terug  begin  verder

5

‘Dit is de familie Oosterveld. En dit,’ zei meneer Hannink, ‘is Sini. Dat is Annie.’

Sini en ik deden een stap naar voren. Ik stak mijn hand uit naar een oude dame. ‘Hoe maakt u het, mevrouw Oosterveld.’

De oude dame lachte. ‘Gottogottogot, mevrouw!’

Ik draaide me om naar de jongere vrouw en zei hetzelfde, maar deze keer aarzelend.

Het maakte haar ook aan het lachen.

[p. 48]

‘We zijn eenvoudige mensen,’ zei de man. ‘Noem ons maar gewoon bij onze voornaam. Ik ben Johan. Dat is Dientje - mijn vrouw - en dat is mijn moeder. Die noem je maar opoe. Dus, zei Johan, ‘over een week kom je ze weer terughalen?’

‘Ja, hoogstens over twee,’ antwoordde meneer Hannink.

‘Ja ja, goed. Vergeet het niet.’

Johan deed het licht uit en deed de deur van het slot. Meneer Hannink glipte naar buiten.

‘Nou, laat me je eens bekijken. Je bent wél een klein ding,’ zei opoe. ‘Jij kan niet erg oud zijn. Hoe oud ben je?’

‘Ik ben bijna elf.’

‘Wat is er met je haar aan de hand?’ vroeg ze Sini. ‘Het heeft twee kleuren. Zo groeit het toch niet?’

Sini legde het uit.

‘Tjonge tjonge, dat is me wat! Geverfd haar. Hoe kan dat nou!’

Ik keek om me heen. Het was duidelijk dat we in de keuken waren. In het midden van het vertrek stond een met hout gestookte kachel. Waar klompen omheen stonden. Er waren twee ramen. Ze hadden alle twee een verduisteringsgordijn dat naar beneden gerold was. Ik schoof een beetje naar de kachel toe. Lekker warm.

‘Willen jullie koffie?’ Dientje ging naar de kast en pakte twee kopjes; daarna liep ze naar de kachel voor de koffiepot.

‘Dientje,’ zei Sini, ‘ik geloof dat Annie maar beter geen koffie kan hebben.’

‘Is ze ziek?’

‘Nee, maar ze is nog wat jong.’

‘Koffie heeft nog nooit iemand kwaad gedaan,’ antwoordde Dientje kalm en schonk twee koppen in.

‘Dit soort zal haar zeker geen kwaad doen,’ zei opoe. ‘Er zitten maar weinig echte koffiebonen in. 't Is voor het grootste deel rotzooi. Surrogaat. Dientje, ik heb je altijd gezegd koffie te hamsteren toen het nog kon, maar je luisterde nooit.’

‘Wat praat je toch,’ mompelde Dientje. Ze keek geërgerd.

Ik pakte mijn kopje met beide handen op en nam kleine teugjes. De koffie smaakte een beetje vreemd, maar ik voelde me erg volwassen.

Ik keek naar Dientje. Wat een grote handen had ze. Ik staarde er met ontzag naar. De handen van Johan waren ook groot, en rood. Net als zijn gezicht. Boven op zijn hoofd groeide bruingrijs haar recht naar boven. Hij leek helemaal niet op opoe, die klein en rond was met oude knoestige handen. Op haar rechterslaap zat

[p. 49]

een wrat. Ze droeg een lange zwarte japon met lange mouwen, en daaroverheen een zwarte schort met grijze bloemen. Verlegen wendde ik mijn blik af. Het was niet beleefd om te staren.

Sini en Johan waren aan het praten - over de oorlog. ‘Zal ik je eens wat vertellen, ik heb nooit mijn radio ingeleverd.’

Hadden ze bij Oosterveld ook een radio? Dan zou er weer niemand naar mij luisteren. ‘Ssst,’ zouden ze dan zeggen.

‘Ik dénk er niet aan. 's Avonds luister ik naar de Nederlandse uitzending uit Engeland. Dan hoor je het echte nieuws. Die verdomde kranten vertellen je nooit wat, alleen maar verdomde leugens.’

‘Verdomd’ tweemaal in één zin! Ik vergat dat ik me had zitten ergeren.

