terug  begin  verder
[p. 93]

9

Johan kwam onze kamer binnen. ‘Hee, meisjes, iemand die jullie op komt zoeken.’

Bezoek? Voor ons? Wie?

‘Kom binnen,’ zei hij. zich omdraaiend naar een man achter hem. ‘Meisjes, dit is de man die Rachel in huis heeft. Ja, dominee Slomp.’

Sprakeloos staarden we hem aan. Wat kwam hij hier doen?

Rachel wilde een paar dagen hier komen, zei hij. Ze kon het niet meer uithouden. Ze móést ons zien.

Dientje begon te huilen. ‘Niet doen, Johan, dat is te gevaarlijk.’

‘Maak je niet druk,’ zei hij. ‘Dat weet ik.’

Dominee Slomp zei dat Dientje gelijk had, maar Rachel wilde toch komen.

‘Mag ze?’ vroeg Sini. ‘Alsjeblieft?’

Ik ging bij Johan op schoot zitten. ‘Ik wil haar zo graag zien,’ vleide ik.

Dientje waarschuwde Johan weer. ‘Wat zullen de mensen zeggen, Johan, als ze haar hier zien binnengaan. Dat is niet hetzelfde als met juffrouw Kleinhoonte en dominee hier. Rachel is joods!’

‘Ze komt 's avonds,’ zei dominee Slomp, ‘als het donker is.’

‘Johan, dat kan niet. Als er weer een huiszoeking komt, wat dan? Als de Duitsers ons pakken zijn we er geweest, Johan.’

‘Als de meisjes haar nou zo graag zien,’ zei opoe.

Ik sloeg mijn armen om zijn hals. Johan duwde me ruw van zijn schoot. ‘Nou vraag je me godverdomme wat, en ik zeg nog ja ook,’ klaagde hij.

Ik keek naar Sini. Schuldig keken we een andere kant uit.

 

Ik herinnerde me hoe netjes Rachel was. Gewoon stof afnemen was voor haar niet goed genoeg. In plaats daarvan wreef ik de stoelen. Uit de weg, Sini, ik ben bezig. Prachtig. Dat zou Rachel fijn vinden.

Op de avond dat ze zou komen huilde de wind om het huis. Het was echt maarts weer. We zaten boven allemaal op haar te wachten. Johan was de eerste die haar aan het raam hoorde kloppen. Rachel! We holden naar beneden. ‘Hoe gaat het met je?’ Ik trok me niet terug toen ze me bleef zoenen.

‘Dientje, zet eens water op voor thee,’ zei opoe.

[p. 94]

Dientje was als verdoofd. Zonder op haar te wachten vulde opoe de ketel.

‘Hoe lang heb je erover gedaan om hier te komen?’ vroeg Johan.

‘Ongeveer vijf uur.’

‘Heb je nog moeilijkheden gehad?’

Nee, zei ze, geen moeilijkheden, maar ze had bij iemand aangebeld om te vragen naar het huis van Oosterveld. Ze legde uit waar dat was geweest.

‘Godverdomme,’ zei Johan kwaad, ‘dat had je niet moeten doen. Dat is zo'n ouwehoer. Vroeg hij je nog wat?’

Angstig keken we naar Rachel. Ze schudde haar hoofd. Nee.

‘Nou,’ zei Johan, ‘je zal je ook in de schuilplaats moeten persen als er moeilijkheden komen.’

Dientje morste thee op tafel toen ze Rachels kopje volschonk. ‘Hoe lang blijf je?’

Ze ging morgenavond als het donker was weer weg, zei Rachel ingehouden.

We gingen naar boven. Rachel knuffelde me. ‘Het is zo fijn om weer bij mijn kleine zusje te zijn.’

Ik moest haar morgen zeggen dat ze niet meer over mij moest denken als haar kleine zusje. Maar daar had ik de tijd mee tot morgen.

Toen ik over de rand van het bed tuurde kon ik bijna twee hoofden op de matras onderscheiden. Dat van Sini en van Rachel. Fijn.

 

Wat was er met Rachel? Ze beantwoordde elke vraag met maar een paar woorden. ‘Vind je het vervelend alleen te zijn?’

‘Ik niet.’

