‘Meisjes, bedoelden jullie dit?’ Opoe kwam binnenlopen met een kalender in haar hand.
We rukten hem haast uit haar handen. Ja, dat hadden we bedoeld. Het jaar 1943. Sini pakte een potlood en begon vlug dag na dag door te halen. Het grootste deel van januari was voorbij - voorgoed.
Opoe keek naar Sini met een verbaasde uitdrukking op haar gezicht. ‘Wat ben je aan het doen? Je zit hem vol te krassen!’
‘We strepen de dagen door.’
‘Wat heb je daaraan?’
‘Dan kan je zien dat ze voorbij zijn.’
Opoe keek ons argwanend aan. ‘Nou, dat is nieuw voor me. De dagen gaan toch al zo vlug. Neem mij nou. Zondag word ik eenenzeventig.’
‘Aanstaande zondag?’
‘Ja zeker. De dagen doorstrepen. Wat dat voor onzin is...’ Haar
hoofd schudde nog heen en weer toen ze de trap afliep.
Waren we daar al bijna een maand in huis? Maar ik wist niet eens hoe het huis eruitzag.
‘Johan, heb je een foto van het huis?’
‘Een wat?’ zei hij. ‘Waar zou ik een foto van het huis voor moeten hebben? Ik zie het elke dag. Als je de buitendeur uitgaat, kom je in een tuintje waar opoe bloemen kweekt - geraniums. Dat is precies voor de kamers waar jullie niet in zijn geweest. Ik zal ze je na de oorlog laten zien. Ze kijken uit op de weg. Tussen die kamers in is de voordeur. Maar die wordt niet gebruikt. Iedereen loopt achterom naar de keuken.’
‘Dat weet ik. Daar kwamen wij ook binnen.’
Het huis was van rode baksteen met groen geverfd houtwerk, vertelde Johan me. Ik probeerde te onthouden wat hij gezegd had. Het was gek in een huis te wonen en niet te weten hoe het eruitzag.
We hadden ook nog steeds niets te lezen. En hij had beloofd... ‘Johan, wanneer kan Dientje naar de dominee gaan om boeken te lenen?’
‘Morgen,’ zei hij.
De volgende morgen maakte ik mijn rekenwerk vlug af. Het was vervelend, v-e-r-v-e-l-e-n-d. Waarom moest ik van Sini elke dag een bladzij doen? Ze was mijn onderwijzeres toch niet. Ik krabbelde een uitkomst neer. Vlug. Ik moest klaar zijn als Dientje terugkwam, zodat ik kon gaan lezen.
Daar was ze. Vol trots deed ze haar boodschappentas open. ‘Een boek. En kijk eens wat een dikkerd. Zijn jullie niet blij?’
Ja. Maar het was er maar één. Hoe kwam dat?
Sini pakte het boek uit de tas. ‘Oorlog en vrede’ las ze. ‘Dientje, dank je wel. Wat heb je hem verteld?’
‘Nou, toen hij de deur opendeed, zei ik: “Dominee, Johan verveelt zich 's avonds.” “Kom maar mee naar mijn studeerkamer,” zei hij. “Wel,” zei ik, “u weet dat mijn Johan eigenlijk goed bij is.” “Dat weet ik,” zei hij. En toen moest ik er wel mee voor den dag komen. Ik zei: “Dominee, hij wil een boek lezen.” “Goed,” zei hij. “Heeft hij een speciaal boek op het oog?” “Nou, nee,” zei ik. “Ik wil niet dat u denkt dat we niet zelf een boek willen kopen. Maar we gaan tegenwoordig zelden naar Enschede, en ik zou niet weten waar ik er anders een kan krijgen.” Toen begon ik die muren langs te kijken. “Is dat een goeie?” zei ik, naar het dikste boek wijzend. “Prachtig,” zei hij, “en ik zou er met Johan wel eens over
willen praten als hij het gelezen heeft.” Dat is natuurlijk niet zo leuk. “Het heeft geen haast,” zei hij, “hij kan het de hele winter houden.” En ik geloof dat ik toen iets heel slims deed. Ik zei, terwijl ik naar de titel keek: “Dominee, een boek met zo'n titel heeft hij in een paar weken uit. Kan ik het dan terugbrengen en weer een ander krijgen?” “Natuurlijk,” zei hij, “Grote goedheid, Johan moet zich wel erg vervelen.” Ik moest het in een tas doen, zodat niemand me ermee zou zien buiten.’ Ze giechelde. ‘Stel je voor, ik die daar met een boek naar buiten kom.’
