Het was een prachtige laatzomerse dag, en vader wilde dat ik met hem meeging.
‘Waar gaan we naar toe?’ vroeg ik.
‘Naar Abbink. Ik ga met hem spreken over een schuilplaats.’
‘Kijk uit,’ waarschuwde Rachel, ‘en rij niet door de stad.’
‘Ik weet het, ik weet het,’ zei vader ongeduldig.
Ik wist het ook. Er waren Duitse soldaten in de stad. We konden niet meer fietsen, omdat we ze hadden moeten inleveren, maar vader had het niet gedaan.
‘Kom op, Annie,’ zei vader.
Ik klom achter op zijn fiets.
Het was warm. Vader pakte een rode zakdoek uit zijn zak en veegde zijn gezicht af. Het fietsen moest moeilijk zijn, het pad was zo smal. Aan de rechterkant stonden bosjes; aan de linkerkant diepe karresporen. Wij waren de enigen op het pad. De meeste boeren waren druk bezig het hooi binnen te halen. Maar we reden er één achterop; hij zat op zijn kar met de leidsels losjes in zijn hand. Het paard stapte langzaam, met een neerhangende kop, alsof het stapvoets gaan nog te veel moeite voor hem was. Lui hief de boer een hand op. ‘Mogge,’ zei hij.
‘Mogge.’
We reden door. De muggen waren die dag vervelend. Ongeduldig sloeg ik op mijn gezicht.
Het was zo rustig dat ik een bromvlieg voorbij kon horen zoemen.
‘Daar is het,’ zei vader, ‘en de boer die daar op het veld werkt is Abbink.’
‘Goeiemorgen.’
‘Hallo, De Leeuw, en - eh?’
‘Annie.’
‘Ja. Heb je een tijdje niet gezien, De Leeuw.’
‘Dat weet ik. Ik doe geen zaken meer. Hoe gaat het met het hooien?’
Abbink keek naar de lucht. ‘Als die wolken zo wit blijven als ze nu zijn, krijgen we het hooi op tijd binnen.’ Hij gooide zijn hooivork neer en veegde het zweet van zijn gezicht. ‘Hoe gaat het met de vrouw?’
‘Niet erg goed.’
‘Ik had nooit gedacht dat we nog eens in zo'n rotzooi zouden
leven, De Leeuw. Ik zei laatst nog tegen de vrouw dat ik deze zomer geen plezier heb in het werk. Ik weet niet waar ik het voor doe.’
‘Wat zei je vrouw?’
‘Ze was het met me eens.’
‘Je weet, Abbink, dat het niet lang meer duurt voor de Duitsers ons oppakken en wegsturen.’
‘Denk je dat?’
‘Ja. Tenzij ik mensen vind die ons in huis nemen.’
Vader en Abbink keken elkaar recht in de ogen.
‘Ik zou willen dat ik je kon helpen, maar mijn kinderen zijn te klein. Ze zouden hun mond niet houden als we je verborgen.’ Abbink nam zijn pet af en krabde zijn hoofd.
Geen van beiden zei de volgende minuut iets.
‘Weet je wát, De Leeuw, mijn schoonzuster is getrouwd met een dominee in de stad. Dat is een beste kerel, en hij kent een hoop mensen. Ik zal het met hem over je hebben.’
‘Dat zou ik fijn vinden, Abbink.’
‘Ik weet niet of hij kan helpen, maar ik zal hem vragen of hij met je praten wil.’
‘Dank je. Wel, je kan maar beter weer aan het werk gaan. Ik vertrouw die wolken niet.’
‘Ga even naar binnen. Mijn vrouw zal je een paar eieren geven.’
Terwijl hij naar de fiets terugliep hielp vader stil om een korenbloem te plukken. Hij stak hem in het knoopsgat van zijn jasje. Afwezig krabde hij aan een muggebeet op de rug van zijn hand. Hij wachtte tot ik achterop was geklommen. ‘Het is fijn om weer eens met jou op stap te zijn,’ zei hij.
Dat was het. Ik keek naar hem op en lachte.
Voorzichtig stapte hij op de fiets, de zak met eieren in zijn hand. ‘Rachel kan een omelet maken voor moeder,’ zei hij zachtjes. ‘Daar hield ze altijd zo van.’
