terug  begin  verder

10

De geallieerden raasden zonder moeite door België heen. Ze zouden gauw in Nederland zijn, zei de radio. Steeds als ik eraan dacht moest ik lachen. Als het al zo heerlijk was bijna vrij te zijn, hoe heerlijk zou het dan niet zijn als de geallieerden werkelijk kwamen? Was Nederland niet maar een klein beetje groter dan België? Zeg een paar dagen langer. Een hoop mensen in het zuiden van Nederland konden de geallieerde soldaten waarschijnlijk al zien. Die hadden geluk.

Ik wendde me naar opoe. ‘Kom je ons opzoeken als we terug zijn in Winterswijk?’ vroeg ik haar.

‘Ik?’ Ze lachte. ‘Nee. Ik ben in eenentwintig jaar nergens heen geweest. Winterswijk. Wat moet ik daar doen? Nee.’

‘Ik kom,’ zei Johan, ‘en dan draag ik niet zo'n stomme overall. Dan trek ik mijn pak aan.’

‘Johan, je bent weer laat voor je werk,’ zei opoe.

‘Ja, Johan, haast je,’ drong Dientje aan.

‘Verdomme, ik heb te veel vrouwen in huis.’

Hij sloeg met de deur toen hij wegging.

Terwijl Johan op weg was naar Boekelo kwam meneer Hannink bij ons langs. Er reed een vrachtwagen van huis tot huis, zei hij, en ze zochten overal.

‘Waarnaar?’ bracht Dientje hijgend uit, maar meneer Hannink was al weer weg.

Sini en ik klommen zo vlug we konden de schuilplaats in.

‘Gottogottogot, Dientje, sluit 'm nog niet af.’

‘Maar ze kunnen elk ogenblik hier zijn. Dat zei meneer Hannink.’

‘Blijf jij hier voor het raam zitten. Als je de wagen ziet sluit je de opening van de schuilplaats.’

[p. 105]

‘Waar ga jíj heen?’

‘Naar de keuken natuurlijk. Waar anders? Johan komt om twaalf uur thuis om te eten.’

Sini en ik stonden dicht naast elkaar te luisteren, te wachten tot Dientje kwam.

 

‘Het is zover.’ Dientje holde naar ons toe. ‘Ze zijn er. Ze zijn er.’

Ze sloot de schuilplaats af met het houten schot. We hoorden haar de plank neerleggen en de kastdeuren dichtdoen. We hoorden haar voetstappen toen ze de trap af holde. Daarna niets meer.

 

Waar waren ze? Waarom duurde het zo lang? We zouden hier kunnen stikken als het nog een poos duurde eer ze kwamen. Ik leunde tegen Sini aan.

Voetstappen. Luide voetstappen. Laarzen. Die de trap opkwamen. Klompen. Erachteraan. Sini sloeg haar armen om me heen en drukte mijn hoofd tegen haar schouder.

Luide stemmen. Lelijke stemmen. Meubels werden verplaatst. En de protesterende stem van opoe. De kastdeur werd opengegooid. Handen rommelden op de legplanken. Sini stond te trillen. De druk van haar armen werd steviger. Ik ademde niet meer door mijn neus. Door mijn mond maakte minder geluid.

Een man zei wat in het Duits. Toen een andere stem, ‘We willen weten waar al die stukken stof vandaan komen.’

‘Wat doet hij daar? Hij kan niet zomaar alles meenemen. Dat is van mij,’ zei opoe. ‘Zeg hem dat.’

Een stok dreunde op de vloer, en nog eens. De kastdeuren werden dichtgesmeten. Mijn hart klopte te luid. Als ze ons eens hoorden? Zouden ze een bajonet door de kastwand steken? Dat zou kunnen. Over de hele oppervlakte van de wand, om er zeker van te zijn dat degene die erachter zat werd geraakt.

