terug  begin  prepost
[p. 449]

Zaak-register

Aanschouwelikheid: definitie 40
- structuur 205-206, 208.
in het denken 206-207, 212-213.
- is niet ‘teken’ 31, 207, 246, 247 n. 34, 254, 306.
Abstractie: bij Bühler 195, 196 n. 23.
- logies: 195, 281-82, 289, 299-300, 303, 343, 344.
- psychologies 282, 284, 289.
- armelik 284, 286, 292, 305.
- noëties 286, 287, 342.
- onties 287 n. 28.
Abstractieve relevantie: 195.
Accent: bij Gemelli 163.
- als structuurprinciep 167.
- melodies 169.
- compositum 384.
Accent-verspringing: 385.
Act: 136.
Actualiteit: 49, 357.
- van het woord 358.
Adaptatie: 56 vlg., 87.
Adhygies: 183, 195, 197.
Affect: 266-267.
Affix: de betekenis 346-348, 353, 379.
- en scheidbaarheid 373.
- en component 379.
Afkapping: 369 n. 7*.
Afspraak: 94.
- zie: Consensus.  
Ainu: 183.
Aktionsfeld: zie: Handelings-veld.  
Analogie: 279.
Analphabeten: 94, 96-97.
Anaphora: 297, 299.
Anzeichen: 22, 25-26.
Appell: 295.
- bij G. Stern en Gardiner 37.
- bij Sapir 38.
- zie: Auslösung.  
Apperceptie: 84-86.
Articulatie: en denken 213, 216-217, 424.
- veranderlik: zie: Klank, veranderlike etc.  
Articulatie-bewegingen: 134 n. 80*. 183, 215.
- en voorstelling 178-179, 191, 193, 213-214, 217.
Associatie: als ervaringsverschijnsel 52, 82.
- als ‘band’ 52, 56.
- en ‘apperceptie’ 85.
- bij de Saussure 83 n. 58.
- zie: ‘Bij’ denken.  
Associationisme: van Wellander 53.
- van Ogden & Richards 81.
Ausdruck: zie Kundgabe.  
Auslösung: 21 vlg., 38.
- verhouding met Kundgabe 23.
- als plaatsvervangende teken-functie 24-25.
Automatisering: 204.
Automatisme: 218, 332, 412 n. 77, 425.
   
Begrip: als onaanschouwelikheid 42.
- als zaak 43, 244 n. 26, 286.
- in het woord 225; zie: Woord-beschouwing.
- geen waarnemings-gedachte 244 n. 26.
- bij het kind 283.
- als verarming 285-86, 288.
- Zie: Vrij denken.  
Begrips-kern: 283.
Begroetingsformules: 152, 200, 218, 220.
Behaviourisme: 11, 18, 40, 55, 115, 128, 331, 425, 426.
- van Bühler 18-19, 23, 32.
- van Ogden & Richards 55, 79, 88.
- Zie: Methode.  
Belief: 61 n. 17, 74.
Betekenen: 232, 245, 285, 324.
Betekenis: gedifferentiëerd uit ‘te behandelen zaak’ 135, 253.
- en Gestalt 175.
- diakrities moment in het woord 225, 229, 273, 277.
- zakelikheid 226, 246.
- denk-eenheid in het woord 226, 230,

[p. 450]