Had ze niet meer te vertellen? Was ze kwaad? Dat leek niet zo, maar waarom dan? Kwam het doordat ze nooit iemand had om mee te praten? Maar Sini en ik zaten ook niet altijd te praten. Soms moest ik zelfs ruzie met haar maken om haar aan het praten te krijgen. Maar dan zei ze genoeg. Het was beter dan niets, beter dan alleen te zijn.

Ik liep naar Rachel en ging op haar schoot zitten. Bijna twaalf was niet zo verschrikkelijk oud.

Hadden we de laatste tijd nog iets van vader gehoord? vroeg ze. Ja. Hij had de hele tijd honger. Het enige waar hij altijd over schreef was eten, wat hij vroeger had gegeten en wat hij van plan

[p. 95]

was na de oorlog te gaan eten.

Rachel lachte. Dat schreef hij haar ook, zei ze. Het was fijn haar weer te zien lachen.

‘Hier is water, meisjes.’ Dientje zette de kom op tafel. ‘Ik heb er een beetje meer in gedaan. Met z'n drieën heb je meer nodig, dacht ik zo. Heb je wat nodig, Rachel?’

‘Nee, dank je.’

‘Goed dan.’

‘Sini, is dat al het water dat jullie krijgen?’ vroeg Rachel toen Dientje weg was.

‘Op zaterdagen krijgen we een emmer in plaats van een schaal.’

‘Voor het weekeind, neem ik aan. Nou nou. Annie, zal ik je gezicht wassen?’

‘Nee,’ zei ik verontwaardigd. ‘Wat denk je wel.’

Ze keek beledigd. Ik voelde me schuldig, maar grote goedheid!

We stonden om de kom heen en reikten elkaar de handdoek aan. Ik zag er bleek uit, klaagde Rachel. Misschien zou ik levertraan moeten nemen. En waarom zagen we er zo verfomfaaid uit? Kijk eens naar onze kleren! Was er geen strijkijzer in huis?

Hoe kwam het dat Rachel ineens zoveel te zeggen had? Stuurs liep ik bij haar vandaan.

‘Annie, kom terug. Draai eens om.’

Ze had het goed gehad, zei ze. Precies wat ze dacht, ik liep niet goed. Nou, dat wist ik al. Wat nog meer?

Liet Sini me niet oefenen?

Ja ja, dat deed ze, verdomme. Was ze alleen gekomen om kritiek op ons te leveren? Wat was dát nou?

‘Rachel, neem haar alsjeblieft mee. Ik ben het zat altijd ruzie met haar te hebben.’

Nou, ik ook. Misschien zou ík van Sini weggaan en met Rachel meegaan. O, kon ze me niet hebben? Prachtig. Ik zou toch niet zijn meegegaan. Ik had er alleen maar aan gedacht om... iets te denken te hebben. Ik haatte ze alletwee.

 

‘Hebben jullie het gezellig samen? Mooi zo, mooi zo. Rachel, wil je een ei?’

‘Alstublieft, opoe.’

‘Vanmorgen vroeg gelegd. Ik ben er speciaal heen gegaan om te zien of ze hun werk hadden gedaan, en ja, eentje was er bezig geweest. Meisjes, jullie krijgen er zondag een. Jullie hebben niet

[p. 96]

zo'n reis gemaakt. Foei foei. Nou, het is fijn voor ze, dat je hier bent. Jullie hebben elkaar vast een hoop te vertellen.’

Ik deed mijn uiterste best iets tegen Rachel te zeggen. Misschien kon ik haar laten zien waar we 's zomers woonden.

‘Kom mee,’ zei ik geheimzinnig. Ik deed de deur van de achterkamer wijd open. ‘Hier. Zie je die ramen? Het linker is van mij. En zie je die boom daar? Die zit al in de knop. Dat is erg vroeg.’ Ik keek naar haar op. Wat dacht ze daarvan?

Ze vond het een mooie kamer, zei ze, maar zou ze mijn jurk niet liever even strijken? Ik zou er een stuk beter uitzien. ‘Kom Annie, dat duurt maar een minuutje.’

‘Nee,’ zei ik, diep ongelukkig.