Een paar dagen later schoof een jongen een briefje onder onze deur. ‘Zorg dat u morgenmiddag thuis bent. Dominee Zwaal.’
We zaten allemaal thuis op hem te wachten. Maar toen hij kwam gingen vader en hij de huiskamer binnen en lieten ons in de keuken zitten. Het duurde erg lang voor ze weer te voorschijn kwamen. Toen het zover was, had vader rode vlekken op zijn wangen. Hij had een plaats, zei hij, bij Rotterdam.
Maar Rotterdam was uren ver weg, misschien wel een halve
dag! Zouden we zo ver weg moeten?
‘Eén plaats?’ vroeg Sini.
‘Ja, en ik moet hem nemen,’ zei vader. ‘Meneer en mevrouw Hemmes - zo heten ze - willen een man.’ En dominee Zwaal zou zien dat hij in Rotterdam kwam zei vader.
‘Wanneer ga je?’ vroeg Rachel.
‘Als ik een plaats voor jullie drie heb gevonden.’
Vader keek me aan. ‘Nee, Annie. Moeder is te ziek om onder te duiken. Ze zal veilig zijn in het ziekenhuis. Je ziet er overstuur uit. Kom nou. En zeg niets tegen haar.’
Ik slikte. Ik zei dat ik het niet zou doen.
Op een morgen in september belde oom Phil al vroeg bij ons aan. Hij wilde met ons praten, zei hij, nu direct. ‘Een niet-joodse vriend van mij heeft aangeboden Billa, Hannie, grootmoeder en mij in huis te nemen,’ zei hij.
‘Waar?’ vroeg vader.
‘Een paar uur op de fiets hier vandaan.’
Maar hij was niet van plan het aanbod aan te nemen, zei hij, omdat tante Billa het niet wilde.
‘Waarom wil ze niet?’ vroeg vader.
‘Ze willen geen kosjer huishouden voor haar houden,’ zei oom Phil.
We keken hem allemaal aan. Zijn gezicht was rood - het gedeelte dat ik zien kon. Hij was gekomen, legde hij uit, om vader te vragen of die misschien met zijn vriend zou willen praten. Misschien konden wij in zijn huis ondergebracht worden.
Nadat oom Phil was weggegaan, stapte er een man die we nog nooit hadden gezien voor ons huis van zijn fiets. Hij keek door het keukenraam.
Rachel deed het open. ‘Wie zoekt u?’ vroeg ze.
‘Ies de Leeuw,’ zei de man. ‘Ik ben Gerrit Hannink, een vriend van je oom.’
Nieuwsgierig bekeek ik hem. Hij was lang, met gebogen schouders. Samen gingen vader en hij de huiskamer binnen. De deur ging dicht.
Toen meneer Hannink weg was riep vader ons binnen. ‘Kom hier, opschieten.’ Wij hadden nu ook een plaats, zei hij. Wij alle drie zouden bij meneer Hannink gaan wonen. Juffrouw Kleinhoon-
te, een vroegere lerares van Rachel en Sini, zou met meneer Hannink bespreken hoe we in Usselo moesten komen, waar hij woonde.
‘Ik ga niet,’ zei Rachel ineens.
‘Wat is er met je aan de hand?’ vroeg vader.
‘Wie moet er dan moeders eten klaarmaken?’
We keken Rachel allemaal aan. Hoe moest dat met moeders eten? Ze zou de maaltijd van het ziekenhuis moeten eten, zei vader. Maar Rachel zei dat ze niet weg zou gaan. Een van ons moest blijven om voor moeder te zorgen.
‘Niks d'r van!’ riep vader. ‘Jij gaat mee met Sini en Annie. Je moet in elk geval toch binnenkort weg uit Winterswijk. Je kan niets voor moeder doen. Niemand kan dat. Waarom zou jij je leven riskeren?’
Vader beende de kamer op en neer. Maar Rachel zou niet meegaan naar Usselo, zei ze, tenzij ze absoluut moest.