Mijn mond was droog, maar ik durfde niet door mijn neus te ademen. Ze zouden nog in de kamer kunnen zijn. Maar je kon ze duidelijk de trap af horen stommelen, niet waar? Ja, maar als ze eens een soldaat hadden achtergelaten? Dat moest Sini ook denken, anders zou ze me niet zo hard tegen zich aandrukken.

 

Er waren weer geluiden op de trap hoorbaar. Komen ze terug? Nee, deze keer alleen klompen.

‘Ze zijn weg, meisje.’ Dientje haalde het schot weg. ‘We hebben geluk gehad. Er stond er eentje precies voor. Ik was bang dat

[p. 106]

hij jullie zou horen ademhalen.’

We bewogen ons niet. Dientje boog zich naar de opening. ‘Ze zijn weg.’

‘Meisjes, ik heb een beetje koffie voor jullie meegebracht,’ zei opoe. ‘Ze hebben het varken meegenomen dat we zouden slachten, en alle stof die ik jaren had opgespaard.’

Varken? Stof? Wíj hadden het geweest kunnen zijn.

‘Nee, opoe, we blijven hier vanmorgen maar zitten. Ze zouden wel eens terug kunnen komen.’

 

‘Als jullie me niet uit huis hadden weggepest zou ik hier geweest zijn. Nou zie je maar weer,’ zei Johan toen hij van de huiszoeking hoorde. ‘Heb je ze dat varken mee laten nemen? Idioten zijn jullie. Moe, je had ze tegen moeten houden.’

‘Johan, schreeuw niet tegen me. Ik wilde ze ook tegenhouden, maar Dientje hier was zo vreselijk bang.’

‘Dat was ik niet.’

‘Dientje, ik zag je...’

‘Nou,’ zei Johan, ‘ik moet weer terug naar de blekerij.’

‘Nee, Johan, blijf vanmiddag thuis.’

‘Wat bedoel je? Ik moet werken. Ik ben al te vaak te laat geweest.’

‘Maar, Johan, als ze eens terugkomen?’

‘Wil je me daarvoor thuishouden? Hè? Om - hoe noem je dat - jullie te beschermen?’

‘Ja.’

‘Wel, dan blijf ik. Ik zou haast willen dat ze terugkwamen. Ik zou ze wel eens wat vertellen. Ik zou het varken ook terugkrijgen, wed ik. Goed goed, ik zal er niet meer over praten. De meisjes hebben ze tenminste niet gevonden.’

 

's Middags kwam Dientje binnenhollen. ‘Weet je nog dat ik je naar die boer heb meegenomen die tien joden had? Mimi was er één van. Weet je nog, Annie, dat je niet tegen haar hebt gepraat?’ Haar stem beefde. ‘De Duitsers hebben ze gevonden. Ze hebben iedereen in huis meegenomen in de vrachtwagen. De boer en zijn vrouw ook. Iedereen.’

‘Zaten de joden niet in de schuilplaats?’

‘Ja, maar daar zijn ze juist gevonden. Zie je nou hoe voorzichtig je moet zijn? Als ze jullie te pakken krijgen zijn we er allemaal bij.’

[p. 107]

‘Ja, Dientje.’

Ik likte mijn lippen. Ze voelden gebarsten aan.

Ik herinnerde me Mimi. Ze had ook niets tegen mij gezegd.

Mimi hoefde niet meer binnen te blijven... ze was waarschijnlijk zelfs op reis... natuurlijk zelfs... in die trein.

Mijn lippen wáren gebarsten.

 

Het was erg laat en erg donker toen meneer Hannink weer naar ons huis kwam. Hij had Johan iets belangrijks te vragen, zei hij, iets dat te maken had met de boer en de tien joden die gepakt waren.

‘Ga zitten,’ zei Johan ernstig.

‘Iemand heeft de Duitsers een tip gegeven,’ zei meneer Hannink. ‘Ze wisten dat al die joden daar waren en waar hun schuilplaats was.’ Hij liet zijn stem nog meer dalen. ‘En ik weet wie die iemand was.’

