terug  begin  verderprepost
[p. 362]

Negende hoofdstuk
Het woord als syntagma

Samenstelling van het hoofdstuk.

Dit laatste hoofdstuk is geen samenvatting, het is een slot-verantwoording, een confontratie van het ontwikkelde woord-begrip met de verschijnselen zelf die de grondslag uitmaken van theorieën, aan de onze diametraal tegengesteld: wij kennen het woord in taal-gebruik alleen als ervarings-moment. Nu is het woord ófwel moment in grotere woord-gehelen, ófwel het is op zichzelf alléén moment van geheel de situatie waarin het optreedt. Het woord dat wij in onze wetenschap als zaak geïsoleerd kunnen beschouwen, bevindt zich in een andere phase dan het gebruikte woord. Wij zijn van dat taal-gebruik uitgegaan, en hebben altijd het gebruikte woord als vergelijkingsmoment genomen, als wij tot het systeem-woord concludeerden, of het beschouwde woord tegenover het gebruikte woord stelden. Maar, wij abstraheerden niettemin van ons derde hoofdstuk af; wij abstraheerden - al beschouwden wij steeds het gebruikte woord - van het zins-geheel, van het ervarings-geheel, van de situatie, van het taal-systeem. Wij hadden daartoe het recht, omdat wij aan konden tonen, dat het woord zich in die gehelen onderscheidt, maar wij zouden onvolledig blijven, als wij het woord niet ook zijn plaats aanwezen tegenóver die gehelen. Wanneer wij ons tot deze taak zetten, is het eerste en voornaamste princiep dat ons daarbij zal leiden, dat alleen de ‘Convergentie der verschijnselen’ hier uitkomst kan bieden: we hebben er nu ter dege voor te zorgen, niet te abstraheren, ook niet van een enkel kenmerk, dat het woord blijkt te vertonen. Ondertussen is het onmogelik, al de cirkels waarbinnen het woord optreedt en schijnt op te treden, tegelijk te behandelen; we moeten dus wel ook hier, verdelen; maar ‘verdelen’ regelrecht ‘in ordine ad’ het meest nabije geheel. Zo komen wij allereerst tot de beschouwing der ‘verbanden’, waarin het woord bestaat. In ‘Isoleerbaarheid en verband’ constateren we nu, dat het woord in 'n verband, in een groep, gekenmerkt wordt door ‘isoleerbaarheid’. In ‘Isoleerbaarheids-aspecten’ beschouwen we, op welke wijzen zich het woord ten opzichte van de verbanden onderscheidt. ‘Woord-momenten en woord-

[p. 363]

scheidbaarheid’ behandelt vervolgens, hoe het woord zich, door zijn isoleerbaarheid, kenmerkt tegenover elk van zijn delen. Edoch, ziehier een nieuw probleem, dat zich voordoet: er zijn woord-momenten, die zich schijnen voor te doen als waren zij woord zonder meer, en die niettemin de isoleerbaarheid niet vertonen: wij stoten op de compositie. Wij bewijzen in de gelijknamige paragraaf, dat wij het compositum als een ‘secundair woord’ hebben te beschouwen, en dat zijn ‘componenten’ niet op dezelfde wijze, als de woord-momenten met niet-zelfstandige betekenis, hun betekenis aan de woord-eenheid ontlenen; de componenten veronderstellen het ‘simplex’ als bestaand woord, vóór zij in het secundaire woord als niet-autonoom, maar zelfstandig betekenis-dragend moment, kunnen worden geponeerd. Wij hebben het compositum nu te onderscheiden van de woord-groep; daartoe behandelen wij eerst in ‘Samenkoppeling en samenstelling’ de twee soorten van compositie, die zich, door een duidelik verschil ten opzichte van de woord-groep, van elkaar onderscheiden. In ‘Verband en compositie-structuur’ behandelen we de theorie, die het compositum als groeps-moment beschouwt. De paragraaf ‘De geheel-verschijning van het compositum’ past nu het compositum-begrip, als eigensoortige eenheids-notie, toe op de gevallen die om verklaring vragen, en tenslotte behandelt de paragraaf ‘Simplex en compositum’ zeer beknopt de vraag, of wij het recht hadden en hebben simplex en compositum toch beiden woord te noemen. Hiermee is het eerste deel van ons hoofdstuk besloten, en gaan we over tot de verhouding woord: zin, woord: ervaringsgeheel, en woord: situatie. Hier is 't mogelik een methode van ‘vereint schlagen’ toe te passen. Zo kunnen we in ‘Afhankelikheid of autonomie’ aantonen, dat het ontkennen van de woord-autonomie, onverschillig in welke verhouding, voortdurend tot inconsequenties moest leiden, en dat wij dus zullen proberen de omgekeerde weg te volgen, en niet van de autonomie der grotere gehelen, maar van het autonome woord uit te gaan. De bestaande onderzoekingen dwingen ons tot een verantwoording van ons standpunt tegenover het hunne. We beginnen met G. Sterns ‘context’-begrip, en de ‘Situation’-notie van Gardiner; dan volgt: ‘Naar aanleiding van Bühlers “Feld”-begrip’. In ‘Situatie’ nemen we nu zelf de leiding, en ontwikkelen óns ‘situatie’-begrip, en beschouwen vervolgens welke plaats dat tegenover het autonome woord inneemt; dat doen we in ‘Situatie en interpretatie’. Het blijkt dan, dat de situatie aan de taal-gebruiker vaste punten levert voor zijn woord-gebruik, maar dat deze niets aan de betekenis zelf, der woorden, laat staan aan hun autonomie ten opzichte van die situatie, af hoeven te doen. In ‘Veld van gebruik, context en symbool-veld’ zetten wij de eerste stap voor een

[p. 364]

verduideliking van de verhouding zin: woord; we steken de gebieden af waarbinnen wij die verhouding zullen kunnen uitzetten. Dan volgt in ‘Formulering’ de beschouwing van het meerledig taal-gebruik zelf: de zins-eenheid blijkt iets anders te zijn, dan de, in de tijd verlopende, formulering, die aan de eenheid-stellende act noodzakelik voorafgaat. Na deze stap is het eindelik mogelik de oplossing te geven van de, nog steeds niet geheel opgeloste antinomie, dat het princiep totum est prius partibus, als het juist is, meebrengt, dat het woord tenslotte toch tegenover het grotere gebruiks-geheel, dat de zin is, in een verhouding van afhankelikheid moet staan. Dat blijkt nu ook inderdaad het geval: als werkelikheid-stellend ervarings-moment is het woord ‘natura posterius’ aan de zin. Ondertussen is de laatste stap nóg niet gezet; nog steeds wacht de vraag een antwoord, op welke wijze wij ons de functie van de woorden in dat grote geheel, in zover het in de formulering wordt opgebouwd, hebben te denken. En opnieuw blijkt nu, in ‘Symbool-veld en schema’, dat de bouw-princiepen steunen op het autonome woord. In ‘Handelend denken’ volgt een laatste confrontatie van de gewonnen inzichten met het handelings-karakter van het woord. De laatste paragraaf: ‘Het taalsysteem’ plaatst het woord tenslotte in het geheel der werk-mogelikheden waarvan het deel uitmaakt, en lost de moeilikheden op, die tegen het woord als prae-determinerende werk-mogelikheid werden gemaakt, op grond van het feit, dat het gebruik aan alle systeem-vorming zou moeten voorafgaan. Dat het systeem geen ‘abstractie’ is, is dan niets anders dan een onmiddellike consequentie uit hetgeen wij op 't slot van ons vorige hoofdstuk reeds betoogden.

Convergentie der verschijnselen.

Jespersen maakt, waar de vraag naar het woord-criterium ter sprake komt, de uiterst belangrijke opmerking, dat er schrijvers zijn, die hierbij: ‘strangely overlook the really important criteria which we possess in this matter.’1) Als de vraag komt: welk wetenschappelik criterium kunnen wij tenslotte geven, om het ervarings-feit van het woord-bestaan in het meerwoorden-geheel kort te formuleren, dan vragen we naar een formule voor een reeks convergerende verschijnselen, die wij bij de analyse van dat feit vonden, en nog vinden zullen. Bühler schrijft: ‘man soll den Wert formelhafter Definitionen nicht überschätzen; immerhin sind sie der Einzelforschung da und dort erwünscht und in der vollendeten Theorie eines Wissensgebietes unentbehrlich.’ (Sprachtheorie, blz. 298) Niettemin: waarde hebben zij alleen, wanneer men er

[p. 365]

heel het complex van begrippen achter denkt, dat tot de mogelikheid van de formulering ener dergelike definitie leidde. Wanneer wij dus zeggen: het woord is het kleinste isoleerbare taal-moment, dan veronderstellen wij alles wat wij omtrent de woord-eenheid, de betekenis, de Gestalt, uiteenzetten. We veronderstellen dan eo ipso, dat de structuur van wat in de verschillende talen ‘woord’ is, volstrekt niet identiek hoeft te zijn; en we veronderstellen ook, wat Graff - een beetje anders dan wij het zouden doen - zegt: ‘In speech, then, we are bound to find components whose process of systematization is not sufficiently advanced to allow of any clear-cut classification. This is not due to a defect in the definition of the various systematic units, for instance, of the word, but to the evolutionary character of language.’ (blz. 123)

En niet alleen dat deze ontwikkelingsgang noodzakelikerwijs meebrengt, dat aan de verschijningsvorm van elk taal-moment in elke afzonderlike taal, alleen een hypotheties noodzakelike constantheid toekomt, een constantheid nl. die tot voorwaarde heeft, dat het taal-makend individu zich naar de systeem-gewoonten voegt, maar bovendien is het woord, dat, zoals wij in de voorafgaande hoofdstukken aantoonden, noodzakelike voorwaarde is van alle taal en taalgebruik, in zijn verschijningsvorm in elk verschillend taal-systeem ook verschillend. Dit alles brengt mee, dat de logies abstracte linguistiese woord-definitie voor de verschillende talen wel gelijkluidend kan zijn, maar dat een noëtiese definitie noodzakelik verschillen zal moeten vertonen. Immers, de woordstructuren (we denken aan het Paiute-woord en 'n nederlands woord b.v.) zijn in feite niet gelijkvormig, en de woord-groeperings-verschijnselen in de verschillende talen, verschillen in dezelfde mate. We worden dus in onze uiteenzettingen gedwongen, én om ons allereerst op één taal - in casu de nederlandse - te richten, en anderzijds te trachten, het contingente in de taal-feiten van die biezondere taal op te sporen, zodat tenslotte alleen dát kenmerk resteert, dat aan de bepaalde taal uit hoofde van haar taal-zijn eigen is, en dat dus aan elke taal eigen móet wezen. Daarmee is dan niet voor alle talen het laatste, maar .... het eerste woord gesproken! Dan immers volgt het onderzoek, hoe nu in elke afzonderlike taal dit kenmerk in de concrete systematiek feitelik gerealiseerd wordt. Het is de overtuiging van de schrijver, dat dit laatste prakties alleen te verwezenliken is in 'n reeks monographieën van linguisten die de betreffende talen ófwel tot moedertaal hebben, ófwel als 'n moedertaal beheersen. Dit zelfstandig voor 'n vreemde taal te beproeven, ligt buiten zijn competentie.