Ineens zag ze er minder opgetogen uit. ‘Ik wou dat ik twee boeken voor jullie mee had kunnen brengen, maar dat zou hem achterdochtig hebben gemaakt.’
‘We kunnen het om de beurt lezen. Je bent geweldig, Dientje.’
Het was haast pijnlijk te zien hoe gelukkig ze was.
‘Annie, dit is echt geen boek voor iemand van tien jaar,’ zei Sini toen Dientje weg was.
‘Je vergeet dat ik haast elf ben,’ antwoordde ik hooghartig. Ze zei het alleen maar omdat ze het niet met mij wilde delen. Nou, ik ook niet. ‘Je denkt dat dit te moeilijk voor me is, niet? Ha, je weet helemaal niet wat ik al gelezen heb.’ Daar. Laat ze zich maar ongerust maken.
Maar Sini lachte. ‘Goed,’ zei ze. ‘Om de beurt.’
Sini nestelde zich met het boek voor de kachel, haar voeten op de eerste dwarsspijl van de stoel, linkerhand onder haar hoofd en haar pink in haar mond. Ze zat er steeds op te bijten. De huid werd helemaal ruw en rood.
‘Sini,’ zei ik dringend.
‘Wat?’
‘Bijt niet op je vinger. Straks gaat het pijn doen.’
Een ogenblik later zat hij weer in haar mond. Ik wendde mijn blik af, naar het horloge. Ik moest nog een halfuur wachten voor het mijn beurt was. Ik pakte de pook en ging er woedend figuren mee trekken op het zeil.
Midden in Sini's derde beurt kwam Johan binnen en zei dat hij naar het nieuws ging luisteren. ‘Kom op, meisjes, niet op je gat blijven zitten. Of hebben jullie het nou te druk?’
Sini deed onmiddellijk het boek dicht. Zo'n haast had ze niet gehad toen ik haar zei dat haar beurt voorbij was! Pruilend liep ik achter hen aan.
Ik had beter boven kunnen blijven. Dan had ik nog tien minuten extra kunnen lezen. Waarom was ik mee gekomen? Johan en Sini stonden op een stoel, hun hoofd bijna in de opening, bij de radio. Dat was vader waarschijnlijk ook aan het doen, als hij de kans had. Alles was hetzelfde als toen ik zes was. Sini zou me nooit missen. Moet je eens kijken. Haar hoofd lag praktisch op de schouder van Johan. Dientje zou weer tegen opoe gaan schreeuwen als ze hen zo zag.
De stoel begon te kraken. Ze stonden erop te dansen, hun voeten gingen op en neer. ‘Godalmachtig,’ zei Johan op opgewonden toon. ‘Moet je horen, de Duitsers hebben verloren in Rusland, in Stalingrad. Ze rennen in kringen rond om te proberen van de Russen weg te komen, maar het lukt ze niet, zei die vent. Hier, ik zal je ook laten luisteren.’
Hij tilde me op de stoel. Ik duwde mijn oor tegen de radio. Ik wist niet dat er ook nog leuke dingen uit konden komen!
‘Is het werkelijk,’ zei opoe beleefd toen ze het nieuws hoorde. ‘En lopen ze weg? Arme stakkers.’
‘Maar moe, het zijn Duitsers.’
‘Dat weet ik wel, dat weet ik wel Maar die hebben ook moeders,’ zei ze. We lachten allemaal; Dientje ook. Het was makkelijk om te lachen, die avond.
Dat was het ook, maar nu niet meer. Ik kon niet slapen; er vlogen zoveel vliegtuigen over op weg naar Duitsland om bommen te gooien. Zelfs de krant sprak erover. Een schande noemde ze het. Schande. Poe, zou opoe zeggen.
Ik verborg mijn hoofd dieper in het kussen en stak vingers in mijn oren. O, wat een verschrikkelijk geluid. Gooi alsjeblieft hier geen bommen neer. Alsjeblieft. Het zou best kunnen, zei Johan. In Enschede waren fabrieken die uitrusting maakten voor het Duitse leger, en de Engelsen en Amerikanen hadden zulke fabrieken ook in andere steden gebombardeerd.
Opoe kwam binnen. ‘Alsof ik nog niet slecht genoeg slaap.’