We keken naar zijn mond. Wat zou hij nu gaan zeggen?

Hij schraapte zijn keel. ‘Die man moet opgeruimd worden voordat hij nog meer ellende veroorzaakt.’ Zijn ogen rustten op Johan. ‘Zou jij dat kunnen doen?’

Dientje liep naar Johan toe. Dreigend ging ze voor hem staan.

‘Nou,’ zei Johan aarzelend, ‘om u de waarheid te zeggen, meneer Hannink, ik heb eigenlijk nog nooit eerder iemand doodgeschoten.’

‘Gottogottogot,’ zei opoe.

Het zou niet moeilijk zijn, legde meneer Hannink uit. ‘Ik geef je een revolver. Je kan je in de sloot bij zijn huis verbergen en hem opwachten tot hij naar buiten komt. Zodra je hem neergeschoten hebt, zie je weg te komen.’

Langzaam schudde Johan zijn hoofd. ‘Als er iets met mij gebeurt zouden die vrouwen hier gek worden,’ zei hij.

Dientje ging terug naar haar stoel.

 

Een paar dagen later kwam er een jongen op bezoek. Hij wilde met Oosterveld praten over een karwei dat moest worden opgeknapt, zei hij. Hij liet Johan een briefje zien dat door meneer Hannink was ondertekend.

Hij bleef een poosje, en ging toen weg met de revolver en de instructies die meneer Hannink aan Johan had gegeven.

Het was na een dag gebeurd. De Duitsers waren razend. Waarom was er zo'n goeie man neergeschoten. Om te laten zien hoe

[p. 108]

kwaad ze waren arresteerden ze verscheidene mensen. We zullen ze laten gaan, zeiden ze, zodra de moordenaar van onze vriend zich zelf heeft aangegeven.

Toen hij dat niet deed werden de gijzelaars langs de hoofdweg van Usselo gevonden, neergeschoten. Hun vingers waren gebroken.

Dat maakte ons erg stil, vooral Johan.

 

Half september werden er duizenden Britse parachutisten bij Arnhem neergelaten.

‘Weet je dat je op de fiets in één dag van Arnhem naar Usselo kan komen?’ zei Johan. ‘Vooral als je zulke stevige benen hebt als Dientje.’

Sini lachte. Terwijl ze Johan hielp met zijn Engelse les keek ik haar aan. Haar gezicht was blozend. Ik had wel willen huilen. Weet je nog hoe lang ze in Italië hebben gevochten, Sini? Maanden en maanden. Waarom vergeet je dat toch altijd? Ik weet dat Arnhem in Nederland ligt. Toch... Morgen voel je je misschien weer ellendig.

In nog geen tien dagen was het voorbij. Nee, niet de oorlog, alleen het vechten. Er waren meer Duitse soldaten in Arnhem geweest dan de geallieerden hadden gedacht, en de geallieerde soldaten die door het zuiden van Nederland waren gestoten om de parachutisten te helpen, moesten zich terugtrekken. Maar niet het hele stuk. Een deel van zuidelijk Nederland bleef bevrijd, het deel van Nederland waarin Usselo niet lag. De mensen in Eindhoven liepen nu waarschijnlijk al te zingen en te dansen.

De geallieerden hadden ook de rest van Nederland moeten bevrijden. We wilden allemaal van de Duitsers verlost worden. De soldaten werden steeds gemener en de mensen werden - bijna allemaal - steeds banger voor alles.

