-mässigen Futurgedanken.’ (blz. 17)

Wij antwoorden: wat een taal-term ‘noemt’, is datgene in de zaken, waarop de betekenis is toegepast; en wat 'n taalterm

[p. 285]

‘betekent’ is datgene, is die ‘zaak’ sui genuis, die we in die taal-term tegenover ons kunnen stellen, of die we, in taalgebruik, actueren, en - al of niet - toepassen. De behandeling van Gustaf Sterns sententie heeft dat m.i. duidelik gemaakt. Het ‘begrip’, als pool waarnaar al ons kennen streeft, is niet het ‘betekende’, doch is hoogstens de limiet, waarheen ons symboliseren streeft. Het ‘reine’ begrip is voor de taal een ‘opgave’. Winkler is omtrent zijn ‘Bedeutung’-begrip niet duidelik,25) maar dat lijkt mij uit zijn opvatting toch wel zeker, dat hij meent dat de ontwikkeling van de woord-betekenis, vanuit de staat waarin zij betrokken is op het onmiddellik ervaarbare naar het enkel denk-bare, logiese abstractie is, altans weg-lating, en dus winst weliswaar aan ‘Begriffsfestigkeit und Begriffsschärfe’ (blz 31), ontwikkeling weliswaar tot een ‘Vollbegriff’ (passim), maar eo ipso verarming aan ervarings-mogelikheden. Ook aan Winkler was de eenheid-gedachte nog te zeer vreemd, en zo ontging ook hem de betekenis van een derde vorm van het abstractie-verschijnsel: de noëtiese abstractie, die, in tegenstelling met de logiese abstractie, geen weg-lating, maar vermeerdering, vervollediging betekent.

Noëtiese abstractie.

Alle onderzoekers zijn het er over eens, dat de kindergedachte aanvankelik zeer vaag moet zijn, zeer weinig bepaald. Dit betekent, in onze termen overgebracht, dat die gedachte zeer weinig onderscheidingen vertoont. Hetzelfde geldt van het onaanschouwelike moment van het kinderwoord. Men noemt de kinder-gedachte zeer concreet, zeer weinig abstract. Doch deze benaming is geheel uiterlik: die gedachte wordt dan nl. concreet genoemd, omdat de zaak26) waarop zij wordt toegepast, aanschouwelik blijkt te zijn. Ik zeg dat die benaming concreet geheel uiterlik is; de gedachte wordt nl. niet concreet genoemd voor zover wij in haar een zaak ‘precies’, of ‘omstandig’, of ‘naar de veelheid harer kenmerken’ zouden kennen, maar zij heet concreet, omdat wij in haar op 'n aanschouwelike zaak betrokken zijn. Het koe-begrip omsluit volgens deze opvatting niet de glans van de huid en de bonte kleur, niet de trouwheid van de ogen en de huiselikheid van 't beest, niet de gedachte aan de boter en de melk, en de roep vanuit de nevel in een voorjaarswei. Abstractie houdt in, zo meent men, verlies van dit alles, en terugvoering op een schema waardoor het beest z'n plaats krijgt in het systeem der dieren, der wezens allemaal tenslotte, een plaatsje op de logiese ladder. Tegenover de werkelikheid der kennis van één grazende koe, heet het koe-

[p. 286]

begrip’, - ook al brengt het ons op een wijder plan - mager, armelik; men zegt, dat wij, door het te vormen, aan ervarings-mogelikheden inboeten.

Na hetgeen voorafging, is het niet moeilik te zien, waar de fout ligt: men beschouwt als enige abstractie-vorm het logies abstracte begrip, en dat nog wel in de verschijningsvorm die het heeft in de wetenschappelike systematiek, - en men neemt bovendien ten onrechte aan, dat de kennis der vele kenmerken van de éne grazende koe, zou kunnen bestaan zonder een daaraan beantwoordend, vele onderscheidingen vertonend koe-begrip: men neemt aan, dat er ervarings-differentiaties zouden zijn, die niet als denk-onderscheidingen zouden zijn gesteld; men vergeet de volkomen eenheid tussen het aanschouwelike en onaanschouwelike.

De term abstract heeft ook nog de betekenis-schakering van: het ervarings-armelike onaanschouwelike, gekregen, doordat men alles afmat naar het denk-techniese logies abstracte. Welnu, er is een groei van ons onaanschouwelik kennen, een groei derhalve van ons psychies abstracte, waardoor ons inzicht steeds rijker wordt, steeds toeneemt, steeds meer omvattend zich uitbouwt. En dit is mogelik, omdat het psychies abstracte - dat wij zo noemden om zijn eigenschap der toepasselikheid - tegelijkertijd die biezondere vorm van de werkelikheid uitmaakt, die wij het noëties abstracte noemen.