‘Ik laat me een schuilkelder bouwen,’ schreeuwde Johan boven het lawaai uit. ‘Ik heb er een goeie plaats voor, langs het pad tussen het huis en de stal.’
‘En als dan de oorlog gauw voorbij is?’ zei Dientje.
‘Eh, onzin. Dat denk ik echt niet. En intussen kunnen we hier in ons bed doodgegooid worden.’
Na een poosje stak ik mijn hoofd onder de dekens uit. De vlieg-
tuigen vlogen nu hoger. De sirene loeide weer. Het was voorbij.
‘Als Hendrik eens wist. Gottogottogot, wat een mens allemaal niet moet meemaken.’
Wie zou Hendrik zijn?
Toch kon ik nog niet slapen. Sini lag ook steeds te woelen. Ik kroop het bed uit. ‘Wat heb je?’ fluisterde ik.
‘Niets.’
‘Ja, er is wel wat.’
‘Goed dan, er is wat. Vanavond dacht ik even dat het einde van de oorlog in zicht was. Dat is er met me aan de hand. Er komt nooit een eind aan, ik weet het. Ik word hier oud en lelijk.’
Onhandig aaide ik haar hoofd. Als Sini eens gelijk had? Geluidloos ging ik het bed weer in. Was er echt wel eens een tachtigjarige oorlog geweest?
Zouden we opoe niet iets voor haar verjaardag moeten geven? Maar wat? ‘Dientje, zou jij voor ons naar Enschede willen gaan om wat voor haar te kopen?’
Dientje lachte. Er was in de stad niets te koop wat opoe mooi zou vinden, zei ze. ‘Maar we geven haar wat stof die Johan meebrengt van de blekerij. Misschien kan hij nog een lap krijgen die jullie haar kunnen geven.’
‘Wat zou ze ermee doen,’ vroegen we.
‘Niks natuurlijk,’ zei Dientje onverschillig. ‘Ze draagt alleen de kleren die haar zuster haar heeft nagelaten.’
Die nacht in bed fluisterde Johan: ‘Laten we op opoes verjaardag allemaal samen eten.’
‘Johan, ik kan niet alles naar boven dragen.’
‘Ik bedoel niet boven. Laten we met z'n allen beneden eten.’
‘Maar de meisjes dan, Johan.’
‘Die ook. Dan eten we vroeg en doen de gordijnen dicht.’
‘Maar Johan, dat doen we nooit, de gordijnen overdag dicht. En we krijgen altijd bezoek op haar verjaardag. Ze kunnen elk ogenblik binnenkomen.’
‘Niet waar. Er is nog nooit iemand vóór drie uur gekomen. Goed, weet je wát? We doen de gordijnen niet dicht; we sluiten het hekje. Op die manier kunnen we horen of er iemand komt, en dan hebben de meiden tijd genoeg om naar boven te gaan.’
Ik nestelde me dieper onder de dekens. Het leven was niet zo vervelend als Sini me altijd zei. Er gebeurden dingen genoeg. Neem de volgende zondag bij voorbeeld. Dan zouden we beneden
eten, en zelfs niet als het donker was. O nee, overdag, net als iedereen.
Tevreden deed ik mijn ogen dicht. Verjaardagen waren heerlijk.
‘Hartelijk gefeliciteerd, opoe,’ zeiden we op zondagmorgen.
‘Ja ja, hartelijk of niet, ik ben weer een jaar ouder.’
‘Maar opoe, u ziet er helemaal niet ouder uit.’
‘Dat heeft niks te betekenen. Het gaat erom hoe je je voelt.’
‘Kleedt u zich vandaag mooi aan?’ vroeg ik.
‘Ik? Gottogottogot, mooi aankleden. Waarvoor? Ik heb me al in negentien jaar niet meer mooi aangekleed. Nee, die tijd is voorbij.’
Niet meer in negentien jaar? Ik keek naar Sini's gezicht. Die leek ook verbaasd. Het rook lekker boven. Keukenluchtjes. Johan had gezegd dat hij één van hun kippen zou slachten. ‘Als je er een als een gek hoort krijsen, dan is het die.’
En nu was het elf uur. Ongeduldig zat ik op mijn stoel te wiebelen. De keuken zou wel helemaal dampig zijn van het koken. Je zou het raam moeten schoonvegen als je naar buiten wilde kijken.
Wat was Sini aan het doen, likken aan haar vinger en die dan over haar wimpers halen? Ze streek de bovenwimpers omhoog en de onderwimpers omlaag. Waarom moest zíj zich zo opdirken? Het was haar verjaardag toch niet?