‘Ik zal je een voorbeeld geven. De kranten hebben het over hoe goed het Duitse leger in Rusland vecht. Als ze een stad moeten opgeven, zeggen ze dat ze dat om taktische redenen hebben gedaan. Taktische redenen, m'n reet.’

‘Johan, alsjeblieft,’ Dientje keek hem verwijtend aan. ‘Pas toch op wat je zegt. Wat moeten die meisjes niet van je denken?’

‘Dat kan me niks schelen. Maar over de radio hoor je het anders. Een nederlaag is een nederlaag. En de Duitsers krijgen op dit ogenblik flink op hun donder in Rusland.’

‘Johan, de meisjes zullen wel moe zijn. Laat ze naar bed gaan.’

‘Goed, moe. Kom maar mee naar boven.’

We gingen de keukendeur door en kwamen in een ruime kamer met een pluche tafelkleed, stoelen met rechte ruggen en portretten.

‘Hier heen, de trap is achter deze deur links.’

We klommen allemaal naar boven.

‘Nou, hier zullen jullie moeten blijven,’ zei Johan.

‘Voor twee weken maar,’ voegde Dientje eraan toe.

‘Ja ja, vrouw,’ zei Johan.

De kamer was klein, met een kachel, twee stoelen en een groot bed. Johan wees op het bed. ‘Daar slaapt Annie met Dientje en mij.’ Het was niet breed genoeg om Sini er ook nog bij te nemen, zei hij. ‘Zij moet op de vloer slapen, op een matras. Als er 's nachts iemand naar het huis komt, kan Annie het bed uitspringen, en dan leg ik Sini's spullen op onze matras zodat niemand kan zien dat we twee slapers hebben.’

‘En waar moeten de meisjes dan blijven, Johan?’ vroeg Dientje.

‘Onder het bed, vrouw.’

[p. 50]

‘Welterusten, meisjes.’ Opoe stond in de deuropening. Ze ging haar kamer in, naast de onze.

‘Ik heb je gezegd dat we eenvoudige mensen zijn,’ zei Johan, ‘niet zoals die deftige lui van Hannink.’

‘Johan, het is al laat,’ waarschuwde Dientje.

‘We hebben hier geen badkamer in huis. Het wc.-hok staat buiten, maar daar kunnen jullie niet naar toe. Jullie moeten een po gebruiken, die zal Dientje wel legen.’

Hij deed zijn sokken uit, zijn manchester broek en zijn overhemd. Hij kroop in bed. Dientje ging naast hem liggen. ‘Johan, schuif eens op. Annie heeft meer plaats nodig.’

Ik ging naast Dientje liggen. Ze tilde haar hand boven haar hoofd en trok aan een koord. Ineens was de kamer donker. Ik keek over de rand van het bed naar de plaats waar Sini moest liggen. Ik liet mijn hand zakken tot ik haar gezicht aanraakte. ‘Welterusten.’

‘Welterusten, zusje.’

Langs de randen van het gordijn kroop een klein beetje licht naar binnen. Van de andere kant van het bed kwam het gesnurk van Johan. ‘Johan, snurk niet zo. Wat moeten de meisjes wel denken.’

De familie Oosterveld was aardig.

 

Het leek nog midden in de nacht toen de wekker afliep. Opoe riep uit haar kamer, ‘Johan, opstaan!’

Er gebeurde niets. Ik trok de donzen bovendeken over mijn oren. Dientje richtte zich leunend op haar elleboog op en keek op de wekker. ‘Johan, wat heb je? Heb je de wekker niet af horen lopen?’

‘Het enige dat jullie vrouwen ooit tegen me zeggen. Opstaan, Johan. Koeien melken, Johan. Varkens voeren, Johan. Waarom sta je eigenlijk niet ook eens op, hè, om me een handje te helpen?’

‘Kom nou, je weet dat ik me 's ochtends niet lekker voel.’

‘Goed dan, vrouw, ik ben al op.’ Hij sloeg de deken terug. Goedgehumeurd sloeg hij Dientje op haar dij en stapte het bed uit. Hij tastte om zich heen naar zijn kleren. ‘Kan me sokken niet vinden. Moet het licht aandoen.’

‘Johan, je bent laat.’ Opoe kwam aangekleed binnen.

‘Hou op met dat gezanik. De koeien wachten wel.’

