terug  begin  verder

11

Al een poos hadden de Duitsers geen mannen meer uit openbare gelegenheden gesleept. In plaats daarvan vroeg het officiële dagblad, dat nog maar drie keer per week uitkwam, of iedereen in Duitsland wilde gaan werken. ‘We hebben u nodig,’ stond er. ‘U zult het werk prettig vinden, en we zullen u extra rantsoenen geven.’

Sommige mensen hadden zo'n honger dat ze zich vrijwillig meldden, maar dat deden er niet genoeg, en de vrachtwagens reden weer rond om mannen van de straat op te pakken.

‘Godverdomme,’ zei Johan, ‘ik durf bijna niet meer naar buiten. Straks komen ze me nog uit m'n huis halen. Weet je wat? Ik duik ook onder.’

‘Foei foei, Johan.’

‘Bij de meisjes boven?’ vroeg Dientje.

‘Nee vrouw, ik zou hier niet de hele dag kunnen zitten, en ik pas niet in de schuilplaats. Waar zou ik me moeten verbergen als we huiszoeking kregen? Nee, ik heb een plan dat veilig is voor iedereen, speciaal voor de meiden.’ Hij blies dikke rookspiralen uit zijn neusgaten.

Bedeesd vroeg Dientje hem waar hij zich dan ging verbergen.

‘In Enschede.’

[p. 117]

‘O gottogottogot, Johan, in de stad.’

Meneer Hannink had daar een plaats voor hem, zei Johan, waar de Duitsers waarschijnlijk niet zouden komen zoeken. ‘In de brandweerkazerne. Meneer Hannink zou er zelf ook heen gaan als hij niet te oud was om opgepakt te worden.’

Dientje en opoe keken hem ongelovig aan.

‘Echt waar,’ zei Johan, ‘er zit daar nog een stel andere kerels, en zodra de toestand wat rustiger is kom ik natuurlijk terug. Je kan je voorstellen dat het niet zo gezellig is daar de hele dag bij al die brandweerwagens rond te hangen.’ Hij drukte zijn sigaret uit in een leeg kopje. ‘Verdomme.’

‘Maar hoe moet het dan met de meisjes?’ vroeg Dientje op schelle toon.

‘Hoe dat moet?’ zei Johan. ‘Waarom moet er iets veranderen alleen omdat ik hier een paar dagen weg ben? Hè?’

Opoe knikte.

Dientje begon te huilen. ‘Je bent nog nooit weg geweest, Johan.’

‘D'r is oorlog, vrouw.’

Ik stond op en zocht naar mijn trui. Ik zat te bibberen.

Die nacht sliep Sini niet op de matras op de vloer. Ze kroop in bed bij Dientje en mij.

‘Ik ben bang, meisjes,’ herhaalde Dientje steeds. ‘Het is zo gevaarlijk, en dan Johan nog weg... Aan opoe heb je ook niets. Meisjes, hoor je me?’

We draaiden en woelden. We hadden het gehoord.

 

Toen opoe 's morgens binnenkwam om ons te wekken, waren we het bed al uit.

‘Moeder,’ zei Dientje, ‘het is te gevaarlijk de meisjes nu hier te houden. Echt waar.’

Ze moest haar zenuwen in bedwang houden, zei opoe. Wat was er nu veranderd? De kippen hadden nog steeds honger. Wij moesten eten. ‘En Johan? Die komt wel terug.’

Goed, betoogde Dientje, maar wie weet wanneer.

‘Ja, dat weet ik ook niet.’

Sini en ik zaten op onze stoel te luisteren.

Dientje ging verder: ‘...gevaarlijk... als... zijn we erbij... neergeschoten... die uitroeiingskampen... ja ja... wat weet jíj daarvan. We nemen ze weer terug als Johan thuiskomt.’

Wat was dat? Waar moesten we heen? Ik beet op mijn onderlip.

[p. 118]

‘Ik ga meneer Hannink vragen om ze te nemen. Die zei twee jaar geleden dat we ze maar voor een paar weken zouden hebben. Ze kunnen in die schuilplaats blijven die ze daar achter hebben.’