Toen we in de andere kamer terug waren, deed Rachel haar tas open en haalde er een briefkaart uit. Sini en ik bogen ons erover. De kaart was van oom Phil. ‘We zijn allemaal op weg naar Polen, maar we redden het wel. Ik gooi deze briefkaart bij het volgende station uit het raam, in de hoop dat iemand hem vindt en op de bus doet.’ Hier werd het handschrift anders. Het was nu beverig. ‘Onze warme kleren komen nu goed van pas,’ schreef grootmoeder, ‘omdat het kouder wordt. Maak je geen zorgen over ons.’

Maak je geen zorgen om ons. Natuurlijk. Ik wist wat er met hen gebeurd moest zijn toen ze uit de trein waren gestapt. Ik keek uit mijn ooghoeken naar Rachel. Die wist het ook, anders zou ze niet zo ernstig hebben gekeken.

 

Toen het buiten donker was maakte Rachel zich klaar om te vertrekken. Zonder wat te zeggen drukte ze ons tegen zich aan. Haar gezicht was nat. Het mijne ook. Waarom moest ze al zo gauw weer weg? We waren nog niet eens begonnen tegen elkaar te praten, niet echt.

Ze ging onze kamer uit en deed de deur achter zich dicht. Haastig liep ze de trap af. Na een ogenblik ging Sini naar de achterkamer. Ik hoorde haar door de deuren heen huilen.

We hadden Rachel moeten vragen waar we elkaar in Winterswijk na de oorlog zouden ontmoeten. We konden eigenlijk niet naar ons huis gaan. Daar woonden nsb'ers in. Zouden die eigenlijk niet weg moeten als wij terugkwamen? Natuurlijk. Wegwezen, zouden we zeggen. Zeker wel. Dan konden ze ons niets meer doen.

Maar wanneer zou na de oorlog zijn? De Duitsers waren nu al

[p. 97]

jaren aan het verliezen. Nou ja, anderhalf jaar. Hoe lang zouden ze doorgaan met verliezen voor ze het opgaven? Ik liep de kamer op en neer. Wat moest ik anders? Wanneer zou die oorlog voorbij zijn? Hè? Wanneer?

En de geallieerde vliegtuigen 's nachts maar Duitse steden vernielen. Heel indrukwekkend. De Russen vochten bij de Poolse grens. Geweldig, Polen. Alleen Johan vond het geweldig. ‘De Russen hoeven alleen nog maar Polen door te steken en Duitsland binnen te trekken. Tjonge!’ Tjonge! Zeg dat wel. En de Amerikanen en de Engelsen vochten nog steeds in Italië of ze nooit zouden ophouden. Ze vonden het daar waarschijnlijk leuk. Fijn klimaat of zo iets. Waarom zouden ze de moeite nemen deze kant op te komen? Kijk maar eens uit het raam. Al die regen. Ik schopte tegen de tafelpoot toen ik er langs kwam. Verdomde tafelpoot.

Sini had het niet eens gehoord. Ze praatte tegen Johan. ‘Ik denk niet dat je nog geld van ons over hebt,’ zei ze. ‘Vader heeft nooit gedacht dat we zo lang zouden moeten blijven.’

‘Dat is er ook niet.’

‘Wat nu, Johan?’

‘Wat bedoel je, wat nu? Niks natuurlijk. Denk je dat ik jullie de straat opschop omdat je geen geld meer hebt?’

‘Vader zal je na de oorlog betalen, Johan.’

‘Dat weet ik nog zo zeker niet. Op de eerste plaats moet hij er levend doorkomen, en op de tweede plaats kan het zijn dat hij geen geld meer heeft. Maar maak je geen zorgen. Hij kan altijd een paar goedkope koeien voor me kopen. Of er een paar van mij verkopen voor meer dan ze waard zijn. Johan is nog niet zo gek, hè? Voor een domme boer.’

‘O, Johan.’

‘Sini, ze zeggen dat de invasie nou gauw komt.’

‘Wie zijn “ze”, Johan?’

‘Op de blekerij. Die man waar ik mee werk is ervan overtuigd dat het niet lang meer kan duren. En ik zal je zeggen waarom hij dat denkt.’