[p. 366]

Tenslotte: wie naar 'n kenmerk vraagt van 't woord als syntagma, veronderstelt syntagmaties verband, veronderstelt de woord-groep. En hiermede is tevens gezegd, dat een geheel volledig antwoord op de vraag naar een criterium voor het woord als syntagma, alleen te geven is in vergelijking van het woord met de groep-verschijnselen. Doch, de woordgroep is het stiefkind van de linguistiek. Van Ginneken werkte - in zijn ‘Principes’ - een voorlopige woord-groepen-leer uit. Hij noemt de groep daar ‘construction’, en definieert die als volgt: ‘c'est un groupe de mots, se succédant ou non, reliés ou non par l'écriture et séparés ou non par la ponctuation, mais qui se tiennent cependant et le montrent avec évidence par l'influence de forme ou de signification qu'ils exercent les uns sur les autres.’ (blz. 274) Edoch, de zin stond nog te zeer in het middelpunt van ieders belangstelling - daar zorgde Wundt voor - dan dat van Ginnekens eerste poging onmiddellik voldoende aandacht zou krijgen. Er gingen verschillende jaren overheen, voor Ries zijn ‘Wortgruppenlehre’ in het licht zond. Ondertussen ontwikkelden zich de psychologie en de linguistiek zoals ze deden, en van Ginnekens eerste project zou tans op een andere wijze dienen te worden verantwoord. Niettemin blijven zijn linguistiese uitgangsnoties volkomen intact, en kunnen we van de feiten, zoals we die bij hem vinden, uitgaan. Een recente uitgewerkte verklarende woordgroepen-leer bestaat niet. We zullen er ons dus op moeten voorbereiden, dat we sommige verschijnselen eenvoudigweg als vergelijkings-feit zullen hebben te nemen, zonder dit feit zelf nog te hebben verklaard.

Isoleerbaarheid en verband.

Het woord als syntagma kenmerkt zich door isoleerbaarheid.2) Onder een of andere vorm duikt het begrip van dit verschijnsel bij verschillende schrijvers op. Nagenoeg steeds wordt daarbij echter de convergentie der woordverschijnselen prakties uit het oog verloren, en ontstaat er, bij 'n abstractieve beschouwing van het enkele aspect: isoleerbaarheid, twijfel. Sapir aarzelt het minst. Dit laat zich gemakkelik begrijpen: hij gaat uit van het ervarings-feit der woord-onderscheiding, dat hij bevestigd vindt in het gedrag zijner proefpersonen. Hij constateert: de isolatie is er.3) Aan dit standpunt ligt het volkomen juiste inzicht ten grondslag,

[p. 367]

dat 'n taal-moment niet woord is omdat het isoleerbaar is, maar dat 'n taal-moment isoleerbaarheid vertoont omdat het woord is; de isoleerbaarheid is 'n criterium, meer niet. Redeneren vanuit ‘isoleerbaarheid’ in 't algemeen, zonder rekening te houden met hetgeen wij van elders weten, leidt tot niets.

Onder isoleerbaarheid versta ik: de scheidbaarheid van 'n taal-eenheid van en door gelijksoortige eenheden, waarmee zij in onmiddellik verband gebruikt wordt. Het begrip der isoleerbaarheid steunt op het feit, dat identieke taal-eenheden, de woorden, in verschillende gebruiks-gevallen vergeleken, in verschillend verband kunnen optreden.

De aspecten die het verschijnsel der isoleerbaarheid vertoont, zijn drieërlei:

1oScheidbaarheid door uitéénplaatsing, verder kortweg scheidbaarheid genoemd:
Langzaam onttrokken hem (lichte) nevels (verder) aan ons gezicht.
2oOmstelbaarheid:
Langzaam onttrokken nevels hem aan ons gezicht.
3oVervangbaarheid. Dit laatste aspect laten wij ter zijde.

Het is zonder twijfel een woord-verschijnsel, doch alleen secundair: het staat rechtstreeks in correlatie met het flexie-systeem, de woord-orde, en de woord-betekenis, zodat het alleen als secundair criterium van belang is. Bij de studie der woord-soorten doet het zijn diensten. (Vgl. Langeveld, blz. 50 vlg.)

De isoleerbaarheid veronderstelt verband. Dat vraagt 'n uitleg.

De woorden vertonen een verband als momenten van het zinsgeheel, én zij vertonen een verband als momenten eventueel van woord-groepen. Alleen dit laatste verband is hier voor ons van belang; het zinsverband is van 'n andere orde.4) Evenals de zin, vertonen ook de woord-groepen een eenheid, die een andere is dan de woord-eenheid, doch die hun anderzijds ook toekomt, onafhankelik van de zin als ‘Aktualwerk’: 'n trouwe hond. Z'n eenheid ontleent de groep aan het feit, dat ook hij denkend wordt geconstrueerd: de woorden worden in de groep op elkaar betrokken. We spreken niettemin van groeps-verband, omdat de groepen wel 'n structuur- maar

[p. 368]

geen betekenis-eenheid uitmaken.5)

De groepen kunnen onderling weer verbonden zijn:

‘[de nieuwe fiets] [(van) m'n jongste broertje]’ - Te zeggen, dat broertje en fiets b.v., in de verbonden groepen verband vertonen, zou n kleine correctie behoeven: de term verband wordt dan analoog gebruikt, en we spreken prakties over twee onderscheiden verschijnselen: verband tussen woorden, en verband tussen woord-groepen; daarover aanstonds in noot 7 wat meer.

Isoleerbaarheid der woorden wil nu niet zeggen, dat elk verband tussen de woorden in elk concreet gebruik altijd verbroken kan worden; het wil enkel zeggen: dat elk woord in andere verbanden, geïsoleerd ten opzichte van de woorden waarmee het in dit verband optreedt, vóórkomt. Als ik zeg: ‘Hedenavond om acht uur precies begint de uitvoering’, dan zijn acht en uur in dit verband niet isoleerbaar, maar ze zijn wel - door uiteenplaatsing - geïsoleerd in: ‘Hedenavond om zes, acht (en tien) uur beginnen de uitvoeringen.’ Van de andere kant, zijn woorden als acht of tien, de ‘bepaalde hoofdtelwoorden’, in 'n soortgelijk verband nooit scheidbaar van het bepaalde woord uur b.v. Toch zijn uur en tien duidelik ‘woorden’: ze vertonen in andere verbanden isoleerbaarheid.6)

Het verband dat de woorden vertonen is duidelik tweeërlei: verband in de tijd, en verband buiten de tijd. De woorden zijn in de tijd verbonden volgens het continu verloop waarin ze elkaar opvolgen, waarin ze dus volgorde vertonen; zij zijn buiten de tijd verbonden, zó, dat hun verband vrij komt van de volgorde. Het verband buiten de tijd kan direct of indirect zijn:7) Hij eet heel veel; eet en heel

[p. 369]

zijn in de tijd direct verbonden, doch buiten de tijd indirect; eet en veel zijn in de tijd indirect verbonden, doch buiten de tijd direct. Tenslotte: Hij eet veel; Hij en eet, en eet en veel, zijn én in de tijd én buiten de tijd direct verbonden.

Isoleerbaarheids-aspecten.

Opdat twee taal-momenten, momenten van één woord kunnen zijn, is het noodsakelik dat zij direct verband in de tijd hebben; het feit der woord-eenheid, als aanschouwelik-onaanschouwelike ken-eenheid, brengt dat mee: de aanschouwelike eenheid - en daarmee de woord-eenheid - wordt natuurnoodzakelik verbroken als de aanschouwelike momenten van die eenheid gescheiden worden door andere aanschouwelike eenheden.7*) Het begrip der distantie-composita hield, tenminste in zover men de delen van 'n dergelik ‘compositum’, als zij in de tijd niet direct verbonden optreden, als één woord beschouwde, hiermee geen rekening. Op deze wijze werd het woord tot een ‘begriffliche’ eenheid alleen, teruggebracht,8) en werd zijn aanschouwelike eenheid, altans impliciet, genegeerd.9)

We laten de composita qua tale (samenkoppelingen en samenstellingen), voorlopig buiten bespreking. We behandelen eerst, de al of niet flecterende, en de al of niet ge-affigeerde woorden. Woorden die wel in de tijd (en daarover gaat natuurlik altijd ons onderzoek), maar niet buiten, de tijd direct verbonden zijn, zijn altijd scheidbaar;10)

[p. 370]

woorden die ook buiten de tijd direct zijn verbonden, zijn niet in elk concreet geval scheidbaar. We hebben dat al bij het verband van 'n telwoord met een woord als uur gezien.