Maar hij ging toch de kamer uit. Opoe ging met hem naar beneden. Dientje draaide het licht weer uit en schoof op Johans

[p. 51]

plaats. Het was prettig meer ruimte te hebben. Ik deed mijn ogen dicht. Van beneden klonken de geluiden van het fornuis dat werd aangestoken, en de gedempte stemmen van opoe en Johan.

Ze stonden hier vroeg op. Tenminste, twee van hen. Een uur later ging Dientje de trap af.

Ze praatten met elkaar toen ze een paar minuten later naar boven kwamen. ‘Johan, het heeft geen zin voor die paar dagen. Johan, hoor je me?’

‘Laat hem met rust,’ zei opoe. ‘Hij heeft al hard gewerkt.’

Ze kwamen binnen. Deze kamer lag aan de voorkant van het huis, legde Johan uit, en het raam keek op de weg uit. ‘We kunnen overdag de gordijnen niet dichthouden. Dat hebben we nog nooit gedaan. Groothuis aan de overkant zou het vreemd vinden; maar kom in godsnaam niet bij het raam.’

Opoe en Dientje knikten.

‘We hebben een andere slaapkamer achter,’ ging Johan door, ‘maar het is daar 's winters te koud, en we kunnen er niet stoken. Die kamer zou goed zijn in de zomer.’

‘Maar Johan,’ stotterde Dientje, ‘ze blijven toch maar een paar weken?’

‘Daar zou je vrijer wezen,’ ging hij rustig verder. ‘Moe, waar ga je heen?’

‘Naar beneden om het ontbijt voor de meisjes klaar te maken.’

Het werd duidelijk dat Dientje ook geen thee had gehamsterd. Het smaakte raar. Niet thee-achtig. Maar het was heet. Lekker.

Johan nam een blikken doos uit zijn zak en een pakje sigarette-vloeitjes. Voorzichtig trok hij er één vloeitje uit. Hij deed de doos open, nam er tussen twee vingers wat tabak uit en verdeelde dit over het vloeitje. Handig rolde hij het papiertje om de tabak, likte eraan, en plukte de eindjes eraf. Hij stak de sigaret in zijn mond en streek een lucifer af. Hij inhaleerde diep. ‘Ik kweek mijn eigen tabak. Die rommel die ze je verkopen kan ik niet roken.’

‘Johan, je moet aan het werk,’ klaagde Dientje.

Hij gaf haar geen antwoord. Opoe zat naar Sini's rok te kijken. Ze kwam dichterbij en raakte hem aan. ‘Goeie stof. Moet nog van voor de oorlog zijn. Wat je nou koopt is rotzooi. Wist je dat ik al meer dan tien jaar geen kleren heb gekocht?’

‘Moe, heb je klachten?’

Opoe keerde zich naar ons. ‘Toen mijn zuster stierf, kreeg ik al haar kleren. Ze had goeie dingen. Echt sterk. Ze had niet mijn bouw, maar dat maakt voor een oude vrouw toch niks uit. Ik heb

[p. 52]

nog een hoop van haar dat ik nooit gedragen heb. Een paar prachtige schorten voor 's zondags. Ik heb zelfs genoeg voor Dientje, maar die heeft van die moderne ideeën. Die wil naar de winkel. Poe!’ Opoe keek smalend.

Dientje deed of ze niets had gehoord. Sini en ik zaten langzaam het ontbijt op te eten; het smaakte goed.

‘Zo is het.’ Opoe was niet van plan het onderwerp te laten rusten. ‘Textiel noemen ze die rommel die ze je verkopen. De naam alleen al. Textiel. In mijn tijd zeiden we stof. En gosjemijne, dat wás het ook. Deze rommel kan niet lang mee. Valt uit elkaar terwijl je het aanhebt. Dan denk je dat je wat nieuws hebt. Ha, na een paar jaar is het versleten.’

Ik durfde niet naar Sini te kijken. Die beet waarschijnlijk ook op de binnenkant van haar wangen om niet te lachen.

‘Nou, moeder, nou is het wel genoeg,’ zei Johan. ‘Wel, ik ga 's aan het werk. Een paar dagen in de week ga ik met paard en wagen naar de blekerij in Boekelo, de stad verderop. We kunnen niet van de boerderij leven. Misschien als Dientje niet zo veel zou eten...’

