Het nieuwe huis stond helemaal alleen midden tussen de akkers en weilanden. In de verte - maar niet al te ver weg - kon ik het bovenste deel van de kerk zien, de kerk aan het marktplein in Winterswijk. Vader bracht een klein bruin hondje voor me mee - Bobbie. Toen hij me hem gaf, pakte hij me op en knuffelde me, net of er geen oorlog was. 's Middags, na schooltijd, maakten Bobbie en ik wandelingen. In plaats van mensen zagen we koeien, en altijd stonden ze te grazen. Hielden ze hun ogen open als ze aten? Ik boog me voorover om er een te bestuderen. Ze schonk me geen enkele aandacht. Ze had het te druk met het gras.
Ik stond lange tijd in het weiland. Het werd wat kil. Hoe laat was het? Zouden ze thuis niet ongerust worden? In het oude huis waren ze dat altijd. Op een keer hadden ze zelfs de politie opgebeld toen ik om negen uur nog niet thuis was, maar de politie had me niet kunnen vinden. Ik was uit me zelf thuisgekomen om meer knikkers te halen. Ze waren zo blij geweest me te zien. Misschien
moest ik maar weer eens naar huis, voor het geval ze zich zorgen maakten.
Ik hoefde zelfs niet naar binnen te gaan om te horen waar ze mee bezig waren. ‘Sophie... ik had niet moeten luisteren... Amerika.’
Ik draaide me weer om. ‘Kom mee, Bobbie.’
Elke dag wandelde ik een stukje verder van huis. Ik ontdekte een boerderij niet ver van ons vandaan. Ik vroeg vader erover. ‘Natuurlijk ken ik die,’ zei hij. ‘Daar woont Droppers, met al die kinderen.’
‘Elf,’ zei ik. ‘Ze zijn erg aardig. Ik vind Frits leuk. Hij zit ook in de vierde klas, op de andere school.’
‘Ies, ze brengt veel te veel tijd door bij die kinderen,’ klaagde moeder, ‘en daar hou ik niet van. Van wat Annie me vertelde is die Frits niet erg bij.’
‘Niet waar!’ riep ik. ‘Hij weet zoveel. Hoe je in bomen moet klimmen, en nog veel meer.’
‘Het is wel goed,’ zei vader. ‘Maar misschien zou je er niet zo vaak naar toe moeten gaan.’
Maar waar kon ik anders heen? Van nu af aan zou ik ze niet alles meer vertellen. Dat zou beter zijn. Bij de Droppers maakte tenminste niemand ruzie. En niemand had hoofdpijn. Zoals thuis.
Moeder kreeg gelijk over het nieuwe huis. We wisten zelfs niet wat er zich op een nacht in oktober in de stad afspeelde, tot de volgende dag toen het voorbij was en het ons werd verteld.
Vroeg in de ochtend toen het nog donker was, waren de Duitse soldaten in vrachtwagens door de straten gekomen. Ze reden langzaam, met een lijst in hun handen met naam en adres van de joodse mannen. Op iedere wagen zat een Winterswijkse politieman om hen de weg te wijzen. Bijna iedereen sliep nog. Veel mannen waren in pyjama toen ze de deur opendeden. Je kan je gaan aankleden, werd hun gezegd; maar schiet op; de wagen staat te wachten en we hebben nog meer te doen. De soldaten liepen vlug naar de telefoon om de draden door te snijden, zodat niemand gewaarschuwd kon worden.
Ze kwamen bij ons oude huis. De agent zei niet dat we verhuisd waren. Toen de soldaten merkten dat het huis leeg was, holden ze de straat over naar de familie Gans. De ouders namen ze niet mee. Alleen hun grote zoon.
‘Vader, waar hebben de Duitsers de mannen heen gebracht?’ vroeg ik.