Dit laatste echter is nóch een speciaal woord-verschijnsel, nóch een speciaal groeps-verschijnsel; het hangt af van biezondere toepassings-gevallen der woorden in verband met de aard der te benoemen zaken, zonder dat dit door het woord-karakter, of door de groeps-verschijnselen, wordt bewerkt. In 'n logies abstracte definitie b.v., die op ‘omni et soli definito’ moet zijn berekend, bestaan er uit de aard der zaak ook bepaalde groepen, die geen scheidbaarheid vertonen; en evenmin bestaat die scheidbaarheid in ‘uitdrukkingen’, die berusten op toepassings-gewoonten in bepaalde situaties: de ‘Vader des Vaderlands’ b.v. of duideliker nog: ‘de uiterste dag’, vertoont geen scheidbaarheid; niet echter omdat we met biezondere groeps-verschijnselen te maken hebben, noch omdat er sprake zou zijn van 'n eigenaardig karakter der gebruikte woorden, maar eenvoudigweg, omdat we de gewoonte aannemen die groep van woorden op een bepaalde dag toe te passen. Dergelike verbanden geven natuurlik gemakkelik aanleiding tot het maken van nieuwe woorden; doch die aanleiding ligt niet in de woorden zelf der betreffende groep, noch in het systematies aspect van de groep-structuur, maar eenvoudigweg in psychiese condities, die voortdurende herhaling mee kan brengen.

De meeste woorden kunnen bilateraal gescheiden worden; er zijn er echter ook die in bepaalde gevallen alleen unilateraal scheidbaar zijn, en die in de totaliteit hunner aspecten beschouwd, toch het woordkarakter vertonen. Een dergelik woord is het partikel te voor infinitieven in praedicatieve functie:11) ‘de was hangt (vandaag) te drogen’. In andere verbanden dan dit, is te soms bilateraal scheidbaar soms alleen unilateraal. Het woordenboek onderscheidt bovendien de gevallen van ‘vrij gebruik’ van die gevallen, waarin te in min of meer vaste verbindingen voorkomt. Dat dit te gemakkelik z'n woord-karakter verliest en met 'n ander woord tot één woord wordt samengevat is over-bekend. In ‘vrij gebruik’ komt het in het nieuw-nederlands nauweliks nog voor; het treedt meest in vaste verbindingen op.

Te hoort tot de eigenaardige groep der ‘verbindingswoorden’; het is 'n betrekking-stellend, taal-technies woord. Uit zijn aard als verbindingswoord volgt, dat het noodzakelik bilateraal verband buiten de tijd veronderstelt. Een voegwoord als en vertoont altijd (vgl. noot 10)

[p. 371]

bilateriale scheidbaarheid, 'n partikel als te vertoont de bilaterale scheidbaarheid maar zelden; te zijnen behoeve, te dien einde. Wie de lijst der voorbeelden doorloopt ziet aanstonds, dat de aard van het verband in functie van de verbonden woorden, de scheidbaarheid beïnvloedt.

Men zou, omdat dit te voor infinitieven nooit scheidbaar is, het woord-karakter van dit taal-moment in dit bepaald verband, of altans het woord-karakter van dergelike momenten in sommig verband, kunnen gaan betwijfelen, als zich daartegen niet de onmogelikheid stelde, vormen als tedrogen als woord te isoleren. Het nederlands kent geen woord-eenheid tedrogen, het kent wel 'n verband te drogen. Voor wie eenmaal op zijn taal reflecteert, blijkt het woord, en ook dit woord, een onmiddellik ervarings-gegeven.12) Het kan niet anders, want het woord is de noodzakelik veronderstelde ervarings-onderscheiding voor alle taal-gebruik.

Waarop berust dit inzicht? Op het feit dat te zich opponeert tot drogen: de betekenis van drogen wordt door te niet gemodificeerd; dat moest wel het geval zijn, wanneer te en drogen een eenheid vormden; want te vertoont betekenis en functie. We staan voor 't feit, dat drogen zich duidelik als 'n eenheid tegenover te opponeert, en dat tóch dit te een betrekkings-betekenis en taal-techniese functie vertoont. Dit laatste zou onmogelik zijn, als te moment van 'n woord-eenheid tedrogen was: in dat geval immers, zou tedrogen noodzakelik zelf de mogelikheid van gebruik met andere woorden moeten bepalen onafhankelik van de aard van het verband; wij zouden moeten kunnen zeggen: ‘Hij gebruikt kalk tedrogen’, voor ‘Hij gebruikt kalk om te drogen.’

Bewijst nu het feit, dat te geen moment is van 'n woord tedrogen, dat te een woord is? Ja, want ook al is de woord-groep 'n eenheid, zij is van 'n andere orde dan de woord-eenheid: zij stelt geen betekenis-eenheid, doch betekenis-verband in een structuur-

[p. 372]

eenheid; de groeps-eenheid maakt een ‘schema’ uit, waarin we gewoon zijn de woorden op een bepaalde wijze te verbinden, omdat wij met soortgelijke woorden een soortgelijk verband kunnen constitueren. Een moment als te, met betekenis en functie, dat als ‘groeps-exponent’, of zo iets, zou fungeren, is onbestaanbaar, omdat het, als het geen woord zou zijn en geen woord-moment, z'n betekenis aan iets zou moeten ontlenen, dat zelf geen betekenis-eenheid uitmaakt, doch structuur-eenheid; de groep is geen som van betekenissen maar toch is er in haar aan ken-momenten niet meer dan de synthese der, in haar op elkander betrokken, woorden toelaat: wat betekenis heeft, moet woord zijn, of moet die betekenis aan 'n woord ontlenen. Beschouwen we nu het bilateraalverband’ dat de verbindings-woorden vertonen, wat blijkt dan? Dan blijkt dit: te vertoont evenzeer verband met hangt als met drogen, maar te vormt noch met drogen, noch met hangt een eenheid; te dankt derhalve z'n betekenis aan zichzelf en.... te is dus woord. Conclusie: taal-momenten die bilateraal verband vertonen zijn noodzakelik ‘woord’; taal-momenten die geen woord zijn, vormen, als zij betekenis hebben, noodzakelik met andere momenten een eenheid, en kunnen alleen in die eenheid ‘verband’ vertonen met andere taal-momenten, kunnen derhalve alleen - en dit nog maar ‘overdrachtelik’ - ‘unilateraal verband’ vertonen: het woord moeders (als enkelvoud) ‘vraagt’ naar iets (vgl. blz. 274 hiervóór), vraagt aanvulling, veronderstelt op een of andere wijze ‘verband’; maar de -s van moeders vraagt slechts eenzijdig ‘verband’, of liever een-wording. De -s in Moeders paraplu vertoont, buiten de tijd, geen ‘verband’ met paraplu, maar moeders vertoont dat verband wel: de -s is noodzakelik deel van een ander geheel, dat zelf weer kleinste isoleerbare eenheid is.

Het is duidelik, dat de scheidbaarheid moet beschouwd worden in functie van het verband, en dat Graff (blz. 122) dus met enig recht opponeerde tegen Jespersen, die schreef: ‘This is the crucial point: the French and English combinations are two (three) words, because the elements are not always placed together; Lat. amat, amavit, are each of them only one word because they can never be divided, and in the same way we never find anything placed between am and o in the first person, amo.’ (Language, blz. 423) Wat Jespersen zegt is waar, maar niet geheel volledig in z'n eerste helft: er zijn elementen die, althans in 'n bepaald soort verband ‘are...... always placed together’, zonder dat zij daardoor hun woord-aard, en zelfs niet hun syntagma- criterium verliezen, als dit laatste maar wordt gezien in functie van hun aard als be-trekkings-woord, dat bilateraal verband eist.

[p. 373]

De feiten die wij signaleerden, zijn nogal simpel. Het criterium der scheidbaarheid is werkelik ‘unpretentious’; het onderscheidt onmiddellik het woord van alle affixen en uitgangen; deze zijn op geen enkele wijze scheidbaar: de in ‘de sneeuw valt’ is 'n woord, want: de (fijne) sneeuw valt; -de van ‘het sneeuwde’ is geen woord, want: .... Het criterium der scheidbaarheid bevestigt, wat wij uit de ervaring weten.13) Het feit der wezensnoodzakelike scheidbaarheid der woorden, berust op de blijvende woord-eenheid, in zover deze eenheid het mogelik maakt, het identieke in verschillend verband te herhalen. Meerwoord-gehelen zonder woord-scheidbaarheid, zijn evenzeer ondenkbaar, als taal zonder blijvende aanschouwelik-onaanschouwelike teken-eenheden, d.w.z. als taal zonder woorden.

De omstelbaarheid is een aspect van ‘isoleerbaarheid’, dat als woord-criterium volkomen doorzichtig is, maar dat even absoluut in functie staat van het verband: geen enkel betrekkings-woord kan omstelbaarheid vertonen. Verdere problemen biedt dit aspect niet.14) We beperken ons en weerstaan de neiging om de wisselwerking van woord-karakter, flexie-verschijnselen en woord-orde op scheidbaarheid en omstelbaarheid in verschillend verband verder uiteen te zetten. We concluderen: de definitie van het syntagma als: kleinste isoleerbare taalmoment, heeft buiten de composita z'n bruikbaarheid bewezen. De term kleinste heeft geen verdere afzonderlike bespreking nodig: ook de zin, ook de groep is ‘isoleerbaar’; door de toevoeging ‘kleinste’ zijn zij - ook buiten elke verdere bepaling om - uitgesloten.

[p. 374]

Woord-momenten en woord-scheidbaarheid.

We wijden een afzonderlike paragraaf aan het criterium der scheidbaarheid vergeleken met enkele verschijnselen der woord-momenten, omdat deze verschijnselen aanleiding waren tot twijfel over dat criterium.