 

Op een avond waren soldaten bioscopen in Amsterdam binnengemarcheerd. Ze hadden de lichten aangedraaid zodat ze konden zien welke mannen jong genoeg waren om naar Duitsland te gaan. Er moest nog zo veel werk worden gedaan voor Duitsland, en er waren niet genoeg Duitsers om het te doen. Niet genoeg joden ook. Maar er liepen nog steeds niet-joodse Nederlanders rond. Na die avond gingen de mannen niet meer naar de bioscoop, maar dat hielp niet. De soldaten zochten op andere plaatsen: in kerken, in treinen. Als ze kwaad waren dat ze niet genoeg mannen vonden

[p. 109]

om op te pakken, schoten ze mensen op straat neer. Dat hadden ze gedaan. Toen Johan probeerde Sini te vertellen wat de man met wie hij werkte dacht dat de geallieerden zouden gaan doen, begon ze te gillen. Toen ik naar haar toe liep, draaide ze me haar rug toe.

 

Het werd kil en er waren geen kolen meer. 's Avonds gingen we naar de keuken om warm te worden. ‘Johan, weet je zeker dat er niemand door de gordijnen kan kijken?’ vroeg Dientje elke keer.

Maar wie zou er moeten zijn om te kijken? Niemand mocht meer buiten zijn als het donker was. ‘Dus wie kan er komen, hè?’

Het was gezellig in de keuken. De klep van het fornuis stond open. Sini en ik hadden onze voeten erop gelegd. Opoe stond op en stak haar hand in het fornuis om een stuk droog hout te pakken. Met een gebogen ijzerdraad probeerde ze een ring uit de kookplaat van het fornuis te tillen. ‘Foei foei, alleen met die olielamp kan ik echt niet zien wat ik aan het doen ben. 's Avonds geen elektriciteit. Wat zullen we nog meer beleven? De industrie heeft het nodig. Poe, industrie, alsof huizen niet net zo belangrijk zijn!’

‘Moe, ik weet nog wat je vroeger zei. “Elektriciteit, poe. Dat is voor jonge mensen. Voor de paar jaar die ik nog te leven heb kan ik me best met olielampen behelpen.” Hoeveel jaar geleden heb je dat gezegd?’

‘Ja ja, dat kan ik ook niet helpen.’

‘Johan,’ zei Dientje, ‘ik weet niet wat ik moet doen met al die stadsmensen die aan de deur komen om eten. Vandaag zes. Ze zeiden dat ze nog gelukkig waren dat ze zich hier nog konden heen slepen. De mensen liggen doodgehongerd op de straat, zeiden ze.’

‘Gottogottogot, Johan, ze zijn zo mager.’

‘Wat heb je ze gegeven?’

‘Een paar aardappelen,’ zei Dientje. ‘Wist je dat ze me er een hoop geld voor wilden geven?’

‘Moet je niet aannemen.’

‘Heb ik ook niet.’

‘Het is een schande. Een hoop boeren pakken wat ze kunnen krijgen. Het is een schandaal.’

‘Nou leer je de mensen pas goed kennen. En jongens, de meesten deugen niet.’ Opoe schudde haar hoofd.

‘Maar ik heb het niet gedaan, Johan,’ zei Dientje.

‘Een schandaal, godverdomme.’

[p. 110]

‘Er kwamen er een paar uit die stad waar ze hebben gevochten, Johan. Arnhem. Die hele stad is een puinhoop, zeiden ze. De mensen uit die stad zwerven maar door Nederland heen. Foei foei, en met de winter voor de deur.’

Johan krabbelde aan zijn hoofd. ‘Verdomme, 't is dat we de meiden hebben, anders zou ik zeggen, laat er een paar in de garage slapen. Maar we kunnen het niet hebben dat vreemden hier rondkijken.’

Buiten op de weg stopte plotseling een wagen. Het hek ging open en luide voetstappen klonken naast het huis. Laarzen. Johan duwde ons naar boven. ‘In de schuilplaats, vlug.’

 

Grote goedheid, wat duurde het lang. Kwamen ze niet naar boven? Wat gebeurde er?

‘Sini,’ fluisterde ik.

‘Ssst.’

Waarom stil? Ik verplaatste mijn gewicht van het ene been op het andere. De kast werd benauwd.

