terug  begin  verder

7

Ik spitste mijn oren. Klip-klap, klip-klap. Wat was dat geluid buiten? De kleine jongen van Groothuis? Waar was hij? Voor zijn huis? Klip-klap, klip-klap. Touwtje springen? Sprong hij even hoog als ik vroeger? Ik keek naar het raam. Ik wilde zien, niet alleen horen. Ik stond op. Ik nam een stap, daarna weer een. Sini besteedde geen aandacht aan mij. Daar. Ik was voorbij de veilige kant van het bed. Nog twee stappen, dan zou ik hem kunnen zien. Klip-klap. Hij moest wel hoog opspringen, want hij kwam hard neer.

‘Annie, ben je gek geworden? Kom terug.’

Dat deed ik, geschrokken. ‘Waarom gil je tegen me? Je maakte me bang.’

Had ik vergeten, vroeg Sini, wat er zou gebeuren als iemand me zou zien?

Nee, nee, dat had ik niet. Maar wat was er zo verschrikkelijk aan Polen? Ik stond voor Sini. ‘Vertel me nou eens, hoeveel keer zouden ze je slaan?’

‘Heel vaak,’ zei ze.

‘Dat zou me niet kunnen schelen. Echt. Sini, hoor je dat?’

[p. 71]

Ik stampte met mijn voet. Van beneden riep Dientje, ‘In godsnaam, meisjes, wees stil.’

Hij kon waarschijnlijk lang niet zo hoog springen als Frits.

Frits wie?

 

‘Wie heeft dat gedaan? Wat erg om zo iets te doen. Mijn hele leven ben ik nog niet zo kwaad geweest.’ Opoe stormde onze kamer binnen. Woedend keek ze van Sini naar mij. ‘Kom mee. Ik zal je iets laten zien, iets vreselijks.’

We liepen met haar mee naar de slaapkamer achter. ‘Maar opoe, daar mogen we niet in zolang die man de schuilkelder aan het bouwen is.’

‘Hij is er vanmiddag niet.’ Ze duwde ons naar binnen. ‘Moeten jullie eens kijken.’ De onderste la van de kast was opgeschoven. Oorlog en vrede lag erin. En? Over een dag of twee zou Dientje het terugbrengen.

‘Wie heeft dat boek daar neergelegd?’

‘Ik, opoe,’ zei ik.

‘Kijk eens waar je het op hebt gelegd. Kan je niet uit je ogen kijken? Het enige dat ik nog van mijn moeder had.’

Ik keek. Onder het boek lag een kanten kapje. Een deel ervan was geplooid. ‘Bedoelt u dat, opoe?’

‘Ja, dat. Wat anders? Die knipmuts. Zo iets heeft nog nooit iemand me aangedaan.’

‘Maar opoe, ik wist het niet.’

‘Wat valt er te weten? Kon je niet uitkijken? Ik weet niet of ik je dat ooit kan vergeven.’

‘Opoe, ik weet zeker dat ze het niet met opzet heeft gedaan,’ zei Sini.

Opoe scheen het niet te horen. Ze boog zich voorover en nam het boek van de knipmuts. Met een verachtende blik in haar ogen duwde ze me het boek in handen. ‘Hier. En nog zo'n zwaar boek ook.’

‘Opoe, het spijt me.’ Ik had moeite mijn tranen uit mijn stem te houden. Wat een ellendige dag.

‘Kan me niet schelen. Je hebt mijn knipmuts bedorven.’ Opoe leek ook moeite met haar stem te hebben.

‘Wat gebeurt hier?’ Dientje begon al te praten terwijl ze de trap opklom.

‘Die kleine heeft dat boek dat jij voor ze gehaald hebt boven op mijn knipmuts gelegd. Waarom keek ze niet uit waar ze het neer-

[p. 72]

legde? Nou is hij bedorven.’

‘Kom, laat me eens kijken. Misschien kunnen we hem opknappen.’

De knipmuts was niet kapot of zo iets. Wat was ermee aan de hand? ‘Ik heb opoe gezegd dat het me speet.’