Dat scheidbaarheid 'n woord-criterium is, dat het woord kenmerkt tegenover al zijn momenten, wordt door Graff betwijfeld op grond van de verschijnselen van de ‘genitief -s’: ‘Thus, the fact that the English article may be separated by one or more other words from the word it determines is in itself not sufficient to establish its identity as a word. On that account the English genitive element -'s would be a word, for it is occasionally separated from its noun (compare the expressions “William of Orange's reign,” “that man over there's coat”). Furthermore, the application of such an external criterium would meet with innumerable difficulties in the case of the so-called incorporating languages.’ (blz. 125)

Graff heeft, om te beginnen, gelijk met de bewering, dat het feit dat 'n taal-moment ‘gescheiden’ kan worden van de woorden die het ‘bepaalt’, ‘in itself’ niet voldoende is, om te bewijzen dat dit taal-moment woord is. Doch wij hebben dan ook volstrekt niet het omgekeerde beweerd, maar zeiden, dat 'n woord ‘gescheiden’ kan worden, en wel gescheiden uit een verband: is dat verband bilateraal, dan kan de unilaterale scheidbaarheid in het complex der kenmerken criterium zijn. Het is inderdaad noodzakelik de scheidbaarheid niet zuiver ‘uitwendig’ te beschouwen, net te doen alsof we niets anders kennen, dan hetgeen we aan twee vergeleken klankstromen waarnemen, want dan is alles op z'n tijd ‘scheidbaar’(!): zo-de - zo(u)de; ‘hij richt zijn paarden af.’ - ‘hij richt zijn paard (teg)en de herrie af.’ Graff ontwikkelde een begrip van ‘systematic structure’ om aan te tonen hoe woord en woord-deel zich verhouden.15)

Bezien we nu eens onze -s. Bloomfield hield zich reeds uitvoerig met het verschijnsel bezig. Zoals we zagen (blz. 349 hiervóór) schreef hij: ‘Such imperfectly separable elements are called formational elements, as opposed to the independently recurrent units of analyses, words. Words only and scarcely ever formational elements, can be dealt with as conceptual units of general thinking.’ (blz. 62-63)16) Verder meent hij, dat het duidelik is dat de -s geen ‘zelfstandige’ betekenis heeft, of ‘independently’ gebruikt kan worden; een woord is dit ‘element’ dus

[p. 375]

niet. Het is wel 'n moment dat grotere ‘zelfstandigheid’ vertoont, meent hij, dan 'n meervouds -s b.v., omdat het op de bekende wijze ‘gescheiden’ kan worden.

Voor alles dit éne: ‘-s’ maakt geen ‘zelfstandige’ betekenis-eenheid uit;16*) dit moment wordt dan ook nooit ofte nimmer van en door gelijksoortige eenheden gescheiden van het moment waarmee het optrad. De -s vertoont dus geen ‘scheidbaarheid’; we hebben in ieder geval met 'n ander verschijnsel te doen. Gtaff vergat zelf, dat we niet één aspect uit 'n groep van convergerende verschijnselen moeten losmaken!

De -s is meer dan 'n betekenisloze zins-evenwicht-factor (vgl. blz. 270 hiervoor), dus is zij 'n woord. De conclusie is stringent in de vóóronderstelling, dat betekenis-dragende ‘groeps-exponenten’ die geen woord uitmaken, onbestaanbaar zijn. Voor wie mocht twijfelen aan de juistheid van de redenering, die ons er toe bracht de onmogelikheid van het bestaan van dergelike momenten aan te nemen, volgt nog 'n korte analyse van de -s als woord-moment:

Jantje-s trommel.

Jantje van de overkant's trommel.

Jantje van die (vervelende) overkant's (lamme) trommel.

Overkants is 'n woord; het is, zij het dan ook al in dit geval op weinig elegante wijze, scheidbaar. Langs overkants is de groep verbonden met (lamme) trommel. Zeker, de kern van de groep is Jantje, en de groep is verbonden met (lamme) trommel, en de -s is het moment waarin we die betrekking stellen en onzelfstandig symboliseren. Het is door middel van 'n woord-moment, dat de groep verbonden is met 'n andere groep of met 'n ander woord.17) Dat geeft ons echter nog niet het recht om te doen zoals Jespersen doet, en te zeggen: ‘The -s is now in English added freely to whole groups of words, as in the King of England's power...’ (Language, blz. 129) De voorbeelden die Jespersen uit de kindertaal aanhaalt zijn m.i. niet overtuigend. Maar, dat alles doet niets af aan 't feit, dat de -s met overkant- een eenheid uitmaakt: het nederlandse taal-eigen verzet zich zelfs niet tegen 'n groep als: Wims zusjes vriendinnetje.

[p. 376]

Graff veronderstelt, dat het aspect der scheidbaarheid, wegens zijn ‘uitwendighrid’, bij z.g. ‘incorporerende’ talen grote moeilikheden zal meebrengen. Het criterium ís niet ‘uitwendig’, en Graffs bewering is dus juist zoveel waard als zijn bewijzen toelaten. Welnu, waar hij de ‘incorporering’ bespreekt, legt hij nergens uit waarin die moeilikheden bestaan.18) Het is mogelik, dat er meer ‘moeilikheden’ zijn, dan zelfs Sapir in de incorporerende Indianen-talen die hij bestudeerde vond, maar dan hebben we toch voor de oplossing daarvan dít vaste uitgangspunt, dat, óók in die talen, volgens het unaniem getuigenis van de onderzoekers - Graff ingesloten - het woord 'n eenheid is. Altijd zijn de momenten, waarvan gezegd wordt dat zij ‘geïncorporeerd’ worden, in de vorm waarin ze ‘geïncorporeerd’ worden, ‘autonomously’ onbruikbaar (blz. 335); altijd zijn zij momenten van 'n bepaalde woord-eenheid. Wat volgt hieruit? Dat ‘incorporatie’ niet betekent, dat hetzelfde woord nu eens zónder geïncorporeerde momenten, dan weer eens mét geïncorporeerde momenten, mét ‘infixen’, optreedt, doch dat het woord zónder, en het woord mét infixen, twee verschillende woorden zijn. Incorporering kan alleen een moeilikheid tegen woord-scheidbaarheid lijken, omdat men uitging van het onjuiste woord-begrip dat wij op bladz. 361 signaleerden: men veronderstelt eerst dat 't woord 'n soort gemiddelde is, 'n ‘abstractie’! Lat. vinco en vici zijn twee woorden, en er wordt niet binnen 'n bepaald woord 'n ander, ‘woord’ gebracht, en er wordt ook niet 'n ‘infix’ ‘verplaatst’: er werd eenvoudigweg 'n woord gemaakt waarvan, vergeleken met een systematies verwant maar niet identiek ‘woord’, gezegd kan worden, dat het een ‘infigering’ van een bepaald functioneel Gestalt-moment vertoont. In werkelikheid veronderstelt de ‘infigering’ het maken van een bepaald, met 'n ander verwant, woord, met behulp van een functioneel Gestalt-moment, dat niet het aanschouwelik ‘begin’ of ‘einde’ van die Gestalt uitmaakt. We hebben dus allerminst 't recht te spreken van 'n modificatie van 'n identieke Gestalt. We ontkennen daarmee volstrekt niet, dat de synergetiese structuur der beide verwante woorden in haar physiologies aspect ten dele identiek zou kunnen zijn; daartegen schijnt mij geen enkel bezwaar te bestaan: de woord-eenheid impliceert volstrekt niet, dat het physiologiese moment niet zou kunnen functioneren in twee verschillende eenheden. Alleen wanneer wij ons die structuur als het ware in ‘twee dimensies’ denken, zou dat bezwaar opleveren. We menen integendeel

[p. 377]

te mogen zeggen, dat de eenheid van het menselike individu een dergelike ‘gemeenschappelikheid’ van physiologiese momenten aan verschillende eenheden waarschijnlik maakt. Woord-eenheid sluit alleen in, dat de gebruiks-eenhied als bepaalde werk-mogelikheid gesteld wordt en bewaard blijft; ik geloof niet, dat onze conclusies verder zouden mogen gaan.

Het compositum als secundair woord.

Es ist eine alte Geschichte, die van het compositum. De strijd die er om werd gevoerd is geluwd: de kwestie leek onoplosbaar. Het heeft er veel van. En bovendien: ‘Wem sie just passieret....!’ Voor ons is de zaak eenvoudiger dan voor degenen die ons voorgingen. Wij vragen niet veel. Wij zouden het compositum alleen willen verzoeken hierop te antwoorden: bent U één, of bent U twee of meer woorden, of bent U misschien helemaal geen woord? We vragen dus niet: waar komt U vandaan, of: waar gaat U heen, of: mag ik ook weten waarom Uw hart gebroken lijkt. We zijn uiterst bescheiden. En dan wil het ons voorkomen, dat we 'n kans maken, alles te horen wat dit taal-moment zelf kan zeggen. Want, als ergens, dan blijkt hier, dat het woord wel de alpha,. maar daarom nog niet de omega van alle taal-verschijnselen is: een volledig antwoord op alle vragen die we ons bij het compositum kunnen stellen, zal alleen gegeven kunnen worden als én de woordgroepen-leer, én de zins-leer zijn ontwikkeld. En, zover is 't nog niet.