Niemand wist het zeker, zei hij me, maar waarschijnlijk waren ze op de trein naar Mauthausen gezet, die plaats in Oostenrijk waar al eerder een hoop joden heen gestuurd waren. Duitse, Oostenrijke en Poolse joden. Mauthausen was de naam van een gevangeniskamp. Een concentratiekamp noemden de mensen het, en Hitler had zijn soldaten gezegd dat ze daar joden mochten afranselen zo vaak ze er zin in hadden.
Waarom was ik nou bang toen ik de volgende dag naar school ging en drie Duitse soldaten in de stad zag? Ze zouden mij niet slaan. Ze letten niet op kinderen. Maar ik kneep mijn ogen stijf dicht toen hun laarzen vlak bij me waren. Ze maakten zo veel lawaai. Grappig, waarom deed ik het? Ik was geen man, zoals de zoon van Gans.
Mevrouw Gans kwam naar ons huis met een gele kaart. ‘Alsjeblieft,’ zei ze tegen Rachel, ‘wat staat erop? Onze zoon heeft ons geschreven, maar in het Duits en dat kunnen we niet lezen.’ Haar hand beefde toen ze de kaart overhandigde.
‘Ik ben sinds 10 oktober in Mauthausen,’ stond er in schrijfmachineletters. ‘Ik ben nummer 5562. Zaal b.’ In de linker onderhoek de woorden: ‘Schrijf alleen in de Duitse taal. Postzegels voor antwoord bijvoegen.’
‘Die Rachel. Ze is zo knap,’ zei moeder trots.
Ik knikte.
Negen dagen later kwam de brief die Rachel voor mevrouw Gans had geschreven terug uit Mauthausen. onbekend stond er dwars over de envelop gestempeld.
‘Raar dat ze zich hem niet meer herinnerden,’ zei moeder.
De boom sprak nog steeds, zelfs tegen ons buiten de stad. Joden mochten niet meer reizen, stond er. Maar we mochten wel in een vrachtwagen reizen, dacht ik. Als het een vrachtwagen van hen was.
Vader zei dat hij niet in Mauthausen terecht wilde komen, of in Duitsland, of in Polen waar net zulke kampen waren als Mauthausen. ‘Luister,’ zei hij. ‘Phil en ik hebben een plan. Misschien kunnen we naar Zwitserland gaan.’
‘Hoe wilde je dat doen?’ vroeg moeder.
‘Iemand rijdt ons naar de Zwitserse grens en het enige dat Phil en ik hoeven te doen is de grens oversteken.’
‘En wij dan?’ vroeg moeder.
‘Als we in Zwitserland zijn, zullen we jullie laten halen. En zodra je daar aankomt zal ik zorgen dat de beste dokters je onderzoeken. Goed, dat is dan geregeld. Overmorgen vertrek ik.’
‘Maar Ies, je zei dat het een plan was.’
‘Ja ja.’ Toen zag hij mij. ‘Annie, waarom ben je niet buiten aan het spelen? Luister, ik wil dat je hier niemand over vertelt. Begrijp je dat?’
Mijn hoofd tolde. Zwitserland? Met Hannie? Als tante Billa me maar niet al te veel lastig viel met al dat handen-gewas.
Ik keek naar moeder. De zware winterjas van vader lag over haar schoot. Met de punt van de schaar haalde ze de voeringnaad los. Toen ze daarmee klaar was, stopte ze er rollen bankbiljetten in en naaide alles weer dicht.
‘Je zegt tegen niemand wat, hè Annie?’
Ik ergerde me aan vader. Natuurlijk niet. Toch was het vreemd. Hoe kon hij dingen betalen als hij niet bij zijn geld kon komen?
Heel vroeg in de ochtend, toen het nog donker was, stond vader bij de achterdeur te wachten op de man die hem naar Zwitserland zou rijden.
‘Ik heb het veel te warm,’ klaagde vader, ‘met die zware jas. Daar is hij. Over een paar dagen zal hij voor jullie komen. Zorg dat je klaar bent. Tot spoedig weerziens.’
Hij glipte het huis uit.
Twee avonden later ging de bel. We holden de trappen af, grepen de koffers die we hadden gepakt en openden de deur. Maar het was de man niet. Daar stond vader voor ons, met een uitgeput gezicht. Ze hadden de grens niet over kunnen komen, zei hij. Daar was het te laat voor.