  243, 269, 331.
- als zaak 230, 243-244, 254, 306.
- gebruiksgedachte 231, 233, 259.
- als begrip 231, 260-61, 263.
- complex 233, 247, 318, 341.
- coöperatief bruikbaar 235-236.
- noemend 240, 245.
- en zaak 246, 248, 256, 262.
- in gebruik 247.
- taal-technies 290.
- afhankelik van woord-geheel 321.
- buiten de zin 358.
- en zin 413.
- geactueerd vóór gebruik 416-419.
- Zie: Symboliseren. Toepasselikheid der betekenis. Zaak, te behandelen.  
Betekenis-categorie: 250, 252, 254, 256, 330.
- en identificatie: 335.
Betekenis constantheid: 226, 233, 235. 246 n. 33, 253.
- niet in zaak 248-249.
- Zie: Woord-constantheid.  
Betekenis-eenheid: 234, 235, 236, 247, 317, 324, 337, 340, 350, 352.
- en referent 243, 269.
- altijd geactueerd 255, 323.
- in woord-beschouwing 359.
- van het latente woord. 360.
Betekenis-identiteit: 234, 256, 319.
- Zie: Woord-identiteit.  
Betekenis-onderscheidingen: 235, 247, 250, 256, 257, 338.
- disjunctief relevant 319, 323, 324.
- afhankelik van het geheel 321.
- als structuurprinciep 343.
- in woord-beschouwing 359-360.
Betekenis-verandering: 257.
Betekenis-veranderlikheid: 248, 253, 324, 326, 338 vlg.
Betekenis-veld: 237 n. 12*, 343-344, 400 n. 62.
Betrekkelik voornaamw.: 298.
Betrekking: in de woord-making 117.
- niet noodzakelik te verwoorden 280, 290, 308, 310.
- als zaak 294.
- en morphème 311.
‘Bij’ denken: 79, 235, 325.
- onderscheid met betekenen 236-237.
Categorematica: 273.
Categorie-kenmerk: 215, 280, 312, 349 n. 39.
- betekenis 313, 353.
- als ervarings-moment 315, 350, 354, 355.
- betekenis afhankelik van het woord-geheel 321, 347-348, 353.
- en ‘verband’ 372.
Communicatie: 13, 18, 28, 219, 229, 236, 323, 343, 357, 405, 408 n. 69, 429.
- door taalklanken 109.
- consensus 253.
- Zie: Waarnemend denken.  
Component: 363, 378-380, 383, 389.
- in samenstelling 388, 390.
Compositum: 363.
- eenheid 378, 383, 384.
- grens met groep 378, 385-386.
- secundair woord 379, 383, 387.
- gebroken 384, 389.
- accent 384-386.
- betekenis 385.
- criterium 386-387, 387-388.
- Zie: Geheel-verschijning. Woord-making.  
Concatenatio: 60-61.
Consensus: 252-253.
Contact: tweezijdig 18, 24 n. 49.
- in communicatie 28-29, 229.
- van het kind 108, 111.
Context: bij Ogden & Richards 62, 397-398.
- bij Graff 63.
- als ‘Zeigfeld’ 298.
- als woord-determinerend moment 394, 402, 406.
- bij G. Stern 397-399.
- als symbool-veld 402.
- definitie 409.
- bij Bühler 410.
Context-differentiëring: 64, 68, 70, 79, 80, 88.
Coöperatie: 12, 13 n. 26, 16, 91, 107.
Correlatie tussen woord en zin: 105, 148, 416.
Covariantie: 27.
   
Darstellung: 21 vlg.
- geen teken-‘functie’ 30, 139-140, 239.

[p. 451]

- primaat 35 vlg., 305.
- zie: Symboliseren.  
Darstellungs-‘functie’: 240 n. 18, 289-290, 305.
Definiëren: 288.
- van het woord 365.
Deixis: 30 n. 61*, 267, 297 n. 51, 301.
Denken: 43, 206, 208.
- en aanschouwelikheid 48, 132, 206-207, 211-212, 228, 246 n. 32, 307. 332.
- in taal 232, 253, 260, 263, 299, 328.
- met taal 131, 260.
- zonder aanschouwelikheid 44 n. 83, 206.
- als ‘veroorzaakt’; zie: ‘Interpretation’ als afhankelik van ‘referenten’, 75.
- differentiatie in het denken 283-84, 303.
- Zie: Articulatie en denken. Denkhandeling. Handelend denken. Vrij denken.  
Denk-eenheid: 41, 82-83, 284.
- in de woord-making 117.
- als woord-inhoud 230.
- zie: Generalisering. Individualisering. Toepasselikheid.  
Denk-handeling: 43, 230, 243-244.
- in de waarneming 267.
- Zie: Naam-ontdekking als betrekkingstellende denkhandeling. Referent.  
Denk-middel: woord als denk-middel 27 n. 58, 28, 115, 116, 126-127, 129, 136 vlg., 330-331.
- functie der vormelike systematiek 133-134.
Denk-moment: als middel 133, 136.
- als begrip zonder meer 137.
Departicularisatie: 212.
Diakrities moment: Gestalt als aanschouwelik - 181-182, 228.
- phoneem als diakritikon 196.
- Zie: Betekenis.  
Diaphone: 184 n. 4.
Differentiatie: als splitsing 135.
- der Gestalt 200.
- in de waarneming 282.
- in het denken 283-284, 286.
Ding an sich: 240.
Directe kennis: Ogden & Richards 73, 75.
Disjunctieve relevantie: der phonemen 199, 203, 212.
der betekenis-onderscheidingen. Zie: Betekenisonderscheidingen.  
Distantie-compositum: 369, 382 n. 27.
Dressuur: 66, 113.
- en naamvragen 121.
   