Wundt zou onze bescheidenheid afkeuren.19) Hij wil de oplossing vinden in de ‘psychologische Entstehungsbedingungen’, niet in logiese of grammatiese verhoudingen. Wij zouden willen zeggen - wat wij steeds herhaalden - we zullen de oplossing, als zij ergens te vinden is, in linguistiese beschouwingen moeten vinden. Het kan zijn, dat we daarbij psychologiese lemma's zullen moeten gebruiken; misschien moeten we zelfs logiese verhoudingen als vergelijkingspunt nemen, maar we zullen uit moeten gaan van de taal-ervaring. Nu is het bezwaar, dat over

[p. 378]

dit uitgangspunt juist de twijfel bestaat. We lezen bij van Lessen: ‘Ook zonder enige kennis van de geschiedenis ener taal kan men met vrij grote nauwkeurigheid uitmaken, waar men met een compositum te doen heeft en waar niet.’20) Graff is van mening, dat in het compositum de componenten ‘are interpreted as systematically united, both semantically and phonetically, and as forming a single word.’ (blz. 132) Doch, zegt hij, in veel gevallen is 't prakties onmogelik, 'n compositum van ‘formula’, 'n ‘uitdrukking’, te onderscheiden. Paul schrijft: ‘Der Übergang von syntaktischem Gefüge zum Kompositum ist ein so allmählicher, dass es gar keme scharfe Grenzlinie zwischen beiden gibt. Das zeigt schon die grosse Unsicherheit, die in der Orthographie der modernen Sprachen in Bezug auf Zusammenschreibung oder Trennung vieler Verbindungen besteht, eine Unsicherheit, die dann auch zu einer vermittelnden Schreibweise durch Anwendung des Bindestriches geführt hat.’ (blz. 328) Ik geloof, dat van Lessen dichter bij de waarheid is, dan Paul en Graff en zeer veel anderen! Ervarings-onderscheidingen moet men leren ‘kennen’: het ‘weten’ van wat er in ons omgaat en van wat wij doen, veronderstelt reflexie. Dát ‘weten’ komt niemand aangewaaid. En zeker, de verschijnselen kunnen ook zo op elkaar lijken, dat 't moeilik is om uit te maken waarmee ik nu eigenlik te doen heb, of op welke wijze ik ze moet beschouwen om er achter te komen, hoe ze er nu eigenlik uitzien. Maar, 't wordt zeer moeilik 'n dergelike reflexie te verrichten, als men daarbij geen leiding, of verkeerde leiding heeft.

Het probleem der composita stelt zich als men gaat schrijven: de Saussure constateert terecht een ‘sentir’ van ‘ce jeu rapide et délicat des unités’ (vgl. blz. 228 n. 5* hiervóór), zo iets wat Bühler ‘Fingerspitzengefühl’ (blz. 396 hierna) zou noemen, terwijl hij even terecht constateert, dat daarmee nog geen methodiese verantwoording te geven valt. Welnu, de linguitiek, en consequenter de grammatica, gaven geen, of gaven een verkeerde leiding bij het probleem der composita. We hebben bij 'n compositum nl. niet met meer ‘woorden’ te doen, met één of meer ‘simplicia’, en we hebben ook niet te maken met 'n ‘verband’, met 'n ‘construction’, maar we hebben te doen met een secundair ‘woord’. Het compositum veronderstelt dat er simplicia, dat er ‘woorden’ in de taal zijn; zonder deze geen composita. Maar, de simplicia zijn op 'n geheel andere wijze moment van een compositum, dan zij moment zijn van de groep, of van de zin: in de groep of in de zin houden zij hun autonomie, zijn zij autonome teken-eenheden; in

[p. 379]

het compositum hebben zij hun autonomie verloren en zijn zij moment geworden van 'n eenheid, die hun voor een bepaalde gebruikswijze blijvend heeft vastgelegd, en hun uit het ‘verband’ gebroken. Zij zijn blijvend mogelikheden kwijt, die hun als ‘simplex’ ter beschikking staan. Op allerlei wijzen kunnen die mogelikheden zijn beperkt: zij kunnen betekenis-verschijnselen vertonen die aan een groep van simplicia niet eigen kunnen zijn, zij kunnen Gestalt-verschijnselen laten zien die het simplex niet heeft, zij kunnen accent-verschijnselen hebben, die hun alleen in het compositum eigen zijn.21) Dit alles werd reeds door Paul en vele anderen uitvoerig beschreven. Als syntagma gedraagt het compositum zich als het simplex: het vertoont isoleerbaarheid.

Wat is aan het compositum qua compositum het meest eigen? Dat het, wat Bühler (Sprachtheorie, blz. 339) - misschien niet geheel gelukkig - uitdrukt, ‘symbolgefügt’ is: ook zijn betekenis is 'n vereniging van prae-existerende woord-betekenissen. Hierop steunt het feit, dat 'n compositum begrepen wordt door iedereen, die de betreffende simplicia kent. Daarin ligt ook het verschil tussen de ‘componenten’ van 'n compositum en de affixen van het ‘morphologies’ woord. (Vgl. blz. 345 hiervóór)22) On-, uit onnodig bestaat als simplex niet, evenmin als loos. Wie een woord waarin 'n dergelik affix voorkomt wil begrijpen, moet ofwel de (onzelfstandige) betekenis van dat affix afleiden uit de context - dit is mogelik als hij de ‘stam’ herkent - ofwel hij moet de woord-betekenis trachten op te maken uit de context en vervolgens, uit vergelijking met woorden waarin hetzelfde affix schijnt voor te komen, de betekenis van dat affix afleiden; ofwel hij moet zich die betekenis laten ‘leren’. Zo is het met 't compositum niet. Het compositum is zichzelf voldoende, omdat het in zijn bestaan steunt op bekende simplicia. Wie 'n bepaald simplex, dat als component gebruikt is voor de vorming van een compositum, niet kent, kan dat compositum ook niet als compositum stellen, doch stelt het als simplex. Het is niet geheel juist te zeggen, dat het compositum uit simplicia ‘bestaat’, het wordt ‘uit simplicia gemaakt’. Een simplex kleer bestaat in het nederlands niet, tenzij misschien in de groep-taal der voddenkramers, en toch mag de component kleer- in kleermaker etc. niet op één lijn gesteld worden met affixen, omdat het woord kleer-

[p. 380]

maker zich aan kleer- identificeert.

Het compositum vertoont én de verschijnselen van het simplex, én het vertoont geheel eigensoortige verschijnselen. Te zeggen, dat 'n s in stadsreiniging 'n ‘genitief -s’ is, dat - zoals sommigen in andere gevallen doen - die -s als 'n betekenis-loze tussenklank is te beschouwen, omdat, zoals in zevenmaandskind, bij het ‘meervoudig begrip geen uitgang van den genitief singularis (past)’,23) is in beide gevallen een conclusie die te ver gaat: het naamvals-begrip past alleen als zelfstandig word-kenmerk, niet als kenmerk van een component van 'n compositum:24) de component is geen simplex; de component bevindt zich in een andere bestaanstoestand: het simplex is als bouwsteen gebruikt.

Samenkoppeling en samenstelling.

Wij hebben in de paragraaf ‘Isoleerbaarheids-aspecten’ betoogd, dat het woord-begrip eenheid der aanschouwelike momenten in de tijd impliceert. De eenheid in de tijd is dan ook het noodzakelike aanschouwelike fundament voor alle compositie. Door deze eis van eenheid, ook in de tijd, laat het woord geen verdeling toe; en anderzijds is deze eenheid in de tijd, evenzeer het aanschouwelik fundament van de scheidbaarheid van het woord, tegenover alles wat niet woord-één is maar alleen verbonden. Nu zagen we al, dat bepaalde oorzàken de scheidbaarheid van 'n duidelik bilateraal scheidbaar woord in 'n bepaald verband kunnen opheffen: de uiterste dag; het verband als zodanig is daaraan niet debet. We zagen eveneens, dat bepaalde betrekking-stellende woorden, in 'n bepaalde functie, de bilaterale scheidbaarheid kunnen verliezen; weer niet per se uit hoofde van het verband, maar uit hoofde van hun bepaalde betekenis-functie. En zo weten we al, dat de on -scheidbaarheid niet per se alleen aan de woord-momenten eigen is, maar dat de on scheidbaarheid nog op geheel andere factoren kan berusten dan de woord-eenheid. Bovendien: we constateerden, dat de onscheidbaarheid van de woord-momenten op de woord-eenheid berust, terwijl de onscheidbaarheid van de woorden in 'n bepaalde groep niet op de groep-structuur als zodanig hoeft te berusten, maar op, wat we noemden toepassings-gewoonten. Bij de beschouwing der composita werken deze, en nog veel andere verschijnselen: de woord-

[p. 381]

orde in de groep, de flexie-gewoonten, de verhouding van flexie en woord-orde, mee om het geheel tot 'n schijnbaar onontwarbaar kluwen te maken. Ondertussen blijkt dat kluwen wel ontwarbaar, als we maar bedenken, dat de analyse der ervaring ons altijd ook verschillen tussen de verschijnselen der compositie en al de andere, onscheidbaarheid veroorzakende, factoren aan de hand doet, die als convergerende factoren, 'n criterium leveren voor de onderscheiding tussen groeps-verband en compositie-eenheid. Het is simpliciter onmogelik om, zonder in het schrijven van een nieuwe studie te vervallen, alle compositie- en verband-verschijnselen, die met onze verklarings-princiepen moeten worden opgelost, de revue te laten passeren. Bühler schrijft: ‘Dass nahezu die gesamten Satzfügungsmittel im Schosse der deutschen Komposita wiederkehren, sei also noch einmal als Faktum anerkannt.’ (Sprachtheorie, blz. 341) Dit geldt ook voor het nederlands.

Toch bezitten wij voor het overzichtelik maken van de compositie-verschijnselen zelf, een gezichtspunt, dat reeds in de nederlandse grammatica vruchtbaar werd gemaakt: we moeten onderscheiden tussen samenkoppelingen en samenstellingen. Samenkoppelingen zijn composita waarin de componenten elkaar opvolgen op een wijze zoals zij dat ook in de woordgroep kunnen doen: hogeschool; samenstellingen zijn composita waarin de componenten in een verhouding zijn gebracht, waarin zij, volgens de structuur der groepen van de taal in kwestie, niet voorkomen; zoals de componenten in een samenstelling op elkaar volgen, kunnen zij in de groep niet voorkomen: bierfles. De hoge school waar men de wijsheid leert; bier en fles echter kunnen niet in groeps-verband continu in de tijd op elkaar volgen.

Dit gezichtspunt is vruchtbaarder, dan wel uit de meeste beschouwingen over het compositum blijkt.