‘Ik weet dat je het zo niet bedoeld hebt. Nou, laat eens zien.’ Dientje duwde ertegen, streek hem glad. ‘Ik zal de plooien persen. Dan is hij weer helemaal goed. Het was echt niet nodig dat je er zo'n herrie over maakt. Mijn god, je hebt dat ding al zo lang. Moeder, zie je niet dat het haar spijt? Geef haar een zoen, Annie, dan is ze niet boos meer.’

Aarzelend naderde ik opoe. Maar ze liep weg.

 

‘Iemand thuis? Oehoe! Ik kom de trap op. Ik ben het.’

Kwam Dini Hannink ons opzoeken? Maar waarom vandaag? Opoe was kwaad. Ik voelde me ellendig. Wat wilde Dini? Ze was gekomen om ons te waarschuwen, zei ze. ‘De Duitsers zijn van plan vannacht overal huiszoeking te houden. Ze zoeken naar iemand van de ondergrondse en ze denken dat hij zich ergens in Usselo verbergt.’

De man had ingebroken in een kantoor in Enschede waar de distributiebonnen werden bewaard, legde Dini uit. Die ging hij dan uitdelen aan de mensen die joden in huis hadden, maar iemand had hem verraden. Al gauw ging ze weer weg. Ze moest nog iemand anders waarschuwen. Wat zouden we nu moeten doen?

‘Ik wou dat Johan thuis was,’ klaagde Dientje.

‘Wat een toestand,’ zei opoe. ‘Laten we maar vroeg gaan eten.’

‘Wat heeft dat ermee te maken,’ bitste Dientjes stem. ‘Waar is Johan? Ik wil niet dat de soldaten komen als hij niet thuis is. Ik ben bang.’

‘Wat bedoel je, waar is Johan? Het is donderdag. Hij is in Boekelo natuurlijk. Dientje, gebruik je verstand. Alleen omdat Dini...’

Sini en ik gingen naar onze eigen kamer. Het was nog niet donker, dat zou het pas over een uur worden. Nu was Dientje ook kwaad.

 

Toen Johan thuiskwam, zei hij: ‘Maak je geen zorgen om de huiszoeking. Dat is niks. We zullen de moffen laten zien wat een mooie schuilplaats jullie hebben.’

Maar we zouden er de nacht in moeten doorbrengen, zei hij, zo-

[p. 73]

dat Sini's matras er niet zou liggen. Ze zouden zonder waarschuwing binnen kunnen stormen.

‘Johan, de meisjes stikken nog in die kast. De hele nacht. Wat bezielt je?’ Opoe klonk boos.

‘Moe, we doen hem niet dicht. We hebben genoeg tijd om het schot erin te zetten en al het goed op de plank te leggen.’

‘Maar Johan, ze kunnen toch niet de hele nacht blijven staan.’

‘Moe, ze kunnen zitten. Die ene nacht houden ze het wel uit.’

‘Wat gebeurt er als ze die man waar ze naar zoeken niet vinden?’ vroeg Sini.

Johan krabde op zijn hoofd.

Wat dan? Zouden we nooit meer naar bed kunnen?

‘Morgenavond gaan we allemaal slapen. Wat er ook gebeurt.’

‘Maar Johan,’ protesteerde Dientje.

‘Ik slaap toch al zo slecht,’ zei opoe uit haar stoel, ‘en in deze toestand moest ik eigenlijk maar helemaal niet naar bed gaan.’

‘Onzin, moe, je zegt altijd dat je niet kan slapen, maar je ligt altijd hard te snurken! En vertel me niet dat je wakker zit te snurken.’

‘Ik snurk nooit, hè, Dientje?’

‘Johan heeft gelijk.’

‘Meisjes, hebben jullie me wel eens gehoord?’

Ik durfde niets te zeggen. Als ze weer kwaad werd?

‘Het is moeilijk te zeggen, opoe, met al die vliegtuigen die 's nachts overkomen. Misschien zijn Dientje en Johan daarmee in de war.’ Dat was slim van Sini. Opoe keek verheugd.