‘Johan, wat moeten de meisjes niet denken?’ Ze liep met hem naar beneden. ‘Ik zal wat water voor jullie halen, dan kunnen jullie je wassen.’

De zwengel van de pomp piepte. Een paar minuten later was ze terug, voorzichtig een schaal water voor zich uit dragend. ‘Bij de familie Hannink zal het wel deftiger geweest zijn,’ zei Dientje. ‘Ze hebben daar echte kranen, niet? Tenminste, dat zeggen de mensen.’ Ze ging op het bed zitten. ‘Als jullie eens wisten hoe gevaarlijk het voor ons is jullie hier te hebben. We hebben dit nog nooit gedaan, maar we konden toch geen nee zeggen tegen meneer Hannink?’

Ik stak mijn vinger in de schaal. Het water was ijskoud.

‘Jij maakt je altijd druk over niks,’ zei opoe.

‘Over niks? We hebben zelfs geen schuilplaats zoals Hannink. Wat weet jij daar nou van,’ zei Dientje laatdunkend.

Langzaam wreef ik mijn vingers over mijn gezicht.

 

‘Je zal het zien, ze houden ons hier niet langer dan noodzakelijk is,’ zei Sini nadat opoe en Dientje weggegaan waren. ‘Dientje is bang. Ze kan haast niet wachten tot we weg zijn.’ Waarschijnlijk had Sini gelijk.

Maar ik antwoordde: ‘Misschien wordt ze minder bang, en gaat

[p. 53]

ze met meneer Hannink ruzie over ons maken. “Nee meneer Hannink, wíj willen ze houden.”’

Dat zou wat zijn. We moesten zó lachen dat we niet konden ophouden. Dientje riep van beneden: ‘Wees in godsnaam stil, meisjes.’

We besloten eens te gaan kijken wat er verder op deze verdieping te zien was. We gluurden de kamer van opoe in. Ze sliep zittend, zo te zien - vier kussens. Haar kamer lag ook aan de voorkant. We deden de deur dicht. Dan was er nog de trap, voor een deel bedekt met een rode loper. De onbedekte randen waren groen geverfd. We keken om ons heen. Alle muren waren in diezelfde kleur geverfd. Ze hielden vast erg van groen.

De slaapkamer achter was veel groter en had twee ramen. We keken naar buiten, ieder voor zijn eigen raam. Een blauwe lucht, van het soort dat koud weer betekende. Ik kon aan de achterkant verscheidene gebouwtjes zien. Het dichtst bij het huis stond een soort garage. Een klein eindje daarachter stond een klein huisje dat eruitzag als een kippenhok. Daarnaast stond een lage, brede schuur.

‘Dat zal de stal zijn,’ zei Sini. ‘Ik geloof dat ik koeien hoor.’

Naast de stal, aan de andere kant van het pad, lag een schuurtje. Misschien stalde Johan daar zijn wagen. Hier en daar, tussen de gebouwtjes in, stonden bomen. Opoe kwam het huis uit met een emmer in haar hand. Aan de ene kant werden haar rokken tegen haar benen gedrukt. Aan de andere kant stonden ze gebold. Winderige dag. Waarschijnlijk een koude wind. Ze ging het kippenhok in.

‘Annie, laten we teruggaan, het vriest hier.’

Dientje was bezig de kachel in onze kamer aan te steken. Sini vroeg haar of ze ook boeken had.

‘Boeken?’ Ze liet de kachel met rust. ‘Wat voor soort?’

‘Om te lezen.’

‘Wacht, ik geloof dat Johan er een heeft. Waar heeft hij dat ook weer opgeborgen? Ik zal het hem vanavond vragen. We hebben hier in huis ook een bijbel. Bedoel je dat?’

‘Nee.’ We lachten. We hadden wat te lezen mee moeten nemen van meneer Hannink. Dom.

‘Ik lees ook, maar niet iedere dag. Soms kijk ik de krant in. Maar Johan leest ieder woord. En hij onthoudt ze ook. Ik, ik vergeet alles.’ Met een verlegen blik ging Dientje de kamer uit.

We zaten bij de kachel en spuugden erop. Dat maakte een leuk

[p. 54]

sissend geluid.

‘O God, hoe lang nog,’ klaagde Sini.

‘Zes dagen,’ zei ik. Ze hoorde me niet.

‘De oorlog moet in het voorjaar afgelopen zijn. Annie, denk je dat het dan gebeurd is?’