Begin oktober kreeg vader een brief over de post. De volgende week, zei de brief, moet uw gezin naar een Nederlands werkkamp. Meldt u aan het station. Maar het kon best zijn dat ze ons niet naar een werkkamp brachten. De brief zou wel eens kunnen liegen. Dat zei vader. Een heleboel keren reed de trein door naar Duitsland, of Oostenrijk, of Polen, naar de concentratiekampen. Hoorde Rachel niet wat vader zei? Ze wilde toch niet door de soldaten van Hitler geslagen worden? Moest ze dan niet met Sini en mij meegaan?
De volgende dag zou er iemand komen om vader naar de familie Hemmes te brengen. 's Middags gingen vader en ik naar het ziekenhuis om moeder te bezoeken, maar we zeiden niets over de brief of de familie Hemmes. Op de terugweg hield ik zijn hand stevig vast.
‘Annie, zul je lief zijn in Usselo? Juffrouw Kleinhoonte zal je wat schoolboeken meegeven. Dan kan je nog iets leren terwijl je ondergedoken bent. Rachel en Sini helpen je wel. Na de oorlog gaan jij en ik weer de boer op - koeien kopen.’
Ik pakte zijn hand nog steviger beet.
We stonden de volgende morgen vroeg op, lang voordat vader weg zou gaan. Toen ik de trap afliep hoorde ik ‘Rachel... moet... Usselo.’ Arme vader was altijd aan het ruzie maken. Toen ik binnenkwam, hield hij op. ‘Vooruit ermee,’ mompelde hij, een voor
een aan zijn vingers trekkend.
Een paar ervan maakten een krakend geluid.
‘Alsjeblieft, vader,’ zei Rachel.
‘Praat niet net als je moeder.’ Vaders stem was scherp.
Niemand zei iets.
‘Nou, goed, ik ga. Het is nog niet helemaal tijd, maar dominee Zwaal zei dat de man een beetje vroeger zou kunnen komen... je weet nooit... Neem het geld dat ik jullie heb gegeven mee naar Usselo... Zorg goed voor je zelf.’ Hij trok zijn jas aan en knuffelde ons. ‘Na de oorlog...’ Hij hield abrupt op, greep zijn koffer en ging het huis uit.
De deur sloeg met een klap dicht.
Even voor het middaguur kwam er een tengere oude dame. Het was juffrouw Kleinhoonte. ‘Jullie vader is veilig aangekomen,’ zei ze. ‘Ik heb juist met dominee Zwaal gesproken. Ik zal jullie vertellen hoe je bij Hannink moet komen.’ Ze wendde zich tot Rachel. ‘Je vader heeft me over je verteld. Wil je nog steeds blijven?’
Ja. Rachel was nog niet bereid om te gaan, zei ze. Ze zou zeker tot de volgende week blijven, tot het laatste ogenblik.
‘Dat zou ik je beslist afraden. Maar als je er zo over denkt, wil dominee Zwaal dat je de avonden bij hem thuis doorbrengt.’
Toen zei juffrouw Kleinhoonte dat Sini de volgende morgen naar Usselo moest fietsen. Sini moest haar haar verven en zich als een boerenmeisje kleden. Meneer Hannink zou haar even voor Usselo opwachten. ‘Laat niet merken dat je hem kent. Volg hem alleen maar. Na een paar minuten slaat hij een pad in. Dat is de oprit naar zijn huis. Ga in de garage en wacht af.’
Ik luisterde opgewonden. Wat moest ík doen?
Mijn haar zou worden geknipt als dat van een jongen, zei juffrouw Kleinhoonte, en ik moest een matrozenpak dragen.
‘Maar dan zie ik eruit als een jongen! En als ik dan iemand tegenkom die me kent?’ Dat kon gebeuren. Ik hield mijn adem in.
‘Laten we hopen dat ze je niet herkennen. Daar is die verkleding voor,’ zei Rachel.
‘Loop morgenochtend om acht uur naar de bushalte bij mijn huis,’ ging juffrouw Kleinhoonte verder. ‘Om zestien over acht komt de bus. Er staat Winterswijk-Enschede voorop. Stap op en koop een kaartje naar Enschede.’
Maar ik moest toch naar Usselo? vroeg ik. Dat moest ik ook, maar niet rechtstreeks, zei juffrouw Kleinhoonte. Usselo was zo'n
klein plaatsje dat de mensen me na zouden kijken als ik daar de bus uitging. Het was veiliger om in Enschede uit te stappen, dat was een grote stad.