‘Misschien beginnen ze pas vroeg in de morgen te zoeken,’ zei Johan, ‘als ze denken dat iedereen slaapt. Ik hoop maar dat ze de meisjes niet vinden. Hee, Dientje.’ Hij stootte haar aan met zijn elleboog. ‘Kijk moeder eens.’

Opoe zat rechtop met haar armen over elkaar op haar maag, maar haar hoofd knikkebolde. Langzaam zakte het voorover tot haar kin haar schort raakte. Daar bleef hij een ogenblik. Toen gleed haar hoofd naar de kant, helemaal tot haar schouder. Een sliertje speeksel kwam langzaam uit de hoek van haar half open mond. Zou dat langs haar kin naar beneden glijden? Nee, ze zoog het naar binnen. Met een ruk trok ze haar hoofd recht; zo bleef het een ogenblik staan om dan weer de tocht te beginnen. Gek, het zakte naar dezelfde schouder.

‘Eh, wat zei je, Johan?’

‘Niks, moe. Ik dacht dat je nooit sliep.’

[p. 74]

‘Dat doe ik ook niet.’

‘Je kan ons niet voor de gek houden. Er zijn vier getuigen.’

‘Johan, ik geloof dat we allemaal maar naar bed moeten. Het is al over tienen,’ zei Dientje. ‘Moeder, jij gaat ook.’

Met moeite kwam opoe uit haar stoel overeind. ‘Johan, vergeet niet de kastdeur open te laten. We kunnen ze niet laten stikken.’

‘O moeder,’ Dientje leek geërgerd. ‘Het komt heus wel goed. Je maakt je altijd zorgen om de meisjes alsof Johan en ik niet weten wat er gedaan moet worden.’

‘Nou, als er vannacht iemand op de deur klopt, ga ik naar beneden om hem binnen te laten,’ zei Johan, ‘nadat Dientje en ik jullie schuilplaats hebben afgesloten. Het enige dat jullie dan moeten doen is je doodstil houden. Als ze de kast opendoen en erin rondkijken, beweeg je dan niet. Als ze op de wand kloppen om te horen of er ruimte achter zit, beweeg je dan niet.’

We kropen naar binnen. Johan ging voor de kast op zijn hurken zitten. ‘Als je wat nodig hebt roep ons dan. Hoor je me? Maak je nergens zorgen over. Hoor je me?’

Dientje stak haar hand in de opening. ‘Dat voelt als het been van Annie. Goed? waar is je hand?’ Ze stopte er twee ronde koude dingen in - appels. ‘Voor als je honger krijgt. Het zijn die appels die jullie lekker vinden.’

 

We stonden en zaten. En stonden en zaten. ‘Sini, ik ben zo moe.’ Ik leunde tegen haar aan. Ik mocht niet in slaap vallen, zei ze. Maar het was nacht en erg donker. Waarom mocht ik niet slapen? ‘Wanneer komen ze, Sini?’

Dat wist ze niet, zei ze. Misschien hadden ze de man naar wie ze zochten al gevonden, en in dat geval zouden ze helemaal niet komen. Zou ik de hele nacht hier voor niets moeten zitten? ‘Maar, Sini...’

‘Kan jij het alfabet achterstevoren opzeggen?’ vroeg ze. Opgewekt begon ik op te noemen. Ik had nooit geweten hoe moeilijk het was. Het zou een hele tijd duren eer ik het goed kon.

‘Meisjes, ik ben zo bang voor jullie.’ De stem van opoe kwam van een plaats recht voor de schuilplaats. ‘Kunnen jullie werkelijk ademhalen daar? Arme stakkers. Kan ik iets voor je halen?’

‘Graag een beetje drinken, opoe.’

‘Ik ga naar beneden om wat thee voor jullie te zetten.’

N... m... l... k’ Misschien zou ze terug zijn tegen de tijd dat ik bij de a was. Ik haastte me.

[p. 75]

‘Hier, steek je hand uit. Pas op, het is heet. Wie z'n hand is dat? Die van jou, Sini?’