Ik dacht dat ze het al aan onze gezichten konden zien. Dat had Rachel gezegd. Maar misschien maakte de ster het gemakkelijker. Nu wist iedereen het door naar onze borst te kijken. Jood stond er op de ster, in zwarte letters op een gele achtergrond. En het waren geen gewone letters. Nee, ze hadden tierelantijnen, speciaal de d.
Vader was razend. ‘Je moet nog voor die dingen betalen ook,’ schreeuwde hij, ‘en textielpunten willen ze er ook voor hebben.’
Maar de sterren waren zo erg niet. Ik bevingerde die van mij. Ik zag er zo volwassen mee uit. Niet alle joden hoefden de ster te
dragen, niet de kinderen die nog geen zes waren. Eén kleine jongen had een ster op zijn driewieler. Zijn vader had er een voor hem moeten maken van karton, omdat de jongen nog niet oud genoeg was voor een echte, van stof gemaakt. Zoals de mijne. En thuis had ik nog drie sterren, ook allemaal echte. We hadden er zoveel nodig, omdat we er de hele tijd door een moesten dragen. Om de ster van de ene jas af te halen en hem op een andere te naaien zou te lastig zijn geweest. Als we hem op onze kleren hadden kunnen spelden... Maar dat was niet toegestaan, dat zei de boom. Nee, ik vond die ster niet erg. Grootmoeder wel, maar die was oud. Ze hield waarschijnlijk niet van opzichtige dingen op haar borst.
Die middag op het station stapten veel mensen die een ster droegen in de trein. En nog veel meer bleven achter op het perron. ‘Tot na de oorlog,’ riepen de mensen in de trein naar die op het perron.
‘Vast en zeker,’ riepen de mensen op het perron terug.
De trein vertrok naar een Nederlands kamp, een werkkamp, waar werk voor Duitsland moest worden gedaan. Veel joden hadden net als Rachel een brief ontvangen waarin stond dat ze ontslagen waren. Een paar mensen schudden vader de hand. ‘De Leeuw, zou het niet beter zijn een poosje te gaan werken in plaats van thuis rond te hangen? Het is niet voor lang, en ze hebben ons gezegd dat we goed behandeld zullen worden. Dus wat kan ons gebeuren? Blijf gezond en kijk uit.’
De boom had om joodse vrijwilligers gevraagd. Dat waren de mensen in de trein.
‘Idioten,’ zei vader kwaad, ‘om zomaar te gaan. Kom mee, Annie, laten we niet langer blijven kijken.’
Thuis had Rachel de tafel voor vier mensen gedekt, omdat moeder het bed niet meer uitkwam.
‘Ik begrijp niet waarom ze gegaan zijn,’ zei vader.
O, de mensen in de trein.
‘Annie, hou op met dat spelen met brood,’ waarschuwde Rachel.
Maar ik had geen trek. Het smaakte naar zaagsel. Het rook zelfs naar zaagsel.
‘Eet alsjeblieft op,’ zei Rachel, ‘dan kan ik afwassen. Ik heb nog zo veel werk te doen vóór drie uur.’
Ik wist waarom Rachel om drie uur klaar wilde zijn. Op dat uur mochten we gaan winkelen. Van drie tot vijf holde iedere jood door de straten, van de ene winkel naar de andere. Om drie uur was er niet veel meer te koop in de winkels. Er was zelfs niet veel te koop vóór drie uur. Gisteren was het Sini's beurt geweest boodschappen te doen. Ze was zonder iets thuisgekomen. In plaats van te winkelen waren meneer Herschel en zij een eind gaan wandelen. Rachel was razend geweest.
Ik propte de laatste hap eten in mijn mond. Ik ging kijken of Frits Droppers thuis was.
