terug  begin  verder

8

‘Het is nou warm genoeg om het zonder kachel te doen,’ zei Johan. ‘Ik denk dat ik jullie verhuis naar de achterkamer.’

Gespannen lette ik op Johan. Hoe zou hij de tafel door de deur krijgen? ‘Pas maar op, Johan.’

‘Maak je geen zorgen, Johan knapt het wel op. Zo gebeurd.’

Sini en ik volgden met de stoelen. Wat zouden we nog meer mee kunnen nemen? Ik liep terug. Eigenlijk niets. De kalender? Die kon blijven hangen. We zouden elke avond terugkomen. Nee, toch maar beter meenemen. Ik trok de kalender van de muur en

[p. 83]

liep ermee naar de andere kamer.

Waar zou ik hem hangen? Hier zouden we er niet zo vaak op hoeven kijken omdat we ramen hadden. Dus een hoek was al goed. Daar.

Ik ging bij het raam boven de keuken zitten. Hemel, de bomen waren allemaal groen. Wanneer was dat gebeurd? Kijk eens naar de lucht. Er was heel veel blauw, maar ook wolken. Hoe hard konden wolken gaan? Waar reisden ze naar toe? Van de lucht boven het ene land naar de lucht boven het volgende? Zo veel om over te denken.

Waar was Sini? Ik draaide me om. Ze keek in de spiegel. ‘Sini, ik vind het hier veel fijner. Jij niet? Waarom kom je niet bij het raam zitten? Wil je mijn plaatsje voor een poosje?’

‘Zie ik erg bleek?’

Ernstig bestudeerde ik haar gezicht. ‘Een beetje, maar je ziet er niet slecht uit.’

‘Maar ik zie er beter uit als ik bruin ben, niet?’

‘Misschien. Maar je haar is weer mooi. Weet jij waarom sommige wolken donker zijn en andere wit?’ Sini gaf geen antwoord, en ik herhaalde de vraag.

‘Nee. Zou ik het weer knippen?’

‘Wat?’

‘Mijn haar.’

‘Dat weet ik niet. Denk je dat de regen ze donker maakt?’

‘Ik ben lang zo knap niet meer als vroeger, hè? Ik weet het wel. Ik kan het zelf zien. Zeg eens eerlijk.’

Ik zuchtte. ‘Ik vind je er goed uitzien.’

‘Ja, jij.’ Sini's stem klonk verachtend.

Ze zou nu geen Monopoly meer met me willen spelen. Ik zou het in mijn eentje moeten doen.

Zo veel geld voor mij. Zo veel voor haar. Haar? Ik zou er een hem van kunnen maken. Nee. Nou, laat eens zien. Ik kon maar het best beginnen. Was dat geen domme zet die ze deed? Geen wonder dat mijn stapel geld aangroeide. Stom. Nee, niet ik. Jij. Bij dit spel moet je uitkijken. Tja. Dank je. Was dat je laatste geld? Nou ja, zo gaat dat. Je hebt slecht gespeeld. Ik zal nog wel eens zien of je weer met me mag spelen. Ik weet het niet zeker. Het zal er van afhangen.

Ik borg het spel weg. Wat kon ik nu gaan doen? Eens kijken. Ik kon me verbeelden dat Johan me had gevraagd met hem naar de blekerij te komen. Ik deed mijn ogen dicht, zodat ik beter kon

[p. 84]

zien wat hij me erover verteld had. Eerst gingen we het paard uit de wei halen. Hij spande het voor de wagen. Johan klom naast me op de wagen, pakte zijn zweep, knalde ermee, en daar gingen we op weg naar Boekelo. We sloegen rechtsaf toen we door het hek waren gegaan.

‘Vort, paard, vort! Het verdomde werk wacht weer.’

En het paard draafde. We kwamen Boekelo binnen zonder Usselo te hebben verlaten, leek het wel. Voor een groep gebouwen stopte Johan. Hij sprong van de wagen en hielp mij eraf. ‘Hier ben ik dan,’ zei hij tegen de man die uit een van de gebouwen kwam lopen.

‘Hee, Johan, het gaat goed in Afrika, niet? Ja ja, die geallieerden kunnen er wat van,’ fluisterde hij.

Johan luisterde ingespannen en knikte met zijn hoofd. Daarna deed de man de deur van het gebouw open en begon Johan rollen aan te reiken. Johan droeg ze een voor een naar de wagen. Zo af en toe krabde het paard ongeduldig met zijn voorbeen over de straatstenen. Toen de wagen vol was nam Johan de leidsels weer. ‘Vort, paard.’ De man ging weer naar binnen.