Nee, niet daar, Dientje. Daar kan ik niet meer heen. Alsjeblieft. Ik keek naar opoe. Die zou het niet goedvinden dat we naar de familie Hannink gingen. Opoe probeerde haar tegen te houden, maar Dientje hield voet bij stuk. ‘Ik wil het ze ook niet aandoen, maar het is alleen voor zolang Johan weg is.’

Na een poosje gaf opoe toe, maar ze had tranen in haar ogen. ‘Foei foei, wat een wereld!’

Sini zei niets.

Dientje ging weg.

Met een verlegen gezicht kwam ze terug van meneer Hannink. ‘Het is in orde,’ zei ze, ‘jullie kunnen er vannacht heen. Ze brengen eten en alles wat je verder nodig hebt naar de schuilplaats. Eerlijk, meisjes, als je wist hoe ik me voel...’

Toen ze de kamer uit ging probeerde ze me te knuffelen, maar ik maakte me van haar los. Ik voelde me ook ellendig. Erger dan ellendig. Waarom was Johan niet hier? Hij had het in Enschede natuurlijk wel naar zijn zin met al die brandweerauto's.

Toen het die avond donker was geworden verlieten we het huis. Dientje liep hard voor ons uit. Zo nu en dan liep ze wat langzamer zodat we haar konden inhalen.

We wachtten achter in de tuin van de familie Hannink terwijl zij aan de bel trok. Een ogenblik later was ze terug met meneer Hannink. We volgden hem tot waar de grond iets hoger aanvoelde. Daar hielden we stil.

‘Het is zo beter, meisjes,’ fluisterde Dientje. ‘Eerlijk.’

Als verdoofd daalden Sini en ik af.

 

De dagen waren net zoals de nachten, zelfs met de zaklantaren. 's Avonds kwam mevrouw Hannink met het eten voor de volgende dag. ‘Als we in huis een schuilplaats hadden,’ zei ze iedere keer, ‘geloof me, dan zouden we jullie niet hier laten.’

Sini huilde er heel wat af. Ze was ervan overtuigd dat de Oostervelds ons nooit meer terug zouden nemen.

‘Maar, Sini, Johan zal ons hier niet laten zitten.’

‘Waarom niet?’ vroeg ze.

Ja, waarom niet? ‘Dat doet hij niet, Sini. Je zal het zien.’

‘Wat zien?’ snikte ze. ‘Niks zien. Nooit meer. Als ik hier uitkom, heb ik er genoeg van. Ik blijf niet langer ondergedoken, en

[p. 119]

het kan me niet schelen wat er met me gebeurt.’

Ze wilde terug naar Johans huis, maar ze wilde zich niet meer verschuilen? ‘Sini?’ Maar ze kon me niet horen. Ze maakte te veel geluid. Ze moest wat voorzichtiger zijn. Huilgeluiden komen meestal niet uit de grond. Ik boog me naar haar toe om dat te zeggen. Het hielp - een poosje. Wat zou er met mij gebeuren als Sini zich niet meer wilde verschuilen? Bezorgd ging ik liggen.

 

Johan zou waarschijnlijk binnenkort terugkomen, zei meneer Hannink. Het leek erop dat de Duitsers de mannen niet meer van de straat oppakten.

Op de tiende avond kwam hij. ‘Ik ben net thuis,’ zei hij, ‘en jullie waren er godverdomme niet. Ik ben razend op die twee vrouwen. Zijn jullie gek geworden om daar als een paar mollen te gaan zitten. Kom eruit. We gaan naar huis.’

Duizelig liepen we achter hem aan. Hij was gekomen.

 

Sini was niet vergeten wat ze in het hol had gezegd, dat ze niet meer binnen zou blijven.

‘Maar zo lang duurt het nou niet meer,’ zei Johan tegen haar, ‘dus hou op met dat geklets.’

Maar dat deed ze niet. Toen werden in december de geallieerden aangevallen in België. Ze waren te verbaasd om terug te vechten en dagenlang trokken ze terug, achternagezeten door de Duitsers.