‘Hoe laat is het, opoe?’ vroeg ik.

‘Even over tweeën. Kan je de vliegtuigen horen daarbinnen?’

‘Ja.’ Ik nam nog een slok. ‘Bent u nog kwaad op me?’

‘Hè? Kwaad? Nee. Ik begrijp niet hoe Johan en Dientje door al dat lawaai heen kunnen slapen. Voelen jullie je beter?’

‘Een stuk, opoe.’ Ik glimlachte in het donker.

We gaven haar de lege koppen. ‘Opoe, u bent geweldig,’ zei Sini.

‘Ja ja, daar koop ik wat voor,’ antwoordde opoe. Ze kreunde en steunde toen ze overeind kwam.

Nu ging ze weer terug naar bed, haar benen uitstrekken en tegen een kussen leunen. Bed. De hete thee had me nog slaperiger gemaakt. ‘Sini, ik wil slapen.’

‘Nee.’ Ze trok me overeind en kneep me. ‘Je moet wakker blijven, Annie. Ik krijg je nooit wakker als ze komen. Wacht, ik zal je een beetje Engels leren. Dan ben ie de enige die er wat van afweet als je weer naar school gaat. Geef me je hand: h-a-n-d, hand. Deze vijf dingen zijn vingers: f-i-n-g-e-r-s, fingers.’

‘Hoe zeg je doodmoe in het Engels, Sini?’

Dead tired.

 

De nacht was voorbij en de soldaten waren niet gekomen. Met stijve, pijnlijke benen wankelden we naar het bed. Sini pakte een spiegeltje uit haar zak. Ik had haar nog nooit zo wit gezien. Na een vlugge blik in de spiegel legde ze het neer. Langzaam voelden haar vingers over haar oogleden. Ze waren gezwollen. Toen draaide ze zich om en begroef haar gezicht in het kussen.

Ik pakte het spiegeltje op. Was ik dat? Dat kon niet. Ik legde het spiegeltje onder mijn kussen, weg van Sini. Ik streek over het laken. Bed.

 

Het was niet eerlijk. Waarom had Johan alleen Sini gevraagd met hem deze avond naar de stal te gaan? Alleen omdat ze wat van koeien afwist? Wat dan nog? Ik had het in die kast ook niet leuk gevonden. Was zij iets bijzonders? Dientje dacht anders van niet.

‘Annie, bederf mijn goeie stemming nou niet.’ Sini keek me smekend aan.

Waarom niet? Ik wilde ook naar de stal lopen, en weer terug. Zelfs terug. Ik pakte het boek op dat ik had zitten lezen, nog steeds

[p. 76]

hetzelfde Oorlog en vrede-boek. Wanneer ging iemand het terugbrengen en een ander halen. Ik sloeg het toch maar open, mokkend. Ik ging vandaag niet zitten rekenen. Dat zou haar stemming zeker bederven. Mijn hart klopte als een razende. Ik had gelijk. Haar gezicht werd al rood.

‘Leg dat boek weg.’

Ik maakte geen beweging.

‘Ik vraag het je voor de laatste keer. Leg het weg.’

Ik bewoog me niet. Ik slikte alleen zenuwachtig. Sini rukte het boek uit mijn handen. ‘Geef terug,’ zei ik.

‘Nee. Eerst je les!’

‘Geef terug.’ Ik zocht naar de juiste woorden. ‘Als je het niet doet, praat ik de hele dag niet meer tegen je.’ Daar. Ik voelde me al beter.

 

Misschien had ik een fout gemaakt toen ik zei dat ik de hele dag niet tegen Sini zou praten. Het was toen nog zo vroeg. Had ik maar gezegd dat ik het alleen 's morgens niet zou doen. Nee, ik moest weer roekeloos zijn.

Nou ja, Sini vond het ook niet leuk. Waarschijnlijk had ze hoofdpijn. Ik keek naar haar. En óf ze het had. Het was goed te zien ook. Stakker. Misschien zou ze zelfs niet van haar uitstapje vanavond kunnen genieten. Heel jammer.