Die vraag ging mij vervelen. Ze vroeg het steeds maar weer, en hoe zou ik dat nou moeten weten?

Ik was blij dat opoe binnenkwam. ‘Ik dacht, laat ik die sokken hier eens gaan stoppen, dan kan ik een beetje met jullie praten. Stakkers, de hele dag binnen zitten.’ Ze liet zich zwaar op een stoel zakken.

‘Foei foei, gottogottogot, wat een mens allemaal niet moet doormaken!’

‘Opoe,’ riepen Sini en ik tegelijk, ‘bent u ziek?’

‘Waarom?’

‘Om wat u zei.’

‘Wat zei ik dan? Ik weet het niet meer. Nee, ik ben niet ziek. Nog niet. Dat komt wel. Nou, laat 's kijken.’ Opoe stak een hand in een zwarte sok. Een paar knokkels werden in een gat zichtbaar. ‘Die Johan. Van die grote gaten.’ Ze trok haar hand er weer uit, wikkelde wat wol van een knot, koos een naald uit de rij die op haar schort zat gestoken, hield de draad in haar rechterhand, de naald in haar linker-, en duwde haar bril op het puntje van haar neus. Ze hield de naald tegen het licht. Op weg ernaartoe beefde haar rechterhand. Ze miste.

‘Laat mij het voor u doen, opoe.’

‘Nee, nee.’ Ze probeerde het weer.

‘Kom, geef maar hier.’ Sini stond op en nam naald en draad uit haar handen.

‘Ik word zo hulpeloos. Oud. Bah. Dank je.’

‘Misschien zoudt u eens naar een oogarts moeten.’

‘Onzin. Ik draag al een bril. Ik word oud. Zo gaat dat. Nee, op mijn leeftijd heeft het geen zin naar een oogarts te gaan. Wat kan die er aan doen?’

Ze boog haar hoofd over de sok. Zo nu en dan veegde ze een traan van haar wang. Het waren geen tranen van verdriet. Ze waren van een andere soort - tranen van het ingespannen turen.

‘Kan ik u helpen, opoe?’ vroeg Sini.

‘Nee, jouw handen zijn niet gewend aan dit soort werk.’

‘Ik meen het, opoe. Ik heb op een boerderij gewerkt. Ik weet

[p. 55]

zelfs wat van naaien, en ik heb erg sterke handen.’

‘Jij op een boerderij?’ Opoe's stem klonk of ze Sini niet geloofde.

‘Ja. Ik heb ook een melkdiploma.’

‘Melkdiploma? Geven ze die? Hier in de streek kennen ze die niet, hoor. Wij doen het zomaar. Melkdiploma. Gottogottogot! Wat een gekkigheid. Als ik een diploma had voor alles wat ik kan op een boerderij, had ik een kast vol. Aardappel-plant-diploma. Mest-spreid-diploma. Koeien-voer-diploma. Hoe komt het dat je op een boerderij hebt gewerkt?’

‘Ik hield van het werk.’

Opoe had opgehouden met het op en neer bewegen van de naald in het gat. ‘Nou, dat is me wat.’ Zonder wat te zeggen gaf ze de andere sok aan Sini. Ze streek een paar piekerige haren uit haar gezicht. Ik merkte op dat de vlecht achter op haar hoofd bruin was, niet wit zoals de rest. Hij was dicht in elkaar gerold en werd door een hele hoop spelden bijeengehouden. Hoe kwam het dat opoe twee kleuren haar had? vroeg ik me af.

Dientje kwam naar boven met vier kopjes en een pot. ‘We kunnen hier met zijn vieren even koffie drinken. Maar één van ons moet weer gauw naar beneden, voor het geval er iemand binnenkomt.’

‘Kan je de deur niet op slot doen?’ vroeg ik.

‘Overdag?’ Opoe en Dientje lachten. ‘Weet je wat er gebeurt als iemand ons komt opzoeken en er niet in kan? Binnen een uur weet heel Usselo het. Nee, dat kunnen we niet doen.’

Dientje dronk haar koffie vlug op. ‘Over een uur komt Johan thuis. Dan gaan we eten.’

‘Die koffie is niet te drinken,’ klaagde opoe toen Dientje de kamer uit was. Ze stond op. ‘Foei foei, gottogottogot.’