‘Dat kan niet duren,’ zei Johan. ‘Dat weet iedereen.’

Maar wat hij ook zei, Sini hield niet op met huilen. Ook niet als Dientje woest zei ‘Ssst! Hou je in godsnaam rustig.’

‘Zulke tonelen heb ik nog nooit van mijn leven meegemaakt. Foei foei.’

‘Maar ik ben drieëntwintig, opoe, en ik wil naar buiten. Ik heb er genoeg van.’

‘En wat wil je dat ik daaraan doe. Hè? Zeg me dat eens.’ Johan ademde zwaar.

We keken allemaal naar Sini. Ja, wat moest Johan daaraan doen?

Vraag meneer Hannink om een vals persoonsbewijs, zei ze onmiddellijk. Hoe durfde ze? Had die arme man nog niet vaak genoeg zijn leven voor ons geriskeerd? Wel, misschien deed hij het niet. Niemand zei iets.

‘Er zijn zoveel mensen uit Arnhem die hun huis kwijt zijn, Johan, zou ik er daar niet een van kunnen zijn? Ik zie er niet joods

[p. 120]

uit. Wie zou erachter kunnen komen? Je hebt zelf ook mensen van daar aan de deur gehad die om eten en een slaapplaats vroegen.’

Ik durfde niet naar Johans gezicht te kijken. Ik was te bang om te zien hoe hij zou reageren. ‘Verdomme, Sini, deze keer vraag je me echt heel wat.’

Ik keek op. Johan zat zijn hoofd te schudden. ‘Maar het is geen slecht idee. Het is eigenlijk een erg goed idee. Ik kan ervoor zorgen dat je hier in de buurt een baantje krijgt als meid. Ik kan ze zeggen hoe goed je bent met koeien. Ik zal naar meneer Hannink gaan om te kijken wat hij en ik kunnen doen. Hè? Hoe vind je dat voor een domme boer?’

‘Zou het niet gevaarlijk zijn?’

‘Ach vrouw, niet als we het doen zoals ik het van plan ben.’

Opoe schudde haar hoofd. ‘Het is niet zo leuk voor Annie, Johan.’

‘Wel, die is anders. Die kan ertegen, en Sini niet.’

O, is dat zo? Natuurlijk, ik vind het heerlijk hier boven te wonen. Kan je dat niet aan me zien? Is mijn glimlach niet breed genoeg? Hier, is deze beter? Zo heerlijk vind ik het nu. En ieder jaar zal mijn glimlach breder worden omdat ik het steeds heerlijker ga vinden.

‘Wat zegt Annie ervan?’ vroeg opoe.

‘Ik geloof dat het misschien wel een goed idee is,’ zei ik, zo hard ik kon.

Sini stond op van haar stoel en sloeg haar armen om me heen.

 

Meneer Hannink zei dat hij de papieren kon krijgen, en een paar dagen later kwam hij ze brengen. Een ondergrondse in Enschede had ze voor hem gemaakt.

Op de voorkant tekende Sini met haar nieuwe naam, Sini te Broeke, dwars over haar foto. Aan de binnenkant: geboren 2 maart 1922 te Arnhem; beroep, dienstbode.

Johan ging naar een paar boeren en vroeg hun allemaal hetzelfde: ‘Heb je een meid nodig? Dit meisje is naar mijn huis gekomen, maar ik heb geen werk voor haar. Anders zou ik haar zelf houden. Ze heeft een goed stel werkhanden, man. En ze gaat geweldig met koeien om, dat kan ik je wel vertellen. Ze melkt ze net zo vlug als jij nodig hebt om eronder te gaan zitten.’

De derde boer zei dat hij zo iemand wel kon gebruiken en Sini deed de kleren die ze had in een tas. ‘Annie, als je werkelijk niet wilt dat ik ga, kan Johan de boer zeggen dat ik niet kom. Annie?’

[p. 121]

Het zag eruit alsof het zou gaan sneeuwen. Misschien zou er vóór de kerst wat vallen.