Ecphorisering: 57.
Eenheid van aanschouwelikheid en onaanschouwelikheid: Zie: Teken. Denken.  
Eenheid der activiteitswijzen: 48, 206, 209, 211, 218, 219.
- verhouding denken-Gestalt-beweging 213-214.
Eenheid en onderscheiding: 46-47, 87, 132, 396-397.
Eenheid-gevende act: 53, 55, 87, 142, 199 n. 30.
- bij Dempe 59.
- apperceptie 84.
- bij Stenzel 105.
- als ‘phénomène fondamental du langage’ 118.
- en zin 364, 415.
- Zie: Setzung. Symbalisatie.  
Eenheids-accent: 385.
Eenheids-begrip: 46.
Eigennaam: 301-302.
Einmaligkeit: 356.
Einwortsatz: 101, 104, 152.
- Zie: Monorème.  
Element: Zie: Woord-identiteit.  
Enclitica: 221, 272, 373.
Engram: definitie 56.
- als ‘Interpretation’ 60, 75.
Ervaring: definitie 44.
- als eenheid en geheel 46.
- als activiteit van het gehele individu 209.
Ervarings-onderscheidingen: 47, 87.
Ervarings-synthese: 47, 87.
Euphemisme: 329-330.
Evolutie-leer: 16.
Expectation: definitie 57.
- Zie: ‘Belief’.  

[p. 452]

External Context: 62.
- Zie: Stimuli-complex.  
   
Figuur: 40-41, 49, 159, 172.
Flexie-vormen: 278, 312 n. 67, 352 n. 43, 355.
Formule: 378, 429.
Formulering: 136, 216, 218, 260, 261, 322, 384 n. 31, 403.
- synthese 107 n. 27, 409, 412 n. 76, 428-429, 433.
- en woord-voorstelling 217.
- als geheel 297.
- berust op 't woord 348, 364, 411 vlg., 420
- en compositie 384.
- ‘werdende Rede’ 410, 433.
- als zins-bouw 411-412, 415, 425, 433.
- en situatie 416.
- bij van Woerkom 420 n. 96.
- ‘impulsion initiale’ 422, 424.
- inwendig 425.
- Zie: Präsentielle Gleichwertigkeit.  
Formulerings-gewoonten: 418, 420.
- Zie: Schema.  
Functioneel aspect: 237-239.
- Zie: Taal-‘functies’. Functioneel gebruik.  
Functioneel gebruik: 319, 329.
Functionele vorm: 159, 164, 166.
Fusionseinheit: 142, 249, 257.
   
Grammatica: denk-training 424.
- begrippen-systeem der - 431.
Gebruiks-eenheid: 50-51, 103, 201, 391, 396, 429.
- structuur 294.
- berust op 't geactueerde woord 416.
- Zie: Zins-eenheid.  
Gebruiks-gedachte: 225, 230, 260, 425.
- niet definiëerbaar 233.
- Zie: Betekenis.  
Gebruiks-gewoonte: 259.
Gebruiksteken: 92, 135-136, 140, 143, 146-147, 175-176, 219, 228-229, 294, 425.
Zie: Woord als middel, Denk-middel.  
Gedachte: als onaanschouwlikheid 42, 244 n. 26.
- in de waarneming 41, 224 n. 6, 264, 289.
- bij het kind 285, 303.
- concreet 284 n. 23, 285.
Gedrag: 128, 135.
Gedraging: zie gedrag.  
Geheel-begrip: 46.
Geheel-verschijning: 199, 201, 202 n. 30**, 212.
- in de waarneming 282.
- compositum 382, 387, 388, 390.
Geheel-waarneming: 282-83, 286.
- Zie: Woord-Gestalt als eenheid en geheel.  
Gelijktijdigheid: 219, 229.
Geluid: 150, 185-186.
- als typies in de waarneming 209.
Gemeenschap: 107, 108, 148, 236, 289, 343, 361, 433.
Gemeinte Bedeutung: en ‘erfasste Bedeutung’ 323.
Generaliseren: 119-120, 127.
- en affect 266.
Genus: 346 n. 35.
Geordend geheel: 36.
Gestalt: 174-175, 205.
- aanschouwelike kennis 173.
- functionele aanschouwelikheid 174, 207, 211.
- ken-moment der synergie 211, 213, 222.
- één met denken 211.
- en beweging 213.
Gestalt-momenten: categoriaal 215, 353, 354, 376.
Gestalt-verandering: 221.
Gestalt-psychologie: 47.
Gevoelswaarde: 234, 238-239.
Gewaarwording: 61, 186.
- ‘mere awareness’ 74 n. 35.
- Zie: Sensation.  
Groeps-exponent: 375.
   