Ik had eraan moeten denken hoe lang de dagen waren. Maar ze had me gedwongen iets ingrijpends te doen. Niemand kon me zo behandelen zonder daarvoor straf te krijgen.

 

We gingen naar bed zonder welterusten te zeggen. Nou, die dag was tenminste voorbij! Maar waarom zei Sini niets? Kon ik nu morgen weer gewoon gaan praten? En als we weer de hele dag niets tegen elkaar zeiden? Ik tilde mijn hoofd van het kussen. Lag daar iemand te huilen? Dat moest Sini zijn. Had ze spijt? Dat zou best; het boek uit mijn handen rukken en uit gaan.

Ik was ziek van die lessen de hele tijd. Alleen omdat zij het leuk vond om les te geven, wilde toch niet zeggen dat ik elke dag haar leerling moest zijn? Waarom nam ze niet iemand anders? Het zou trouwens wel prettig zijn als ze ophield met huilen.

Geluidloos ging ik overeind zitten en keek over de rand van het bed. Ja hoor, zij was het. Haar schouders schokten. Misschien zou ik welterusten moeten zeggen. Dat zou ik erg vlug kunnen doen. Als dat haar zou doen ophouden...

[p. 77]

Voorzichtig kroop ik het bed uit. Ik moest er niet te lang over nadenken. ‘Sini?’ fluisterde ik. Ze kwam overeind en stak haar armen uit.

Gek, ik huilde ook. Sini had gelijk. Als de Duitsers 's nachts nou eens het huis in waren gekomen en ons gevonden hadden? Dan zouden ze ons meegenomen hebben. Sini zei dat ze ons wel eens van elkaar zouden kunnen halen, ons ieder naar een ander concentratiekamp in een ander land zouden sturen. We zouden elkaar dan misschien nooit meer gezien hebben. Dan hadden we elkaar niet kunnen vertellen hoe ellendig we ons hadden gevoeld door de hele dag niet tegen elkaar te praten. En wat dan?

 

Er was iets met mijn benen, zei Sini.

Ik keek ernaar. Wat?

‘Je wiebelt als je loopt,’ zei Sini met een ongeruste stem. ‘Of doe je het met opzet.’

‘Nee, natuurlijk niet.’ Wiebelen?

‘Sta stil en hou je benen recht. Ze zijn krom, Annie.’

‘Niet waar, Sini.’ Waren ze krom? Hoe waren ze dat geworden?

‘Waarom heb ik dat niet eerder gezien. Je hebt niet genoeg beweging. Geen wonder. Spieren hebben oefening nodig.’ Geschrokken keek Sini naar me. Na de oorlog konden mijn benen worden gemasseerd, zei ze, maar in de tussentijd moest ik de kamer op en neer gaan lopen. ‘Honderd keer per dag.’

‘Nee, Sini, niet zoveel keer.’ Alleen míjn spieren hadden beweging nodig, die van háár niet?

‘O ja. Ik zal wel tellen. Een - twee - drie.’

‘Wat laat je Annie doen, Sini?’ vroeg opoe. ‘Moet dat nou? Kijk haar eens, kun je niet zien dat ze niet wil!’

‘Opoe, als ze niet elke dag oefent wordt ze zo stijf dat ze na de oorlog niet kan lopen.’

‘Dat kan toch niet.’

‘O jawel, opoe. Dat kan wel.’

‘Hou even op, Annie, en drink je koffie.’

‘En dat zit me ook dwars, opoe. Ik wil niet dat ze nog langer koffie drinkt.’

‘Goeie genade, je bent wel moeilijk vandaag. Tjonge tjonge!’ In de deuropening draaide opoe zich om. ‘Dan mag ze misschien ook geen thee meer, hè?’

‘Ik wil niet meer lopen, Sini.’

[p. 78]

‘Ik wou dat ze zich niet overal mee bemoeide,’ zei Sini woedend.