‘Vind je het goed? Eerlijk?’ Haar stem trilde.

‘Vertel ze niet over je melkdiploma,’ waarschuwde opoe. ‘Ze zijn daar niet zo aanstellerig.’

‘Goed,’ zei Johan, ‘dan gaan we maar. Ik loop wel met je mee.’

‘Wil je een boterham en een kopje melk voordat je gaat, Sini?’

‘Moe, waar denk je dat ze heen gaat?’

‘Dat weet ik, maar ze zou toch ergens trek in kunnen hebben?’

‘Werk niet te hard,’ zei Dientje. ‘Hoe meer je doet hoe meer ze van je vragen.’

‘Ze moet wel iets uitvoeren anders sta ik voor leugenaar. Waar denk je dat ze haar voor willen hebben, hè? Voor haar rode haar? Zeg haar dus niet dat ze net zo moet doen als jij. Kom, zeg je zusje goeiendag.’

Ik wilde opstaan en haar een zoen geven, maar ik kon het niet. Sini kwam naar mij toe.

Ze pakte haar tas en liep naar de deur. Ze draaide zich niet om.

Een ogenblik later hoorde ik haar met Johan uit de keuken komen. Ik verborg mijn gezicht in mijn handen. Het was niet eerlijk.

 

Ik bracht het grootste deel van de dagen in bed door. Ik had Sini beloofd dat ik elke dag mijn rondjes zou lopen, maar ik deed het niet. Als ze daar zo bezorgd om is, laat haar dan maar terugkomen. Ze vindt het leuk op die boerderij. Wat zei ze verleden week ook weer? Ze miste me. Waarom was ze me dan gisteravond niet komen opzoeken? Ik fronste mijn voorhoofd.

‘Vergeet ze je?’ vroeg opoe me.

‘Nee,’ zei ik, ‘ze heeft het erg druk.’

‘Waarmee?’ vroeg opoe.

Met werken natuurlijk. Maar morgen komt ze voor het kerstmaal, en dan blijft ze de hele middag en de hele avond.

Dat waren Dientjes voetstappen op de trap. Wat wilde ze? ‘Schuif eens op,’ zei ze, ‘dan kan ik hier zitten. Wat heb je vandaag gedaan?’

Wat een vraag! Ik probeerde te glimlachen.

‘Waar wil je dat Dientje deze nieuwe kalender ophangt?’

‘Nergens.’

Waarvoor? Om hier ook weer dagen op door te strepen? Nee.

[p. 122]

De volgende dag liep ik om etenstijd langzaam de trap af.

‘Is de keukendeur op slot?’ vroeg Dientje.

‘Ja.’

‘Nou, Annie, zodra je iemand buiten hoort, hol je de trap op. Hier, ga bij de deur zitten.’

Sini ging naast me zitten. Ze nam mijn hand vast. Haar greep was hard. ‘Johan, ken jij die Wassink? Van de boerderij verderop?’

‘Natuurlijk ken ik die. Waarom?’

‘Ik ben gisteravond met hun zoon uit geweest.’

Ik hield mijn blik op mijn bord gevestigd.

‘O ja?’ vroeg opoe. ‘Ga je nou al uit?’

‘Mijn god,’ zei Sini, ‘ik ben in jaren niet geweest. Ik heb er de leeftijd voor, opoe.’

‘Waar zijn jullie naar toe geweest?’ vroeg Dientje.

‘Nou, in Usselo kan je nergens heen, dat weet je. We zijn alleen maar een wandeling gaan maken. Hij is aardig. Hij heeft me gevraagd op oudejaarsavond bij hem thuis te komen.’

‘Misschien kun je die avond beter Annie gezelschap houden,’ zei Johan.

‘Dat hoeft ze niet,’ protesteerde ik.

‘Nou, dat wil ik wel, maar je gaat zo vroeg naar bed. Goed, ik doe het allebei. Ik kom hier vroeg in de avond. Wist je dat er in Boekelo een toneelvereniging is?’

‘Wat doen ze daar?’ vroeg opoe.