Handelend denken: 131, 213, 431.
- werkelikheidstellend 422.
Handeling: doelgericht 123-124, 135-136, 422.
- als aanschouwelik-onaanschouwelike werkzaamheid 132, 209, 422.
- en voorstelling 177.

[p. 453]

- en situatie 401.
Handelings-eenheid: 209, 210, 213, 423.
Handelings-index: 109, 123, 267, 301.
- differentiatie 110.
Handelings-middel: 17, 130.
- woord als handelings-middel 125 n. 65*, 127 n. 72*. 136, 232, 331.
Handelings-veld: 294, 401, 40S n. 70, 409.
Handelings-vervangende hulp-handeling: 125-126, 129, 230, 301, 425.
- differentiatie tot gebruiksteken 135-136.
Homoniemen: 320, 340.
Homophoon: 169, 334.
Hyphenated words: 97.
   
Ik: in de waarneming 41.
Identificeren: Zie: Ineen-denken.  
Image: 205, 207, 210, 212.
- wanneer per se bewust 211.
Incorporering: Zie: Infigering.  
Individualisering: 284.
Ineen-denken: 321, 335, 337-338, 342.
- Zie: Secundair woord-maken. Rapports.  
Infigering: 271, 376.
Instelling op taal-gebruik: 145, 218, 332, 405-406, 422.
- Zie: Situatie.  
Interpolering: 203.
Interpretatie: der situatie 407.
- en taal-gebruik 424.
Interpretatie-niveau: 267, 323, 326.
Interpretation: als ‘Expectation’ 57.
- als ‘Belief’ 61.
- als ‘denken’ 58, 82, 88.
- als afhankelik van stimuli 60-61.
- als afhankelik van ‘referenten’ 73.
Interpreterende heen-en-weer-beweging: 203, 297, 299 n. 55, 369 n. 7*, 410 n. 71, 424-425.
- Zie: Formulering.  
Introspectie: definitie 11, 17.
- als methode 14, 17.
- bij Ogden & Richards 56, 79-80.
- Zie: Methode.  
Irrelevante momenten: 197, n. 25, 220, 222.
Isoleerbaarheid: 314, 316, 350, 366, 367, 373.
- beperkt 368, 369 n. 10, 380, 381.
- Zie: Woord-criterium.  
   
Ken-kritiek: 8.
Kennende aanschouwelikheid: 181 n. 1, 185, 187, 197.
- synergie-moment 213.
- Zie: Phoneem in de waarneming.  
Kennis van ervarings-onderscheidingen: 117, 120, 126 n. 70, 127, 128, 134, 142, 200, 215, 303, 332, 354, 355, 426 n. 110, 427.
Kern: 234, 249, 341.
- structuurprinciep 302, 342, 354, 387.
Klank: bij Vossler 19 n. 38.
- als teken bij Bühler 23, 29-30, 33, 305-306.
- als communicatie-middel 28, 49, 166.
- als aanschouwelikheid 40.
- als taal-vorm 49, 424 n. 105.
- als handelings-index 109, 111, 123, 296.
- als moment van het woord 120, 127, 134.
- als gedachte 120-121, 127.
- bij von Humboldt 123 n. 64.
- als waarneembare aanschouwelikheid 150, 184, 188.
- alleen bepaalbaar vanuit de ervaring 159 vlg., 185, 196.
- veranderlike t.o.v. het phoneem 183, 186, 219, 220-221, 321 n. 1.
- als gewaarwording 185.
- in de waarneming 209.
- geheel-moment 215.
- en schrift 220-221.
- als teken van de Gestalt 306.
- Zie: Vormelike constante.  
Klassen-systeem: 105, 107.
Komplex-kwaliteit: 199-200, 202, 215 n. 42, 219.
Kundgabe: 21 vlg., 38, 266, 307.
- plaatsvervangende teken-functie 25.
   
Leidinggevend princiep: 6, 224.
Lettergreep: 170, 199.
Lidwoord: 293.
Linguistiek: object 2.
- methode 5-7.