Op de eerste plaats is het een feit, dat omstelling bij de componenten altijd uitgesloten is.25) Ondertussen: dit criterium eist, tot adaequate ontwikkeling, een leer van de woord-groepen, en van de woord-orde daarin; beide bovendien in functie van de flexie. We zullen ons op een andere wijze helpen. Bij de studie der groeps-verschijnselen in verband met de composita komen we namelik in kennis met woordgroepen die, ofschoon bestaande uit woorden die duidelik isoleer-baarheid vertonen, toch in hun bepaalde verband geheel onscheidbaar zijn. We denken aan voorbeelden als hoge hoed tegenover hogeschool.

[p. 382]

Om hier een uitspraak te kunnen doen, zullen wij ook tans weer bij de composita - zoals wij dat prakties bij de betrekkings-woorden ook al deden - aan het feit der kenmerkende geheel-verschijning onze volle aandacht hebben te geven.

Verband en compositie-structuur.

We lezen bij de Saussure: ‘D'autre part, tout mot qui n'est pas une unité simple et irréductible ne se distingue pas essentiellement d'un membre de phrase, d'un fait de syntaxe; l'agencement des sous-unités qui le composent, obéit aux mêmes principes fondamentaux que la formation des groupes de mots.’ (blz. 187) De Saussure ontwikkelt hier dezelfde ideeën als Wundt, als Brugmann, dezelfde ideeën als vroeger van Ginneken. Geheel de school der ‘Unitarier’, zoals Bühler hen noemt, projecteert het compositum in dezelfde lijn als de woord-groep: het is een kwestie van een meer of minder der ‘cohésion’ (Principes, blz. 521), van ‘Festigkeit der Verbindung’ (Wundt, I blz. 659).27) Paul heeft zich daartegen verzet, maar zijn tegenstand was zwak, omdat hij, mét zijn opponenten, de continuïteit tussen groep en compositum aannam. Evenals zij zag hij de vorming van het compositum uit de groep aan, als een geleidelike ontwikkeling van de groep. Bühler heeft het vraagstuk der composita in zijn ‘Sprachtheorie’ aan een nieuw onderzoek onderworpen, en tegen deze mening stelling genomen: ‘Zu den wohlbekannten Fehlern der nichts-als-historischen Phase unserer Geisteswissenschaften gehört es, dass man da und dort vor lauter Kontinuität die Punkte übersah, wo eine Strukturveränderung liegt.’ (blz. 334)28) Ik heb dit citaat gespatiëerd, omdat Bühler hier de spijker vlak op de kop treft: de verbinding kan nóg zo vast worden, de momenten kunnen nóg zozeer aan betekenis verliezen of naar Gestalt en betekenis ver-

[p. 383]

anderen, dat alles verantwoordt hoogstens, dat zij als leeg zins-Gestalt-moment overblijven; het verantwoordt niet, dat zij één woord, hetzij simplex, hetzij compositum, ‘worden’. Opdat dit laatste geschiede, daarvoor: ‘muss etwas anderes hinzukommen’. Daarvoor is nodig, dat zij als zodanig worden gesteld, worden opgevat; d.w.z. daarvoor is het nodig dat we er 'n simplex of compositum van maken.29) De ‘Unitariërs’ deden niets anders, dan de voorwaarden beschrijven waaronder samenkoppeling mogelik wordt; opdat er werkelik een compositum ontstaat, is het noodzakelik, dat men de act van ‘compositie’ voltrekt, de secundaire woord-making, die de eenheid verantwoordt die aan het compositum eigen is: het compositum is geen verbinding, geen vaste verbinding, geen allervaste verbinding, het woord is iets anders; het ligt niet in de lijn der verbindingen; ‘es wird’, zegt Bühler, ‘was ein Satzmoment war, zum Wortmoment gemacht.’30) Inderdaad: het groep-moment wordt compositum-moment, wordt component. En, het compositum is 'n woord; maar 'n woord, dat analoog met deze naam benoemd wordt, als wij het compositum vergelijken met het simplex. Het komt overeen met het simplex daarin, dat 't een kleinste isoleerbare taal-eenheid is in de volle zin die wij daaraan, na al hetgeen voorafging, konden hechten; maar, het heeft bovendien de eigenschap, dat zijn ‘componenten’ zelfstandig betekenis-dragend zijn, zoals zij ook als Gestalt-moment van het compositum een kenmerkende geheel-verschijning vertonen, zonder niettemin autonoom geheel te zíjn.

Evenmin als de act der woord-making - tenzij soms in het laboratorium (vgl. blz. 142 hiervóór) - zich als 'n soort schok, als 'n plof in de ervaring doet kennen, evenmin voltrekt zich de compositie op 'n

[p. 384]

dergelike sensationele wijze. Bijna zonder uitzondering maken wij de composita tijdens de formulering; wij ‘leren’ de meeste composita niet zoals wij vele simplicia ‘leren’, omdat wij de betekenis der componenten vaak al kennen. (vgl. blz. 348 hiervóór);31) en zo is de opvallendheid van de act der compositie niet groter dan die van elke andere eenheid-stellende denk-act: de taal-wetenschap heeft allereerst uit het resultaat, uit de compositum-eenheid, haar conclusies te trekken. En, als zij dát doet, dan blijkt, dat het compositum zich als eenheid van de groep onderscheidt; altijd vertonen samenkoppeling en samenstelling een eenheid die de groep mist, en die zich dus niet uit het verband - of uit associatie - alleen laat verklaren. Voor de samenstelling is dat luce clarius; beperken we ons dus eerst tot de samenkoppeling.

De geheel-verschijning van het compositum.

De constante betekenis van de component hoge- in hogeschool wordt door het verband niet verantwoord: in ‘verband’ zou hoge ook het ruimtelik hoge kunnen betekenen. Een toepassings-gewoonte zou daaraan niets kunnen veranderen: als hogeschool alleen maar volgens gewoonte voor 'n inrichting voor hoger onderwijs zou worden gebruikt, zou niets zich er tegen verzetten, dat wij het compositum ook - en dan desnoods met 'n zeer opvallende uitzondering - voor 'n school van zes verdiepingen zouden gebruiken. Maar.... dat gaat niét. Willen we dat doen, dan moeten we de eenheid breken, dan moeten we, wat Bühler zou moeten noemen: een ‘Feldbruch’ (blz. 341), bewerken, dan moeten we de eenheid tot 'n twee-eenheid maken. Het moment hoge komt dan ‘vrij’ voor ander gebruik: een hoge en geleerde school; hoge kan hier, wat 't verband betreft, evengoed het ruimtelike hoge zijn, als het verheven. Ondertussen: door deze bewerking heffen wij het compositum op, en ontstaat een groep. Hogeschool heeft als compositum een geheel-verschijning, die uit geen groep-verschijnsel of gebruiksgewoonte te verantwoorden is. Vergelijken wij nu hogeschool eens met hoge hoed.

Allereerst dan dit: er bestaat naar mijn weten geen twijfel over het feit, dat een compositum zich kenmerkt door accent-verschijnselen, die verschillen van de verschijnselen in de groep;32) in het ‘Lees- en Taal-

[p. 385]

boek’ wijzen van den Bosch en Meyer op de accent-verspringing en de tempo-versnelling.32*) Het is evenmin aan twijfel onderhevig, dat de compositum-eenheid betekenis-verschijnselen vertoont, die de groep mist.

Hebben we nu in hoge hoed een compositum of een groep? Is er sprake van woord-eenheid, of van verband? Of is er misschien, zoals de ‘Unitariërs’ meenden, geen grens te trekken? Het antwoord is allereerst, dat er geen grens ‘getrokken’ moet worden, maar: dat een verantwoording moet worden gegeven van 't feit, dat er een grens is. De jongehéer komt straks thuis, en: de jónge heer komt straks thuis, is wat anders. Accent en betekenis van jongeheer en jonge heer verschillen. Dit verschil wordt door geen verband verklaard; het verband laat beide gebruikswijzen toe. Welnu: de groep vertoont geen enkel kenmerk, dat niet uit het verband qua tale of uit 'n toepassings-gewoonte kan worden opgemaakt. Volgt daar dan niet uit, dat elke ‘groep’ die wel kenmerken vertoont, die niet uit het verband en uit toepassings-gewoonten kunnen worden opgemaakt, een compositum is, en op een act van woord-making moet berusten? Inderdaad: als én de accent-verschijnselen, én de betekenis-verschijnselen zich niet uit de groep en de toepassings-gewoonten laten verklaren, kunnen wij - als taal-geleerden - concluderen tot het bestaan van 'n compositum. Maar, we hebben niet 't recht één dezer verschijnselen alléén, als uitgangspunt te nemen. Wat het accent betreft: het lijkt me uiterst twijfelachtig, dat er accent-verschil zou moeten zijn tussen:

Pas op, daar staat 'n hoge bóóm! en:
Pas op, daar ligt 'n hoge hóéd!

Te concluderen, zoals van den Bosch en Meyer doen, dat er 'n woord-eenheid ‘kleinejóngen’ of ‘Vaderlandsche Geschiedenis’ zou bestaan, omdat wij biezondere accent-verschijnselen constateren, en omdat we bovendien minder denken aan de betekenis van het eerste lid, lijkt mij moeilik te verdedigen. Pas wanneer wij die accent-verschijnselen aantreffen in vereniging met ‘betekenis’-verschijnselen, die niet evenzeer

[p. 386]

aan de groep eigen zijn, pas dan kunnen we het recht hebben, van een compositum te spreken. Als hoge hóéd voor iemand betekent: een hoed van 'n bepaald ‘model’ en van 'n bepaalde stof, dán hebben we met een compositum te doen. Er bestaat geen reden vaderlandse geschiedenis of bruine suiker of stalen pen als compositum te beschouwen, tenzij men aantoont, dat hier een betekenis-moment optreedt dat uit geen verband is te verklaren.