Voor een ander gebouw stopte Johan weer. De deur ging open en er verscheen een andere man. Johan droeg de rollen stof een voor een aan hem over. Toen de wagen leeg was gingen we terug naar het eerste gebouw om weer te laden.

‘Op de kar, Annie, van de kar af. Dit is godverdomme de ergste manier om je geld te verdienen. Wees jij maar blij dat je niet hoeft te werken.’

‘Ja, Johan.’

Ik deed mijn ogen open. Mijn handpalmen waren naar boven gekeerd, net als die van Johan toen hij al die stof droeg.

Ik trok mijn stoel dichter bij het raam. Daar liep opoe naar de kippen. Ze had ze vandaag al gevoerd. Wat ging ze deze keer doen? Zij was hun knechtje toch niet. Waarom waren ze zo veeleisend? En opoe liep maar. Natuurlijk holden ze achter haar aan. Ze wisten wat ze kwam brengen - eten. Kijk eens, ze stikken er haast in. Ga je gang maar. Van mij mag het.

Wat was Sini aan het doen? Ze had al twee sneetjes in haar pink van al dat bijten. ‘Sini, haal je vingers uit je mond.’

Opoe liep weer naar het huis. Ik zwaaide. ‘Dag, opoe.’ Onzin, ze kon me niet horen. Maar ze zag me en lachte.

Kijk die drie kippen daar eens weglopen. Ze konden maar beter uit de groentetuin blijven. Opoe zou tegen ze schreeuwen.

[p. 85]

Het werd pas laat donker. Sommige avonden kwam Johan niet eens naar huis om naar het nieuws te luisteren. Hij had het te druk buiten op het veld. Dat maakte Sini zowel rustig als opstandig. Urenlang zei ze niets. Dan riep ze plotseling, ‘Annie, hoe moeten we weten of de oorlog voorbij is als we niet naar de radio luisteren? De kranten vertellen ons niets. We zitten hier misschien ons hele leven. Ik kan er niet meer tegen. Laat me eruit!’ Ze holde de kamer rond en schudde haar vuisten tegen het raam. ‘Godverdomme! Morgen moet hij thuiskomen!’

Ja, naar buiten! ‘lk ook, Sini.’ Ik zou door de weilanden hollen tot mijn keel pijn deed van het hijgen. Maar kon ik het wel? Ik wiebelde nog steeds, zei Sini. Maar dat deed ik als ik liep. Rennen zou misschien gemakkelijker zijn. Ja, ik ook.

Ik keek naar buiten. Hoe kwam het dat ik niet zo kwaad werd als Sini? Was ik nu niet kwaad? Natuurlijk wel.

 

Sini zei tegen Johan dat ze het nieuws weer wilde horen, en dat was maar goed ook. De Engelsen en de Amerikanen waren in Sicilië geland, en zij en Johan hadden het geluk het uit de eerste hand te horen.

‘Heb ik het niet gezegd, hè? Ze zijn die zee overgestoken, niet? Niet slecht voor zo'n domme boer.’

‘Jij wist het, Johan,’ zeiden Sini en ik.

‘Sta op. Laten we dansen.’

Dansen? Ik? ‘Niet zo vlug, Sini. Au, au, hou op!’

‘Zusje van me, dit is het begin van het eind. Johan zegt het ook. Misschien nog maar een paar maanden. Weet je hoe ver Sicilië van Nederland ligt, Annie?’

‘Nee.’

‘Heel dicht bij. Veel dichter bij ons dan Rusland en Afrika.’

Nou, dan zouden we zeker thuis zijn voor het eind van het jaar.

Sini was haar haar aan het borstelen. Ingespannen bekeek ze haar gezicht in de spiegel. ‘Het komt wel goed, denk ik. Ik zie er al beter uit.’

Dat was zo. Een stuk.

Wat een prachtige dag! Ruik die lucht eens. Geweldig! Ik vond het oefenen niet eens erg meer. Ik zou het ten slotte niet lang meer hoeven te doen. Sini bood zelfs aan Monopoly met me te spelen. Het was leuk weer eens te verliezen. Dat deed ik nooit als ik met ‘haar’ speelde.