[p. 454]

Logicisme: 37, 256, 277, 302, 424.
- Zie: Kennis van ervarings-onderscheidingen.  
Logisme: 207, 289, 293.
   
Meaning: als correlatief aan ‘sign’ 57.
- als ‘circulair verschijnsel’ 58.
- definitie van Ogden & Richards 59.
- van een symbool 78.
Metanalysis: 95.
Metaphoor: 232, 327-328, 330, 339 n. 19 en 20.
Methode: Paul en Bühler vergeleken 5-7; G. Stern 224.
- Behaviouristiese 12.
- Introspectieve 14.
- Convergentie der beide methoden 17-18, 31, 32 n. 63, 56, 80 n. 48.
Mnemotechniek: 212, 232.
Moment: definitie 48.
Monorème: 101, 107.
- Zie: Einwortsatz.  
Montessori-kinderen: 94, 426-427.
Morphème: 308, 310.
- als niet-objectief 311, 316.
- soms woord 311, 314.
- en categorie-kenmerk 313.
Morphologies woord: 345, 379, 389.
Motoriese woord-voorstellingen: 134, 177, 204, 213.
   
Naam-ontdekking: 112-114, 116-118.
- als betrekking-stellende denkhandeling 117, 120, 125.
Naamvalsvorm: 274, 278, 354.
Naam-vragen: 91, 111, 113, 117, 120, 126.
- bij Wallon 114, 116.
- bij Cassirer 119 n. 57, 126.
- als criterium 121.
Nasalering: 152, 157, 161, 176, 221.
Nebenvorstellungen: 234, 235, 237-238.
Nennwörter: 291, 300 n. 56, 302.
Niet-ik: 40 vlg., 130, 246.
- Zie: Zaak.  
Noemen: 232, 240, 244.
- wijze van - 273.
- anomaal - 291.
   
Objective reference: 226, 242.
- constant 248.
- en zaak 255, 258.
Omdachte aanschouwelikheid: 208-209, 211-212, 260.
- geen ‘zakelik’ karakter 209.
- Zie: Image. Aanschouwelikheid in het denken.  
Omstelbaarheid: 367, 373, 381.
Onaanschouwelike kennis: 42.
Onbewust: 279.
Onzelfstandige betekenis: 262, 271, 272 vlg., 276, 290, 321, 348, 353.
Onzelfstandig noemen: 277, 280, 290-91, 317, 318.
Orde: 157.
Organon-model: 30, 305.
- alleen vanuit ‘Darstellung’ te begrijpen 39.
Orientierungskonvention: 297, 299.
Overgangs-klank: 270.
   
Paiute: 350.
Pars est propter tatum: 148.
Partikel: 221, 251, 269-270, 279.
- scheidbaarheid 370-371.
Perception: Zie: Waarneming als ‘Interpretation’.  
Persoonlik voornaamwoord: 266 n. 3, 293, 301 n. 57
- ‘Ausgangsbedeutung’ 296, 301, 304.
- niet-emphaties 308-309.
Phaenomenologie: 40, 274, 277.
Phoneem: 181, 190-191, 197, 201, 202.
- ervarings-constante 183.
- in de waarneming 185, 197.
- als voorstelling 186, 191-194.
- als ervarings-moment 187, 196.
- veronderstelt klank 187, 189.
- als klank-begrip 194.
- als relevant moment der Gestalt 196, 199, 201, 211, 216.
- diakrities moment 196, 202, 212.
- veranderlike 216.
- ervaren in de Gestalt 214.
- Zie: Disjunctieve relevantie.  
Phonematiese systematisering: 222 n. 45*, 266-267.
Phonetica: en ervaring 160.
Phoneties woord: als ‘forme limite’ 152.
- niet constant 152-153, 171, 176.

[p. 455]

- als onderscheiding in de klankstroom 153, 157, 158, 160.
- als functioneel constante 161, 177.
- als geheel 162-163.
- in de waarneming 165, 172 n. 19*.
- Zie: Aanschouwelikheid is niet ‘teken’.  
Polysemie: 233.
Popularbegriff: 231, 234.
Potentialiteit: 357.
Praediceren: logies 245, 261.
- Zie: Noemen. Toepassen.  
Präsentielle Gleichwertigkeit: 105, 148, 412, 416, 433.
Präsenz: 411.
Princiep: definitie 36.
Proclitica: 221, 272, 373.
Productie: 165-166, 173, 205, 208.
- en synergie 210.
Psychologisme: 181, 185, 188, 246, 256 n. 37, 278, 307.
- van de Saussure 23, 31, 307.
- van Wellander 53.
- overziet de ‘zaak’ 72.
- van Trubetzkoy 195.
Psychological context: 62-63, 154.
- bij Graff 63.
Psychophysiek: 186.
   