 

De Duitsers waren niet teruggekomen om het huis weer te doorzoeken, zei Johan nadat ze weg waren. Ze waren gekomen om hem te zeggen dat ze een deel van zijn huis nodig hadden voor hun hoofdkwartier. ‘Luister,’ zei ik, ‘je wilt hier toch niet intrekken. We hebben geen stromend water. We hebben zelfs geen fatsoenlijke wc. Maar dat kon ze niet schelen. Nou, zei ik, boven is uitgesloten, want dan moeten jullie steeds die steile trap op. Het enige wat erop overschiet is jullie de drie kamers aan de voorkant te geven. Ik heb ze de kamers laten zien en ze zeiden dat ze goed waren.’ Luidruchtig snoot Johan zijn neus. ‘Verdomd-nog-an-toe. En ik wed dat ze hier dag en nacht blijven.’

Mijn handen waren klam. Ik staarde naar mijn voeten. Die waren lelijk, niet het soort voeten waarover ik in boeken las.

‘En,’ zei Sini, ‘wat nu? Denk je dat meneer Hannink een andere plek voor ons kan vinden?’

‘Hè? Wat bedoel je? Jullie blijven hier. Wat anders? Wat zeg jij, Dientje?’

‘Jullie moeten ontzettend voorzichtig zijn,’ zei Dientje, ‘maar we willen jullie niet wegsturen.’

‘Ik zal je eens wat vertellen: je bent hier nou zo veilig als het maar kan. Zo lang jullie maar geen enkel geluid maken. Want welke gek zou nu ons huis doorzoeken naar joden? Hè? Niemand.

[p. 111]

Ha ha, de Duitsers en jullie in hetzelfde huis! Hoe vind je dat voor een domme boer?’ Johan veegde de tranen uit zijn ogen.

‘Maar Johan,’ zei Dientje, ‘als ze nu eens de trap op lopen?’

‘Daar heb ik aan gedacht. Ik sluit die drie kamers af van de rest van het huis, zodat niemand er op die manier in kan komen. De enige andere weg waardoor ze bij de trap kunnen komen is door de keuken. Jij of moe moeten daar de hele dag blijven.’

‘Maar als ze dan toch naar boven gaan?’

‘Dientje,’ zei opoe, ‘hou je verstand bij elkaar.’

‘Hoe lang zouden ze hier blijven?’ vroeg Sini.

‘Dat kon ik ze toch moeilijk vragen? Misschien tot het eind van de oorlog.’

Dat kon nog lang duren. Er gebeurde niets nieuws.

‘Jullie moeten de hele tijd in de achterkamer blijven, want de voorkamer is recht boven hun kantoren.’

‘Maar Johan, daar bevriezen ze. Dat is de koudste kamer van het huis.’

‘Dan moeten ze maar in bed blijven.’

‘De radio, Johan,’ zei Sini.

‘Godverdomme. Nou kunnen we niet meer naar het nieuws luisteren. Ik zal de radio uit de schuilplaats moeten halen en ergens anders opbergen. Ik kan mijn radio niet in hun kantoor laten, niet?’

‘Hoe komen we dan aan de weet wat er gebeurt, Johan?’

‘Maak je geen zorg. Dat kom ik wel te weten. Wat een rottigheid om in huis te hebben - Duits hoofdkwartier. Moe, wat denk je d'r wel niet van?’

Opoe schudde haar hoofd. ‘Het is niet mooi. En dan die telefoons die ze zullen aanleggen. Telefoons. Wat zijn dat voor dingen? Heb je er wel eens door gesproken?’ vroeg ze Sini.

‘Natuurlijk, opoe.’

‘Hoe gaat dat?’

‘Moeilijk uit te leggen.’

‘Ja, ja, dat zal best. Telefoon. Dat moest Hendrik eens weten.’