‘Meisjes, komen jullie?’
Natuurlijk komen we.
De tafel in de mooie kamer was gedekt voor vijf, met diepe soepborden en lepels en vorken. Het waren mooie borden ook, en we hadden ieder ons eigen bord.
‘Daar sta je van te kijken, hè. Je had niet gedacht dat een boer zulke mooie dingen zou hebben, niet? Dat weet ik wel. Ik kan het aan jullie gezichten zien. Nou, moeder, daar ga je.’ Johan hief zijn soeplepel. ‘Dat je maar honderd mag worden.’ Wij tilden ook onze lepels omhoog.
‘Ja ja, honderd. Ik zal al blij zijn als ik nog één jaar leef.’
Langzaam at opoe haar kippesoep. ‘Niet slecht, Dientje, alleen een beetje dun.’
Dientje gaf ons een knipoog.
Het was leuk beneden te zijn en van een bord te eten. Sini en ik zaten bij de deur naar boven. We zaten op de rand van onze stoel, voor het geval we weg moesten rennen. Ik keek de kamer
rond. Op de grote kast tegen de muur stonden een paar vergeelde portretten, waarschijnlijk van familieleden. Aan de muur tegenover me hing een geborduurde afbeelding. In het midden stond een bruin paard met omhoog geheven voorbeen. Op de vier hoeken waren vogels afgebeeld. Uit hun snavels kwamen geborduurde muzieknoten. Maar hoe kwam het dat die vogels zo groot waren? Ze waren minstens zo groot als de kop van het paard. Zo groot waren vogels toch niet? Was het een bijzonder soort vogel?
‘Waar kijk je naar, Annie?’ vroeg opoe.
‘Naar die plaat.’
‘Vind je hem mooi?’
‘Ja,’ zei ik aarzelend.
‘Die heb ik zelf gemaakt, zo'n vijftig jaar geleden toen mijn ogen nog goed waren.’
‘Wat zijn het voor soort vogels, opoe?’
‘Eh, zomaar vogels.’
‘Is het een speciaal soort paard?’
‘Nee, zomaar een hengstveulen.’ Een hengstveulen?
‘Erg mooi, opoe,’ zei Sini.
‘Dientje, ik wil dat jij een schort voor me maakt van de stof die ik van de meisjes heb gekregen? 't Is erg mooie stof.’
‘Ik zal die lap nemen die wij je vorig jaar gegeven hebben. Die is precies eender als de lap die je van hen hebt gehad. De stof wordt er niet beter van als ze maar blijft liggen.’
‘Nee, ik vind die nieuwe lap mooier.’
‘Maar het is bijna hetzelfde patroon als de lap die je al hebt. Toen ik hem verleden jaar aan je gaf, trok je een gezicht alsof je er niets aan vond.’ Dientjes gezicht was rood. ‘Je vindt niks meer goed wat ik hier in huis doe.’ Zenuwachtig lepelde ze de rest van haar soep op. ‘Meisjes, niets op je bord laten. De rest van het eten komt er ook op. Johan, blijf daar niet zo zitten. Kan je me niet helpen de pannen binnen te brengen?’
‘Wat, moet ík hier nou alles doen?’ Maar hij stond op en liep achter haar aan naar de keuken. Hij kwam terug met een grote zwarte pan.
‘Johan, zet die pan niet op tafel voor ik er een krant op heb gelegd.’ Dientjes stem was geprikkeld. Ze keek opoe aan. ‘Wat wil je hebben. Een poot of wat anders?’
‘Geef me maar iets dat makkelijk te kauwen is. Een stukje borst misschien.’
Dientje vulde elk bord met kip, snijbonen en aardappelen. Met
een soeplepel schepte ze bruine jus over het eten. Een tijd lang zei er niemand wat. We aten. Johan hield een hand op zijn heup en propte met volle vork het eten in zijn mond. Dat deed Dientje ook. Alleen hield ze af en toe op om ons toe te knikken. ‘Kom op, meisjes, jullie zijn zo mager. Eet op.’
Opoe had moeite met kauwen. Geen wonder. Ze had nog maar een paar tanden. Hoe kon ze eten? Met haar tandvlees? Heimelijk keek ik naar haar. Ze pakte een stukje kip op, stak het in haar mond, klemde haar lippen eroverheen en trok. Het stukje in haar hand was nou iets kleiner dan eerst. Ze zat maar te kauwen. Ik was bang dat ze me zou betrappen als ik bleef kijken. Vlug wendde ik mijn blik af.
