De schuilplaats


auteur: Johanna Reiss


bron: Johanna Reiss, De schuilplaats. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1984 (8ste druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 135]

Postscriptum

Er ging een week voorbij en nog steeds was Johan niet naar Winterswijk geweest. ‘Morgen,’ zei hij steeds maar. Als de morgen kwam, herinnerde niemand hem eraan. Toen kwam Rachel in Usselo aan, te voet, omdat er geen bussen reden en niemand meer banden op zijn fiets had.

‘Je kunt het best in één dag,’ zei ze, ‘als je tenminste net zo graag hier wilde zijn als ik.’

Het was fijn weer bij haar te zijn tot ze zei dat ze gekomen was om ons naar Winterswijk te brengen.

‘Ik kan nog niet weg,’ zei Sini. ‘Ik heb een afspraak met een jongen, en ik heb hem pas leren kennen.’

‘En ik ga ook niet weg,’ zei ik. ‘Ik raak er net aan gewend dat ik hier naar buiten kan.’ Uitdagend keek ik de keuken rond. Niemand zou me dwingen te gaan.

En Rachel ging alleen naar Winterswijk om het huis schoon te maken.

 

Het was bijna een maand later toen Sini en ik uit Usselo vertrokken, in de auto van haar vriend. De paar kleren die we hadden waren in oude kranten gewikkeld, het slechte soort, de kranten met al die leugens. In mijn zak zat het geld dat moeder me de laatste keer dat ik haar zag gegeven had.

Opoe stond in de deuropening. Ze huilde. ‘Jullie staan me nader dan mijn eigen familie. Wat moet ik nou toch doen?’

De vriend startte de motor.

Johan snoot zijn neus. ‘Verdomme.’

‘Vergeet ons niet,’ riep Dientje ons toe.

Langzaam reden we weg, zwaaiend.

 

Vader was ook in Winterswijk. Ons leven daar begon weer.

Na een tijdje gingen zowel Rachel als Sini weg. Ten slotte vertrok ik ook, naar Amerika. In mijn hutkoffer zat de knipmuts die opoe me gegeven had toen ik afscheid was gaan nemen. ‘Leg het bovenop, niet onderop,’ zei ze me, ‘anders gebeurt het weer. Weet je nog - dat zware boek?’

 

Vier jaar geleden ging ik met mijn twee kinderen naar Usselo.

‘You Holland talk?’ vroeg Johan hun.

Ze schudden hun hoofd. Nee.

[p. 136]

Met z'n tweeën zaten ze bij Dientje op schoot en keken naar opoe.

‘Waarom heb je toch geen kunstgebit genomen, opoe,’ zei ik. ‘Al die jaren heb je getobd omdat je het niet hebt gedaan.’

‘Onzin,’ zei ze, ‘ik ben eraan gewend. En nou heeft het geen zin meer. Binnenkort.’

Ze was toen tweeënnegentig.

 

Ik nam mijn kinderen mee de trap op naar de voorkamer. Johan had de schuilplaats net zo gelaten.

‘Dat is de plek waar mamma altijd inkroop,’ zei ik.

‘Probeer eens of je het nog kan,’ vroegen ze me.

Gehoorzaam liep ik naar de kast en liet me op mijn knieën zakken.

Verder kwam ik niet.

‘Kijk, ze huilt,’ zeiden mijn dochters.