‘Hou maar op, Johan,’ zei Sini verveeld. ‘Het kan me niet schelen hoe hij over de situatie denkt.’

Waarom liet Sini Johan ons niet vertellen waarom de man dacht dat er gauw een invasie zou komen? Misschien wist hij iets dat wij niet wisten. Dat kon best. Ach nee, waarschijnlijk had ze gelijk. Ik zuchtte.

[p. 98]

Met moeite stond ik op en ging naar de achterkamer. Ik hield stil toen ik bij het raam was. Onverschillig merkte ik op dat de bomen weer groen waren. Al gauw zouden we in deze kamer terug zijn voor de zomer. Nee, niet weer, alsjeblieft!

 

Hoge hakken tikten op de weg buiten. Ik duwde mijn stoel van het raam vandaan. Ik wist dat het negen uur was zonder op het horloge te kijken. Iedere morgen om deze tijd kwam mevrouw Groothuis melk halen, net zoals verleden zomer. Ze klopte op de keukendeur. ‘Joehoe! Iemand thuis?’

Ze bleef nooit lang. En als ze naar huis liep ging ze veel langzamer, zodat ze geen melk zou morsen.

Als de postbode kwam zou hij niet lang na haar komen. Ik moest scherp luisteren. Hij kwam op de fiets, en ik kon hem pas horen als hij er recht onder mijn raam vanaf sprong. Ik knipoogde tegen het raam. Weet je wat, stom raam, zo erg veel langer zullen we hier misschien niet meer zijn. Echt niet. Niet na het nieuws van gisteravond: geallieerde troepen geland in normandië.

Ik vormde weer het woord ‘Normandië’ met mijn lippen. Je weet waarschijnlijk niet waar dat ligt, hè? Net als opoe. ‘Is dat weer in Italië?’ had ze gevraagd. Die opoe. Nee, het ligt in Frankrijk, en dit is de invasie waar de man in Boekelo en Johan en iedereen over spraken. Dat wist je ook niet, hè? Ik trok een gezicht tegen het raam. En zal ik je nog wat vertellen? Johan en Sini zeggen dat we omstreeks augustus vrij zullen zijn. Ja, aanstaande augustus. Dus, laat 's kijken, 't is nou juni, over twee maanden. ‘Niet, Sini?’

Sini keek verbaasd. Hoe kon ze antwoorden? Ik had niet tegen haar gepraat. Ze zat waarschijnlijk aan bruin worden te denken. Wat had opoe gisteravond daarover gezegd? ‘Wij worden bruin of we willen of niet. Bah, onzin!’

‘In Normandië moet het vandaag vreselijk weer zijn,’ zei Johan. ‘Niets dan regen.’

‘Stakkers, te moeten vechten in dat weer. Foei foei.’

‘Laten we naar bed gaan,’ zei Dientje. ‘Ik heb nu al hoofdpijn van al dat nieuws.’

‘Goed, vrouw. Maar als je hier al hoofdpijn van krijgt, tjonge, wat zal je dan niet krijgen als de geallieerden in Usselo komen, hè? Al die Amerikanen en Engelsen en Canadezen!’

‘Komen ze hier? In Usselo?’

[p. 99]

‘Natuurlijk komen ze. Leer maar vast eh - wat spreken ze in Amerika en Engeland, Sini? En in Canada?’

‘Engels.’

‘Juist. Engels. Godverdomme, Sini, daar moet je me wat van leren.’

‘Engels. Dat is toch te gek. Johan, dat kan toch niet,’ zei opoe. ‘Voor een volwassen man...’

‘Bemoei je er niet mee, moe. Hoe zeg je: “Hebben jullie sigaretten?”‘

Do you have cigarettes?

Johan probeerde het. Zijn tong struikelde over de woorden. Dientje lachte. ‘Hou op, Johan. Je klinkt als een domme boer.’

Johan antwoordde niet. Hij probeerde het nog eens en deze keer klonk het veel beter. En nog eens. Dat was het. Hij sprak nu de woorden net zo uit als Sini.

‘Ik wil er zeker van zijn dat ik het goed kan zeggen. Ik word ziek van mijn eigen tabak.’