 

Johan kwam binnen, met de geur van winterkou om zich heen. ‘Hallo, meidjes, kunnen jullie het nog uithouden? Lekker lui leventje dat jullie leiden, hè? Voel 's.’ Hij legde zijn handen op mijn wangen.

‘O hou op, Johan. Ze zijn ijskoud.’

Toen hij de kamer uitging botste hij haast tegen Dientje, die naar binnen kwam met een grote dampende schaal in haar handen. Ze legde twee vorken op tafel en ging weer weg.

‘Wat eten we?’ We keken. Aardappelen, bonen en vlees.

Sini spietste een stuk vlees op haar vork en rook eraan. ‘Net

[p. 56]

wat ik dacht - varkensvlees. We zullen het moeten laten liggen. De rest kunnen we eten. Ik vraag me af wanneer ze ons borden brengt.’ We wachtten en wachtten. Al gauw kwam er geen damp meer van de schaal.

‘Sini, Dientje heeft vast vergeten dat ze geen borden heeft gebracht. Zag je niet dat ze haast had? Kunnen we zo niet eten?’

‘Ik geloof dat je gelijk hebt.’ Ze schoof het vlees naar de kant en trok een scheidslijn. ‘Dat is voor jou. Dit is voor mij.’

We giechelden, en kauwden, zorgvuldig om het vlees heen etend.

Het lag er nog steeds toen Dientje kwam om de schaal weg te halen. ‘Vonden jullie het vlees niet lekker? Nou, dat is jammer.’ Ze keek gekwetst.

‘Dientje, we zijn joden.’

‘Ja, dat weet ik.’

‘We mogen toch geen varkensvlees eten?’

‘Ja. Maar wat aten jullie dan bij Hannink?’

‘Als ze varkensvlees hadden aten we geen vlees.’

‘Maar wij eten niet anders. Heel af en toe een stukje kalfsvlees, en met Kerstmis kip, maar voor de rest varkensvlees. En een paar keer per week spek. Moeder, kom eens boven. Er is wat.’ Haar stem klonk zenuwachtig.

Opoe kwam. Dientje legde haar de moeilijkheden uit. Samen bogen ze zich over de schaal.

‘Misschien hebben ze het vlees laten liggen omdat het niet mals genoeg was. Ik had er ook moeite mee.’

‘Nee, opoe, we hebben het zelfs niet geproefd.’ Sini's gezicht was vlekkerig.

‘Maar,’ zei opoe, ‘de aardappelen en de bonen zijn in dezelfde pan gekookt als het vlees. Nou, die hebben jullie wél opgegeten. Dus heb je eigenlijk ook varkensvlees gehad.’

Verward keek ik naar Sini. ‘U hebt gelijk,’ zei ze, ‘morgen zullen we het proberen.’

 

Een paar dagen gingen voorbij. Iedere avond herinnerde Dientje Johan eraan dat hij meneer Hannink moest vragen wanneer hij ons op kwam halen. ‘Ik ben zo bang dat de Duitsers ons grijpen, Johan. Je hebt gehoord wat er gebeurd is toen ze die jood in Enschede vonden.’

‘Ja ja, vrouw. Ik weet het.’

‘Die werd meegenomen. Maar, Johan, de mensen die hem had-

[p. 57]

den verborgen zijn doodgeschoten. Als ze ons pakken, Johan, is het met ons gebeurd.’

Johan zei dat hij met meneer Hannink zou praten. ‘Maak je geen zorg, vrouw. Ik weet het.’

Wat wist hij? Ik wilde niet terug naar de familie Hannink. En Sini ook niet. We hielden van boerderijen. Boerderijen waren fijn en gezellig. Johan, vraag het hem niet. Luister niet naar haar. En als Dientje zo graag wil dat we weggaan, waarom zei ze me dan dat ze een jurk voor me zou gaan maken uit een oude van haar? Nog met mooie bloemen ook. Zou ze de jurk dan komen brengen als hij klaar was? Maar dat wilde ik niet; ik wilde hem hier hebben. Verdrietig staarde ik naar mijn handen. Daar zouden schrammen op moeten zitten van het spelen. Waarom zaten die er niet?

 

Toen Dientje een paar dagen later weer bij Johan aandrong, werd hij kwaad op haar. ‘Godverdomme, vrouw, praat er nou niet meer over.’