Wanneer Keesje's vader nog voor Keesje ‘het snorrende’ is, heeft hij 'n zeer arm noëties abstract begrip van zijn vader. Met de jaren groeit zijn kennis, hij differentiëert zijn vader-begrip; hij differentiëert het in vele richtingen. Hij leert zijn vader beter kennen, en differentiëert hieraan het begrip dat hij van zijn vader heeft. Hij doet meer. Immers, hij kan zijn zo gevormd vader-begrip, deze denk-eenheid zelf, weer tegenover zich stellen als zaak; d.w.z. hij kan op zijn vader-begrip reflecteren. En deze onaanschouwelike zaak, het vader-begrip, kan hij nu vergelijken met vele andere begrippen, met zijn moeder-begrip, met zijn begrip van het goede, met .... alles. En hierdoor wordt dat vaderbegrip immer rijker, het blijkt steeds meer facetten te vertonen, het omsluit steeds meer onderscheidingen, die er in worden gesteld bij vergelijking met al datgene wat niet vader is; steeds wordt het voller, steeds onderscheidings-rijker; en zó lang kunnen wij elke denk-eenheid uitbouwen, tot zij in haar soort voltooid is, óf wij niet verder kunnen.27) Hier betekent abstract: een zich steeds voller ontplooien in de werkelik-

[p. 287]

heid; hier betekent abstractie: concretisering, niet in de zin van binden aan het aanschouwelik kenbare, doch in de zin van denkende ontplooiing van het vele in het éne, van - de term is ongelukkig - samenvatting, synthese, van het vele tot het éne, ontwikkeling van het ongedifferentiëerd gekende ene, in zijn differentiaties binnen die eenheid. En, in deze zin wordt er in het begrip niets weggelaten, doch er wordt integendeel iets in verwerkelikt, dat het individu, waarop het begrip eventueel toepasselik is, niet zijn kan zelfs, omdat dat individu noodzakelik de beperktheid vertoont van zijn enkel-dit-individu-zijn. Zo is het mens-begrip rijker dan de individuele mens, omdat het begrip een volheid van mogelikheden bezit, die in het individu slechts beperkt zijn gerealiseerd.28)

De noëtiese abstractie is de denk-pool waarheen ons menselik samenleven gericht is; in het noëties abstracte trachten wij te verwezenliken wat er in ons aan in het samenleven te realiseren denk-mogelikheden ligt. Tot dit noëtiese abstracte is het logies abstraheren, en het logies abstracte, één weg, volstrekt niet de enige; want het is niet alleen langs de weg der ‘methode’, de weg der wetenschappen, dat wij tot de wijsheid kunnen komen. Wanneer ergens, dan is het hier de plaats om 'n epitheton als levend en als star te gebruiken. En dan is het de levende noëties abstracte idee, waaraan wij het starre logies abstracte schematiese begrip tegenoverstellen.

Wij maken, om tot rijker noëtiese abstractie te komen, vaak gebruik van ons vermogen tot logiese abstractie. M.a.w. wij gebruiken denk-techniese logies abstracte begrippen als tussenschakel om tot een rijker noëties abstract begrip te komen: aan de hand van 'n logies abstract begrip van het taal-teken - dat tevens een mager noëties abstract begrip is - als: ‘Op de wijze der taal gevormde aanschouwelik-onaanschouwelike ken-eenheid’, ontwikkelden wij het woord-begrip. De logies geabstraheerde begrippen zelf, ressorteren dus onder het noëties abstracte. Het logies abstracte maakt van dat noëties abstracte een eigen middel-gebied uit, een kostbaar bezit, doch een - en dát zagen Winkler en met hem vele anderen zeer juist - zich duidelik als onvoltooid, als armelik, zich openbarend denk-verschijnsel: de wetenschapper die niet meer dan zijn denk-techniese, zijn logies-abstracte, begrippen ontwikkelt,

[p. 288]

blijft halverwege, en misschien nog niets eens zo ver, steken.29)