‘O, ze komen op zaterdagavond bij elkaar en repeteren een toneelstuk of zo iets. Ze willen dat ik erbij kom.’

‘En ga je?’ vroeg opoe wantrouwend.

‘Dat weet ik nog niet.’

‘Waarom zou je in een toneelstuk willen spelen? Is het hier niet goed genoeg op zaterdagavond? Tjonge, toneelstukken. Wat moet je daarmee?’

‘Moe, ze is oud genoeg om te weten wat ze doet.’

‘Ja ja, misschien wel. Dientje, dit konijn is zo taai dat het mijn tandvlees pijn doet. Nee, het geeft niet. Ik heb niet veel nodig, niet op mijn leeftijd. Ik kan er een beetje op zuigen zodat ik weet waar het naar smaakt. Wat heb je nog meer?’

Ik keek naar Sini. Haar ogen straalden. Geen wonder dat de jongens haar uit vroegen. Ze was mooi.

‘Hee, Annie, ik hoor wat. Ga naar boven. Neem je bord mee, nee, geef het maar hier.’ Dientje holde ermee de keuken in.

[p. 123]

Ik stond op. Met mijn hand duwde ik de stoel weg. Wanhopig probeerde ik de trap te bereiken. De voetstappen kwamen steeds dichter bij het raam. Ik kon me niet bewegen. Mijn benen deden zo'n pijn.

‘Ga toch! Wat heb je?’ riep Dientje.

Johan sprong van zijn stoel op en greep me bij mijn schouders. Met een ruw gebaar deed hij de deur open en duwde me de trap op. De tranen liepen over mijn wangen toen ik mijn kamer bereikte. Wat was dat vreselijk, niet te kunnen lopen. Iedereen had naar me zitten staren, zelfs Sini.

Ik gooide me op het bed. Daar hoorde ik. Niet beneden bij de anderen. Haastig kwam ik overeind en veegde mijn tranen weg. Wie er ook de trap op kwam hoefde me niet zo te zien.

Sini kwam binnen. ‘Zeg, dat was Groothuis. Hij kwam Johan iets vertellen dat hij juist had gehoord. De geallieerden zijn in België een tegenaanval begonnen. Is dat niet geweldig? Misschien hoef je hier niet lang meer te zitten, zusje. Weet je dat ik veel aan je denk? Geef me een zoen. Ik moet weg.’

‘Kom je morgen weer terug?’ Waarom vroeg ik dat?

‘Ik zal het proberen. Dat beloof ik.’

Ik zal morgen wat vlotter zijn - als ze komt. Ze komt wel als ze kan. Haar handen voelden zo ruw aan. Omdat ze zo hard werkt.

Ik hoorde de keukendeur dicht gaan. Ik drukte me tegen de muur naast het raam en keek uit mijn ooghoeken naar beneden. Het was Sini. Ze keek naar boven. Ik glimlachte.

 

De Duitsers liepen aan één stuk door weg. De geallieerden joegen ze helemaal terug tot in Duitsland. In het oosten deden de Russen hetzelfde; ze hadden de Duitsers bijna tot Berlijn teruggedrongen.

Toen Sini me op kwam zoeken, trok ze me het bed uit. ‘Sta op en loop, Annie, en deze keer zonder praatjes.’

Zou ik gauw kunnen lopen? Echt lopen? Buiten? Ik begon te lachen. IJverig stak ik mijn benen over de rand van het bed. Ik zou Dientje vragen om die kalender van 1945. Ik moest alle dagen van januari en de eerste tweeëntwintig van februari doorstrepen. Alle koude, eindeloze dagen van die maanden.

‘Je weet toch van die man met wie ik werk?’

‘Ja, Johan.’

‘Die zegt dat het Canadese leger in een paar weken hier is. Ja. Canadezen. Laat Johan eens zien hoe je kan lopen. Brave meid.’

[p. 124]

Waarom heeft hij het weer over die man met wie hij werkt? Heeft die dan geen naam? Hij heeft het nog nooit bij het rechte eind gehad. Hij is... hij is stom... een leugenaar. Mijn lippen begonnen te trillen.