 

Ik gluurde naar Sini. Zou ze weer kwaad worden om wat Dientje net had gezegd? Dat ik vanavond uitging. Alleen ik en Dientje. Sini en Johan konden hun koeien houden. Bah, stinkende beesten. Nee, wij gingen écht uit. We zouden de fiets moeten nemen om er te komen, bij de boer waar ze altijd voor werkte. Ze verborgen daar tien joden. Dat was een hoop. Een van hen was een meisje van mijn leeftijd, zei Dientje. Ik zou misschien wel met haar op kunnen schieten. Natuurlijk. Was het niet aardig van meneer Hannink om Johan over hen te vertellen? En als het nou slecht weer zou zijn?

‘Dientje, wat doen we als het regent?’

‘Maak je geen zorgen, we gaan in ieder geval.’

Wat moest ik aantrekken? Misschien de jurk die ze voor mij had gemaakt. Misschien wel. Ik moest er mooi uitzien, om op visite te gaan.

‘Hoe heet ze?’

‘Wie?’

‘Dat meisje.’

‘Dat weet ik niet. Je bent blij dat je uit mag, niet?’ Dientje straalde.

Ik knikte. ‘Hoe lang blijven we er?’

‘Niet zo lang. Misschien een uur.’

Ik kon maar beter nog wat door de kamer gaan lopen. Tenslotte wilde ik niet dat het meisje zou vinden dat ik raar liep.

 

‘Je ziet er keurig uit,’ zei Sini toen het tijd was om te vertrekken. ‘Je gaat toch niet weg zonder me een zoen te geven?’

Ik werd echt te oud voor dat soort gedoe. Nou ja, goed dan. Ik gaf haar een zoen en liep de trap af. Onderaan de trap keek ik naar boven. Ik zwaaide tegen Sini.

‘Je kan komen,’ riep Johan zacht.

Buiten stond Dientje met de fiets aan de hand. Ze zou haar licht niet aandoen, zei ze. Dan zou niemand haar kunnen herkennen.

Ik klom achterop. Dientje tilde haar rechtervoet over de stang en zette af. Een, twee trappen, toen ging ze. ‘Sla je armen om m'n middel. Hou vast.’

Ik wist dat we over een zandpad reden. Steeds gleed de fiets weg in een kuil. Ik kon voelen hoe Dientje kracht zette om er weer

[p. 79]

uit te komen. Was het een smal pad? Waarschijnlijk. Rond Winterswijk waren alle binnenwegen smal zoals deze. Stonden er bomen langs het pad? Voorzichtig stak ik mijn rechterarm uit. Ik raakte niets aan. Mijn handen waren koud. Ik stak ze in Dientjes zakken.

‘Het pad wordt erg smal. Hou je goed vast.’

Natuurlijk. Ik wilde niet vallen. Ik zou helemaal smerig worden.

De lucht rook lekker. Ik deed mijn mond wijd open. Kom maar binnen, lucht, het is in orde, ik ben het. Dankbaar wreef ik mijn wang tegen de jas van Dientje.

 

'G ‘navend.’ Dientje liep de stal in, mijn hand vasthoudend. ‘Hoe gaat het? Dit is Annie.’

‘Kijk eens aan. Wel, zullen we eens een praatje maken met Mimi?’

We liepen achter de boer aan een kamer binnen achter in de stal. ‘Hier is bezoek voor je,’ kondigde hij aan.

Het meisje in de hoek moest Mimi zijn. Ze leek van mijn leeftijd. We bekeken elkaar van een afstand.

‘Kom op, zeg eens wat tegen haar. Daarvoor zijn we gekomen.’ Dientje duwde me in Mimi's richting.

Hoe kon ik zomaar met haar gaan praten? Wat moest ik zeggen? Ik deed een stap terug en leunde tegen de stoel van Dientje. Ze zat met aandacht te luisteren naar de boer en zijn vrouw.

‘De bakker weet vast dat hier wat aan de hand is,’ zei hij. ‘Iedere dag kom ik de bakkerij binnen met een grote mand. Man, wat eet jij veel tegenwoordig, heeft hij al meer dan eens tegen me gezegd. Ja, zei ik, mijn jongens lusten wel wat. Ik krijg bonnen van meneer Hannink. Hoe zou ik anders aan al dat brood moeten komen? Ik weet niet waar de bakker denkt dat ik ze vandaan heb. Ik maak me er genoeg zorgen over.’