‘Johan, hij zei dat ze de garage zouden gaan gebruiken. Nou, als de meisjes dan te dicht bij het raam komen? Johan, ik wil dat hun haar geverfd wordt. Dat zwarte haar deugt niet.’

‘Hoe moeten we dat dan doen, vrouw?’

‘Ga naar meneer Hannink. Misschien heeft die er de spullen voor.’

[p. 112]

Dat had hij. Ik haatte me zelf met rood haar. Ik wilde nooit meer naar buiten. Ook niet als de oorlog voorbij was. Woedend duwde ik mijn stoel tegen de muur. Ik vond het hier fijn.

 

De week daarop trokken de Duitsers in het huis. Op hetzelfde ogenblik begonnen Sini en ik in bed te wonen. 17 oktober 1944 - dat zei de kalender. De dagen waren lang en stil. Sini zei haast niets. Misschien wel als ik haar kwaad maakte, maar hoe konden we ruzie maken als we alleen maar mochten fluisteren?

Opoe bracht onze maaltijden naar boven in een handdoek. ‘Voor het geval ik er een tegenkom. Ze komen steeds de keuken in. Voor koffie, voor van alles. O, mijn god, wat is dat voor een herrie?’

‘Dat is de telefoon.’

‘Kan je die hier boven helemaal horen? Tjonge, daar zou je bang van worden. Ik ga maar weer gauw naar beneden.’

Waar het warm was. Naar hen. Wat voor een soort hoofdkwartier was dit eigenlijk? Waar ze de hele tijd de keuken in en uit liepen om koffie. Ik stopte mijn kussen in mijn mond en beet erop tot ik me misselijk voelde.

 

Zouden ze ooit nog weggaan? Rusteloos woelde ik door het bed.

‘Kijk uit, ik heb een naald in mijn hand.’

Had Dientje geen tijd om sokken te stoppen? Ze zat toch de hele dag in de keuken. ‘Sini, vind jij ook niet?’

‘Ja,’ zei ze. ‘Hoe durven ze grapjes te maken met die soldaten. Eén ervan noemt opoe zelfs “opoe”. Hij heeft haar chocola gegeven. Nou hebben wij die wel opgegeten, maar ze zou niets van hen moeten aannemen. En Johan loopt op te scheppen dat hij zoveel Duits leert. Mijn wol is op.’ Haar stem was steeds meer geergerd gaan klinken. ‘En ik had deze sok nog wel af willen maken. Nu zal ik moeten wachten tot Dientje in de loop van de dag naar boven komt met meer wol.’

Ze gooide de sok neer. ‘We moeten altijd op iemand wachten.’ Ze snikte in haar kussen. ‘Ik kan het niet meer uithouden, Annie.’

Nou, waarom zou ze ook? Ik ging rechtop zitten.

‘Waar ga je naar toe?’

‘Naar beneden wol halen.’

Ze greep mijn arm beet. ‘Laat los, Sini.’ Hoe ging ik dat doen? ‘Laat dat maar aan mij over,’ zei ik, Johan nadoend. ‘Natuurlijk ben ik voorzichtig. Ik ben niet gek.’

[p. 113]

Voorzichtig kroop ik het bed uit en liet me op de vloer zakken. Met moeite stond ik op. Ik bewoog mijn benen wat op en neer. Ze deden pijn. Vier weken in bed was een lange tijd.

‘Ben je van gedachte veranderd?’

‘Nee, ik moet alleen even wachten voor ik weer kan lopen.’

‘Kom weer in bed en vergeet het. Ik kan wachten.’

‘Nee, nee, het gaat best.’

Daar, ik was de deur door. Het was kil. Ik rilde in mijn pyjama. Het zou eigenlijk fijn zijn naar bed terug te gaan. Maar dat kwam later, als ik de wol had. Ik greep de trapleuning. Aarzelend liet ik een voet zakken, daarna de andere. Ik ging er pas met mijn volle gewicht op staan als ze alletwee naast elkaar stonden op dezelfde tree. De volgende. Heel goed. Halverwege. Ik rustte een minuutje. Alleen het geluid van een schrijfmachine was hoorbaar. Goed, ze waren in de voorkamer. Nou, misschien kon ik dan wel wat vlugger opschieten. Met mijn benen ging het ook al beter. Lopen was alleen maar goed voor me.