Wanneer wij nu nog 'n ogenblik terugzien, dan constateren we, dat het wetenschappelike spraak-gebruik voortdurend logiese en noëtiese abstractie dooreenhaalt. Een begrip dat weinig onderscheidingen vertoont, wordt abstract genoemd, en dan gezien op het plan van het logies abstracte, en men veronderstelt dat er veel uit is weggelaten; zo Slotty. Winkler meent dat abstractie gepaard gaat met verlies aan ervarings-mogelikheden, d.w.z. Winkler interpreteert de groei van het noëties abstracte als een vorm van logies abstraheren.30) Het logies abstracte is arm aan onderscheidingen, het is arm aan ervarings-mogelikheden, doch het berust volstrekt niet op een armelike noëtiese abstractie. Integendeel, het logies abstracte, om tot bestaan te komen, veronderstelt altijd een zekere ontwikkeling van het noëties abstracte. De armelikheid van het logies abstracte mag niet worden gemeten aan zijn deficiëren tegenover het noëties abstracte, het logies abstracte staat op een ander plan. Wel boeten wij, in het logies abstracte, in aan ervaringsmogelikheden, doch het is dan ook enkel een tussen-stadium waar het denken doorheen kan gaan om tot rijker noëtiese abstractie te komen.31) En inderdaad: wie in het logies abstracte blijft verwijlen, ‘leeft’ niet, ook niet als man van wetenschap.

Samenvattend: niet elke denk-act is psychologiese abstractie,

[p. 289]

wel zijn alle gedachten psychologies abstract. Psychologiese abstractie is de denk-act in de waarneming. In die act constitueren we de psychologies abstracte zaak: de gedachte. Psychologiese abstractie is het geven van toepasselikheid, noëtiese abstractie is dus evenals logiese abstractie altijd reflexie. Denken, als denk-ervaring of reflexe denk-handeling, veronderstelt altijd voorafgaande psychologiese abstractie en voorafgaand gesteld zijn van de grond-vorm van het psychologies abstracte: de onaanschouwelike kennis-eenheid in de waarneming. Alle denken neemt hier zijn aanvang, en alle gedachten zijn psychologies abstract. Maar, niet elke denk-act is psychologiese abstractie. Vervolgens: elke denk-act als moment van een denk-ervaring is noëtiese abstractie, en elke onaanschouwelike zaak, elk begrip, dat wij in 'n denk-ervaring als niet-ik tegenover ons stellen, is noëties abstract. Maar, niet elke denk-act is logiese abstractie. Logiese abstractie is alleen die denk-act, waarin wij uit het begrip onderscheidingen laten vallen, en nieuwe, minder comprehensieve, begrippen vormen als denk-techniese procédé's, hulp-middelen bij verdere noëtiese abstractie. - Het psychologies abstracte omvat dus mede, als toepasselik, het noëtiese en het logies abstracte; en het noëties abstracte omvat dus mede, als gekend toepasselik, het logies abstracte middel-gebied.

Het logies abstracte en het woord.

Het woord omsluit een denk-moment; we krijgen dus in onze woord-studie met het abstracte te maken. Zouden we ons tot een beschouwing der woordsoorten zetten, dan zou het psychies abstracte denk-aspect ons uitvoeriger moeten bezig houden; nú is dit niet het geval. In het volgende hoofdstuk zal het noëties abstracte onze aandacht meer vragen; op déze plaats, in déze paragrafen, staat het logies abstracte, zoals we dat in het gebruiksteken ‘woord’ vastgelegd vinden, op de voorgrond.

De mens schept zich het logies abstracte als 'n bepaald technies procédé. Het is veelvormig. Het taal-gebruik is 'n bepaalde vorm van denken; we zullen daarover nog uitvoerig handelen. Welnu, ook hier schept zich de taal-gemeenschap denk-techniese procédés, die wij toepassen in ons taal-denken. En nu bedoel ik niet, dat de aard der betekenis als gebruiks-gedachte meebrengt, dat de logiese figuren van het vrije denken in de taal-ervaring 'n andere vorm zouden krijgen,32) doch ik bedoel het simpele feit, dat wij woorden hebben gemaakt, die wij gebruiken om ons denken in, en met behulp van, taal op te bouwen en verder te voeren. Deze woorden zijn logies abstract.