De boom zei dat er meer vrijwilligers nodig waren voor de werkkampen. Je mocht zelfs zestig jaar zijn. Vader Gans was blij dat hij niet te oud was om te gaan. Misschien zouden ze hem op een dag uit Nederland naar een ander kamp sturen, zei hij. Dat was een hele hoop mensen al overkomen. Ze waren op de trein gezet naar Polen. Maar misschien had hij het geluk naar Oostenrijk en Mauthausen gestuurd te worden. En misschien zou hij daar zijn zoon vinden. In ieder geval nam hij de lievelingstrui van zijn zoon mee, die met de kabelsteek op de mouwen.
Maar er was zo veel werk te doen, en niet genoeg mensen gingen vrijwillig. De boom was niet meer zo vriendelijk. ‘U moet gaan,’ zeiden de biljetten.
Wat zou er gebeuren als je niet ging? Vader was niet van plan te gaan. ‘Ik zoek een plek om onder te duiken,’ zei hij ons. ‘Ik ken veel boeren en een van hen zal ons vast en zeker nemen.’
Ik stampvoette. Moeder had ongelijk gehad met het nieuwe huis. Ongelijk. Ongelijk. Bobbie kwam achter me aan rennen.
Toen ik de volgende morgen bij school kwam, was meneer Herschel er nog niet. We stonden buiten op hem te wachten, tot meneer Cohen, de andere onderwijzer, aankwam. ‘Jullie kunnen beter naar huis gaan,’ zei hij. ‘Meneer Herschel komt niet meer terug.’
De eerste die ik thuis tegenkwam was Sini. ‘Hoe komt het dat je al weer thuis bent?’
‘Duitse soldaten hebben meneer Herschel opgepakt. Hij komt niet meer terug. Geen school meer.’
Sini liet zich op een stoel vallen en begon te huilen. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Onhandig schuifelde ik de kamer uit. Gebeurde dat als je niet vrijwillig ging en ze meer arbeiders nodig hadden? Kwam dan de vrachtwagen? Maar meneer Herschel had
een betrekking. Hij zat niet zomaar in huis zoals de vader van Frits Droppers, die de hele dag niets uitvoerde. Die zou dan ook moeten gaan.
Er gingen in dat najaar van 1942 veel geruchten. De oorlog zou gauw voorbij zijn, zeiden sommige mensen. Duitsland had nooit Rusland moeten binnenvallen. Dat land was veel te koud voor hen en te groot. Duitse soldaten vochten ook in Noord-Afrika. ‘Natuurlijk, ze worden daar geholpen door Italiaanse soldaten, maar die zijn niet veel waard.’
Hoeveel soldaten had Hitler wel? Genoeg om ze over de hele wereld te sturen? Zouden ze zelfs bij oom Bram komen? Want de Duitsers waren nu ook in oorlog met Amerika. Vader zei dat het een verschrikkelijke fout was geweest. Hitler had beter moeten weten. Hij lachte toen hij dat zei, en ik was niet bang, niet als vader zó lachte.
Er liepen andere geruchten, niet zulke prettige. Al gauw mochten ook vrouwen naar de werkkampen gaan - als ze ervoor voelden. Mevrouw Gans had al gepakt en stond klaar. Vader zei dat Rachel en Sini een kleuterschool moesten beginnen in ons huis. Dan zouden de Duitsers niet van hen verwachten dat ze gingen. Ze zouden het te druk hebben met nuttig werk.
Iedere morgen kwamen er ongeveer tien kinderen, achterop de fiets van hun moeders. Ik stond ze op te wachten bij het hek, met mijn ster op, net zoals de moeders. Ik nam de kinderen mee naar binnen en Sini wees hun waar ze moesten zitten. Ik liep rond om het plakwerk na te kijken. ‘Kijk eens, het figuurtje is helemaal scheef; en veeg je plakkerige handen niet aan je kleren af. Daar heb je een doek voor gekregen.’
Rachel schoof een klein meisje in mijn richting. ‘Annie, breng haar eens naar de badkamer.’
‘Kom mee,’ zei ik, ‘deze kant op. Geef me een hand.’