Alsjeblieft. Ik was onder aan de trap. Ik legde mijn hand op de deurknop en keek door de glazen ruit in de deur. Was er iemand aan de andere kant? Nee, niemand. Ik had waarschijnlijk een goede tijd gekozen om dit karweitje op te knappen. Zo vlug ik kon liep ik de kamer door. Nou, dat ging toch best, niet waar? Ik legde mijn wang tegen de keukendeur. Er scheen niemand te zijn.

Wacht eens even. Dat was de stem van Johan. ‘Wat denk je, moe, krijgen we vandaag sneeuw?’

‘Kon best eens zijn. Mijn hoofd doet me zo'n pijn.’

Toen niets meer. Dientje was kennelijk niet in de keuken. Zou ik misschien beter de trap weer op kunnen gaan en het later nog eens proberen? Nee, opoe wist natuurlijk wel waar de wol was.

‘We hebben deze winter erg weinig hooi. Dat wordt me 'n moeilijke tijd.’

‘Ja ja, dat denk ik ook.’

Er was duidelijk niemand anders in de keuken dan opoe en Johan.

Ik raakte de deurknop aan. Ik slikte. Langzaam duwde ik de deur open. Toen wat vlugger. Ik stak mijn hoofd de keuken binnen.

Ik zag maar één gezicht. Dat stak uit een uniform. Een Duits.

 

Ik draaide me om, liep de kamer door en ging de trap op.

‘Heb je nog wol gekregen?’ vroeg Sini. ‘Kijk me eens aan, er

[p. 114]

is wat met je aan de hand. Wat is er gebeurd? Ben je in de keuken geweest? Geef antwoord.’

Ik bleef bij de deur staan.

‘Zeg me wat er gebeurd is. Waren ze kwaad?’

Ik bewoog me niet.

‘Annie, wat heb je? Kom hier.’ Sini fluisterde niet meer.

Ik kon me niet bewegen.

‘Heb je Dientje gezien?’

Ik schudde mijn hoofd. Nee.

‘Wie heb je dan wél gezien. Eén van hén?’

Ik knikte.

‘Waar?’

‘In de keuken.’

‘Maar waarom ben je naar binnengegaan als ze niet alleen waren?’

Ik likte mijn lippen. ‘Ik dacht dat ze alleen waren.’

Sini sprong het bed uit. ‘Kleed je aan. Schiet op.’

‘Waarom moeten we ons aankleden?’

‘Ze kunnen elk ogenblik naar boven komen om ons mee te nemen.’

Met trillende handen schoof ze de la open en nam er wat kleren uit. Zonder elkaar aan te kijken trokken we ze aan.

We gingen aangekleed op bed zitten en wachtten. Ik was zelfs niet bang. Ik voelde niets.

 

Waren ze daar? Nee, Johan stapte binnen. ‘Tjonge tjonge, wat heb je me laten schrikken. Maar goed dat Dientje in de stal was. Wat heeft je bezield?’

Ik bekeek mijn nagels. Ze moesten nodig geknipt worden.

‘Hé? Geef antwoord.’

‘Johan, wanneer komen ze?’ vroeg Sini.

‘Wie?’

‘De soldaten.’

‘Die komen niet.’

Ik keek op.

‘Eventjes dacht ik, wat gebeurt daar verdomme? Ik kon mijn ogen niet geloven. Daar stond ze in haar pyjama. Wie is dat kleine meisje, vroeg die Duitser, en waarom is ze zo bang? En toen kwam ik heel slim voor de dag. Ik zei, O, dat is Rikie, het nichtje van Dientje. Die is hier pas een dag of twee en ze is ontzettend verlegen. Misschien komt ze straks nog wel voor den dag voor-

[p. 115]

dat ze naar huis gaat.