Range: 251.
- constantheid-gevend 252.
- gebruiksgebied 253, 257.
Rank: 368 n. 6.
Redenering: 331, 334.
- in woord-making 333.
Reference: 71, 240, 244.
- Zie: ‘Interpretation’.  
Referent: 71, 74, 76.
- af te leiden uit de waarneming 73.
- van de zin 156.
- als zaak 240.
- als denk-inhoud 242.
- als denkhandelings-eenheid 243, 247, 259, 277, 324.
- Zie: Zaak.  
Reflexie: bij introspectie 17-18.
- en meerwoorden-geheel 104, 269, 299, 410.
- op woord-onaanschouwelikheid 137.
- in de woord-making 265, 268, 291, 355 n. 47*.
- en abstractie 289, 426.
- en werkelikheid 415.
Response: 14, 57.
   
Sanddhi: 221.
Samen denken: 124, 147, 287, 424.
Samen handelen: 124, 130, 215, 229-230, 235-236, 323, 360, 429.
- Zie: Coöperatie.  
Samenkoppeling: 381, 383, 385-386, 388.
Samenstelling: 381, 388.
Scheidbaarheid: 367, 369-370, 372, 380.
- bilateraal 370.
- unilateraal 370.
- als criterium 373.
- en woord-moment 374 vlg.
en infigering 376.
en samenstelling 388.
Schema: 297 n. 53, 396 n. 53, 421.
- groep-schema 372.
- berust op woord 418 vlg.
Schrift: 94-95, 220, 309, 313, 373, 378, 388 n. 32***, 392, 427.
Secundair denken: 49, 133, 176.
Secundair woord-maken: 328-329.
- en identificatie 335.
Sémantème: 310.
- in woordbeschouwing 312.
- als ervarings-moment 315.
Semantiek: 333.
Sematologie: 8-9.
Semiologie: 8, 20-21, 54.
Sensation: als ‘sign’ 57, 73 n. 33, 76.
- als ‘directe’ kennis 73, 75.
- Zie: Gewaarwording.  
Sensisme: 61.
Setzung: 36, 59 n. 14, 87, 117, 120 vlg., 176, 416.
- Zie: Eenheidgevende act. Symbolisatie.  
Sign: definitie 57.
Signaal: 22, 24, 295, 300, 302.
- bij Delacroix 115.
Simplex: 363.
- en compositum 378-379, 383, 390.
Situatie: 28, 146, 202, 218, 236, 322, 323, 359.
- ‘innere’ en ‘äussere’ 295, 401.
- en woord 363, 409.

[p. 456]

- als woord-determinerend moment 363, 394, 402, 404, 408, 409, 416.
- en compositum 390.
- bij Gardiner 399-400.
- ontwikkeling van het begrip 403-404.
- vaste punten 404-405.
- en zin: 409.
- beheersing 417, 422.
Situatie-ervaring: 404, 407, 409.
Situationsindizien: 197 n. 25, 202, 221.
Slot-interpretatie: 76-77.
Spelling: geen betrouwbaar criterium voor woord-onderscheiding 94, 97.
Spraak-handeling: 125, 129, 134.
- en woord-voorstelling 178.
- specificatie 422.
Spraak-melodie: bij Gemelli 163.
- als gebruiks-verschijnsel 168.
Sprechereignis: concreet 19, 23.
Spreekhandeling: 125, 127, 128, 132, 134, 409.
- als grondslag voor symbolisatie 130.
- als geheel 215.
- verhouding tot Gestalt 213-214.
Spreken: samenhandeling 323.
- en denken 331.
- specificatie van handelings-mogelikheden 417, 422.
Stam-betekenis: 354.
Zie: Sémantème.  
Steuerung: 24, 109, 295, 357.
Stimulus: 14, 57.
- concatenatio der stimuli 60-61.
Stimulus-complex: woord-klank 65, 149, 155, 160, 186.
- Zie: External Context. Waarneembare aanschouwelikheid.  
Streven: 44, 123.
- in de woord-making 59 n. 14, 68 n. 28, 144-145.
- in taalgebruik 145-146, 210, 220, 414, 417, 428 n. 113.
- en compositie 383 n. 29.