Waar sliepen die tien mensen? Hadden ze een schuilplaats? Ik keek om me heen. Onze kamer was gezelliger - alleen Sini en ik. Ik vroeg me af of ze me miste.

‘Wat een klein ding, vind je niet?’ vroeg Dientje. ‘Je zou haar moeten zien eten. Als een vogeltje.’

Ik stond wat onrustig heen en weer te draaien.

‘Ik weet niet wat ze vanavond heeft. Thuis is ze zo verlegen niet. Je zou haar soms eens moeten horen. Kom op, Annie, praat eens met hoe-heet-ze-ook-weer? Mimi. Ze ziet er best aardig uit.

[p. 80]

Toe nou.’

‘Mimi, jíj bent toch niet verlegen. Zeg eens wat tegen Annie,’ zei de boerin.

Mimi lachte schaapachtig.

‘Zeggen jullie nou niks tegen elkaar?’ wilde Dientje weten.

Ik voelde mijn gezicht rood worden. Ik was ervan overtuigd dat iedereen zat te wachten om te zien of we zouden gaan praten.

‘Nou, dat was geen succes,’ zei Dientje een poosje later. ‘We gaan maar weer naar huis.’

‘Dag, Mimi,’ zei ik toen ik de kamer uitging.

‘Hè, waarom hebben jullie niet eerder wat gebabbeld? Is dat het eerste wat jullie tegen elkaar hebben gezegd?’

Beschaamd knikte ik. Het was kinderachtig. Maar wat viel er te zeggen? Ik kende haar niet eens.

Met een zucht van verlichting klom ik weer op de bagagedrager. Weer sloeg ik mijn armen om Dientjes middel. Het rook buiten weer heerlijk. Het voorjaar kwam eraan.

 

In het voorjaar was ik jarig. Ik had er niet veel over gezegd, dat zou kinderachtig zijn geweest. Tenslotte werd ik al elf. Maar vanaf het ogenblik dat ik die morgen mijn ogen opende volgde ik ieders bewegingen. Ze wisten het toch wel? Ja, daar kwam Johan met een pakje. ‘Annie, wat denk je hiervan?’ vroeg hij.

Geheimen der natuur,’ las ik, ‘door Gert von Natzmer.’

Ik bladerde het boek door. ‘Het ziet er prachtig uit, Johan. Dank je.’

‘Je moet ons allemaal een zoen geven,’ zei Johan. ‘Het is van ons allemaal. Weet je, de meeste boeken die je in de winkels ziet liggen zijn door Duitsers geschreven. Dat zie ik aan de namen, al heb ik nooit Duits geleerd.’

‘Johan, Annie kan geen Duits lezen,’ zei Dientje. ‘Waarom heb je een Duits boek voor haar gekocht?’

‘O kom nou, vrouw, wat denk je wel? Het is vertaald.’

‘Zou het wel een goed boek zijn,’ vroeg opoe, ‘als het door een Duitser is geschreven?’

‘O moe, wat heeft dat er mee te maken? Jongens, wat heb ik een stel idioten in huis.’

‘Ik weet het niet. Ik vroeg het alleen maar.’

Ik keek naar een foto van de zomer in Groenland. Wat een mooie plaats!

[p. 81]

Maar wie had Dini Hannink verteld dat ik jarig was? ‘Jij, Sini?’

Dini lachte maar. Het Monopoly-spel dat ze me gegeven had lag op tafel. ‘Zal ik het een keer met je spelen?’ vroeg ze.

‘Ja, alsjeblieft.’

‘Ik doe ook mee,’ zei Sini. ‘En jij, Dientje?’

‘Ik? Nee hoor. Ik kijk wel.’

Opgewonden keek ik hoe Dini het geld uitdeelde. Leuk, allemaal verschillende kleuren. Wat een fijne verjaardag had ik.

‘Annie, moet je Dini niets aanbieden?’ vroeg Dientje.