‘Dientje, laat hem met rust. Hij heeft vandaag hard moeten werken.’ Dat was opoe. Ik lachte tegen haar, een heel klein lachje.

De dag daarop nam Dientje mij de maat voor de jurk. ‘Hij zal je goed staan,’ zei ze. ‘Kom, geef Dientje eens een zoen.’

Johan ging niet met meneer Hannink praten, zei hij. ‘Jullie meiden zullen hier moeten blijven.’

Ik sloeg mijn armen om zijn hals. ‘Ik vind je lief, Johan.’

‘Ja ja.’ Hij keek naar Sini.

‘Johan, het is tijd om de koeien te voeren,’ zei Dientje zenuwachtig.

‘Melk jij ze eerst; dan kom ik. Tjonge, wat heb ik vandaag moeten werken.’ Hij sprong op. ‘Verdomme, het is tijd voor de radio. Willen jullie vanavond ook luisteren?’

Stilletjes liepen we achter hem aan de trap af. Voordat Johan ons de mooie kamer liet binnengaan, ging hij naar de keuken. Hij deed de deur op slot, rolde daar en in de mooie kamer de gordijnen naar beneden, en zei: ‘Kom mee.’

In de kamer gingen we links en weer een deur door. We stonden in een gang waar drie deuren op uitkwamen. Johan ging op een stoel staan. Hij trok een brede plank uit het plafond en stak zijn hand in de opening. Een oude radio kwam te voorschijn. Hij duwde hem naar de rand van de opening, trok het snoer omlaag en deed de stekker in een stopcontact bij de vloer. Een stem uit de radio fluisterde, ‘Hier is radio Oranje.’

[p. 58]

‘Dat is het,’ zei Johan. ‘Stil.’

Sini en Johan stonden op hun tenen om beter te horen, met hun gezicht naar het gat gewend. Nieuws, echt nieuws.

 

‘Johan, heb je dat boek nog gevonden waar Dientje het over had?’ vroeg ik later op de avond.

‘Daar zou je niks aan vinden. Het is de boerenalmanak. We hebben geen echte boeken in huis. Wij zijn maar domme boeren.’

‘O nee hoor, Johan!’ zei Sini.

Hij keek tevreden. ‘Nou, misschien niet.’ Hij leunde met zijn stoel achterover tot hij leek te gaan vallen, strekte zijn benen uit en kruiste zijn armen over zijn borst. ‘Er zijn er een hoop die dommer zijn. Ik zal je zeggen wat we kunnen doen. We kennen de dominee erg goed. Iedere keer als ik in zijn huis ben - als ik er een boodschap moet doen - kijk ik mijn ogen uit. Hele muren met boeken. Murenvol. Kan je je dat voorstellen! Dientje zal binnenkort naar hem toe gaan en er een paar lenen. Bij Hannink hebben ze natuurlijk ook boeken, maar daar wil ik niet heen. Als de Duitsers hem pakken voor al de dingen die hij doet, zouden ze wel eens kunnen gaan uitzoeken wie daar veel aan huis kwam. We kunnen nou niks riskeren met jullie meiden. We zullen jullie de oorlog door moeten helpen. Tja.’

Opoe stond in de deuropening. Ze haalde de spelden uit haar vlecht. Bij de laatste speld kwam die los. Precies wat ik had gedacht: haar eigen haar eindigde in een dunne sliert op haar rug. Ze zette haar nachtmuts op. ‘Niet dat ik zal slapen, maar het is bedtijd,’ kondigde ze aan.

 

Moeten we eigenlijk niet een schuilplaats voor hen hebben? vroeg Dientje. ‘Johan, wees niet eigenwijs. Onder het bed deugt niet. Zelfs bij Hannink hadden ze er een voor hen.’

Ik staarde Dientje met grote ogen aan. Alsjeblieft niet weer een hol. Ik... ik was er bang in.

‘Zo een zou ik niet willen hebben,’ zei Johan. ‘Wat heb je aan een schuilplaats búíten? Nee, dat is niks voor mij. Ik heb er pas een bedacht, vrouw, eentje waarbij je je af zult vragen waarom die knappe meneer Hannink daar niet op is gekomen.’