‘Moeder, je moet ook je bonen opeten. Die zijn goed voor je. Er zitten vitaminen in, of hoe heten die dingen,’ zei Dientje. ‘Niet waar, meisjes?’
Sini knikte.
‘Poe, vitaminen. Wat zijn dat? Die bonen zijn taai.’
‘Opoe,’ vroeg ik, ‘waarom neemt u geen kunstgebit? Dat hebben een hoop mensen.’
‘Op mijn leeftijd? Dat heeft geen zin meer. Ik kauw nu al een paar jaar zo. Dat gaat wel voor zo lang ik hier nog ben. Kunstgebit. Dat moest Hendrik eens weten. Wil je eens voelen hoe hard mijn tandvlees is? Net zo hard als tanden. Hier, geef me je hand.’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, opoe, ik kan het zo wel zien.’
‘Lekkere kip, Dientje,’ zei Johan. ‘Ik had niet gedacht dat ze zo mals zou zijn. Zo jong was ze nou ook niet. Hoe lang hebben we haar gehad?’
‘Een paar jaar, denk ik. Nee, nog langer misschien.’
‘Het was een vinnig ding,’ zei opoe. ‘Altijd als ik ze kwam voeren stond ze de andere weg te duwen. Ik zal haar niet missen.’
We zaten allemaal te kauwen. ‘Heel lekker, Dientje,’ zei Sini. Dientje straalde van genoegen.
‘Ja, ze kan goed koken,’ zei Johan. ‘Ze ziet er goed uit ook. Niet, vrouw?’
‘O Johan. Moeder, waarom laat je al die kip op je bord liggen? Het is zo lekker.’
‘'t Is te taai.’
‘Dat is niet waar. Het vlees is zo mals dat je het zou kunnen zuigen. Kijk.’
‘Dat heb ik geprobeerd. Maar ik ben er niet kwaad om. Ik weet dat je het goed hebt bedoeld. Hebben we nog wat toe?’
‘Ik heb die pudding gemaakt waar je zo van houdt.’
‘Ik hoop dat je hem goed koud hebt laten worden.’
Opoe tilde haar schort op en veegde er haar mond mee af. Dientje deed hetzelfde met haar schort. Johan stak voorzichtig twee vingers in zijn broekzak en trok er een grote rode zakdoek uit. Nadat hij er zijn handen en gezicht mee had afgeveegd, gaf hij hem aan mij door. Ik draaide hem in het rond tot ik een droog plekje had gevonden, en gaf hem toen aan Sini. Die zocht niet eens naar een schone hoek.
‘Je zou niet zeggen dat het eten op de bon is,’ zei Johan, ‘als je naar ons kijkt. In de steden hebben de mensen het zo goed niet. Je krijgt niet veel op die bonnen. Ik wed dat je vader niet veel te eten krijgt bij Rotterdam. Wat is meneer Hemmes ook al weer? Een gepensioneerde boekhouder? Nou, ik hoop dat iemand hem bonnen geeft voor je vader. Anders zitten ze echt in de moeilijkheden. Nee, ik ben blij dat ik boer ben. Ik zeg altijd, een vis laten verdrinken en een boer laten verhongeren, dat is niet gemakkelijk.’
We lachten, Johan het hardst van allemaal.
‘Ik wou dat jullie vanmiddag beneden konden blijven,’ zei opoe. ‘Dat zou echt gezellig zijn.’
‘Misschien volgend jaar op je verjaardag, moe, dan kunnen ze uit Winterswijk komen en de hele dag hier blijven.’
‘Johan, denk je werkelijk dat we dan vrij zullen zijn?’ vroeg Sini verlangend.
‘Ik weet het niet. De Russen doen het goed in Rusland. Dat weet ik. De geallieerden in Noord-Afrika ook. In Rusland worden de Duitsers in de sneeuw doodgeschoten; in Afrika in de hete woestijn.’ Johan grinnikte. ‘Tjonge, zullen die Italianen kwaad zijn. Hitler heeft ze overgehaald met hem de oorlog in te gaan, en alles wat ze gekregen hebben is ellende. Hele hopen Italianen zijn ook dood in Afrika.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik weet niet wat ik ervan moet zeggen. Verdomd.’