‘Annie,’ zei Sini bezorgd, ‘ik let al een heel tijdje op je en ik maak me ongerust over je. Je mompelt maar, en je stelt je aan alsof er mensen naar je staan te luisteren.’

Ik glimlachte tegen haar. Maar ik had toch toehoorders? Ik draaide me naar het raam en gaf het een knipoog. Al goed, Sini, ik weet wat je van me wilt. Oefeningen. Energiek sprong ik van mijn stoel. Komaan, benen een beetje hoger. Au. Dan maar pijn, maar het is goed voor jullie. Je wilt toch niet dat de mensen naar je wijzen na de oorlog? Ha, dat klonk goed - na de oorlog. Ik moest eigenlijk mijn Engels ook maar gaan oefenen. Ten slotte wilde ík ook tegen de soldaten praten. Natuurlijk.

 

Opoe stelde onlangs een goede vraag. ‘Hoe ver zijn die soldaten al gekomen?’ Heel goede vraag. Niet erg ver. Maar ze doen het goed. Natuurlijk, natuurlijk. Ze hebben het naar hun zin in Frankrijk. Dat is duidelijk.

Urenlang keek ik naar het raam. Dat was beter dan naar Sini's gezicht kijken. De laatste keer dat ze had gelachen was toen de radio zei dat iemand geprobeerd had Hitler te doden. En zelfs toen had ze maar een paar seconden gelachen - tot ze hoorde dat hij alleen maar een paar schrammen had opgelopen. In ieder geval was dat weken geleden, vóór augustus, vóór Johan en Sini hun weddenschap verloren. Zelfs het feit dat bijna heel Frankrijk was bevrijd bracht Sini's gedachten niet af van het bruin-worden, ‘Ik

[p. 100]

word het van de zomer weer niet, Annie. Moet je eens zien, ik ben even bleek als altijd.’

Misschien konden we Johan vragen of we een middag naar buiten mochten. ‘Sini?’

‘Je bent gek.’

Nou, vragen stond vrij. Maar, waar konden we naar toe?

 

‘Nog een paar mooie dagen als vandaag,’ zei Dientje, ‘en we kunnen de tarwe binnenhalen. Die is dit jaar mooi opgekomen, lang en dik.’

‘Waar is het tarweveld?’

‘Achter de schuur.’ Dientje keek uit het raam. ‘Nee, van hier uit kan je het niet zien. Maar het is er wel.’

Sini en ik keken elkaar aan. Wanneer zou Johan thuiskomen?

 

‘Het ziet er buiten zo mooi uit, Johan. Alsjeblieft?’

‘Ik zal jullie eens wat zeggen, meisjes. Je hebt me overgehaald toen je Rachel hier wou hebben, maar dit keer ben ik niet zo'n sukkel.’

‘Meisjes,’ zei Dientje, terwijl ze mij op haar schoot trok, ‘als iemand je eens zag. Dat zou de dood van ons allemaal betekenen. Denk daar eens over na. Vraag het hem niet weer.’ Ze legde haar armen om mijn middel. Ik maakte me los.

‘Alleen om bruin te worden,’ zei opoe. ‘Nee, dat kan niet!’

‘Maar Johan, het zou zo fijn zijn weer overdag buiten te zijn. Het is al...’

‘Zo is het genoeg, meisjes.’

‘Twee jaar, Johan. En dat is erg lang.’

 

De volgende dag vroeg Johan of we klaar waren. We staarden hem aan. Waarvoor?

‘Je vroeg me gisteravond toch om naar buiten te mogen? Niet?’

Nou ja, natuurlijk, maar hij had nee gezegd.

‘Dan ben ik van mening veranderd. Sini, ik neem jou het eerst mee naar beneden. Annie, jij wacht hier. Ik kom je straks halen.’

Ik voelde het bloed naar mijn wangen stijgen. Meende hij het? Dat moest wel. Hij liep al met Sini naar de deur.

Ik tikte met mijn voet op de vloer. We gingen naar buiten in het volle licht. Nou, dat moest je ook als je bruin wilde worden. Niet waar, raam? En wat een prachtige dag was het. Niet één wolkje.