Daarna werkte Johan op de dagen dat hij niet naar Boekelo ging aan de schuilplaats. Hij ging de achterste helft van de kast op onze kamer afschieten en daarvoor legplanken aanbrengen. ‘Sini, geef me die plank eens. Goed. Uit de weg, Annie; ik weet dat je

[p. 59]

nieuwsgierig bent. Dientje, jij staat ook in de weg. Opzij. Goed gedaan, Sini. Precies de goeie maat.’

Dientje keerde zich naar opoe. ‘Ik hou niet van de manier waarop je vanmiddag hebt afgewassen. Er zaten nog korsten in de pannen. De volgende keer dat er weer een reiziger langskomt met een koffer vol brillen, laat hem dan maar ergens anders heen gaan. Je gaat niet weer een bril kopen van zo'n man.’

Waarom snauwde Dientje tegen opoe? Alleen om die korsten? Ze zou tegen Johan moeten snauwen. Hij was de schuldige - met haar en mij te bevelen opzij te gaan. Maar ik veronderstelde dat ze dat niet durfde. Als hij eens boos werd? Toen de schuilplaats klaar was, riep Johan opoe, Dientje en mij. We moesten naar de onderste legplank kijken, zei hij. ‘Ik zie er niets bijzonders aan,’ zei opoe. ‘Er ligt goed op net als op de andere planken.’

Johan keek ons triomfantelijk aan. ‘Wacht maar.’ Hij nam het goed van de plank en legde het naast zich op de vloer. Daarna tilde hij de plank eruit. Met twee handen haalde hij het stuk hout weg dat erachter zat. Een donkere opening werd zichtbaar, de toegang tot onze schuilplaats.

‘Die Johan!’ zei opoe trots.

‘Van nu af aan houden we hem open, zodat de meiden er zó in kunnen. Dan zet een van ons het schot terug, schuift de plank erin, legt het goed erop en doet de deur dicht. Eenvoudig als wat.’ Hij pakte het goed van de vloer en stapelde het op een hoek van de plank.

‘Maar wat doen we als ze alleen zijn? Wie zet dan het schot erin en de plank?’ vroeg Dientje.

‘Daar heb ik ook aan gedacht. Een van ons moet thuis blijven. De meeste huiszoekingen worden trouwens toch 's nachts gehouden. Nou, meiden, laat eens zien hoe het werkt.’

Sini ging het eerst. Ze stak haar hoofd naar binnen, en toen haar schouders. Daarna volgde de rest. Ze kroop naar de kant om de opening voor mij vrij te laten. Als Sini het kon, kon ik het ook. Deze schuilplaats was niet onder de grond. Er kon geen aarde op me vallen. Het was alleen maar de binnenkant van een kast, een klerenkast. Er lagen zelfs leuke dingen in. Langzaam werkte ik me naar binnen.

Maar deze schuilplaats was ook pikkedonker. ‘Sini,’ fluisterde ik. Waar zat ze? Ik tastte naar haar met mijn hand. Ik hoefde hem niet ver uit te steken.

‘Kan je dwars gaan zitten?’ riep Johan.

[p. 60]

We probeerden het. Het ging net, als we onze benen naast die van de ander plaatsten.

‘Probeer niet te gaan zitten met je gezicht naar de kamer,’ riep Johan. ‘Dan kom je klem te zitten. Goed, kom er maar weer uit.’

Ik ging eerst. Mijn god, wat hadden we een grote kamer. En het was er zo licht.

Iedere dag moesten we oefenen er vlug in te komen, zei Johan, tot we het in een ogenblik konden. ‘Geen slechte schuilplaats voor een domme boer, hè?’

‘Nee, Johan.’

 

Het werd vroeg donker. Echte wintermiddagen. Soms hoorde ik een auto voorbij komen. De mensen die er in zaten moesten gekleed zijn om uit te gaan. Een jas aan. Met een sjaal, misschien. Ik legde mijn hand om mijn hals. 's Winters droeg ik ook altijd een sjaal. Waar was die? Waar? Ik balde mijn vuisten.

Wat had ik eraan als ik wist waar de sjaal was? Wat zou ik er mee kunnen doen? Zeg me dat eens. Wat?

Donkerder. Ik staarde naar de kachel. Er kwam een rode gloed af, het enige lichtpunt in de kamer. Af en toe zakte er een stuk steenkool. Boem.

terug  begin  verder