‘In Enschede wacht een jong meisje bij het eindpunt op je. Haar naam is Dini Hannink. Spring bij haar achter op de fiets, dan brengt zij je naar het huis in Usselo.’
Wat veel om te onthouden. En ik zou er als een jongen uitzien. Hoe moest dat als ik Frits zag?
Het werd onze tijd om moeder te bezoeken, zei Sini. Ik wilde niet mee. Zou ze niet weten dat we haar morgen niet zouden komen opzoeken? Of de dag daarop? Of, of... nee, nee!
‘Waarom is vader niet meegekomen?’ vroeg moeder.
Sini boog zich over het bed. ‘Hij moest onderduiken,’ fluisterde ze. ‘Maar hij heeft het erg goed. Hij zit in een prachtig hotel. Het eten moet er geweldig zijn.’
Ik bloosde. Hoe kon Sini liegen? Maar moeder glimlachte.
Toen de dertig minuten voorbij waren, ging Sini het eerst de zaal uit.
‘Annie,’ zei moeder, ‘herinner je je die snoepautomaat bij het station?’
Ik knikte.
‘Denk je dat hij nog in gebruik is?’
‘Dat denk ik wel.’
‘Hier heb je een kwartje. Kan je onderweg naar huis wat kopen.’
Ik greep het geldstuk uit haar hand en holde weg. Ik wilde niet dat ze mijn tranen zag.
Buiten stond Sini op me te wachten.
‘Hoe lang blijft moeder ziek?’ vroeg ik.
‘Dat weet niemand,’ zei ze, ‘maar ze is doodziek. En waarschijnlijk leeft ze niet lang meer.’
Ik was niet eens verbaasd.
Thuis zat Rachel te wachten met een fles peroxyde in haar hand. ‘Was eerst je haar,’ zei ze tegen Sini. Ik ging op het bed zitten om toe te kijken. Sini was mooi. Haar haar was lang en glanzend, maar zwart - de verkeerde kleur.
Rachel goot wat peroxyde in een glas en vulde de rest bij met water. Ze wreef het uit op Sini's haar. We wachtten zonder wat te zeggen. En na een poosje gebeurde er iets verkeerds. Vlak voor
onze ogen begon Sini's haar rood te worden, het rood van roestig prikkeldraad. Dof, levenloos rood. Rachel hield op.
Met een ruk hief Sini haar hoofd op en goot water over haar haar. Ze duwde het haar uit haar ogen en keek. ‘Dat gaat niet,’ zei ze woedend. ‘Kijk, het is vreselijk.’
Ik wees op haar wenkbrauwen. ‘Die zijn nog zwart.’
Met een kwade beweging trok Sini de meeste wenkbrauwharen eruit. De huid boven haar ogen was rood en gezwollen. Het had vast pijn gedaan. Ik had er niet over moeten beginnen.
Het was mijn beurt. Rachel sloeg een handdoek om me heen, pakte de schaar en begon te knippen. Vlokken haar vielen op de grond. Toen er geen meer vielen, liep ik naar de spiegel: twee bange groene ogen in een erg rond gezicht keken me aan. Ik haatte ronde gezichten. Het was niet zo erg geweest toen mijn haar lang was. Ik probeerde mijn wangen naar binnen te zuigen; het hielp niet.
Ik geloofde Sini en Rachel niet toen ze zeiden hoe aardig ik eruitzag. In bed trok ik de deken over mijn hoofd.
Toen ik wakker werd was het nog donker. Ik ging mijn bed uit om te kijken of het regende. Ik stak mijn hand uit het raam en wachtte. Geen druppel. Ik keerde me om en draaide het licht aan: vier uur. Ik ging op mijn bed zitten. In de hoek bij het raam had een tafel gestaan, maar die hadden we aan de Droppers gegeven. Frits gebruikte hem waarschijnlijk voor zijn huiswerk - voor school.
Ik hoorde geluiden in de keuken. Sini en Rachel waren vast al op. Ik ging naar beneden om te kijken. Sini was bezig met een schaar de ster van haar jas te halen. Ze knipte aan de zes hoeken tot de ster eraf viel. Haar gezicht was rood gezwollen.