Zodra ik weg kon komen ging ik naar de stal om het Dientje te vertellen. Tjonge! Hou op met grienen, zei ik tegen haar. Ga naar je zuster en haal de kleine meid. Over een klein uurtje kan je terug zijn. Maar ze zit op school, zei ze. Nou en? zei ik tegen haar. Ga naar de school en haal haar ervandaan.

Maar mijn zuster weet niet eens dat we joden hebben, zei ze. Nou, zei ik, dan moet je het haar vertellen. Maar Rikie lijkt helemaal niet op Annie, zei Dientje. Daar heeft ze gelijk aan, maar ik reken erop dat die kerel jou niet lang genoeg gezien heeft om zich te herinneren hoe je eruitzag. Waarom hebben jullie die kleren aan?’

‘We dachten dat ze naar boven zouden komen om ons mee te nemen.’

‘Je had zeker niet gedacht dat ik er wat op zou vinden, hè? Wat mankeert je?’

 

Vreemd om buiten een meisjesstem te horen. Wat was haar naam ook weer? Rikie? Ze moest naar de jongen van Groothuis gaan, dan konden ze samen lol maken. Ha ha ha, kleine knul, wat ben je aan het doen? Met je bal aan 't spelen? Dat doe je niet goed. Ik zal het je eens voordoen. Nee, ga weg. Ha ha ha.

Ik trok de mouwen van mijn pyjama omlaag. Stomme kinderen. Bah. Weten niet wat er op de wereld gebeurt. Ik wed dat ze zelfs niet weten dat Hitler een maniak is. Ik draaide mijn rug naar de muur en stak mijn vingers in mijn oren.

 

‘Ik heb zo'n hoofdpijn,’ zei Dientje die avond, ‘dat kan je je niet voorstellen. Wat een dag! En ze wist niet eens waarom ze met me mee moest komen.’

‘Het kostte me heel wat moeite kleine Rikie niet naar boven te laten gaan,’ zei opoe. ‘Foei foei, wat een koppig kind. Maar wel erg aardig, moet ik zeggen. Dat was niet bijdehand wat je hebt gedaan, Annie. Als hij nou eens achterdochtig was geweest en je gevolgd had. Ik moet er niet aan denken.’

Moet er niet aan denken? Waarom waren de Duitsers de hele tijd in de keuken? Dat zou ik wel eens willen weten. Misschien aten ze zelfs wel, van borden. Ongelukkig staarde ik in de donkere kamer. Het was niet in orde.

 

Een week later schrokken we op van een hoop lawaai dat uit het

[p. 116]

kantoor kwam, alsof het meubilair werd verschoven. We luisterden gespannen. Ze waren waarschijnlijk ruimte aan het maken voor meer schrijftafels, zei Sini. ‘Ze moeten rondverteld hebben wat een fijn huis dit is.’

Ja, en wat een warme keuken.

Maar we hadden het bij het verkeerde eind.

‘Ze hebben hun rommel gepakt,’ hijgde Johan, ‘en ze zijn zomaar vertrokken. Wat ben ik blij. Ik was het zat die kerels steeds om me heen te hebben. Hee, Sini, ik ga de radio terugzetten. Hè, voor vanavond?’

‘Graag,’ lachte ze. ‘Misschien komen de geallieerden eraan. Misschien zijn ze daarom zo haastig vertrokken. Dat is het vast.’

Met wiebelende stappen liep ik naar mijn raam. Het was bedekt met een laagje ijs. Ik deed mijn mond wijd open en ademde erop. Langzaam smolt net ijs. Ik hield ermee op toen er genoeg van het raam ontdooid was om er door te kunnen kijken. Lucht.

terug  begin  verder