De zomer werd erg fijn. Die arme Frits, die als leerling naar school moest. Dit was ook een school waar ik assistent was, en ik was pas tien.
‘Vandaag gaan we een wandeling maken in de bossen. Ga hier in de rij staan. Een mooie rechte rij, alsjeblieft.’ Zelfs mijn stem klonk net als die van Rachel. Ik stond te wachten tot Rachel en Sini zouden komen.
‘Waarom heb jij een rugzak om?’ vroeg ik een kleine jongen.
‘Daar heb ik koekjes in,’ antwoordde hij.
Toen Rachel en Sini kwamen, pakte hij de hand van zijn buurman en schoof de rugzak hoger op zijn rug. ‘Op naar Polen,’ zei hij. En we wandelden weg, om bloemen te plukken.
Moeders hoofdpijn werd zo erg dat ze naar het ziekenhuis moest. In het ziekenhuis konden ze geen kosjer eten klaarmaken, en Rachel maakte het thuis voor haar. Ze bracht het haar elke dag in een rieten mand. In de ziekenhuiskeuken gaven ze Rachel dan de vuile vaat van de vorige dag mee naar huis.
De enige bezoekers die moeder mocht ontvangen waren wij vieren en grootmoeder. Grootmoeder zat aan moeders bed en wist niet wat ze moest zeggen, behalve, ‘Sophie, Sophie’. Maar wij zeiden ook niet veel. Alles maakte moeder zenuwachtig, speciaal nieuws over de oorlog. Maar wat had er niet met de oorlog te maken? Frits Droppers niet, en voor de eerste keer luisterde iedereen naar me toen ik over hem vertelde. Tot de zuster met vader sprak. ‘Het spijt me, meneer De Leeuw, het geldt niet alleen voor mevrouw De Leeuw. De twee andere joodse patiënten die we hebben mogen ook geen bezoek meer ontvangen.’
‘Maar dat kan niet,’ schreeuwde vader. ‘Wat is dat voor een nieuwe regeling? Wat steekt er voor kwaads in zieke mensen te bezoeken?’
‘Geen enkel,’ zei de zuster. ‘Ik voel met u mee, maar schreeuwt u alstublieft niet. U bent in een ziekenhuis.’
Stil liepen we naar huis. Hoe durfde de boom wat over moeder te zeggen.
Toch liep Rachel elke morgen naar het ziekenhuis om moeders eten te brengen. In de vuile vaat van de vorige dag legde moeder dan een briefje. Er stond altijd hetzelfde in: ‘De dagen duren zo lang. Ik mis jullie.’
Vader dacht dat de vader van Willy Bos mij wel een vergunning zou willen geven om moeder op te zoeken als ik hem erom vroeg.
‘Die nsb'er,’ zei Rachel, ‘die wil je toch niet om een gunst vragen?’
Maar hij was nu burgemeester, zei vader, en waarom zou ik het niet proberen?
Dus liep ik in mijn beste zomerjurk naar het stadhuis. ‘Waar is het kantoor van de burgemeester?’ vroeg ik aan een man. Hij wees naar een deur boven aan de trap.
Ik beklom de trap die naar de eerste verdieping leidde. Buiten
het kantoor van dokter Bos ging ik op een bank zitten naast de anderen die hem wilden spreken.
Het had nu mijn beurt moeten zijn. Die man had niet voor mij naar binnen mogen gaan. Hij was pas een paar minuten geleden gekomen. Hij mocht niet... Ik kwam overeind. Ik probeerde de aandacht te trekken van de suppoost, maar slaagde er niet in. Ik ging weer zitten.
Ik was niet van plan de hele dag op die bank te blijven zitten alleen omdat ik een kind was! Kwam het misschien door de ster op mijn jurk? Maar ik had ook iets te vragen. Vastbesloten stond ik op.
‘Wanneer ben ik aan de beurt?’ vroeg ik de suppoost. Hij gaf geen antwoord. Weer ging ik zitten.