‘Nu moet ik me gaan aankleden,’ zei ze. ‘Wacht tot je me naar beneden ziet komen.’
‘Rachel,’ vroeg ik, ‘wanneer kom jij naar Usselo?’
‘Gauw,’ antwoordde ze.
‘Rachel, je weet wel, de vrachtwagen.’ Hoe moest het als ze thuis was en de wagen kwam haar halen?
Ze zei me dat ik me niet ongerust hoefde te maken. Ze was vijfentwintig - dat was de reden waarom ze zo veel wist.
‘Denk je dat we terugkomen?’ vroeg ik. ‘Uit Usselo?’
Dat wist ze niet, zei Rachel.
Niet iedereen die onderdook kwam terug. Een groep joden die
zich wekenlang in een moerassig gebied bij Winterswijk had schuilgehouden was gegrepen. Het was niet aardig om je te verstoppen, zeiden de Duitsers. De groep was naar Polen gestuurd. Misschien kwamen ze na de oorlog terug. Dat zou kunnen. Rachel wist het niet. Maar die mensen hadden zich zelf verstopt. Die joden hadden geen niet-joodse familie gehad om voor hen te zorgen - zoals wij.
Sini kwam gekleed als boerenmeisje de trap af. Een sjaal verborg bijna al haar haar. Ze bond een bundel kleren op de bagagedrager van haar fiets. ‘Ik kan het niet de hele dag in huis uithouden,’ zei ze met een grappig stemmetje. ‘Waarom moet ik dat eigenlijk? Ik zie er niet eens joods uit. Hoe kan iemand het weten zonder de ster!’
Rachel liep weg.
‘Dag Sini. Ik zie je vandaag nog wel,’ zei ik.
Sini liep met haar fiets naar de weg en stapte op. De kerkklok sloeg vijf uur.
Drie uur later vertrok ik. Ik zag er goed uit, zei Rachel. Voorzichtig voelde ik aan het haar onder mijn pet. Ik draaide me om en zwaaide nog eens, maar Rachel was het huis in gegaan.
Wat aardig! Rachel vond het goed dat ik het nieuwe koffertje meenam! Ik zwaaide hem heen en weer. Ik was een beetje bang omlaag te kijken naar mijn kleren en de ster niet te zien. Ik stapte wat door. Ik moet opletten, kan natuurlijk niet gaan hollen.
Ik begon te fluiten - liedjes waaraan ik sinds de eerste klas niet meer had gedacht... eerste klas... eeuwen geleden... voor baby's. Ik stak een hand in mijn broekzak en floot harder. Ik had de eerste huizen van de stad bereikt.
Het was druk op straat, met mensen die op de fiets of lopend naar hun werk gingen. Toen ik linksaf sloeg zag ik recht voor me iemand die ik kende in mijn richting komen - een buurman van ons oude huis in Winterswijk. Hij was op de fiets. De afstand tussen hem en mij werd kleiner tot hij naast me reed, naar me keek, langzamer ging rijden, me voorbij ging en niets zei, maar alleen zijn hoofd omdraaide om me nog eens te bekijken.
Benen, mars. Mars. Op, strek, neer. En op en strek en neer. Als hij me eens aangaf? Als iemand mijn naam vroeg, moest ik zeggen dat ik Jan de Wit heette. Dat was een goede niet-joodse naam. Ha, wie zou me geloven?
Ik rilde.
Ik draaide me om en keek of hij me volgde. Nee, maar was dat niet Rachel die daar een stuk terug achter me aan liep? Ja. Ik stond stil om op haar te wachten, maar ze schudde haar hoofd. Ze wilde niet dat ik op haar wachtte.
Ik kwam bij de bushalte. Er stond niemand. Ik zette de koffer neer en wachtte. Een paar minuten later kwam er een gele bus aanrijden. Als hij de halte eens voorbij reed?
Ik zwaaide heftig. De bus verminderde vaart en stopte. De deur ging open en ik klom de treden op, de koffer voor me uitduwend. De deur ging achter me dicht.
‘Enkele reis naar Enschede, alstublieft.’
Toen ik uit het raam keek zag ik de rug van Rachel. Ze was op weg naar huis.