[p. 101]

Ik huppelde naar het raam. Daar was Johan, achter een kruiwagen. Maar hij was alleen. Sini zou waarschijnlijk over een ogenblik uit de keukendeur komen. Zou ze helemaal tot het tarweveld gaan? Ik duwde mijn neus tegen het glas. Wat was dat in die kruiwagen? Alles wat ik kon zien was een paardedeken. Lag die ergens overheen? Misschien over Sini?

Ik tuurde ingespannen. Die bult zou zíj kunnen zijn.

Een paar minuten later kwam Johan terug met de wagen. De deken lag vlak en geplooid op de bodem.

‘Annie, je kan naar beneden komen.’

De kruiwagen stond in de keuken.

‘Stap in. Ik zal de deken over je heen doen.’

‘Als je eens wist hoe gevaarlijk dit is,’ zei Dientje met een bange stem.

‘Foei foei. Dat had Hendrik eens moeten zien, mensen in kruiwagens naar buiten, met een deken over zich heen.’

Langzaam trok ik mijn benen op tot ze haast mijn kin raakten. Ik legde mijn handen over mijn rechterwang om de ruwe deken uit mijn gezicht te houden. Iemand deed de deur open. De ijzeren band om het wiel maakte schurende geluiden op het pad.

Ksjt! Uit de weg jullie!’ schreeuwde Johan. De kippen natuurlijk. Ik grijnsde. Net goed dat ze voor mij uit de weg moesten gaan.

Het was warm. Ik lichtte mijn arm op om wat lucht binnen te laten. ‘Annie,’ siste Johan. Onmiddellijk deed ik hem weer naar beneden. Dom van mij.

Johan hield stil, en duwde daarna met volle kracht de kruiwagen in het tarweveld. Weer hield hij stil. Deze keer trok hij de deken weg.

Daar was Sini, ze zat op een bed van platgestreken tarwestengels. Met moeite klom ik uit de kruiwagen. De tarwe reikte hoger dan ik. Johan spreidde de deken over de grond. ‘Nou meisjes, daar zijn jullie dan. En je hebt de hele dag. Tegen het avondeten kom ik jullie weer halen.’

We gingen op onze rug liggen, om ons gezicht te laten verbranden. Ik legde mijn handen onder mijn hoofd. Tevreden voelde ik een licht zuchtje wind op mijn gezicht. Is het niet heerlijk hier te zijn, net of we vrij zijn? De kruiwagen? Wat is daarmee? Dat was helemaal geen naar ritje, een beetje hobbelig misschien. Ik weet dat dit geen echt strand is, maar er zitten ook niet al die mensen die zand in je ogen schoppen. En geen jongens om Sini van me

[p. 102]

weg te halen. Wat zei ze daar? Dat ze uit Winterswijk wegging na de oorlog?

‘Waarom, Sini?’

Het was een vervelend stadje, zei ze. Je kon er alleen op zaterdagavond dansen. Ik moest maar van deze dag genieten, nu ik haar helemaal voor me zelf had. Ik probeerde mijn ogen open te doen, maar de zon was te scherp. Voorzichtig deed ik één oog open, toen het andere. Ik hield mijn handen ervoor om al dat licht weg te houden. Toen deed ik mijn vingers van elkaar zodat ik iets kon zien. De hemel was blauw. En niet één wolkje. Was het niet fijn buiten te zijn? ‘Sini?’

‘Ahum,’ zei ze met een luie stem.

Ik draaide me op mijn zij om naar haar te kijken. Haar gezicht was helemaal bezweet. Dat gaf niet, zei ze, zo begon het altijd als je bruin wilde worden.

Er vloog een vliegtuig over. Het klonk of hij vlak over de korenaren scheerde. Wat zou de piloot denken als hij ons kon zien? We trokken de deken over ons heen en bleven doodstil liggen tot we het vliegtuig niet meer konden horen.

Wanneer zou Johan weer terugkomen? Tegen het avondeten? ‘Waarom zo laat, Sini?’

‘Verveelt het je al?’

‘Nee, natuurlijk niet.’

Maar het werd wel verschrikkelijk warm. Jammer dat er geen spoortje schaduw was. Ik veegde met mijn armen over mijn gezicht. Nat. Voor de oorlog zou moeder me binnen geroepen hebben na zo veel uren in de zon. Ik zou gejammerd hebben. ‘Ik mag nooit eens wat.’ Maar ik zou wel opgelucht naar binnen zijn gegaan.