[p. 290]

Wij kunnen er, als taalgebruikers, niet buiten, vele zaken namen te geven; maar wij kunnen er wel buiten, de betrekkingen die wij moeten stellen om onze meerwoord-gehelen op te bouwen, en zo de zaken in een hogere eenheid samen te vatten en in hun verband te zien, te symboliseren: ‘Jantje krijgt slaag, Jantje heeft 'n ruit gebroken!’ Ondertussen: wij hebben ons voeg-woorden geschapen, en nu kunnen we ook woorden als want of omdat of daar, gebruiken. We blijven bij het nevenschikkende want: ‘Jantje krijgt slaag, want Jantje heeft 'n ruit gebroken!’ Want, en ook omdat of daar en vele woorden meer, zijn taal-techniese woorden en in die woorden symboliseert de taal-gebruiker de betrekking, die tussen de twee woord-groepen ligt en waardoor de beide groepen leden zijn van de grotere gebruiks-eenheid. Deze woorden zijn ‘darstellend’, doch eo ipso dat zij in het taalgebruik ‘darstellen’, stellen zij de betrekking tussen de woord-groepen; eo ipso dat zij in het taalgebruik de betreffende betrekking ‘symboliseren’ is de betrekking gesteld en zijn daarmee de woord-groepen verbonden. Deze woorden zijn dus niet alleen ‘darstellend’, maar zij functioneren ook doordat zij ‘darstellen’, doordat zij symboliseren. Zij functioneren ten opzichte van de structuur van de gebruiks-eenheid zelf: zij zijn taal-technies functioneel; doch, zij functioneren taal-technies op grond van hun ‘Darstellungs’-moment, op grond van hun betekenis. Deze woorden worden én ‘darstellend’ én taal-technies functioneel gebruikt. Het ‘begrijpen’ van deze woorden in het taal-gebruik, het ‘Verstehen’,33) is nu eo ipso het stellen van de betrekking: want begrijpen, dat want betekent: de verhouding van grond en gevolg tussen het ruiten breken en het pak slaag krijgen, is de vereniging der woordgroepen, en het kennen der betrekking tussen de betreffende denkmomenten.

Worden deze woorden nu ook gebruikt om te noemen? Ja en neen. Laten we eerst het ‘neen’ nemen. Het zijn geen ‘Nennwörter’. We gebruiken ze niet om ze zelfstandig van de betrekking, die ze stellen, uit te zeggen. We gebruiken want niet om te zeggen: ‘De betrekking tussen Jantje's pak slaag en zijn ruiten breken is een want.’ We zouden zeggen: ‘De betrekking tussen etc. .... is redegevend.’34) Waarom doen we dat niet? Omdat wij dit soort woorden niet voor

[p. 291]

deze wijze van noemen gemaakt hebben. Hoe nu ook de feitelike ontwikkeling van deze woorden in elk concreet geval is gegaan: opdat zij kunnen functioneren zoals zij doen, was 't nodig, dat de gebruiker ze eenmaal maakte reflecterend op 'n taalgeheel, waarvan ze als onbegrepen moment deel uitmaakten. Ze worden gesteld als hulpmiddel aan 'n hulpmiddel, als 'n steel aan 'n hamer, als 'n pees aan 'n boog. Ze worden op de taal zelf betrokken. Ze zijn coöperatief, doch alleen middellik. Ze worden niet, zoals pap of eten, gebruikt voor de zaken waarop de spreekhandeling gericht was, maar ze worden gebruikt als 'n schroef aan een instrument. En zo begrijpen we, dat, al worden zij in dat instrument geactueerd, zij toch niet van dat instrument ‘gepraediceerd’ worden, dat ze niet zonder meer ‘Nennwörter’ zijn. Zij vervullen hun functie volkomen, doordat zij in het taalgebruik symboliseren: eo ipso dat zij in taalgebruik geactueerd zijn, is de betrekking gesteld. ‘Gepraediceerd’ worden van het grotere gebruiks-geheel, waarin zij functioneren, alleen die momenten, die gepraediceerd kunnen worden van zaken, die buiten het taal-geheel liggen. En in dit laatste komen we nu aan ons: ‘Ja’ van weinig regels terug. Deze woorden noemen ook, maar ze noemen onzelfstandig; ze noemen altijd in afhankelikheid van de noemende momenten, die zij in het taal-geheel verbinden. Want noemt in ons voorbeeld de reden waarom Jantje 'n pak slaag krijgt, 'n heel reële reden! Maar, want noemt alleen in afhankelikheid van andere ervarings-momenten die we toepassen. We gebruiken want nu eenmaal niet als zelfstandig noemend, omdat we 't zo niet gemaakt hebben. Maar ligt in want niet de mogelikheid tenminste, dat het woord toch noemend, maar ‘anomaal’ noemend dan, gebruikt kan worden? Die mogelikheid heeft want zeker. Gegeven eenmaal, dat we onze hoorder duidelik doen verstaan, dat we over de zin ‘Jantje etc’ spreken, dan zouden we gerust kunnen zeggen, dat de betrekking tussen Jantje's pak slaag en Jantje's ruiten breken een want is, en geen ofschoon.