Natuurlijk, dat was ik vergeten. Wat een gastvrouw! ‘Hier, Dini, neem er maar een paar.’ Ik hield haar de koekjestrommel voor.

‘Ik zal je eens iets verdomd geks zeggen,’ zei Johan, ‘ik wed dat je je volgende verjaardag ook nog hier bent. Ja, vast wel.’

‘Waarom, Johan?’

‘Omdat de Duitsers niet weggaan als de geallieerden niet komen en hen eruit jagen. Ik begrijp niet waarom ze niet uit Afrika in Italië landen. Ze hoeven alleen maar een zee over te steken. Wat? Dat zou ik doen. Tjonge! Een invasie in Europa, dat hebben we nodig. Dan zie ik er over een jaar wel een eind aan komen. Nou niet. Nee.’

Ik keek Sini aan. Haar mondhoeken beefden. Waarom moest Johan nou zo praten? Hoe wist hij dat we een invasie nodig hadden en dat het einde nog wel een jaar kon duren? Dat kon toch ook laten we zeggen volgende week komen? Hoe wist hij dat? Nou, misschien had hij ongelijk. Dat kon best. Dat zou ik tegen Sini zeggen, later, als iedereen sliep. Johan wist niet alles.

 

Johan had een krant op tafel gelegd. ‘Verbrand hem,’ zei hij, ‘als je hem gelezen hebt.’

‘Waarom, Johan?’

‘Omdat het een krant is van de ondergrondse, van mensen die ons willen laten weten wat er werkelijk gebeurt. Niet zoals die verdomde officiële kranten die al het nieuws omdraaien. Maar wij mogen de waarheid niet weten. Die drukkers kunnen worden doodgeschoten voor wat ze doen, en als de Duitsers een van die dingen hier in huis vinden, word ik gearresteerd.’

Ik pakte de krant op. Geef de moed niet op, stond er. De Duitsers zúllen verliezen. Er stond niet bij wanneer. Dat wisten ze zeker zelf ook niet. Ik las wat verder. Nee, wat die krant schreef kon niet waar zijn. Dat kon niet. Ik had moeite met lezen, maar ik las het artikel uit.

[p. 82]

Ik legde de krant neer. Nu wist ik het. Nu wist ik werkelijk wat er gebeurde in Duitsland en Oostenrijk en Polen. Moordkampen. Natuurlijk had ik geweten dat er kampen waren. Daar brachten die treinen je heen. Maar ik had niet geweten dat ze zo waren, dat Hitler zijn soldaten had gezegd dat ze joden mochten vermoorden wanneer ze daar ook maar zin in hadden.

Ze persten zoveel mogelijk mensen in de trein, met nauwelijks voedsel of water. Als de mensen bij het kamp aankwamen werden ze uit de trein getrokken. De oudere mensen, vrouwen en kinderen werden in vrachtwagens weggevoerd. Ze draaiden zich om om naar de anderen te zwaaien. De kampen konden niet zo slecht zijn, vooral niet als de Duitsers je in vrachtwagens afhaalden. Ze gingen naar een speciaal gebouw. Daar kan je je wassen, werd hun gezegd. Jullie zullen wel vuil zijn na zo'n lange tocht. Een hele hoop mensen gingen de douchekamer binnen met een stuk zeep in hun hand, tot de kamer zo vol was dat de stalen deur nog maar net dicht kon. Het water werd niet opengedraaid. Wel het gas.

Het duurde niet langer dan vijftien minuten. Daarna werden ze verbrand. In ovens. Meestal was iedereen dood als dit gebeurde. Meestal.

De jongere mannen werden aan het werk gezet. Als ze te zwak werden om te werken kwam hun beurt ook. Om naar de douchekamer te gaan.

De meeste mensen waren joden. Maar er waren ook anderen.

Nu wist ik waarom ik hier was, waarom ik niet in de voorkamer bij het raam moest gaan zitten. Ik had net, in een krant die schreef wat er werkelijk gebeurde, gelezen waarom.

terug  begin  verder