Het zou prettig zijn om nu weer boven te zijn, voor het raam te zitten en naar de bomen te kijken, en naar de andere kamer te lopen als ik daar zin in had. Ik had hier genoeg van. G-e-n-o-e-g, genoeg. Ik stak mijn onderlip naar voren en blies tegen mijn neus. Hete dag.

Plotseling duwde Sini me dieper in het koren. Wat was er? Ze wees naar rechts waar de tarwe wild heen en weer zwaaide. Er kwam iemand aan.

‘Meisjes, waar zijn jullie?’

Johan. Natuurlijk, het was al over vijven.

‘Mijn god, jullie hebben te veel zon gehad. Stakkers.’ Hij keek geschrokken. ‘Moet je horen. De zuster van Dientje is er met haar

[p. 103]

kind. Ik kan jullie niet terughalen voordat ze weg zijn. En ik weet niet wanneer dat is.’ Hij ging naast ons zitten. ‘Godverdomme, wat heb ik gedaan? Voelen jullie je wel goed? Ik moet terug naar huis. We zullen haar zo gauw mogelijk zien weg te krijgen.’

Een halfuur later kwam hij terug, deze keer met de kruiwagen. ‘Annie, kruip erin.’

‘Johan, leg die deken niet over me heen. Dat doet zo'n pijn.’

‘Dat weet ik, maar het moet. Daar gaan we.’

Ik sloeg mijn handen weer voor mijn gezicht. Johan holde bijna. Bij iedere stap schuurde de deken mijn armen en benen. De keukendeur ging open. Ik was terug.

‘Gottogottogot, Johan, wat heb je met ze uitgevoerd?’

‘Ik heb je gezegd ze niet buiten te laten, Johan, maar je luistert ook nooit naar me. Je luistert altijd naar hen.’ Dientje boog zich over me heen. ‘En hij denkt dat ie zo slim is.’

‘Dientje, laat Johan met rust,’ zei opoe. ‘Het helpt de meisjes niks of je nou naar hem schreeuwt. Haal wat natte handdoeken.’

‘Ik heb het koud, Sini.’

‘Koud?’ vroeg Sini ongerust. ‘Dat kan niet. Laat me je gezicht eens voelen. Je bent niet koud, je bent gloeiend heet.’

Maar ik lag te rillen.

‘Johan, ze heeft een dokter nodig.’

‘Maar we kennen er geen. De laatste keer dat we die uit Boekelo hadden was tien jaar geleden toen moe longontsteking had.

‘Langer, Johan, ik was toen nog geen zestig. En ik mocht hem niet. Het was een kletsmajoor.’

‘Moe, jij mag geen enkele dokter.’

‘Hij was niet goed,’ zei opoe koppig. ‘Die kunnen we niet roepen.’

‘Wie moeten we dan halen?’ vroeg Johan.

‘Ga naar Hannink,’ stelde Dientje voor. ‘Misschien weten die er een die zijn mond houdt.’

Johan en opoe keken haar verbaasd aan. Ik draaide me op het bed om. Au!

 

Toen de dokter kwam zei hij dat het een wonder was dat Sini ook niet ziek was, na zoveel uren in de zon. Zijn stem klonk kwaad.

‘Dat was geen onaardige man,’ zei opoe toen hij weg was, ‘voor een dokter.’

‘Ben je kwaad op mij, Annie?’ vroeg Johan. ‘Ik kon niet eerder komen, anders had ik het wel gedaan.’

[p. 104]

‘Ik ben niet boos, Johan.’

‘Welterusten, Annie,’ zei opoe. ‘Als je wat nodig hebt roep je me maar. Ik ben toch wakker.’

‘Ze kan mij roepen,’ zei Dientje. ‘Ik lig dichterbij.’

‘Schuif eens op, Dientje, dan heeft ze meer plaats,’ zei Johan.

‘Welterusten, zusje.’ Sini gaf me voorzichtig een zoen.

Het was echt een fijne dag geweest. Alleen een beetje lang. En heet.

terug  begin  verder