‘Jij.’ Zijn stem deed me opspringen. Ik liep het kantoor in. Dokter Bos zat achter een bureau. Hij bleef zitten lezen en schonk geen aandacht aan me. Ik kwam dichterbij. Wanneer zou hij eens ophouden? Misschien wist hij niet dat ik hier was.
‘Dag dokter Bos,’ zei ik.
Hij keek op van zijn papieren. ‘Kijk eens aan, wat een verrassing. Jij ging toch altijd met Willy naar school, niet? Wat is ook al weer je voornaam?’
‘Annie.’
‘Natuurlijk. Nou, Annie, vertel me eens wat ik voor je kan doen. Vind je dat er geen snoep genoeg is in de winkels? Je moeder moest dankbaar zijn. Hoe gaat het trouwens met haar?’
‘Ze ligt in het ziekenhuis, en we mogen haar niet meer bezoeken. Kunt u me een vergunning geven zodat ik naar haar toe kan? Alleen voor mij?’
Hij nam een blocnote en schreef er iets op. Hij scheurde het blad af en gaf het aan me.
Ik las snel wat er op stond. ‘Dank u, dokter Bos.’
Ik holde de hele weg terug naar huis. Ze zouden trots op me zijn.
Dat waren ze ook - maar niet lang. Iedereen maakte zich zorgen. De boom vroeg om steeds meer vrijwilligers. Zelfs jonge meisjes. Hoeveel werk hadden ze toch wel? Rachel pakte stiekem koffers om mee te nemen naar het kamp. Vader mocht het niet weten. Hij zou woedend zijn geworden. ‘Wij zullen nooit gaan,’ zei hij. En iedere dag vroeg hij een andere boer of die ons in huis kon nemen. Hij was opgehouden met de handel in koeien.
‘Ik ga niet onderduiken,’ zei Sini. ‘Ergens op een kamertje zitten, dat is geen leven.’
Vader zei haar dat ze geen keus had als hij een plek vond. Ik zou het ook niet leuk vinden me te moeten verstoppen. Misschien had Rachel gelijk en zou hij niets vinden. Dan zou ik op de trein kunnen stappen met mijn nieuwe koffertje.
Sommige ouders gingen wel naar het kamp of naar een schuilplaats. Steeds minder kinderen kwamen op onze school.
‘Laten we vakantie houden,’ zei Rachel tegen de kinderen die nog kwamen, ‘zodat iedereen even kan uitrusten. Goed?’
De kinderen knikten. Die arme Frits. Hij zei steeds maar dat hij op onze school zou willen zitten, zodat hij ook kon uitrusten. Net zoals ik.
Als het donker was geworden en we niet meer naar buiten mochten, waren we bezig onze meubels naar de Droppers te brengen. Het zou zonde zijn, zei Rachel, om de meubels in het huis te laten staan voor de Duitsers, voor het geval we naar het kamp zouden gaan.
‘Onderduiken, bedoel je,’ zei vader.
Ik mocht moeder er niets over vertellen als ik haar opzocht. Ze zou het niet leuk vinden als ze het wist. Ik kon nergens met haar over praten, zelfs niet over Frits omdat ik me zou kunnen vergissen en over zijn nieuwe meubels zou kunnen vertellen. Ik keek heimelijk op de klok als ik bij haar op bezoek was. Dertig minuten is lang. Het kon me niet schelen dat ik weer naar dokter Bos moest voor drie nieuwe vergunningen toen moeder erg ziek werd. Nu hoefde ik niet meer alleen te zijn als ik haar bezocht.
Een paar dagen later toen Sini en ik terugkwamen van het ziekenhuis, kwam Rachel ons bij de keukendeur tegemoet. ‘Een van ons is niet meer hier,’ zei ze, ‘en dat is Bobbie.’
‘Waar is hij?’ gilde ik.
‘Vader heeft hem meegenomen naar een boer die goed voor hem zal zorgen.’
Ik gaf een schop tegen de deur toen ik naar binnen ging. Ik hoopte dat mijn schoen een lelijke plek zou achterlaten. Bobbie was weg en niemand had me er wat over gezegd. Niet tot het te laat was.