Ondertussen bestaat hier 'n gevaar voor misverstand. Van den Bosch en Meyer schrijven: ‘Heel dikwijls gaan een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord samen den vasten naam van een bepaald ding, van een bepaalde zaak vormen. “Het Heilige Land” is Palestina; dit is zoozeer een vaste naam, dat men aan de letterlijke beteekenis niet eens altijd denkt.’32**) ‘Het Heilige Land’ vormt inderdaad de vaste naam van een bepaald ding. Maar wat wil dit zeggen? Volgt uit dit gebruik, dat ‘Het Heilige Land’ één woord, één secundair woord, is? Er volgt voorlopig alleen uit, dat we hier te maken hebben met een toepassings-gewoonte van een woord-groep voor één bepaalde zaak. Nu bewezen wij in het zesde hoofdstuk, dat de woord-eenheid en constantheid niet op de zaak berusten, doch dat beiden gefundeerd zijn in 'n eigensoortige ervarings-eenheid, die betekenis-eenheid insluit. De toepassingsgewoonte nu, waarvan wij zo even spraken, verandert aan de betekenis der gebruikte woorden nog niet per se iets; deze toepassings-gewoonte kan wél - en dat constateren de schrijvers even verder terecht - reeds iets aan de accentuering veranderen. Maar welke reden hebben we om aan te nemen, dat zich dáárdoor alleen al, een compositum van een groep zou kunnen onderscheiden? Tot nog toe zeggen óns die feiten alleen, dat er verband-verschijnselen optreden, die vaak aanleiding zijn tot compositie.

De zaak is deze, dat het taal-systeem ten opzichte van de samen-koppelingen een speling laat, die volkomen begrijpelik is: door de toepassings-gewoonten ontstaan groepen, die als benaming voor bepaalde zaken worden gebruikt, zonder dat de schrijver de momenten van de groep tot een woord-eenheid hoeft samen te vatten. Hij kán dat wél doen, hij hóeft 't echter niet te doen. De een doet 't, de ander doet 't niet. Is het gebeurd, dán is er 'n grens; dan is er 'n criterium ook. En dat criterium bestaat daarin, dat 'n component van 'n samenkoppe-

[p. 387]

ling, wanneer wij het compositum ‘breken’, per se vrij komt voor ander gebruik; een lid van de groep komt niet per se vrij voor ander gebruik. Zoals we zagen: hoge uit hogeschool, komt, bij ‘breking’, vrij voor ‘verheven’, heer uit jongeheer komt vrij voor ‘dandy’ b.v.; hoge uit hoge hoed komt niet per se vrij voor ander gebruik, zoute uit zoutevis evenmin. Weliswaar laat noch hoge hoed als groep, noch hogehoed als compositum, verbreking van het verband toe, zonder dat de ‘uitdrukking’ ophoudt te bestaan, doch dit is nog geen bewijs voor compositie: de uiterste dag of de Man van Smarten vertonen precies hetzelfde, zonder dat hier accent- of betekenis-verschijnselen zijn die op compositie wijzen. Alleen voor degenen, die de betekenis ‘hoog’ of ‘zout’ als structuur-princiep lieten vallen, en eigenaardige ‘stof-vorm-kleur’ of biezondere ‘smaak-kleur-aanblik’ als zodanig in de woord-eenheid hoge-hoed of zoute-vis stelden, alleen voor diegenen komt hoge of zoute ‘vrij’; voor deze taal-gebruikers is hoge hoed of zoutevis 'n compositum. Voor mij is Deventer koek een benaming voor 'n bepaalde koek-soort, die ik alleen aan Deventer onderscheid; voor anderen is dat ongetwijfeld anders.

Men heeft gelijk te menen, dat er tussen samenkoppeling en groep geen ‘grens’ is, als men daarmee bedoelt, dat niet voor elke taalgebruiker alle samenkoppelingen gelijk zijn aan de samenkoppelingen van elke andere taal-gebruiker. Doch, dit is heel wat anders dan te menen, dat er bij elk individu een soort ‘groei’ zou kunnen zijn, een mogelik-heid groep en compositum op één lijn te projecteren: het compositum is alleen verklaarbaar uit 'n secundaire act van woord-making.

De ontoereikendheid van het materiaal over de aanschouwelike momenten, Gestalt en accent-structuur, en het ontbreken van een woordgroepen-leer, dwongen ons tot een beperking der analyse. Niettemin betreft onze analyse ook het centrerende moment van alle taal-structuur: de onaanschouwelike eenheid.

Nog 'n paar voorbeelden: Voorzetten; Wil je dat voor zetten? is heel en heel wat anders dan: Wil je dat voorzetten? Groep noch zin verklaren voorzetten; groep noch zin verklaren nadat of daarna, of alsof; groep noch zin verklaren vergeetmenietje. Ofschoon het aantal gevallen legio is, menen we duidelik te hebben aangetoond, welke criteria ons ter karakterisering van de groep tegenover het compositum ten dienste staan: het uitgangspunt is telkens de compositum-eenheid die zichzelf legitimeert aan z'n geheel-verschijning; dan blijkt, dat die eenheid niet uit het verband kan worden verklaard, terwijl daartegenover de groep geen kenmerken vertoont, die niet uit het verband - ook al is dat verband eventueel door 'n toepassings-gewoonte prakties onbreekbaar ge-

[p. 388]

worden - zijn af te leiden.32***) Wat de samenstellingen aangaat, hier is de zaak eenvoudiger. De componenten van een samenstelling kunnen niet, in de tijd verbonden, in groeps-verband op elkaar volgen. Blijken zij dus 'n eenheid te vormen, dan kan daaraan het verband niet debet zijn: bierfles. Aan deze wet ontsnapt geen enkele samenstelling. Omgekeerd vertonen de componenten geen scheidbaarheid, ondanks 't feit, dat zij in andere composita gescheiden kunnen voorkomen: Holland-Amerika-lijn, Holland-Amerika- luchtlijn;33) immers, de scheidbaarheid impliceert wezensnoodzakelik woord-verband, en er is hier geen sprake van woord-verband, want de woorden vormen geen groep; er is sprake van eenheid der componenten, al zijn voor 't maken van die eenheid ook al woorden gebruikt. Voor de rest geldt van de samenstellingen alles, wat wij van de geheel-verschijning van de samenkoppelingen zeiden. Alleen: de samenstelling vertoont een vorming, die zowel ten opzichte van de simplicia, als ten opzichte van de groep, een anomalie is. We kunnen spreken van 'n rijdende-artillerie-kazerne b.v. of van Leger des Heils-hospitium of van hoge-hoeden-vorm.

Wij hebben geweigerd Vaderlandse Geschiedenis als 'n samenkoppeling te beschouwen; onze weigering omvat niet minder: Leger des Heils of rijdende artillerie. Waarom willen we niet geloven, dat dit samenkoppelingen zijn? Omdat de delen geen eenheid uitmaken. Hoe weten we dat? Hieruit, dat de groepen als geheel geen enkel verschijnsel vertonen, dat niet volledig uit het verband der delen kan worden verklaard: blindeman heeft wel zulke verschijnselen, en is toch uit 'n groep gemaakt. Bühler constateerde een belangrijk feit, toen hij neerschreef: ‘Und das Kompositum ist überall erst dort aus dem Satze geboren, wo es zur Eigenfunktion als komplexes Wort zugelassen und berufen wird’. (blz. 333) We staan zo blijkbaar voor 't feit, dat samenstelling eenheden schept, waarvan de ene component, als zij niet als component gesteld wordt, een groep uitmaakt. Het compositum berust daarom echter nog niet op 'n willekeur, zoals Noreen dat schijnt te verstaan, want het is het samenstellen, zoals dat bij ons gebruikelik is, dat ook de samenstelling rijdende artillerie-kazerne

[p. 389]

b.v. motiveert. Wel geeft het verschijnsel der compositie aan onze taal waarin het een zo grote plaats inneemt, een aspect, dat haar misschien even wonderbaar voor groenlanders maakt, als ons de groenlandse woord-structuur lijkt. Als tegenspeler van het woord-verband, is compositie een structureringsvorm en 'n eenheidsgeving, die aan de taal nieuwe structuren ten dienste stelt.34)

Dat de samenstellings-gewoonten van 'n taal onder invloed van 'n vreemde taal kunnen komen is weinig verwonderlik, maar wel verwonderlik is, dat wij ons daarvan zo weinig bewust zijn.35) Misschien dat dit z'n verklaring vindt juist in het feit, dat de samenstelling - die tot stand komt vrij van de verbindings-gewoonten waaraan de samenkoppeling nog altijd haar structuur ontleent - alle vormen van betrekking duldt, waartoe de betekenis der componenten de mogelikheid biedt, zonder met enige specifiek nederlandse groep-structuur rekening behoeven te houden.

Simplex en compositum.

Tenslotte: wij hebben ons rekenschap trachten te geven van het feit, dat Sapir aanduidt met deze woorden: ‘We have already seen something of the process of composition, the uniting into a single word of two or more radical elements. Psychologically this process is closely allied to that of word order in so far as the relation between the elements is implied, not explicitly stated. It differs from the mere juxtaposition of words in the sentence in that the compounded elements are felt as constituting but parts of a single word-organism.’ (blz. 67) Wat van het simplex - ‘morphologies’ woord of niet - geldt: dat bij scheiding: ‘one or the other or both of the severed parts remain as a helpless waif on our hands,’ (blz. 35) geldt ook van het compositum; alleen bij dit laatste, bij dit secundaire woord, is deze hulpeloosheid er een van 'n andere orde dan bij de niet zelfstandig betekenis-dragende woord-momenten: de componenten kunnen vaak, buiten het compositum, wél als zelfstandig woord voorkomen, de niet zelfstandig betekenis-dragende woord-momenten kunnen dat niet. Toch blijken - als wij de compositum-eenheid ‘breken’ - ook de componenten, op hún wijze, ‘a helpless waif’: ofwel zij liggen dan - zo altans de samenstellingen - als ‘zwerfblokken’ (Bühler, Sprach-

[p. 390]

theorie blz. 342) tussen de andere woorden omdat zij in geen enkel verband passen, ofwel zij blijken - als bij de samenkoppelingen - in zóver ‘a helpless waif’, als zij tegenover de zaken niet langer de autonomie vertonen die zij uit hoofde van de compositum-eenheid bezaten: zij verliezen hun eigenwettelikheid die zij, verenigd, tegenover de situatie bezaten: of hoge school voor hogeschool of hoge school gebruikt wordt, blijkt niet langer uit de taal-momenten zelf, onafhankelik van context of situatie; zij doen nu aan het begrijpen niet meer toe, dan zij als simplex zouden kunnen presteren: zij hebben hun eigenwettelike geheel-verschijning verloren.