Ondanks het feit echter, dat deze woorden onzelfstandig noemen, en dat ze ook voor zelfstandig noemen gebruikt zouden kunnen worden, zullen wij ze toch niet met ‘Nennwörter’ betitelen. Er is tussen hen en wat de grammatica naamwoorden pleegt te noemen, ook grammaties, inderdaad een zo groot verschil, dat het beter lijkt ons aan dat spraakgebruik te houden.

Beschouwen we deze woorden buiten het taalgebruik,35) dan

[p. 292]

zouden we kunnen zeggen, dat zij een soort uitnodiging geven aan de taalgebruiker, om 'n bepaalde taal-techniese denk-handeling te stellen. Doch, zij symboliseren niet de handeling, maar ze symboliseren de, in die handeling gestelde, betrekking. Alleen, dat uitnodigen is 'n beeldspraak, die ons prakties weinig verder brengt, want alle woorden nodigen ons tot denk-handelingen uit; alleen zijn die denkhandelingen vaak niet taal-technies. We wijzen op dit ‘uitnodigings’-aspect alleen 'n ogenblik, om er bij de behandeling van Bühler aan te kunnen refereren.36) Tenslotte: de betekenis van de taal-techniese woorden is logies abstract. De taal-gebruiker kan ze alleen maken, door uit zijn begrip der verenigde taalmomenten het moment der betrekking met een ‘taal-techniese’ bedoeling te analyseren.37)

Wanneer we de verschillende woorden tot logies-abstracte taal-techniese termen verklaren, bedoelen we natuurlik volstrekt niet, te beweren dat deze momenten niet als betekenis-loos moment van 'n zins-Gestalt in een meerledig geheel zouden kunnen worden gereproduceerd, dat ze m.a.w. niet ‘onbegrepen’ zouden kunnen worden voortgebracht. We gaan er zelfs van uit, dat 'n kind ze noodzakelik uit dergelike ‘onbegrepen’ momenten moet maken. We ontkennen al evenmin, dat deze woorden, meer dan andere, gedachten-loos en slecht begrepen kunnen worden gebruikt. Vgl. daarvoor Langevelds onderscheiding tussen taal-beheersing en eloquentie. (blz. 136)

Het is nu niet meer twijfelachtig, welke plaats een woord als het voegwoord dat inneemt: het is zeer arm aan onderscheidingen, omdat het de

[p. 293]

te stellen betrekking niet verder specificeert dan als ‘afhankelikheid’. Van de andere kant veronderstelt het een ver gaande logiese abstractie, en treedt het dan ook bij 't kind zeer laat op.38) Ten opzichte van het noëties abstracte plan, is het een uiterst waardevol bezit, doch het ressorteert voor de ervaring volkomen onder het logies abstracte plan. Pas een wetenschappelike beschouwing brengt het in het geheel van het noëties abstracte op zijn plaats.

Op het plan van het logies abstracte bevinden zich ook de pronomina, de lidwoorden en de voorzetsels. Het zijn de woorden die Langeveld (blz. 60 vlg.) tot de ‘gesloten woordsoorten’ rekent.39) Doch niet alle zijn betrokken op wat hij noemt: ‘een relatie-kenmerk van de taal zelf’; niet alle vervullen in de structuur van een groter taal-geheel een functie ten opzichte van die structuur zelf, waaraan zij als zodanig kenbaar zijn en niet alle nodigen in deze zin uit. De persoonlike voornaamwoorden b.v.40) zijn logies abstractieve denk-middelen, die dit taal-techniese karakter missen.41) Zij zijn weliswaar betrokken op een logies abstracte zaak, zij zijn taal-momenten van grote denk-techniese waarde, doch zij vervullen geen in hen zelf gesymboliseerde taal-techniese functie in het grotere taal-geheel, waarvan zij eventueel moment uitmaken.

Zoals eenmaal de oude logica een groot deel der denk-techniese middelen in haar beschouwingen der ‘termini’ vrijwel verwaarloosde, zo komen zij tans ook weer in de beschouwingswijze van het logisme te kort. Terecht schrijft Bühler van de logistiese strevingen, die dergelike termen willen ‘afschaffen’ (!): ‘Aber (dies) bedarf der Ausmerzung.’ (Sprachtheorie, blz. 104) Er is nog een ander streven om dit soort ‘abstracte’ woorden als ‘woord’ uit de grammatica te schrappen; het is vervat in d