[p. 86]

Maar waarom deden die geallieerden er zo lang over, zo verschrikkelijk lang? Misschien kon het hun niet schelen of er een eind aan de oorlog kwam. Zij zaten niet de hele dag in een kamer. Zoals wij.

Weer een regendag. Hadden we er nog niet genoeg gehad? Somber keek ik het raam uit. Ik hoorde de familie Oosterveld nauwelijks binnenkomen.

‘Mussolini zit gevangen!’ Johan schreeuwde het haast uit.

‘Werkelijk?’ Hoe kon Sini's gezicht zo snel veranderen?

‘Wat was dat voor een man?’

‘O, moe, dat weet je best. Die verdomde clown. Die Italiaanse dictator. Hitlers beste vriend, de man die met hem de oorlog inging.’

‘Weet je niet wie dat is, moeder?’ vroeg Dientje. ‘Hoe kan dat nou?’

‘Ja ja. Wie hebben hem gevangen genomen?’

‘Zijn Italiaanse fascistenvriendjes, die het zat waren hun leger steeds te zien verliezen.’

‘O gottogottogot, wat een vrienden!’

‘Je hebt gelijk, moe. Hitler zal wel razend zijn. Jongens, dit is goed nieuws!’

 

Nou en of. Erg goed nieuws.

En zes weken later de landing van de Engelsen in Zuid-Italië al net zo. Maar wat maakte het voor verschil? N-i-e-t-s! Zelfs Mussolini was weer uit de gevangenis.

Het was herfst, herfst 1943. Ik volgde een paar bladeren op hun weg naar de grond. Hoe lang zou het duren voor de bomen kaal worden? Een maand? Twee maanden? Het zou interessant zijn om te volgen. Misschien zou ik wat aantekeningen moeten maken. Ik ging naar de commode om potlood en papier te pakken. Ik maakte een lijst van alle bomen, en noteerde het verlies van de eerste twee bladeren.

 

Al gauw werd het te koud om in de achterkamer te blijven. ‘Ik ga jullie weer verhuizen, meisjes,’ zei Johan.

Ik stond op. Zouden we hier volgende zomer weer terugkomen? Dat was toch niet mogelijk? Ik veegde mijn gezicht af aan mijn mouw. Het was beter dat Sini me niet zag. Dat zou haar nog treuriger doen kijken.

Ik wist precies waar ik de kalender zou hangen in onze winter-

[p. 87]

kamer: precies daar waar ik de punaise had laten zitten. Ik zette mijn stoel terug bij de kachel.

 

Dini Hannink kwam ons vertellen dat juffrouw Kleinhoonte ons op kwam zoeken. ‘Ze heeft vader opgebeld en gezegd dat ze van plan is vrijdag hier te komen.’

‘En, wie is dat, meisjes?’ vroeg opoe.

‘Moeder, weet je dat niet meer? Dat is die mulo-lerares uit Winterswijk waar ze ons van verteld hebben.’

‘Een lerares? Die komt hier? Gottogottogot, dat is me een deftig spul.’

Het gezicht van Dientje werd vlekkerig. ‘Ja, zo'n deftig bezoek hebben we nog nooit gehad. Komt ze met de bus?’

‘Nee, op de fiets, dan hebben de mensen hier er geen erg in.’

‘Hoe lang blijft ze?’ vroeg Dientje. ‘Niet dat het enig verschil maakt, of wat dan ook. Ik moet alleen weten of ze hier blijft eten.’

‘Wat heb je, Dientje? Iemand komt op de fiets dat hele eind van Winterswijk en jij vraagt of ze hier blijft eten.’

‘Nou,’ zei Dini, ‘ik ga weg, dan kunnen jullie nog wat praten.’

‘Dientje, wat ga je voor eten klaarmaken als ze hier is,’ vroeg opoe. ‘Zullen we die kip slachten?’

‘Welke?’

‘Die altijd haar eieren op rare plaatsen legt.’

‘Ik zal het Johan vragen.’

Ze gingen beide weg, druk pratend over de visite. Halverwege de trap draaide Dientje zich om. ‘Vrijdag, zei ze toch?’

‘Ja.’

‘Dan hebben we nog een paar dagen om aan het idee te wennen.’ Ze zuchtte van opluchting. ‘Ik zelf ben nooit verder gekomen dan de lagere school.’

Zou juffrouw Kleinhoonte bij ons boven eten? En als we kip hadden? Zouden we die allemaal uit het vuistje eten? Uit dezelfde pan? Nee, juffrouw Kleinhoonte, neemt u gerust dat stuk als u het wilt. Ik heb het maar één keer aangeraakt. Dan zou ze zien dat ik nog steeds goede tafelmanieren had.