Wij voelen niet, zoals Bühler,36) een zekere aarzeling bij de vergelijking van het nominale compositum met de verbale vormen: wij zijn uitgegaan van de eenheid; Bühler ging uit van zijn ‘Feld’-begrip.37) Wij stellen weliswaar simplex en compositum op één lijn, maar wij beweren niet, dat zij beiden woord zijn op geheel dezelfde wijze: het compositum vertoont een structuur, die aan het simplex vreemd is. De composita maken een eigen groep van ‘woorden’ uit; wij zouden niet zonder meer kunnen zeggen, dat het compositum ‘unter die Schar der Wörter gegangen ist und dort Aufnahme gefunden hat.’ (Sprachtheorie, blz. 323) Als Bühler dat op bladz. 339 en volgende, met behulp van zíjn woord-definitie, tracht te bewijzen, bewijst hij te weinig, omdat hij er geen rekening mee houdt, dat ook het compositum zelf een ‘veld’ constitueert.38) Met andere woorden: de definitie van het simplex kan alleen analoog van het compositum gepraediceerd worden; zij verschillen juist in de eenheid, waarin zij van de andere kant overeenkomen: het simplex vertoont geen eenheid van zelfstandige betekenis-momenten, het compositum wel. Juist echter, en júist in z'n volle omvang, is Bühlers constatering: ‘Das symbolgefügte Wort verhält sich im Satzfeld im ganzen genau so wie ein Simplex; alle syntaktischen Relikte in seinem Schosse sind wie verschluckt und bleiben unberührt, wo dies Gebilde seine “grammatische Verwendbarkeit” im konkreten Fall beweist....’

[p. 391]

(Sprachtheorie, blz. 340) Onder alle aspecten die niet hun eigen bouw betreffen, zijn simplex en compositum gelijk; wij hebben derhalve het recht tot ons analoog gebruik van de term woord voor beiden, zolang wij ze niet vergelijkend behandelen: als gebruiks-moment en vooronderstelde werk-mogelikheid staan simplex en compositum op één lijn.

Wanneer wij zouden menen, dat wij het woord, simplex en compositum, ook als syntagma reeds voldoende zouden hebben verduidelikt, zouden we ons vergissen. Immers, wij maakten tot nog toe abstractie, én van het zins-geheel, én van het ervarings-geheel, én van de situatie waarin zich geheel het taalgebeuren voltrekt. En, dáár liggen de moeilikheden, die tot in de jongste tijd, tegen het woord werden gemaakt. Wij hebben voortdurend betoogd, dat 't woord z'n eigenwettelikheid tegenover de zin afdoende legitimeert, maar wij hebben niet aangetoond op welke wijze het tenslotte dan toch ook afhankelik is van dat geheel als actuele gebruiks-eenheid. Wij hebben het princiep: Totum est prius partibus, aanvaard, maar wij hebben, noch op bladzijde 105, noch op bladzijde 148, onszelf volkomen gerechtvaardigd; we verwezen naar later. Welnu: ons rest nog, én dit princiep geheel te verifiëren in de verhouding zin: woord, én tenslotte de verhouding te verantwoorden van het woord, niet tot de zin alleen, maar tot geheel het ervarings- en handelings-veld, waarvan het op elk moment van zijn gebruik deel uitmaakt.

Afhankelikheid en autonomie.

Wundt was er volkomen van overtuigd, dat woorden, niet ‘ursprünglich selbstandig existieren.’39) Ruim dertig jaar na het verschijnen van zijn grote en grootse werk, weten wíj, dat deze uitspraak bedenkelik veelzinnig is. Woorden bestaan vóór alle gebruik als de teken-eenheden, die we in de act der woordmaking schiepen;40) zij bestaan ‘ursprünglich selbständig’ als taal-momenten die gebruikt kunnen worden, als zeer bepaalde menselike werk-mogelikheden. Zij bestaan bovendien als eigenwettelike taal-een-heden in elk meerledig gebruiks-geheel. Men heeft dat zo lang en zo hardnekkig ontkend, dat, zo we het al niet allemaal onvoorwaardelik geloofden, we toch allen, ieder op z'n tijd, aan die ‘grond-waarheid’

[p. 392]

enige eer bewezen.41) En die eer bestond daarin, dat we bijwijlen vergaten linguist te zijn, en 'n ogenblik gebrekkig psycholoog of philosoof werden. We constateerden dan met Wundt, het eerste lid misschien nog ontkennend, doch sterk geneigd het tweede te aanvaarden: ‘Vollends wo die literarische Fixierung mangelt, da beruht die Scheidung von Wort und Satz vielfach erst auf der Willkür des Sprachforschers.42) Bei den Sprachen, die dem sogenannten “agglutinativen” Typus angehören, scheitert nicht selten eine solche Scheidung tatsächlich daran, dass ein Ganzes nach dem Zusammenhang seiner Teile als ein einziges Wort aufgefasst werden kann, während es doch nach seinem Gedankeninhalt auf den vollen Wert eines Satzes Anspruch machen darf.’ (I blz. 609) In dergelike talen vallen, door de gecompliceerdheid van de begrip-structuren, woord en zin dan, volgens Wundt, samen. Wij menen niet opnieuw te hoeven aantonen, dat gecompliceerdheid van begrip-structuur geen reden zijn kan waarom 'n woord ‘zin’ zou moeten worden.43 Trouwens, dit argument zal men in onze dagen niet meer gebruiken. De moderne beschouwingen sluiten eerder aan bij Wundts begrip der zelfstandige-existentie. Zelfstandige existentie zou dan aan de zin eigen zijn.

Het is de wetenschap met dat begrip der zelfstandige existentie als 'n kenmerk van de zin, ook niet voor de wind gegaan. Inderdaad: ‘zelfstandig’, d.w.z. niet als moment van een grotere ervaring, of als moment van een groter geheel van ervarings-mogelikheden bestaat het woord nooit. Maar, ‘zelfstandig’, d.w.z. níet als moment van een grotere ervaring, bestaat óok de zin nooit en nergens! We moeten dus verder om de ‘zelfstandigheid’ te vinden. Na de zin volgt de periode, en eindelik de ‘Einheit der Rede’.44) Doch met welk recht houden we hier halt? Ook de ‘Rede’, hoe men deze ook opvat, is tenslotte moment én der ervaring, én der menselike ervaringsmogelikheden. Consequent kwam Vossler tot de eenheid van de geest als eerste, of zo men wil laatste, verklarings-grond. Ondertussen werd er nog nergens aangetoond op welke wijze men zich dan linguisties de realisaties van die geest heeft te denken. Men voer met volle zeilen voor de wind der metaphysiek. Het eenvoudigste is dan, de wetenschappelike wetmatigheden maar te ontkennen; Vossler heeft niet geaarzeld dat te doen: ‘Eine Sprache als Konvention und Regel betrachten, heisst also, sie unwissenschaftlich

[p. 393]

betrachten. Ergo ist Syntax überhaupt keine Wissenschaft - so wenig als Flexionslehre und Lautlehre.’ (blz. 38)

Durft men deze consequentie niet aan, en negeert men toch de oorspronkelikheid van het woord vóór gebruik, vóór de ‘zin’, dan komt men noodzakelik tot nog groter ongerijmdheden. Waarom is voor Hönigswald het woord een ervaringsmoment, dat alleen uit de ‘zin’ te verklaren is? Omdat: ‘die funktionelle Eingliederung des Satzes in der Zusammenhang der Rede, aus Gründen, die hier unerörtert bleiben dürfen, viel handgreiflicher (ist) als diejenige des Wortes und seiner Elemente.’ (blz. 36) We moeten bekennen, geen reden te zien om voor deze argumentatie te zwichten.

Woord én zin én periode én taal-systeem zelfs, zij bestaan als moment van een groter geheel, zij bestaan nooit zelfstandig in absolute zin; zij hebben evenmin ooit hun bepaaldheid enkel uit zichzelf. Zij hebben een eigen wettelikheid, zij hebben een autonomie, zij zijn óók afhankelik; en het is deze verhouding van autonomie en afhankelikheid die om verklaring vraagt. Geen enkel taal-moment en geen enkele taal is volledig bepaald buiten elke situatie; zijn ‘autonomie’ - als het die heeft - is altijd 'n beperkte. Men vergist zich, als men door zelfstandige bepaaldheid de zin meent te kunnen kenmerken tegenover het woord.45) Bühler wordt 'n weinig kregel, als hij iemand moeite ziet doen, om aan te tonen dat ook de zin geen absolute bepaaldheid bezit, en hij noemt de beweringen hieromtrent: ‘eine sehr abstrakte Weisheit’46), maar die wijsheid heeft niettemin haar nut. Bühler is te zeer reëel wetenschapper en psycholoog, om zich volkomen rekenschap te geven van hetgeen er omgaat in het denken van minder psychologies en wijsgerig geschoolden dan hij. Hij ziet niet voldoende wat het bewustzijn van die afhankelikheid voor de linguistiek betekende en betekent: er zijn theorieën die de vaste punten in taal-gebruik tenslotte overal elders zoeken dan in de taal.

Wat Gustaf Stern schrijft, is volmaakt juist: ‘The mutual limitations exercised by the word meanings in a phrase may be sufficient to make

[p. 394]

the total meaning perfectly definite, and to reduce the number of possible phrase referents to