 

Toch leek de man wel ergens iets van te weten. Ze kwamen dichterbij, de Canadezen. Maar er waren al vijf weken voorbij en nog steeds waren ze niet hier. En er gebeurde zo weinig boven. Buiten werden de bomen weer groen, het bleke tere groen van de lente.

Heb je dat ook gezien, raam? Dat moet wel. Je bent even dicht bij de bomen als ik. Zeg me dan hoe jij vindt dat het groen eruitziet. Wat, geef je geen antwoord? Hoe durf je.

Ik liep op het raam toe. Zeg iets.

Vol afkeer liep ik weer terug. Wat had het voor zin?

 

Op 31 maart namen de Duitsers alle paarden en wagens waar ze de hand op konden leggen in beslag.

‘Waar zouden ze dat voor doen?’ vroeg opoe.

‘Dan kunnen ze harder weglopen,’ antwoordde Johan.

‘Maar ze zijn toch niet van hen?’

‘Moe, heb je dan nog niks geleerd in die vijf jaar?’

‘Ja ja, ze zijn niet eerlijk. Dat is ook zo.’

Johan liep haastig het huis uit. Hij ging zijn paard naar een veiliger plaats brengen, waar ze ‘verdomd bijdehand moeten zijn om haar te vinden.’

Als hij maar uitkeek, met al die vliegtuigen in de lucht. Zouden het Duitse zijn? Vielen ze de Canadezen aan? Sloegen ze hen terug? Ik deed mijn handen over mijn oren. Waar was iedereen?

‘Annie,’ gilde Dientje, ‘kom naar beneden naar de schuilkelder met opoe en mij.’

‘Maar de buren?’

‘Er is niemand op straat nou. Kom. Je kunt toch nou niet meer verongelukken.’ Haar stem schoot uit. ‘Annie.’

‘Ik kom zo vlug als ik kan.’

Dientje droeg me half de schuilkelder binnen.

‘Opoe, ben je hier?’

‘Ja ja, waar anders? Waar is Johan toch? Ze zouden zijn paard niet afgenomen hebben.’

‘Ja, dat hadden ze wel. Maar waarom is hij nog niet terug?’ Ik ben bang. O god, hoorde je dat? Johan,’ jammerde Dientje.

[p. 125]

‘Hou je hersens bij elkaar. Annie, ben jij bang?’

Ik maakte me zelf zo klein mogelijk. Je weet dat een bom je kan raken, niet? En je ook doodmaken. Na twee jaar en zeven maanden in de kamer boven zou het een bom kunnen worden, niet het vernietigingskamp. Ha, naar buiten. Misschien kom je nooit deze schuilkelder uit. Luister eens naar dat lawaai. Moet je eens luisteren. Wie wil er bevrijd worden als je hier doorheen moet? Het leven was best zoals het was. Ik vond het niet erg. Nee, dat meen ik niet. Ik vond het wel erg. Heel erg.

 

‘Jullie hier?’ kwam Johan binnen. ‘Annie ook? Goed zo.’

‘Waarom ben je op straat gebleven? Waarom ben je niet gauwer teruggekomen? Het had je dood kunnen zijn. Je weet het altijd zo goed.’ Zat Dientje te huilen?

‘Het ergste is nou voorbij,’ zei Johan met toonloze stem. ‘Je had het moeten zien. Een bom boven op de bakkerij. Drie mensen dood. Ook een bom op de pastorie. Het is een puinhoop, maar er waren geen mensen in huis.’

‘Waar was jij, Johan?’

‘Op mijn buik in een weiland. Ik heb alles gezien. Jongens jongens, wat een bende! Het waren Canadese vliegtuigen.’

‘Waarom hebben ze een bom op de bakkerij gegooid?’ vroeg Dientje.

‘Ik weet het niet. Een vergissing denk ik.’

‘Mooie vergissing. En de pastorie was zeker ook een vergissing? Waar is de dominee?’

‘Ik zag hem, moe. Hij is in orde. Laten we maar naar binnen gaan. Ze zijn weg.’