‘Hoe laat komt ze vrijdag?’ vroeg ik.

‘Ik weet het niet, Dini heeft er niets over gezegd.’ Sini keek onthutst. ‘Wel, waarschijnlijk niet voor elf uur of zo.’

‘Sini, ik voel me zo opgewonden.’

‘Hoe denk je dat ik me voel? Jij hebt haar nooit als lerares gehad. Ik wel.’

[p. 88]

Nog één dag. En het weer zag er ook niet slecht uit. Een paar keer per dag gingen Sini en ik naar de achterkamer om naar de lucht te kijken.

Op vrijdagmorgen begon ik om negen uur op te ruimen. Het was duidelijk dat ik vandaag mijn oefeningen niet hoefde te doen. Ik floot. Het was leuk om af te stoffen. Ik zou het vaker moeten doen. Zorgvuldig wreef ik met een doek om mijn vinger over het hout van de stoelen. Geen wonder dat Sini mij vroeg af te stoffen. Ze wist dat ik mijn best zou doen.

‘Vind je dat ik er goed uitzie?’ Dientje liep naar binnen. Haar gezicht was opgezet.

‘Dientje, je ziet er prachtig uit. Kan je daarin lopen?’ vroeg ik, op haar schoenen wijzend.

‘Jij wist niet dat ik van die stadse dingen had, zeg eens eerlijk? Ja, maar ik doe ze uit als ze hier boven is bij jullie. Nou, ik denk dat ik jullie eerst maar koffie en koekjes breng als ze komt. Dat is toch wel goed, hè?’

‘Dat is geweldig, Dientje.’ Ze straalde van genoegen.

Ik plukte een pluisje van mijn jurk. Ik zag er ook leuk uit.

 

De deur van de trap ging open. ‘Wilt u mij volgen, juffrouw Kleinhoonte? Ze zijn boven.’ Dientje klonk zenuwachtig.

Juffrouw Kleinhoonte was net zo tenger als ik mij haar herinnerde. Ze knuffelde ons. Sini's gezicht was vuurrood. Het mijne waarschijnlijk ook.

We zaten ieder aan een kant van juffrouw Kleinhoonte en luisterden. Een nsb'er was in ons huis gaan wonen, zei ze. En wisten we dat Rachel juist op tijd uit Winterswijk was vertrokken?

‘Nee.’

‘Nou, een paar uur nadat ze was weggegaan kwamen de Duitsers naar jullie huis om haar op te halen.’

Waarom was Rachel niet naar meneer Hannink gekomen, vroegen we.

‘Dominee Zwaal wist een plek waar ze helemaal op zich zelf kon zijn, en ik denk dat ze dacht dat het voor jullie allemaal veiliger zou zijn.’

We zeiden een poosje niets. Ik boog me naar de kachel. Ik verzamelde spuug op de punt van mijn tong. ‘Annie,’ waarschuwde Sini.

Zenuwachtig likte ik mijn lippen af. Dat was precies op tijd. Een seconde later en ik had gespuugd.

[p. 89]

‘Ik heb een paar leerboeken voor de vijfde klas voor je meegebracht.’

Ik knikte. Vijfde klas? Zat ik daar nu in?

 

Onzeker kwam Dientje binnen met de koekjestrommel in haar hand. ‘Alstublieft, juffrouw Kleinhoonte, ik heb ze zelf gebakken.’

‘Dank u. Ik kan wel zien dat u erg goed voor de meisjes zorgt.’

‘We zijn blij dat we ze hebben,’ antwoordde Dientje. ‘Dat klinkt gek, hè? Omdat ze hier niet zouden zijn als er geen oorlog was. Ik weet dat ze zitten te popelen om terug te gaan naar Winterswijk. Maar we houden van de meisjes. Echt waar. Natuurlijk houden we niet van de oorlog.’ Ze leek in de war, en zweeg even. ‘En natuurlijk is grootmoeder hier, gek op hen. Die kleine kan in haar ogen geen kwaad doen. Behalve die ene keer dan.’

‘Wat was dat?’ vroeg juffrouw Kleinhoonte.

Dientje vertelde haar over opoes knipmuts. Ik schoof heen en weer op mijn stoel. Moest dat nou? Ik zuchtte van verlichting toen ze wegging.