Langzaam liepen we de trap op. Iemand had het hek geopend.
Opoe had ons niet gezegd dat de familie Hannink ook zou komen. Ze kwamen naar boven om ons op te zoeken, alsof wij het feest gaven. ‘Hoi.’
‘Weet je wat we voor opoe hebben meegebracht?’ vroeg mevrouw Hannink. ‘Dat raad je nooit. Eau de cologne.’
We lachten allemaal. Opoe zou de fles ergens in een kast zetten of weggooien. Bah, nieuwerwetse rommel, zou ze zeggen. Wat
leuk. Wat vroeg meneer Hannink daar? Hadden we al iets gehoord van vader en Rachel?
‘U weet,’ zei Sini, ‘dat Rachel bij een dominee woont, zo'n zeventig kilometer hiervandaan. Soms schrijft ze aan Johan. Vader ook. Maar ze schrijven zo weinig dat als iemand de brieven openmaakt, hij er niets uit kan opmaken. En Johan wil niet dat ze zo vaak schrijven want de postbode heeft hier vroeger nooit brieven gebracht. De mensen zouden achterdochtig kunnen worden.’
Meneer Hannink knikte. ‘Johan heeft gelijk. Nou, we moeten weer eens naar beneden voordat er andere mensen komen. Jammer dat jullie er niet bij kunnen zijn. Opoe zit de hele middag in een rechte stoel, met haar handen in haar schoot gevouwen. En iedereen zegt steeds maar dat ze in de gemakkelijke stoel moet gaan zitten. “Poe” is alles wat ze zegt, “mij niet gezien. Ik kan er gauw genoeg m'n gemak van nemen, als ik in bed moet blijven liggen.” Dat zegt ze nou al jarenlang, en elk jaar ziet ze er beter en jonger uit.’
‘Was Hendrik haar man?’ vroeg Sini.
‘Ja,’ zei meneer Hannink, maar er was geen tijd meer om te praten. Het hek was weer opengegaan.
Sini en ik zaten bij de kachel te luisteren. Hoe lang zou al dat bezoek blijven? ‘Waarschijnlijk totdat het tijd is om te melken,’ zei Sini.
Mijn god, dat duurde nog uren.
Waarom lachten ze zo veel? Om opoe? We zouden naar beneden moeten gaan als was het de gewoonste zaak van de wereld.
‘Sini?’ Maar Sini gaf me zelfs geen antwoord. Ze had het te druk met naar de muur staren. O, dag allemaal, zouden we zeggen. Hoe gaat het? We zijn ook maar gekomen. Jullie leken het allemaal zo naar je zin te hebben. Ja, Dientje, graag thee. Dank je. En niemand zou er naar ons kijken of we wat bijzonders waren. Bijzonder.
Ik boog me over de kachel en spuugde op het deksel. Ik hield van het geluid dat het maakte.
‘Arme Rachel,’ zei Sini, ‘zo helemaal alleen.’
Het werd donker en het bezoek zat nog steeds in de mooie kamer te lachen. Wat was dat? Kwam er iemand de trap op?
‘Foei foei, wat kan een mens toch moe zijn!’ Opoe kwam binnen.
‘Hier is het lekker stil,’ fluisterde ze. ‘Al die rook beneden. Bah. Ieder jaar dezelfde voorstelling. Maar goed dat het niet meer zo
veel jaren hoeft.’
Opoe tilde haar schort op en stak haar hand in een zak van haar rok. ‘Ik heb wat cake meegebracht. Ik had er nog heel wat moeite mee een stuk in mijn rok te smokkelen. Hij is niet slecht. Dientje heeft hem zelf gebakken. Nou, ik moet weer eens terug, nog een tijdje op die stoel zitten.’
‘Hoe lang nog, opoe?’
‘Dat weet je nooit met die mensen. Ze blijven altijd te lang zitten. Bah!’
Zuchtend ging opoe weer de trap af. Tevreden hapten we kleine stukjes van de cake af. Wat bedoelde opoe met niet slecht? Hij was erg goed. Het bezoek zou gauw weggaan. Ze konden toch de hele avond niet blijven?
Het werd koud in de kamer. Zonder geluid te maken deed Sini de klep van de kachel open. Een voor een pakte ik kolen uit de kit en gooide ze in de kachel. Na het tiende stuk kool liet Sini de klep weer geruisloos zakken. Het had geen zin er meer in te doen, de dag was al haast voorbij.