 

‘Ik kwam de Hanninks tegen,’ zei Johan boven, ‘juist na het bombardement. Je had meneer Hannink moeten zien. Hij stond te trillen. Heus. Ik zeg tegen 'm, wat heb je? Je bent gewend aan gevaar. Waar ben je zo bang voor? Hij gaf me nauwelijks antwoord. Hij kon het niet. Hij stond te klappertanden. Ik maak geen grapje. Tjonge, om zo bang te zijn. Ik vond het ook niet prettig, maar ik was niet...’

‘Is hun huis geraakt? Ze wonen zo dicht bij de bakkerij,’ onderbrak Dientje hem.

‘De ramen liggen eruit. Dat is alles.’

‘Daar is Sini bij de keukendeur, Johan.’

Johan keek uit het raam. ‘Je hebt gelijk. Hee, je had thuis moe-

[p. 126]

ten blijven. Omdat het zaterdagavond is dacht je dat je d'r uit moest?’

‘Ik moest hierheen. Ik heb nog nooit van mijn leven zo vlug gemolken.’

‘Is er bij jullie in de buurt wat gebeurd?’

‘Niet zoals hier. Ik was zo bang dat jullie iets overkomen was.’

‘Johan, daar is nog iemand aan de deur.’

‘Is dat Dini Hannink? Ik heb haar net gezien. Wat is er, Dini? Is je vader al wat rustiger?’

‘De Canadezen komen morgen.’

‘Die vliegtuigen weer?’ vroeg opoe.

‘Nee, soldaten. Tegen de middag zijn we vrij.’

‘Hoe weet je dat, Dini?’

‘Van iemand die het kan weten. De vliegtuigen hebben vandaag de weg vrijgemaakt. Er hoeft morgen niet gevochten te worden. De paar Duitsers die nog in de buurt zijn zullen tegen die tijd weg zijn.’

‘Wel verdomme,’ zei Johan. ‘Dan zijn we vrij.’

‘Het zou fijn zijn als we nu een druppeltje koffie hadden,’ zei opoe ‘echte koffie. Drinken Canadezen of Amerikanen, of wat het ook zijn, ook koffie?’

‘Natuurlijk, opoe.’

‘Dan moet je om wat koffie vragen, Johan. Jij spreekt hun taal.’

‘Dat doe ik zeker. “Coffee you have me,” zal ik zeggen. Sini, niet gek voor een domme boer hè?’

‘Prachtig, Johan.’

Waarom ben ik zo kalm alsof dit een gewone avond is? Ben je niet blij? Ja, maar ik voel me helemaal niet anders, niet opgewonden of zo. Misschien maar goed ook, voor het geval er niets gebeurt. Wat zal ik gaan doen als het wél gebeurt? Naar buiten gaan? En als er dan nog een Duitser is achtergebleven? Je weet, er hoeft er maar één te zijn. Dat is genoeg. Eentje maar. Ik voelde me wel anders. Onbehaaglijk schoof ik heen en weer op mijn stoel.

‘Sini, morgen ben je hier of niet?’ vroeg Johan.

‘Natuurlijk. Ik vraag een vrije dag.’

‘Zeg ze nog niet wie je bent,’ waarschuwde Dientje.

‘Wel verdomme. Morgen.’

Waarom morgen? Na die bommen zou het vandaag moeten gebeuren. Misschien komen er morgen weer vliegtuigen. Dan kunnen we nog gedood worden, net als die mensen in de bakkerij. Mijn gezicht gloeide, en ik voelde me zweterig.

[p. 127]

‘Ik kan vast de hele nacht niet slapen,’ zei opoe. ‘Ik geloof maar dat ik niet eens de moeite doe het te proberen.’

‘Je moet wel, moe. Morgen zal je het druk hebben.’

‘Ja, ja, waarmee?’

‘Kom je niet met ons mee om naar de Canadezen te kijken?’

‘Ik? Nee. Daar begin ik niet aan. Kijken naar Canadezen. Als Hendrik dat eens wist.’

terug  begin  verder