Wat nu? Moest ik opstaan? Waarom?

‘Weet je wel, Sini,’ zei juffrouw Kleinhoonte, ‘dat Annie erg klein is voor haar leeftijd. Ik geloof niet dat ze iets gegroeid is. Laat je haar oefenen?’

‘O ja, elke dag. Maar ze probeert er altijd onderuit te komen.’

‘Annie, Annie.’

Zelfs mijn oren voelde ik rood worden. Waarom moest Sini dat verklappen? Ze had best alleen ja kunnen zeggen. Nee, ze moest me weer te kijk zetten. Mocht ik dan nooit plezier hebben?

Ah, daar was opoe met onze maaltijd.

‘Hoe vindt ze het hier?’ vroeg opoe aan ons.

‘Heel goed,’ zei juffrouw Kleinhoonte.

‘Ze moet eten. Ze heeft een vermoeiende dag gehad. Op de fiets. Foei foei.’

‘Dat zal ik zeker. Het ruikt heerlijk. Waar heeft u kip kunnen krijgen?’

‘Die houden we zelf.’

‘Natuurlijk. Annie en Sini hebben me uw leeftijd verteld. Ik kan niet geloven dat u eenenzeventig bent.’

‘Bijna tweeënzeventig.’ Opoe keek voor de eerste keer naar juffrouw Kleinhoonte. ‘En zo voel ik me ook. Ik heb overal pijn en

[p. 90]

ongemak. Hoe oud bent u precies?’

‘Maar een paar jaar jonger.’

‘Tjonge tjonge, daar ziet u niet naar uit, met die lichte kleren. U zou alleen niet zo mager moeten zijn. Dat is niet goed voor een mens. Dan ben je te zwak als je ziek wordt.’

 

We aten in stilte. Het enige geluid was dat van onze vork op het bord. Mijn gezicht werd weer warm. Hoorden we niet te praten? Waarom zei juffrouw Kleinhoonte niets? Ik keek naar haar. Ze was bezig een stukje kip te kauwen. Ik had haar manier van eten nog niet eerder opgemerkt.

Wat had ze een rare manier van kauwen! Ik kon mijn ogen niet van haar gezicht afhouden. Het deed haar op een konijn lijken. Hou op met staren. Als ze het eens merkt. Ik voelde een gegiechel opkomen. Ik slikte wanhopig. Lachen was wel het laatste dat ik wilde. Ik wendde mijn hoofd af. Goddank, ze was met Sini gaan praten. Maar kijk, ze nam weer een hap. Wat een manier van kauwen! Ik beet op de binnenkant van mijn wangen. Niet lachen. Nee, nee. Maar wel precies een konijn.

Zat ik nou toch te giechelen? Hou op, Annie, anders gebeurt er iets vreselijks. Kan je niet ophouden? Ik giechelde steeds harder. Hysterisch. En ik had niet eens pret. Wat was er toch met me?

‘Annie, wat zit je te doen?’ vroeg Sini zenuwachtig.

Wat bedoelde ze, wat ik zat te doen? Te giechelen natuurlijk. Ze zou me toch niet laten vertellen waarom? Omdat onze gast me aan een konijn deed denken? Ik giechelde niet meer. Ik lachte. Sini keek me dreigend aan. Ze stond op en stak een vinger naar me uit.

‘Laat haar toch,’ zei juffrouw Kleinhoonte.

‘Nee, ik wil dat niet hebben. Annie, ga van tafel. Schiet op.’

Ik gleed van mijn stoel. Waar moest ik heen? Het was koud in de andere kamer. Ze zou toch niet willen dat ik daar naar toe ging? Mijn gezicht gloeide. Met een gebogen hoofd schuifelde ik naar de hoek bij de deur. Ik ging met mijn rug naar hen toe zitten. Ik begon te huilen. Wat nu? Hou op, alsjeblieft. Ik vond juffrouw Kleinhoonte best aardig. Het was niet gemakkelijk te snikken en geen geluid te maken, helemaal stil te zitten. Mijn hele lichaam deed pijn.

 

‘Weet u zeker dat u niet blijft slapen?’ vroeg Dientje aan juffrouw Kleinhoonte.

[p. 91]

‘Nee, dank u. Ik ga weer terug.’

‘Zeventig kilometer op één dag is een heel eind op uw leeftijd,’ waarschuwde opoe. ‘Ik begrijp niet hoe u het kan, en dan zo mager. Blijf dan ten minste voor het avondeten.’

‘Nee, ik moet weg.’

‘Ik zal wat eten voor u inpakken,’ zei opoe.

‘Dag juffrouw Kleinhoonte. En bedankt voor de boeken.’ Aarzelend stak ik mijn hand uit. Zou ze die nog aannemen nadat ik me zo gedragen had?

Ze zoende me. Ik vond het jammer dat ik haar nooit als lerares zou hebben.

 

Vreemd dat het krijgen van bezoek je moe kon maken. Dus moeder was begraven op de joodse begraafplaats. Dat was dicht bij huis. We moesten maar blij zijn dat ze toen gestorven was, had juffrouw Kleinhoonte gezegd. Een week daarna waren de Duitsers naar het ziekenhuis gekomen om alle joodse patiënten op te halen.

Ik voelde dat ik weer moest huilen. Waarom hadden ze dat gedaan? Ik drukte mijn nagels in mijn handen. Nee. Wat had ik vandaag toch? Maar waarom?

Ik klom in bed. Dientje stak haar hand uit en trok aan het koord. Nu kon tenminste niemand meer mijn gezicht zien. Voor het geval...

 

Het was bijna vijf december, en Sini en ik begonnen voor iedereen versjes te maken. Zonder versjes zou het geen Sinterklaas lijken. Toen het de beurt van opoe was om haar gedicht hardop voor te lezen, bracht ze het stuk papier plechtig naar haar ogen.

 
Tjonge, tjonge, wat ben ik moe,
 
maar toch kan ik niet slapen.
 
Wat is er met me aan de hand?
 
Het komt dat ik zo oud word.
 
Ik weet zeker dat het dat is.
 
Tweeënzeventig jaar op negenendertig dagen na,
 
dat is heel, heel, heel erg oud.

‘Schamen jullie je niet om een oud mens zo voor gek te zetten?’ Maar opoe klonk niet kwaad. ‘Foei, foei, ik heb in jaren niet zo gelachen. Hendrik zou het moeten horen.’

[p. 92]

‘Zeg moe, vind je het niet brutaal van de meisjes om je dat te vertellen?’

‘Ja ja, dat zijn ze.’ Opoe lachte. ‘Schenk nog eens wat koffie in, Dientje, die appeltaart die je gemaakt hebt is niet slecht. Maar waarom heb je er niet meer appels in gedaan? Ze liggen maar in de kelder zacht te worden, en jij maakt een taart met maar één appel erin. Maar slecht is die niet.’ Opoe nam nog een hap.

 

Die maand viel er een hoop sneeuw. Het was zo stil buiten dat ik bijna alles kon horen wat er voorviel. Mensen die voorbij kwamen, met klompen die knarsende geluiden maakten. De kleine jongen van Groothuis. Als zijn vader thuiskwam van zijn werk, trok hij hem op een slee. ‘Pa, loop eens harder, dat kan je best.’ Een ogenblik later begon hij te gieren van het lachen. Hij was vast achterover in de sneeuw gevallen.

Ik zou hem kunnen trekken, dan hoefde hij niet te wachten tot zijn vader thuiskwam. Ik hoefde alleen maar de weg over te steken, dat was alles. Waarom kon ik niet? Langzaam stond ik op. Idioot. Alles.

 

‘Zeg, weten jullie dat je morgen een jaar hier bent?’

‘Ja, Johan, dat weten we.’ Hoe konden we dat vergeten zijn?

‘Hoe vind je het hier na een jaar?’

‘Leuk.’ Hou op, Johan.

‘Mooi zo.’

‘Johan, blijven we tot twaalf uur op?’

‘Nee, ik zie niet hoe ik op oudejaarsavond kan opblijven zonder een glas bier. Tjonge, als de oorlog volgend jaar voorbij is drink ik voor een paar oudejaarsavonden tegelijk. En jij, vrouw?’

‘Ach Johan, ik drink niet. Dat weet je.’

‘Ja ja,’ zei Johan, ‘ik weet dat er met jou geen plezier te beleven is. Hee, Sini, je hebt de hele avond nog geen mond opengedaan. Wat denk jij ervan?’

‘Niets,’ antwoordde Sini, zonder op te kijken.

‘Nou, gelukkig nieuwjaar allemaal,’ zei Johan. ‘Misschien wordt 1944 beter.’

Ja ja, gelukkig nieuwjaar.

Alweer.

terug  begin  verder